← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.094

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.094 Arrest- Rolnummer: 94/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 625 - laatst gezien 2026-06-19 02:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel XX.229, §§ 1, 3, 5, eerste lid, en 6, van het Wetboek van economisch recht) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Gefailleerde die een kennelijke grove fout heeft begaan die tot het faillissement heeft bijgedragen - Beroepsverbod Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 94/2024 van 19 september 2024 Rolnummer : 8108 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 2 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 november 2023, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht, in zoverre het beroepsverbod dat daarbij door de insolventierechtbank kan worden uitgesproken ten laste van de gefailleerde of de personen die worden gelijkgesteld met de gefailleerde die een kennelijke grove fout heeft begaan die tot het faillissement heeft bijgedragen, wordt geïnterpreteerd als een sanctie van strafrechtelijke aard, de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, waarin het wettigheidsbeginsel in strafzaken is verankerd, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ? ». Memories zijn ingediend door : - L. J.-S. K., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Philippe Marcus Helmons, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Evrard de Lophem en Mr. Juliette Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel. 2 L. J.-S. K. heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 24 april 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 15 mei 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 12 juni

  1. Op de openbare terechtzitting van 12 juni 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Philippe Marcus Helmons, voor L. J.-S. K.; . Mr. Juliette Van Vyve, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L. J.-S. K. is een van de oprichters en de zaakvoerder van de bv « Serkal Express Delivery », die actief is in de transportsector. Op dagvaarding van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, verklaart de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel bij vonnis van 8 februari 2021 het faillissement van die vennootschap geopend. Op 8 juni 2022 dagvaart het openbaar ministerie L.J.-S. K. om voor de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel te verschijnen teneinde die laatste hem het verbod te horen opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming te exploiteren gedurende tien jaar, met toepassing van artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht. Op 16 maart 2023 willigt de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel die vordering in. Op 21 april 2023 stelt L. J.-S. K. hoger beroep in tegen die beslissing. Het Hof van Beroep te Brussel is van oordeel dat L. J.-S. K., als zaakvoerder, kan worden gelijkgesteld met de gefailleerde, overeenkomstig artikel XX.229, § 3, van het Wetboek van economisch recht. Het is eveneens van oordeel dat hij een kennelijke grove fout had begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement, aangezien hij tussen de datum van inwerkingtreding van artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht en het 3 faillissement van zijn onderneming had nagelaten de belastingaangiften in te dienen, de belastingen van de vennootschap te betalen of voorzieningen ervoor aan te leggen in de rekeningen, hij de schulden zich had laten opstapelen ingevolge het niet betalen van de sociale fiscale schulden en geldboetes en hij handelingen had gesteld met schending van de rechten van derden. Het Hof van Beroep is van oordeel dat het in artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht bedoelde verbod om een onderneming te exploiteren een sanctie van strafrechtelijke aard is in de zin van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het merkt ook op dat, in tegenstelling tot de artikelen 1 en 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen » (hierna : het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934), waarin de strafbare feiten werden opgesomd die aanleiding konden geven tot de uitspraak van de bijkomende straf van het beroepsverbod, in artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht wordt verwezen naar het begrip « kennelijke grove fout », dat een algemene gedragsnorm uitmaakt die niet anders wordt omschreven, zonder de materiële elementen van het misdrijf te preciseren. Op verzoek van de appellant stelt het Hof van Beroep te Brussel bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  2. De appellant voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat de in artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht bedoelde sanctie een sanctie met een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is. Hij brengt in herinnering dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, om te bepalen of een maatregel als strafsanctie kan worden aangemerkt, de kwalificatie die in het interne recht eraan wordt gegeven, de aard van het strafbare feit en de ernst van de straf die de persoon riskeert, moeten worden onderzocht. Die laatste twee criteria zijn alternatieve criteria. Hij merkt op dat het feit dat de in het geding zijnde bepaling voorkomt in het Wetboek van economisch recht en tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechtscolleges in het interne recht behoort, niet volstaat opdat het karakter van strafsanctie wordt ontzegd aan het in het geding zijnde verbod om een onderneming te exploiteren. Hij doet gelden dat de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid om het uitstel en de opschorting van de uitspraak toe te kennen. Wat de aard van het strafbare feit betreft, beweert de appellant voor het verwijzende rechtscollege dat het doel van de maatregel erin bestaat te straffen om te vermijden dat de strafbaar gestelde handelingen zich herhalen, zodat daarmee een zowel preventief als repressief doel wordt nagestreefd. Hij merkt eveneens op dat de maximumstraf tien jaar beroepsverbod als zaakvoerder ten persoonlijke titel of als lasthebber van de vennootschap bedraagt, en zulks zelfs in de hoedanigheid van zelfstandige-natuurlijke persoon. A.
