id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.092 Arrest- Rolnummer: 92/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 524 - laatst gezien 2026-06-18 14:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. Gerechtelijk recht - Collectieve schuldenregeling - Verplichting voor de schuldeiser om zijn schuldvordering aan te geven binnen de termijn - Vermoeden van afstand van de schuldvordering - Beoordelingsvrijheid van de rechter Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 92/2024 van 19 september 2024 Rolnummer : 8095 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 20 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 oktober 2023, heeft het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1675/9, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek in de mate volgens dit artikel de schuldeiser die niet binnen de in dit artikel voorziene termijn zijn schuldvordering indient in de collectieve schuldenregeling van zijn schuldenaar, geacht moet worden afstand te doen van zijn schuldvordering en dit artikel de rechter niet toelaat om deze vermoede afstand te appreciëren en al dan niet uit te spreken, het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens beschermde recht op eerbiediging van de eigendom ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - K.S., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jonas Devoldere, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Steve Ronse en Mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. 2 Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor het verwijzende rechtscollege heeft betrekking op een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling, waarin geen rekening wordt gehouden met de burgerlijke schadevergoeding waartoe de eerste appellant jegens de eerste geïntimeerde wegens een strafrechtelijk misdrijf door het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 15 september 2021 werd veroordeeld. Hoewel die schadevergoeding wordt vermeld in het verzoekschrift tot het opstarten van de procedure van collectieve schuldenregeling, heeft de eerste geïntimeerde noch binnen de termijn van een maand na kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid (conform artikel 1675/9, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek), noch binnen de daaropvolgende, laatste, termijn van vijftien dagen vanaf ontvangst van de mededeling van de schuldbemiddelaar dat hij over een dergelijke laatste termijn beschikt (conform artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek) een aangifte van schuldvordering ingediend. De raadsman van de eerste geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege tekende tegen dat ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bezwaar aan bij de schuldbemiddelaar, waarin hij opwierp dat zijn cliënt een verstandelijke beperking heeft en het belang van de brieven die hem werden gericht niet correct kon inschatten. De schuldbemiddelaar besliste daarop om het bezwaar voor te leggen aan de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Kortrijk, die bij vonnis van 3 februari 2023 het bezwaar gegrond verklaarde en de schuldbemiddelaar gelastte om een nieuw ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op te stellen waarin de schuldvordering van de eerste geïntimeerde wordt opgenomen. De eerste en de tweede appellant tekenden hoger beroep aan tegen dat vonnis bij het verwijzende rechtscollege. Dat beslist ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De eerste geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege wijst erop dat zijn schuldvordering een bijzondere bescherming geniet, gelet op het feit dat de rechter, krachtens artikel 1675/13, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, geen kwijtschelding kan verlenen voor de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf. In het licht hiervan vormt de vaststelling van een vermoeden van afstand en dus de vaststelling dat de schuldvordering van de eerste geïntimeerde geen deel mag uitmaken van de collectieve schuldenregeling van de eerste appellant, een onevenredige inbreuk op het eigendomsrecht, gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Niet alleen zou de eerste geïntimeerde dan geen enkele schadevergoeding ontvangen, bovendien zou daardoor het algemeen belang niet worden gediend. A.1.
- De eerste geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof om het onderzoek van de prejudiciële vraag uit te breiden tot een toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de eerste geïntimeerde voor het verwijzende 3 rechtscollege is de in het geding zijnde bepaling op een dubbele wijze niet bestaanbaar met dat beginsel. Ten eerste vormt de toepassing van het vermoeden van afstand van schuldvordering zonder onderscheid naargelang van de verstandelijke capaciteiten van de schuldeiser, een identieke behandeling van personen die zich in verschillende omstandigheden bevinden, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Ten tweede leidt de in het geding zijnde bepaling tot een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling tussen, enerzijds, de schuldeiser van een niet kwijt te schelden schuld die in het verzoek tot collectieve schuldenregeling wordt vermeld en waarvoor de schuldeiser aangifte heeft gedaan en, anderzijds, de schuldeiser van een niet kwijt te schelden schuld die in het verzoek tot collectieve schuldenregeling wordt vermeld, maar waarvoor de schuldeiser geen aangifte heeft gedaan. A.
