← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juli 2024 ECLI nr: E

§ 3

, is telkens erin voorzien dat in dat specifieke geval enkel de proportionele boete op grond van artikel 70, §

§ 3

, wordt opgelegd : 5 « Het past te voorkomen dat hij die een overtreding begaan heeft die tegelijk door artikel 70, § 2, en door artikel 70, § 1, wordt bestraft (ontstentenis van factuur en niet-boeken van de handeling; vermelding van een lagere dan de werkelijke prijs), twee geldboeten zou verbeuren. Daarom bepaalt artikel 70, § 2, derde lid, dat alleen de bij § 2 bepaalde geldboete is verschuldigd » (ibid., pp. 63-64). B.1.

  1. Artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek voorziet in een regeling die van toepassing is op « de niet in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van wets- en verordeningsbepalingen in verband met de voldoening van de belasting » (ibid., p. 64). In de oorspronkelijke versie ervan voorzag de in het geding zijnde bepaling in een minimum- en een maximumbedrag, van 1 000 tot 10 000 Belgische frank per overtreding, waarbij het bedrag van die geldboetes door de door de Koning aangewezen ambtenaar werd bepaald (vroeger artikel 72, tweede lid, van het BTW-Wetboek). B.1.
  2. Het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 « tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde » (hierna : het koninklijk besluit nr. 44) is genomen ter uitvoering van artikel 70, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek. In het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit nr. 44 wordt het volgende uiteengezet : « Artikel 70, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij artikel 41 van de programmawet van 22 juni 2012, bepaalt de minimum- en maximumbedragen van de niet-proportionele fiscale geldboeten ten aanzien van overtredingen van het Wetboek en van de in uitvoering ervan genomen koninklijke besluiten. Het heeft tot doel om een ontradend effect te creëren ten aanzien van de niet-naleving van de verplichtingen zoals dat al bestaat in artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 92) en de belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun fiscale verplichtingen na te leven, vooral wat de indiening van aangiften betreft en, in voorkomend geval, de niet-naleving van deze verplichtingen te bestraffen in functie van de aard en de ernst van de overtreding » (Belgisch Staatsblad van 17 juli 2012, p. 39014). B.2.
  3. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt, doordat de erin voorziene boetes verschuldigd zijn « zelfs wanneer deze boeten worden opgelopen wegens eenzelfde overtreding, terwijl een dergelijke cumulatie van sancties wordt uitgesloten wanneer gelijktijdig 6 een inbreuk wordt gepleegd op de voldoeningsplicht en een inbreuk op de facturatieplicht of de plicht een invoerdocument op te stellen ». B.2.
  4. Uit de procedure voor het verwijzende rechtscollege kan worden afgeleid dat de vraag in werkelijkheid betrekking heeft op de combinatie van boetes op grond van artikel 70, § 1, en artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek, voor verschillende overtredingen die gelijktijdig plaatsvonden. Meer in het bijzonder blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de vraag betrekking heeft op de situatie van een belastingplichtige die zich gelijktijdig schuldig maakt aan inbreuken op de voldoeningsplicht (ten gevolge van een inbreuk op de facturatieplicht, waardoor op grond van artikel 70, § 2, derde lid, enkel de boete voor de inbreuk op de facturatieplicht werd opgelegd), enerzijds, en op de verplichte aangifte van de aanvang van de activiteit, de indiening van periodieke aangiftes en de indiening van een jaarlijkse klantenlijst (respectievelijk inbreuken op artikel 53, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en artikel 53octies, § 1, vijfde lid, van het BTW-Wetboek, die worden bestraft op grond van artikel 70, § 4), anderzijds. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.2.
  5. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt bovendien dat de prejudiciële vraag in werkelijkheid de in B.2.1 vermelde hypothese vergelijkt met de hypothese waarin artikel 70, § 2, derde lid, of § 3, derde lid, wordt toegepast. Uit hetgeen is vermeld in B.1.3 blijkt dat artikel 70, § 2, derde lid, en § 3, derde lid, van het BTW-Wetboek geen betrekking heeft op louter gelijktijdige overtredingen, maar de combinatie van de proportionele boetes uitsluit wanneer één overtreding tegelijk wordt bestraft door artikel 70, § 1, en door artikel 70, §

§ 3. Het Hof behandelt de prejudiciële vraag in die interpretatie.

B.3.

  1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 7 B.3.
  2. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.3.
  3. De wetgever mag bijzonder zware straffen opleggen in sectoren waar de omvang en de frequentie van de fraude de belangen van de gemeenschap ernstig aantasten. Zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in B.1.5, is de toepassing van de forfaitaire boetes op grond van artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek bedoeld om een ontradend effect te creëren ten aanzien van de niet-naleving van de verschillende formele verplichtingen die gelden in het kader van het BTW-Wetboek, en om de belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun fiscale verplichtingen na te leven. Zoals de Ministerraad opmerkt in zijn memories, leiden de overtredingen die bestraft worden met forfaitaire boetes, ertoe dat zowel de activiteiten van de betrokkene als de activiteiten van eventuele andere belastingplichtigen moeilijker te controleren zijn. De toepassing door de burgerlijke rechter van een regel waarbij, in het geval er tijdens dezelfde periode een overtreding op de voldoeningsplicht wordt gepleegd die wordt bestraft op grond van artikel 70, § 1, en een overtreding wordt gepleegd die wordt bestraft met een forfaitaire boete, enkel de forfaitaire boete wordt opgelegd, zou niet verenigbaar zijn met het sanctiesysteem van artikel 70 van het BTW-Wetboek. Dit zou immers ertoe leiden dat bij overtredingen van de door het BTW-Wetboek opgelegde formele verplichtingen, die gelijktijdig plaatsvinden met overtredingen die worden bestraft met een proportionele boete, slechts één forfaitaire boete van maximaal 5 000 euro zou kunnen worden opgelegd. Een dergelijke maatregel zou niet het ontradende effect hebben dat de wetgever met de in het geding zijnde fiscale geldboetes moet beogen. B.4.
  4. De in artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale boete heeft tot doel de niet in de paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van hetzelfde Wetboek en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te voorkomen en te bestraffen. Ze heeft derhalve een repressief karakter en is strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 8 Het Hof dient bijgevolg, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening te houden met de waarborgen vervat in dat artikel 6 en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid opgelegde geldboete. B.4.
  5. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen. B.4.
  6. Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen. Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.4.3, schendt artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juli
  7. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.096 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.8 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.