  3. De appellant voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat het begrip « kennelijke grove fout », zelfs begrepen ten aanzien van de rechtspraak en de rechtsleer, onvoldoende nauwkeurig is om aan de vereiste van voorzienbaarheid van de strafwet te beantwoorden. Hij brengt in herinnering dat het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling niet dezelfde mate van nauwkeurigheid en voorzienbaarheid biedt als de artikelen 1 en 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober
  4. A.
  5. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat bij de in het geding zijnde bepaling geen strafsanctie in de zin van artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt ingevoerd. De in het geding zijnde sanctie wordt aangemerkt als burgerrechtelijke sanctie in het interne recht. 4 Hij is van mening dat de in het geding zijnde bepaling meer verband houdt met de bescherming van de economische belangen en van de benadeelde derden dan met de bestraffing van strafbaar gedrag. Hij brengt in herinnering dat het Hof, bij het arrest nr. 40/2023 van 9 maart 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.040), heeft geoordeeld dat het doel van de in het geding zijnde bepaling erin bestond te « vermijden dat een persoon die door een kennelijke grove fout te hebben begaan reeds heeft bijgedragen tot het faillissement van een rechtspersoon, hetzelfde gedrag handhaaft en bijdraagt tot het faillissement van een andere rechtspersoon » (B.4). Hij beweert dat de artikelen 1 en 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, die het verwijzende rechtscollege als vergelijkingspunt neemt, zich onderscheiden wat de ratio legis ervan betreft, aangezien die bepalingen geen betrekking hebben op insolventie en aangezien zij voor de rechter die een persoon veroordeelt als dader van of medeplichtige aan een van de aangehaalde strafbare feiten, in de mogelijkheid voorzien om die veroordeling gepaard te doen gaan met het verbod om bepaalde functies uit te oefenen in bepaalde soorten van vennootschappen. De Ministerraad is eveneens van mening dat verschillende elementen het mogelijk maken om de ernst van de sanctie te relativeren. Die is gerechtelijk, facultatief en tijdelijk. De ondernemingsrechtbank kan beslissen tot een voorwaardelijk beroepsverbod van drie jaar. Zij kan de beslissing ook opschorten voor die duur. Indien de gefailleerde rehabilitatie verkrijgt of indien het vonnis wordt ingetrokken, heeft het verbod geen uitwerking meer. A.
  6. In ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat het begrip « kennelijke grove fout » niet nieuw is, aangezien het ten grondslag lag aan de vorderingen van de curatoren tot aanzuivering van het passief die tegen de gefailleerde waren gericht met toepassing van het Wetboek van vennootschappen. Het wordt ook gebruikt in de artikelen XX.173, § 3, en XX.225 van het Wetboek van economisch recht. Hij brengt in herinnering dat de nauwkeurigheid van een bepaling, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, moet worden beoordeeld door rekening te houden met de rechtspraak en met het feit of de burger zich desnoods met gepast advies kan omringen. Hij doet gelden dat uit de rechtspraak blijkt dat de kennelijke grove fout drie bestanddelen bevat. De « grove » fout wordt omschreven als de onvergeeflijke fout die een redelijkerwijs voorzichtige en diligente bestuurder niet zou hebben begaan. Zij druist in tegen de essentiële normen van het maatschappelijke leven. De fout is een « kennelijke » fout wanneer zij overduidelijk is en door iedere redelijke persoon wordt ervaren als zwaar foutief handelen, zodat de persoon die de fout heeft begaan, zich ervan bewust was of zich ervan bewust diende te zijn dat die zou bijdragen tot het faillissement. Ten slotte moet de « kennelijke grove fout » daadwerkelijk hebben bijdragen tot het faillissement. De Ministerraad beschrijft verschillende gedragingen die in de rechtspraak als kennelijke grove fout zijn aangemerkt. Het gaat met name om de oprichting van een fictieve maatschappelijke zetel, het niet neerleggen van de jaarrekeningen bij de Nationale Bank tijdens de volledige duur van het mandaat van zaakvoerder, verbintenissen die al te groot zijn gezien de financiële situatie van de onderneming en het stelselmatig niet betalen van de belastingbijdragen of van de sociale bijdragen. De Ministerraad leidt uit die rechtspraak af dat het geen twijfel lijdt dat de appellant voor het verwijzende rechtscollege moest weten dat hij kennelijke grove fouten beging, aangezien hij geen boekhouding heeft gevoerd, noch zijn schuldeisers heeft betaald, aangezien hij in beslag genomen goederen heeft verduisterd die tot de gefailleerde vennootschap behoorden, aangezien hij het personeel heeft overgeheveld naar een concurrerende vennootschap en aangezien hij heeft nagelaten aangifte van faillissement te doen binnen de wettelijke termijn. A.
