id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.096 Arrest- Rolnummer: 96/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 577 - laatst gezien 2026-06-18 22:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vernietiging (artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Nationaliteit - Verkrijging van de Belgische nationaliteit - Verkrijging door nationaliteitsverklaring - Voorwaarden - Kennis van een van de drie landstalen - Vereist niveau en bewijs - Vreemdelingen die analfabeet zijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 96/2024 van 19 september 2024 Rolnummer : 8199 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 april 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 april 2024, is beroep tot vernietiging van de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Ronald Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel. Op 24 april 2024 hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Evrard de Lophem en Mr. Sébastien Depré, advocaten bij de balie te Brussel. 2 De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.1. De vzw « Ligue des droits humains », verzoekende partij, voert aan dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging van de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit te vorderen, overeenkomstig haar statuten. Zij vestigt de aandacht op het feit dat haar belang om in rechte te treden herhaalde malen is aanvaard door het Hof, door de Raad van State en door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Zij beweert bovendien dat het beroep ontvankelijk is ratione temporis in zoverre het is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. A.1.2. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in zoverre de bestreden bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen. De verzoekende partij merkt op dat het Hof, bij het arrest nr. 53/2023 van 23 maart 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.053), dat op prejudiciële vragen is gewezen, heeft geoordeeld dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate schenden. Om dezelfde redenen dienen de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bijgevolg te worden vernietigd. A.2.1. De Ministerraad merkt op dat de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 3, werden gewijzigd bij de artikelen 122 en 123 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024) en dat de verzoekende partij die wijziging niet vermeldt. Bijgevolg heeft het beroep, volgens de Ministerraad, betrekking op de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 maart 2024. A.2.2. Volgens de Ministerraad is de in het voormelde arrest nr. 53/2023 geformuleerde vaststelling van ongrondwettigheid een extrinsieke lacune, die niet haar oorsprong vindt in de bestreden bepalingen maar wel in de Belgische rechtsorde in haar geheel beschouwd. Volgens de Ministerraad kan een dergelijke vaststelling van ongrondwettigheid moeilijk worden doorgetrokken naar het vernietigingscontentieux, aangezien een eventuele vernietiging het niet mogelijk zou maken om de in het voormelde arrest nr. 53/2023 aangeklaagde discriminerende regeling te doen verdwijnen. In werkelijkheid zou de in dat arrest vastgestelde lacune enkel door de wetgever zelf kunnen worden weggewerkt. A.3. Ten slotte beweert de Ministerraad dat de voormelde lacune kan worden weggewerkt door artikel 22ter van de Grondwet. De personen die het slachtoffer zijn van de in het voormelde arrest nr. 53/2023 vastgestelde discriminatie, kunnen immers worden beschouwd als personen met een handicap, zodat zij kunnen vragen om een redelijke aanpassing in de zin van artikel 22ter van de Grondwet, die zou bestaan in een regeling die afwijkt van het vereiste om niveau A2 inzake schriftelijke taalkennis te behalen. -B- B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. In haar enige middel voert zij aan dat die 3 bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden om dezelfde redenen als die welke in het arrest van het Hof nr. 53/2023 van 23 maart 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.053) worden vermeld. B.1.2. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in artikel 1 bedoelde regels schendt. B.1.3. Bij zijn voormelde arrest nr. 53/2023, dat in het Belgisch Staatsblad van 27 november 2023 is bekendgemaakt, heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 1, § 2, 5°, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen. B.1.4. De artikelen 1, § 2, en 12bis, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit werden gewijzigd bij de artikelen 122 en 123 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), die werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 maart 2024, in antwoord op het voormelde arrest van het Hof nr. 53/2023 (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3728/001, pp. 33-34). B.2.1. De bestreden bepalingen hebben betrekking op de taalkennis waarover vreemdelingen die analfabeet zijn, dienen te beschikken om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door een nationaliteitsverklaring. 4 B.2.2. De nationaliteitsverklaring is een van de wijzen, naast het verzoek tot naturalisatie, waarop een vreemdeling de Belgische nationaliteit kan verkrijgen. De vreemdeling moet daartoe aan bepaalde voorwaarden voldoen, vermeld in artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, en voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn hoofdverblijfplaats een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 15 van hetzelfde Wetboek. B.2.3. Krachtens artikel 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit staat de mogelijkheid tot nationaliteitsverklaring open voor : « 1° de vreemdeling die :