- De Ministerraad is van mening dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het eigendomsrecht. De schuldeisers krijgen immers twee termijnen om aangifte van hun schuldvordering te doen, termijnen die bovendien pas een aanvang nemen op het ogenblik dat zij op regelmatige wijze werden geïnformeerd over de beschikking van toelaatbaarheid. Er anders over oordelen, zou neerkomen op een onverantwoorde belemmering van de collectieve schuldenregeling, die gericht is op het herstel van de financiële toestand van de schuldenaar, zodat deze een menswaardig leven kan leiden. Met betrekking tot de door de eerste geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege gevraagde toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, merkt de Ministerraad op dat het de partijen niet is toegestaan om de draagwijdte van de prejudiciële vraag te verruimen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1675/9 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « §
- Uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze overeenkomstig artikel 1675/16 ter kennis brengen van : 1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, zijn raadsman; 2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van een formulier van aangifte van schuldvordering, van de tekst van § 2, van dit artikel en van de tekst van artikel 1675/7; 3° de schuldbemiddelaar onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken; 4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van een afschrift van de tekst van artikel 1675/
- Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening moet worden gestort, waarop alle betalingen aan verzoeker worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening, de verrichtingen erop en het saldo ervan. 4 §
- De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na toezending van de beschikking van toelaatbaarheid bij de schuldbemiddelaar worden verricht, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde. Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven. §
- Indien een schuldeiser niet binnen de in § 2, eerste lid bedoelde termijn, aangifte van schuldvordering doet, brengt de schuldbemiddelaar hem bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ervan op de hoogte dat hij over een laatste termijn van vijftien dagen beschikt, te rekenen van ontvangst van deze brief, om alsnog die aangifte te doen. Indien de aangifte niet binnen die termijn gedaan wordt, wordt de betrokken schuldeiser geacht afstand te doen van zijn schuldvordering. In dat geval verliest de schuldeiser zijn recht om zich te verhalen op de schuldenaar en de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Hij herwint dit recht in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling. De tekst van dit artikel wordt afgedrukt op de brief bedoeld in het eerste lid. §
- De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat tenminste gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen 1409 en 1412 wordt beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de verzoeker mag dit leefgeld tijdelijk worden verminderd, maar moet het altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen ». B.2.
- De procedure van collectieve schuldenregeling is door de wetgever ingesteld bij de wet van 5 juli 1998 « betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen » (hierna : de wet van 5 juli 1998). Die procedure beoogt de financiële toestand van de schuldenaar met overmatige schuldenlast te herstellen, met name hem ertoe in staat te stellen, voor zover mogelijk, zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De financiële situatie van de persoon met overmatige schuldenlast wordt in kaart gebracht en de ongecontroleerde druk van de schuldeisers valt voor die persoon weg dankzij het optreden van een schuldbemiddelaar, die luidens artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek wordt aangewezen door de rechter die voorafgaandelijk uitspraak zal hebben gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling. 5 B.2.
- De beschikking van toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling doet een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg (artikel 1675/7, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Door die beschikking worden de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten geschorst, behalve in geval van tegeldemaking van het vermogen (artikel 1675/7, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Zij heeft eveneens een schorsing tot gevolg van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom (artikel 1675/7, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter, enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat, enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen (behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft) en zijn onvermogen te vergroten (artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek). De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling (artikel 1675/7, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek). B.2.