  7. De appellant voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat het eerste criterium, namelijk dat van de kwalificatie in het interne recht van relatief belang is voor de kwalificatie als strafsanctie. Hij is eveneens van mening dat de door de Ministerraad vooropgestelde doelstellingen van de bepaling, bevestigen dat daarmee een preventief en repressief doel wordt nagestreefd. Wat de ernst van de straf betreft, doet hij gelden dat, wanneer de Ministerraad de mogelijkheid vermeldt om een voorwaardelijk beroepsverbod uit te spreken of de beslissing op te schorten, hij in werkelijkheid het uitstel en de opschorting van de uitspraak beoogt, die twee strafrechtelijke instanties zijn. Bovendien is de in artikel XX.235 van het Wetboek van economisch recht bedoelde procedure tot rehabilitatie van de gefailleerde overgenomen van de procedure tot herstel in eer en rechten in het strafrecht. Hij doet gelden dat het voormelde arrest van het Hof nr. 40/2023 betrekking heeft op een andere kwestie en dat de conclusies van dat arrest niet kunnen worden overgenomen. A.
  8. De appellant voor het verwijzende rechtscollege brengt in herinnering dat het wettigheidsbeginsel betrekking heeft op straffen en op misdrijven. Hij is van mening dat de Ministerraad de wettigheid en het 5 strafrechtelijke karakter van de sanctie erkent, zonder tegelijkertijd de wettigheid en het strafrechtelijke karakter van het in de in het geding zijnde bepaling bedoelde misdrijf te erkennen. Hij erkent dat andere wetsbepalingen het begrip « kennelijke grove fout » bevatten. Hij is evenwel van mening dat de ongrondwettigheid te dezen voortvloeit uit het feit dat het wordt gebruikt om een misdrijf te definiëren. Het strafrecht aanvaardt dermate vage begrippen niet. Hij voert aan dat de definities van de bestanddelen van de kennelijke grove fout vaag blijven, aangezien daarin wordt verwezen naar begrippen zoals « de redelijkerwijs voorzichtige en diligente bestuurder », de « essentiële normen van het maatschappelijke leven », de fout « die door [iedere redelijke persoon] wordt ervaren als zwaar foutief handelen ». Ten slotte doet de appellant voor het verwijzende rechtscollege, met betrekking tot de feiten die hem ten laste worden gelegd, gelden dat het hoofdzakelijk gaat om strafvervolgingen die nochtans niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek waarbij de waarborgen van de strafprocedure in acht worden genomen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  9. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht, dat bepaalt : « §
  10. De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. [...] §
  11. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. [...] §
  12. De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar. [...] §
  13. De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. De rechtbank bepaalt de voorwaarden waaraan het uitstel of de opschorting van de uitspraak onderworpen zijn ». 6 De in het geding zijnde bepaling werd in het Wetboek van economisch recht ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht ». Zij is in werking getreden op 1 mei
  14. B.
  15. In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt vermeld : « De verbodsbepalingen waren tot nu toe opgenomen in het KB [nr.] 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen. De bepalingen die verband hielden met de insolvabiliteit worden uit het KB gelicht en in dit boek opnieuw ingevoerd, zij het met een licht gewijzigde vorm. In de mate dat geoordeeld zou worden dat die verbodsbepalingen zijn in de zin waarin het Europees Hof [voor de Rechten van de Mens] het begrip ‘ straf ’ omschrijft, leek het gewenst ook op analoge wijze met het strafrecht, de mogelijkheid toe te kennen van de opschorting en van de voorwaardelijke sanctie. Het leek niet gewenst de verbodsbepalingen toe te passen op de beoefenaars van vrije beroepen die onderworpen zijn aan een eigen tuchtregeling. Dit had kunnen leiden tot een dubbele bestraffing » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 105). B.