- a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
- b)en in België geboren is en er sedert zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd op grond van een wettelijk verblijf; 2° de vreemdeling die :
- a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
- b)en vijf jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf;
- c)en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
- d)en zijn maatschappelijke integratie bewijst door : - hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs; - hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd; - hetzij, naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat; - hetzij gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep te hebben gewerkt;
- e)en zijn economische participatie bewijst door : 5 […] 3° de vreemdeling die :
- a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
- b)en vijf jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf;
- c)en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
- d)en gehuwd is met een Belg, indien de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België hebben samengeleefd, of de ouder of adoptant is van een Belgisch kind dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt of niet ontvoogd is vóór die leeftijd;
- e)en zijn maatschappelijke integratie bewijst door : - hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs; - hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd en in de voorbije vijf jaar als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gewerkt te hebben gedurende ten minste 234 arbeidsdagen of in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep gedurende minstens drie kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald; - hetzij, naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat; 4° de vreemdeling die :
- a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
- b)en vijf jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf;
- c)en het bewijs levert omwille van een handicap of invaliditeit geen betrekking of economische activiteit te kunnen uitoefenen of de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; 5° de vreemdeling die :
- a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
- b)en tien jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf; 6
- c)en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
- d)en het bewijs levert van zijn deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap. […] ». B.2.4. Krachtens artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024, moest onder « bewijs van kennis van één van de drie landstalen » worden verstaan : « minimale kennis van één van de drie landstalen die gelijk is aan het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor Talen. Dit bewijs dient te worden geleverd aan de hand van de bewijsmiddelen bepaald in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ». B.2.5. Zoals in B.1.4 is vermeld, heeft de wetgever, bij de wet van 28 maart 2024, de artikelen 1, § 2, en 12bis, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit gewijzigd, in antwoord op het voormelde arrest van het Hof nr. 53/2023. Artikel 122 van de wet van 28 maart 2024 bepaalt : « In artikel 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder 5° aangevuld met de volgende zin : ‘ Voor een analfabeet in de zin van dit Wetboek is enkel het bewijs van een mondelinge kennis die gelijk is aan het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, vereist; ’; 2° de paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende : ‘ 10° analfabeet : de persoon die de vereiste mondelinge taalkennis bezit maar niet over de taalkundige basiscompetenties en inzichten beschikt, waardoor hij de schriftelijke kennis gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen niet kan verwerven, zelfs door deel te nemen aan een door de bevoegde gemeenschapsoverheid daartoe ingerichte opleiding. De inachtneming van deze voorwaarden wordt bevestigd door de bevoegde gemeenschapsoverheid. ’ ». Artikel 123 van de wet van 28 maart 2024 heeft artikel 12bis, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit gewijzigd, dat voortaan bepaalt : « De verklaring bevat voorafgaand aan de handtekening van de vreemdeling de volgende vermelding, door de vreemdeling met de hand geschreven of, wanneer de persoon niet in staat 7 is deze met de hand te schrijven, mondeling uitgesproken en opgetekend door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand : ‘ Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven. [’] ». B.2.6. Geen enkele bepaling van de wet van 28 maart 2024 regelt specifiek de inwerkingtreding van de artikelen 122 en 123 ervan, die dus uitwerking hebben gehad tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. B.3. De wijzigingen van de bestreden bepalingen bij de artikelen 122 en 123 van de wet van 28 maart 2024 worden niet beoogd door de verzoekende partij. Bijgevolg heeft het beroep betrekking op artikel 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en op artikel 1, § 2, 5°, van dat Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024, die de in het voormelde arrest nr. 53/2023 vastgestelde gevolgen hebben gehad, minstens tot de inwerkingtreding van die wet. B.4.1. Bij zijn voormelde arrest nr. 53/2023 heeft het Hof voor recht gezegd : « B.7.