- De wetgever had eveneens het evenwicht tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers voor ogen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 20). Zo beoogt de procedure van collectieve schuldenregeling te bewerkstelligen dat de schuldeisers geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 12). De schuldenaar stelt aan zijn schuldeisers voor bij wege van een collectieve schuldenregeling een minnelijke aanzuiveringsregeling te treffen, onder toezicht van de rechter, die zich over de instemming met of het bezwaar tegen het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling moet uitspreken (artikel 1675/10, § 4) en die een gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan opleggen indien geen akkoord wordt bereikt (artikel 1675/3, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Die ontstentenis van akkoord wordt vastgesteld door de bemiddelaar (artikel 1675/11 van het Gerechtelijk Wetboek). De gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan een aantal maatregelen bevatten, zoals het uitstel of de herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten, de vermindering van de 6 conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet of de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten (artikel 1675/12 van het Gerechtelijk Wetboek). Indien die maatregelen het niet mogelijk maken de financiële situatie van de schuldenaar te herstellen, kan de rechter besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal, met uitzondering van de in artikel 1675/13, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde schulden en op voorwaarde dat de in artikel 1675/13 van dat Wetboek vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen. Indien geen enkele minnelijke of gerechtelijke regeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, machtigt artikel 1675/13bis van het Gerechtelijk Wetboek, onder bepaalde voorwaarden, de rechter ertoe de volledige kwijtschelding van de schulden, met uitzondering van de in artikel 1675/13, § 3, opgesomde schulden, toe te staan zonder aanzuiveringsregeling. B.3.
- De schuldeiser die wenst dat zijn schuldvordering wordt opgenomen in de aanzuiveringsregeling, is ertoe gehouden bij de schuldbemiddelaar aangifte van zijn schuldvordering te doen. Aanvankelijk gold daartoe enkel de in artikel 1675/9, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen termijn van een maand na toezending van de beschikking van toelaatbaarheid, zonder dat aan de niet-naleving van die termijn een gevolg was verbonden. Artikel 9, 3°, van de wet van 13 december 2005 « houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling » (hierna : de wet van 13 december 2005) heeft daarin verandering gebracht met de invoering, middels de invoeging van een derde paragraaf in artikel 1675/9 van het Gerechtelijk Wetboek, van een bijkomende termijn van vijftien dagen en de koppeling van de niet-naleving van die termijn aan een vermoeden van afstand van schuldvordering. B.3.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 13 december 2005 licht de in het geding zijnde regeling als volgt toe : « De bedoelde hypothese in het 3° van dit artikel is deze van de in het verzoekschrift vermelde schuldeiser aan wie een schuldvorderingsaangifteformulier werd gezonden, maar die dit niet terugstuurt naar de schuldbemiddelaar. In de praktijk worden twee houdingen aangetroffen (de wet regelt deze situatie niet in het bijzonder) : 7 - bij ontstentenis van aangifte van schuldvordering herneemt de schuldbemiddelaar in de minnelijke aanzuiveringsregeling zijn schuldvordering voor een bedrag dat hem gerechtvaardigd lijkt. Bij ontstentenis van bezwaar wordt de schuldeiser geacht te hebben ingestemd met de regeling; - indien de schuldeiser niet reageert en geen bezwaar formuleert, neemt de schuldbemiddelaar aan dat hij verzaakt aan zijn vordering. Het is onaanvaardbaar dat een schuldeiser die regelmatig wordt geïnformeerd, de uitwerking en de uitvoering van de regeling belemmert. Daarom wordt bepaald dat het niet indienen van een aangifte van schuldvordering na een ultieme waarschuwing, beschouwd zal worden als een afstand van schuldvordering. In geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling recupereert de schuldeiser zijn vorderingsrecht. Er moet worden vermeden dat bepaalde schuldenaars een verzoek tot [collectieve] schuldenregeling zouden instellen met de enkele hoop op de onachtzaamheid van een van hun schuldeiseres [lees : schuldeisers], die zijn aangifte van schuldvordering niet tijdig zou indienen. Bovendien wordt deze sanctie opgelegd aan de slordige schuldeiser die de uitwerking van een aanzuiveringsregeling, waarin vaak talrijke partijen bij betrokken zijn, vertraagt of bemoeilijkt. Zodra de aanzuiveringsregeling wordt herroepen of uiteindelijk niet wordt toegestaan aan een schuldenaar, is deze sanctie niet meer gegrond » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1309/001, pp. 14 en 15). B.3.