  16. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen », en niet in de artikelen 1 en 1bis van hetzelfde besluit. Bij dat artikel werd aan de rechtbank van koophandel de bevoegdheid toegewezen om een beroepsverbod uit te spreken ten laste van de gefailleerde, de beheerder of de zaakvoerder van een handelsvennootschap « indien [bleek] dat een kennelijke grove fout van [die persoon had] bijgedragen tot het faillissement » (artikel 3bis, §§ 2 en 3). Het was ingevoegd bij artikel 87 van de wet van 4 augustus 1978 « tot economische heroriëntering ». 7 B.
  17. Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat het doel ervan bestond in « de gezondmaking van de handelsfunctie » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415/1, p. 46). In de parlementaire voorbereiding wordt vervolgens vermeld : « [Men] [...] wil [...] uit het handelscircuit bannen, iedere beheerder, zaakvoerder of andere persoon die werkelijk deze bevoegdheid hebben gehad, wiens kennelijke grove fout heeft bijgedragen tot de faling van hun vennootschap. Deze beschikkingen vullen dus het verbod aan dat reeds in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 vervat zat t.a.v. de niet in rechten herstelde gefailleerden. [...] Anderzijds wil men een grotere verantwoordelijkheid opleggen aan diezelfde beheerders, zaakvoerders en tussenpersonen, wanneer er bij faling tekort in het actief is alsmede wanbeheer dat die toestand veroorzaakte. [...] Dit wetgevend geheel bestaat uit een aangepast geheel van bestrijdingsmaatregelen tegen de handelwijzen van de koppelbazen, die hun handelingen verdoezelen door het stichten van vennootschappen zonder de financiële middelen waarop hun schuldeisers wettelijk aanspraak kunnen maken, of die de door hen in rechte of in feite bestuurde vennootschappen failliet laten gaan zonder enig schadelijk gevolg, noch voor hun persoonlijk patrimonium, noch voor de mogelijkheid om met hun ongeoorloofde handel te herbeginnen onder een andere dekmantel » (ibid., pp. 46-47). B.
  18. Uit de rechtspraak blijkt dat de fout een grove fout is wanneer zij een « onvergeeflijke [fout is], die een redelijkerwijs voorzichtige en diligente bestuurder niet zou hebben begaan, die indruist tegen de essentiële normen van het maatschappelijke leven, en die niet identificeerbaar is als opzet hoewel zij erop lijkt » (Brussel, 23 maart 2023; Brussel, 7 april 2022, 2021/AR/1472; Luik, 21 juni 2021, 2020/RG/826; Luik, 25 februari 2016). De fout is een « kennelijke » fout wanneer zij « overduidelijk » is, « hetgeen betekent dat de handeling door ieder redelijk mens moet kunnen worden ervaren als een zware fout : de persoon die de fout heeft begaan, was zich ervan bewust of diende zich ervan bewust te zijn dat zij zou bijdragen tot het faillissement van de vennootschap » (Brussel, 23 maart 2023; Brussel, 7 april 2022, 2021/AR/1472; Luik, 21 juni 2021, 2020/RG/826; Luik, 25 februari 2016). Ten slotte « dient de fout niet de exclusieve aanleiding voor het faillissement uit te maken, maar volstaat het dat zij ertoe heeft bijgedragen, ongeacht of andere factoren eveneens de oorzaak ervan zijn » (Luik, 21 juni 2021, 2020/RG/826; Luik, 25 februari 2016). 8 Ten gronde B.
  19. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.7.
  20. Hoewel het gehele artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht wordt beoogd in de prejudiciële vraag, blijkt uit het verwijzingsarrest dat zij enkel betrekking heeft op de paragrafen 1, 3, 5, eerste lid, en 6 van dat artikel. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. B.7.