- De in artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde sanctie houdt geen uitdoving van het recht van de schuldeiser in, maar een verval van het recht om aan de procedure van collectieve schuldenregeling deel te nemen, met verlies van het recht om een terugbetaling te verkrijgen, behoudens wanneer de aanzuiveringsregeling wordt verworpen of herroepen (Cass., 19 maart 2018, S.17.0038.F, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180319.2). Aangezien de door de voormelde bepaling vastgestelde termijn geen op straffe van verval voorgeschreven termijn is in de zin van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de artikelen 861, 864 en 865 van dat Wetboek niet van toepassing op de sanctie die volgt uit de niet-naleving van die termijn (ibid.). De omstandigheid dat de gegevens met betrekking tot een schuldvordering in het gedinginleidend verzoekschrift van de vordering tot collectieve schuldenregeling worden vermeld, ontslaat de houder van die schuldvordering niet van de verplichting daarvan aangifte te doen volgens de wijze en binnen de termijnen die door artikel 1675/9, §§ 2 en 3, van het Gerechtelijk Wetboek zijn voorgeschreven (ibid.). 8 B.3.
- In zijn advies over het wetsontwerp dat aan de oorsprong ligt van de wet van 13 december 2005, formuleerde de Hoge Raad voor de Justitie de suggestie om « de rechter de bevoegdheid te geven te oordelen over de tijdigheid van de aangifte wanneer daaromtrent discussie ontstaat » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1309/002, p. 8). Volgens de toenmalige minister van Justitie noopte die suggestie niet tot een aanpassing van de in het geding zijnde regeling. Volgens de minister « [spreekt] het […] voor zich dat de straf voor een schuldeiser die zijn aangifte te laat indient alleen kan worden opgelegd aan een schuldeiser die op regelmatige wijze in kennis is gesteld » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1309/012, p. 32), waarbij zij het voorbeeld gaf van een kennisgeving op het juiste adres, en « [heeft] de rechter [...] terzake uiteraard een volledige beoordelingsbevoegdheid » (ibid.). Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever beoogde om aan de niet-tijdige aangifte van de schuldvordering een onweerlegbaar vermoeden van afstand van schuldvordering te koppelen, althans voor zover de schuldeiser op regelmatige wijze werd aangemaand om zijn schuldvordering in te dienen. De rechter beschikt derhalve enkel over een beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het regelmatige karakter van de kennisgeving aan en de aanmaning van de schuldeiser en de tijdigheid van de aangifte. Wanneer evenwel aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1675/9, § 3, is voldaan, kan de rechter niet verzaken aan de sanctie van het verval van het recht om aan de procedure van collectieve schuldenregeling deel te nemen. Ten gronde B.4.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre het bepaalt dat de schuldeiser die niet binnen de in dat artikel vastgestelde termijn zijn schuldvordering indient in het kader van een collectieve schuldenregeling, van rechtswege geacht moet worden afstand te doen van zijn schuldvordering, zonder dat het de rechter toelaat om over het uitspreken van het vermoeden van afstand een beoordeling te doen en te beslissen die afstand al dan niet uit te spreken. 9 B.4.
- Gelet op hetgeen is vermeld in B.3.4, begrijpt het Hof de prejudiciële vraag in die zin dat het wordt gevraagd te beoordelen of de rechter buiten de hypothese van een onregelmatige aanmaning over een beoordelingsbevoegdheid moet kunnen beschikken om te verzaken aan de sanctie van het verval van het recht om aan de procedure van collectieve schuldenregeling deel te nemen. B.4.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het geschil voor het verwijzende rechtscollege betrekking heeft op een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling in het kader van een collectieve schuldenregeling, waarin geen rekening wordt gehouden met een burgerlijke schadevergoeding waartoe de schuldenaar jegens de schuldeiser werd veroordeeld, aangezien de schuldeiser, hoewel die schadevergoeding wordt vermeld in het verzoekschrift tot het opstarten van de procedure van collectieve schuldenregeling, heeft nagelaten om binnen de termijn bepaald in artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek een aangifte van schuldvordering in te dienen en waarbij als reden voor dat stilzitten wordt aangevoerd dat de schuldeiser een verstandelijke beperking heeft waardoor hij het belang van de kennisgevingen die hem werden gericht niet correct kon inschatten. B.5.
- De eerste geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof om het onderzoek van de prejudiciële vraag uit te breiden tot een toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.
- De partijen voor het Hof mogen de draagwijdte van een prejudiciële vraag niet wijzigen of uitbreiden. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot een toetsing aan artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.6.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». B.6.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : 10 « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.6.
- Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, ermee rekening houdt. B.6.
- Artikel 1 van het voormelde Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.
- In zoverre zij een onweerlegbaar vermoeden van afstand van schuldvordering instelt, behoudens wanneer de aanzuiveringsregeling wordt verworpen of herroepen, ten aanzien van de schuldeiser die niet binnen de bijkomende termijn van vijftien dagen zijn schuldvordering indient, brengt de in het geding zijnde bepaling geen onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet met zich mee. Het Hof moet evenwel onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom dat is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de eerste alinea, eerste zin, van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (vergelijk EHRM, 20 juli 2004, Bäck t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2004:0720JUD003759897, § 58). B.
- Een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is verantwoord indien erin is voorzien bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag (EHRM, 21 juli 2016, Mamatas e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614, § 98; 14 mei 2013, N.K.M. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, § 48), indien zij een legitiem publiek of algemeen 11 belang nastreeft (EHRM, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, § 113) en indien zij een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien zij het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt (ibid., § 115). B.
- Wat betreft de voorwaarde volgens welke bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare rechtsgrondslag in de inmenging moet zijn voorzien, volstaat het, te dezen, vast te stellen dat het onweerlegbaar vermoeden van afstand van schuldvordering, ingeval de schuldvordering niet binnen de bijkomende termijn van vijftien dagen wordt ingediend, voldoende duidelijk en precies is bepaald door de in het geding zijnde bepaling. B.
- Uit de in B.3.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de invoering van een bijkomende termijn van vijftien dagen om de aangifte van schuldvordering te doen en de koppeling van het niet-naleven van die termijn aan een onweerlegbaar vermoeden van afstand van schuldvordering een legitieme doelstelling van algemeen belang nastreven, namelijk het verzekeren van de doeltreffendheid van de minnelijke aanzuiveringsregeling, die, als onderdeel van de collectieve schuldenregeling, ertoe strekt om de schuldenaar een nieuwe start te bieden (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 12). B.11.
- De in het geding zijnde regeling zet de schuldeisers aan via een eenvoudige procedure hun schuldvordering zo snel mogelijk aan te geven. Dit stelt de schuldbemiddelaar en alle andere belanghebbenden ertoe in staat de financiële situatie van de schuldenaar zo snel mogelijk in kaart te brengen en een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op te stellen, zodat een snelle afwikkeling van de collectieve schuldenregeling mogelijk is. Zowel in het licht van de in B.10 vermelde doelstelling als in het licht van de beperkingen die de procedure van collectieve schuldenregeling voor de schuldenaar teweegbrengt, zoals de in artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen vermogensbeheerbeperkingen en het beschikken over een beperkt inkomen (leefgeld) (artikel 1675/9, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek), is het niet onredelijk dat de schuldeiser die niet tijdig aangifte van zijn schuldvordering heeft gedaan, van rechtswege het recht verliest om aan de procedure van collectieve schuldenregeling deel te nemen. Het in elke zaak overlaten aan de rechter om te beoordelen of de gebeurlijke niet-tijdige indiening van de aangifte moet worden gesanctioneerd met een verval van het recht om aan de procedure van collectieve schuldenregeling deel te nemen, zou niet alleen tot een vertraging 12 van de procedure van collectieve schuldenregeling kunnen leiden, maar zou ook aanleiding kunnen geven tot uiteenlopende rechterlijke beslissingen en derhalve tot rechtsonzekerheid. B.11.