  21. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat was aangetoond dat de appellant voor dat rechtscollege had nagelaten de belastingaangiften in te dienen, de belastingen van de vennootschap te betalen of voorzieningen ervoor aan te leggen in de rekeningen, dat hij de schulden zich had laten opstapelen ingevolge het niet betalen van de sociale fiscale schulden en geldboetes en dat hij handelingen had gesteld met schending van de rechten van derden. B.8.
  22. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». B.8.
  23. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, 9 zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.8.
  24. In zoverre het bij artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel, zoals is vermeld in B.5.2, beoogt diegene die een gedrag aanneemt, in staat te stellen om vooraf op afdoende wijze in te schatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn, hangt dat beginsel nauw samen met het wettigheidsbeginsel, gewaarborgd bij artikel 14 van de Grondwet, dat bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.9.
  25. Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». 10 B.9.
  26. In zoverre het vereist dat elk misdrijf bij de wet moet worden bepaald, heeft artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. B.9.
  27. Krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een maatregel een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat zij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011, §§ 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, §§ 30-31). Dat zijn alternatieve en geen cumulatieve criteria. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is echter van oordeel dat, wanneer geen enkel criterium op zich alleen doorslaggevend lijkt, een cumulatieve benadering mogelijk is (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1994:0224JUD001254786, § 47). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert dezelfde criteria voor de toepassing van artikel 7 van het voormelde Verdrag (EHRM, 4 oktober 2016, Žaja t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2016:1004JUD003746209, § 86; beslissing, 9 juni 2016, Société Oxygène Plus t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC007695911, § 43; 15 mei 2008, Nadtochiy t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2008:0515JUD000746003, § 32; beslissing, 24 november 1998, Brown t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1998:1124DEC003864497), dat een soortgelijke draagwijdte heeft als artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en als artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, krachtens artikel 52, lid 3, van hetzelfde Handvest (HvJ, grote kamer, 5 december 2017, C-42/17, M.A.S. en M.B., ECLI:EU:C:2017:936, punt 54). B.
  28. Te dezen is het niet noodzakelijk te onderzoeken of de in het geding zijnde maatregel een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, die het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgen. Het volstaat immers vast te stellen dat 11 artikel XX.229, §§ 1, 3, 5, eerste lid, en 6, van het Wetboek van economisch recht hoe dan ook voldoet aan de voorwaarden van duidelijkheid en voorzienbaarheid, waaraan de wetten in strafzaken overeenkomstig dat wettigheidsbeginsel dienen te voldoen. B.
  29. Bij de beoordeling van de duidelijkheid en voorzienbaarheid van de in het geding zijnde maatregel moet het Hof voor ogen houden dat die maatregel is gericht tot personen die een onderneming uitbaten, dan wel tot de bestuurders of de zaakvoerders van een rechtspersoon, die allen beroepsmatig handelen. Er mag van elke ondernemer worden verwacht dat hij zijn beroep uitoefent met de nodige zorgvuldigheid. onder meer wat betreft de naleving van fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen, alsook dat hij een bijzondere zorg besteedt aan het beoordelen van de risico’s die zijn activiteit inhoudt. B.
  30. Uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat het begrip « kennelijke grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement » zijn oorsprong vindt in artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober
  31. Dat begrip werd ook gebruikt in de artikelen 265, 409 en 530 van het Wetboek van vennootschappen, die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de bestuurders. Zoals is vermeld in B.5, bestaat over dat begrip overvloedige rechtspraak. De in het geding zijnde bepaling neemt aldus een begrip uit een vroegere wetgeving over, dat in de rechtspraak derwijze is gepreciseerd dat het voor de rechtsonderhorige voldoende duidelijk is om zijn gedrag erop af te stemmen. B.
  32. Artikel XX.229, §§ 1, 3, 5, eerste lid, en 6, van het Wetboek van economisch recht is bestaanbaar met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XX.229, §§ 1, 3, 5, eerste lid, en 6, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 12 en 14 van de Grondwet niet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 september
  33. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.094 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.040 ECLI:CE:ECHR:1994:0224JUD001254786 ECLI:CE:ECHR:1998:1124DEC003864497 ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301 ECLI:CE:ECHR:2008:0515JUD000746003 ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903 ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC007695911 ECLI:CE:ECHR:2016:1004JUD003746209 ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011 ECLI:EU:C:2017:936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.