- Het Hof dient nog te onderzoeken of de in het geding zijnde regeling geen onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van de in B.10 vermelde doelstelling. De in het geding zijnde bepaling kent de betrokken schuldeiser een bijkomende termijn van vijftien dagen toe om zijn schuldvordering alsnog in te dienen, waarbij de sanctie slechts in geval van het niet naleven van die termijn van toepassing is. Bovendien moet de brief waarbij de schuldeiser die bijkomende termijn van vijftien dagen wordt toegekend uitdrukkelijk melding maken van de tekst van artikel 1675/9, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat zijn aandacht wordt gevestigd op het gevolg dat aan zijn stilzitten zal worden verbonden. Zoals in B.3.4 is vermeld, is de in het geding zijnde sanctie niet van toepassing indien de voormelde brief die vermelding niet bevat. Zoals in B.3.3 is vermeld, recupereert de betrokken schuldeiser zijn verhaalsrecht op de schuldenaar wanneer de aanzuiveringsregeling wordt verworpen of herroepen. Voorts kan de betrokken schuldeiser het vermoeden van afstand weerleggen door het bestaan van toeval of overmacht aan te tonen, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepaling niet afwijkt. Het staat aan de rechter om, in het licht van de toelichting van de betrokken schuldeiser, erover te waken dat hij die rechtvaardigingsgronden niet op overdreven formalistische wijze interpreteert. Zo kan de onmogelijkheid om de draagwijdte van een kennisgeving te begrijpen die voortvloeit uit de mentale toestand van een procespartij, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak, als een geval van overmacht worden beschouwd (vergelijk EHRM, 15 juni 2006, Lacarcel Menendez t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2006:0615JUD004174502, § 39). Tevens kan de rechter, in het licht van de omstandigheden van de zaak, de niet-tijdige aangifte van de schuldeiser in aanmerking nemen door die te beschouwen als een nieuw feit dat de aanpassing of de herziening van de aanzuiveringsregeling rechtvaardigt, zoals bedoeld in artikel 1675/14, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 juli 1998 werd ter illustratie van de toepassing van die bepaling onder meer verwezen naar het geval waarin « de schuldeiser, om verschillende redenen die hem niet toe te schrijven zijn, te gelegener tijd geen kennis heeft kunnen nemen van de [kennisgeving die de termijn voor de indiening van de aangifte heeft doen lopen] » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 35). Tijdens de 13 parlementaire voorbereiding van de wet van 13 december 2005 werd er door de toenmalige minister van Justitie op aangedrongen dat « de soepelheid waarmee het begrip ‘ nieuw feit ’ kan worden gehanteerd, onverkort [zou] worden gehandhaafd om efficiënt te blijven » en dat « de speelruimte waarover de rechter beschikt, volledig behouden [moet] blijven zo men wenst dat het geheel van mogelijke situaties tijdens de procedure kan worden aangepakt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1309/012, p. 30). Ten slotte zou de weigering om rekening te houden met een niet tijdig ingediende schuldvordering in bepaalde omstandigheden ook een vorm van rechtsmisbruik kunnen uitmaken. B.11.
- Gelet op het voorgaande doet artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom. B.
- Artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek is bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1675/9, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 september
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.092 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180319.2 ECLI:CE:ECHR:2004:0720JUD003759897 ECLI:CE:ECHR:2006:0615JUD004174502 ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614 ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.656 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div