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.2. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt : ‘ Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ’. Artikel 191 van de Grondwet kan enkel zijn geschonden in zoverre de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling of een gelijke behandeling instellen ten aanzien van bepaalde vreemdelingen en de Belgen. Aangezien de in het geding zijnde bepalingen een gelijke 8 behandeling van twee categorieën van vreemdelingen instellen, naargelang de vreemdeling die de Belgische nationaliteit wenst te verkrijgen al dan niet analfabeet is, kunnen enkel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden en niet artikel 191 van de Grondwet. Bijgevolg beperkt het Hof zijn onderzoek tot de toetsing van de in het geding zijnde bepalingen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.8. Bij het bepalen van de voorwaarden waaronder de Belgische nationaliteit kan worden verkregen, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Wanneer de door de wetgever gemaakte keuzes leiden tot een gelijke behandeling van categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, dient het Hof evenwel na te gaan of die gelijke behandeling op een redelijke verantwoording berust. B.9. Zoals blijkt uit de in B.4 vermelde parlementaire voorbereiding, was het de bedoeling van de wetgever de verkrijging van de Belgische nationaliteit door een nationaliteitsverklaring voor te behouden aan vreemdelingen die doen blijken van een zekere mate van integratie. Het is pertinent ten aanzien van die doelstelling om een minimale taalkennis te vereisen. Met het oog op een daadwerkelijke integratie is het van wezenlijk belang zich in de dagelijkse omgang te kunnen uitdrukken in minstens één van de landstalen. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij te dezen beschikt, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat daarbij zowel mondelinge als schriftelijke vaardigheden noodzakelijk zijn. Eveneens vermocht hij, voor het definiëren van die vaardigheden, te verwijzen naar het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. Het niveau A2 is immers : ‘ het niveau waarop we de meeste descriptoren van sociale functies aantreffen, zoals eenvoudige alledaagse beleefdheidsvormen gebruiken om mensen te begroeten en aan te spreken; mensen begroeten, vragen hoe zij het maken en reageren op nieuws; zeer korte sociale gesprekken hanteren; vragen stellen en beantwoorden over bezigheden op het werk en in de vrije tijd; uitnodigingen doen en beantwoorden; bespreken wat men gaat doen, waar men naartoe gaat en een ontmoeting afspreken; aanbiedingen doen en aanvaarden. Hier vinden we ook descriptoren van activiteiten buitenshuis : de vereenvoudigde en ingekorte versie van de volledige set transactiespecificaties in “ The Threshold Level ” voor in het buitenland wonende volwassenen. Enkele voorbeelden : eenvoudige transacties doen in winkels, postkantoren of banken; eenvoudige inlichtingen verkrijgen over reismogelijkheden; gebruikmaken van openbaar vervoer : trein, tram, bus en taxi, elementaire inlichtingen vragen, de weg vragen en wijzen, kaartjes kopen; alledaagse producten en diensten vragen en leveren ’ (Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, 3.6). B.10.1. Het Hof dient nog na te gaan of de keuze van de wetgever om niet alleen de mondelinge, maar ook de schriftelijke vaardigheden van niveau A2 te vereisen, geen onevenredige gevolgen heeft voor vreemdelingen die analfabeet zijn. B.10.2. Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen omschrijft de vaardigheden die overeenstemmen met de verschillende referentieniveaus onder meer aan de hand van zogenaamde ‘ descriptoren voor zelfbeoordeling ’, waarnaar ook wordt verwezen in de in B.4.1 vermelde parlementaire voorbereiding. Wat niveau A2 betreft, luiden de descriptoren met betrekking tot respectievelijk begrijpend lezen en schrijven als volgt : 9 ‘ Ik kan zeer korte eenvoudige teksten lezen. Ik kan specifieke voorspelbare informatie vinden in eenvoudige, alledaagse teksten zoals advertenties, folders, menu’s en dienstregelingen en ik kan korte, eenvoudige, persoonlijke brieven begrijpen ’ en : ‘ Ik kan korte, eenvoudige notities en boodschappen opschrijven. Ik kan een zeer eenvoudige persoonlijke brief schrijven, bijvoorbeeld om iemand voor iets te bedanken ’ (Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, 3.3). B.10.3. In essentie impliceert niveau A2 dus, wat de schriftelijke vaardigheden betreft, dat de taalgebruiker korte, eenvoudige teksten kan begrijpen en opstellen. Ook de vreemdelingen die analfabeet zijn, beschikken in beginsel over de mogelijkheid om een dergelijke, relatief beperkte, schriftelijke taalkennis te verwerven. Op het niveau van de gemeenschappen is immers voorzien in opleidingen die specifiek erop zijn gericht analfabeten te leren lezen en schrijven in één van de landstalen. De omstandigheid dat analfabeten een specifiek leertraject dienen te doorlopen en het bereiken van niveau A2 als gevolg daarvan aanzienlijk meer tijd in beslag kan nemen, volstaat niet om te besluiten dat de in het geding zijnde bepalingen onevenredige gevolgen hebben. B.10.4.1. Analfabetisme kan evenwel een oorzaak vinden in uiteenlopende factoren en omstandigheden. Zij houden vaak verband met een onvoldoende taalontwikkeling tijdens de jeugd, die een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten tot gevolg heeft dat in bepaalde gevallen niet of zeer moeilijk nog kan worden rechtgezet op latere leeftijd. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat het voor een bepaalde groep van volwassen analfabeten slechts in zeer beperkte mate haalbaar is om schriftelijke vaardigheden te ontwikkelen in één van de landstalen. Dergelijke personen zullen mogelijk nooit in staat zijn om de in B.10.2 vermelde vaardigheden inzake begrijpend lezen en schrijven te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen. B.10.4.2. Het bovenstaande wordt bevestigd door het opleidingsaanbod inzake alfabetisering van de Vlaamse Gemeenschap, waar de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege wonen. Het gaat om de opleidingen van het leergebied ‘ alfabetisering Nederlands tweede taal ’, waarvan de opleidingsprofielen zijn bepaald in de bijlagen XXXXIII tot XXXXV van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 ‘ betreffende de modulaire structuur van de leergebieden van de basiseducatie ’. Uit de toelichting bij die opleidingsprofielen blijkt dat de analfabete tweedetaalleerders, door het volgen van de opleiding ‘ NT2 Alfa – Mondeling richtgraad 1 en schriftelijk richtgraad 1.1 ’, in beginsel een kennis van het Nederlands kunnen verwerven die voor de mondelinge vaardigheden overeenstemt met het niveau A2 en voor de schriftelijke vaardigheden met het niveau A1. Vervolgens kunnen zij doorstromen naar de reguliere opleidingen van het leergebied ‘ Nederlands tweede taal ’ (bijlage XXXXIII, pp. 5-6). Uit die toelichting blijkt echter ook dat sommige cursisten ‘ in de loop van de opleiding NT2 Alfa – Mondeling richtgraad 1 en schriftelijk richtgraad 1.1 stagneren, hetzij op het vlak van lees- en schrijfvoorwaarden, hetzij in de loop van de technische modules ’. Voor die personen is een heroriëntatie aangewezen naar een andere opleiding, namelijk de opleiding 10 ‘ NT2 Alfa – Mondeling richtgraad 1 ’ (ibid., p. 6). Na die opleiding ‘ hanteert de cursist als basisgebruiker het Nederlands voor de mondelinge vaardigheden op het overlevingsniveau (A2) en voor de schriftelijke vaardigheden op een zelfredzaamheidsniveau. […] De schriftelijke vaardigheden beperken zich tot een minimale functionele zelfredzaamheid. Dit niveau behelst een aantal schriftelijke vaardigheden die haalbaar zijn voor cursisten die niet technisch kunnen leren lezen en schrijven maar zich met compensatiestrategieën, bijv. het inprenten van een beperkte set woordbeelden, kunnen behelpen. Dit niveau wordt niet omschreven in het ERK omdat het ERK vertrekt van gealfabetiseerde tweedetaalleerders ’ (bijlage XXXXIV, p. 4). B.10.5. Het feit dat een analfabeet, hoewel hij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikt, niet erin slaagt de in B.10.2 vermelde schriftelijke vaardigheden te verwerven, is in sommige gevallen dus niet het gevolg van de onwil om zich te integreren of om redelijke inspanningen te leveren teneinde één van de landstalen te leren, maar van een gebrek aan bepaalde taalkundige basiscompetenties en -inzichten. In zulke gevallen brengt het in het geding zijnde taalvereiste, ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling van integratie, onevenredige gevolgen met zich mee. B.11.1. De artikelen 1, § 2, en 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zijn bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van één van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen. B.11.2. Het komt de wetgever toe de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen, door te voorzien in een mogelijkheid voor de vreemdeling die een nationaliteitsverklaring aflegt, om aan te tonen dat hij door zijn analfabetisme en hoewel hij daartoe, rekening houdend met het bestaande opleidingsaanbod, redelijke inspanningen heeft geleverd, niet in staat is om de desbetreffende schriftelijke vaardigheden te verwerven. In afwachting van dat wetgevend optreden staat het aan het verwijzende rechtscollege een einde te maken aan die ongrondwettigheid, door in de bodemgeschillen, in voorkomend geval met de bijstand van een deskundige, te beoordelen of de betrokken vreemdelingen al dan niet in staat zijn om niveau A2 in het geheel te bereiken ». B.4.2. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging niet gegrond is. Volgens hem vindt de in het voormelde arrest nr. 53/2023 geformuleerde vaststelling van ongrondwettigheid haar oorsprong niet in de bestreden bepalingen maar in de Belgische rechtsorde in haar geheel beschouwd, zodat de eventuele vernietiging ervan het niet mogelijk zou maken om die ongrondwettigheid te doen verdwijnen. 11 Bovendien voert de Ministerraad aan dat de in het voormelde arrest nr. 53/2023 vastgestelde lacune kan worden weggewerkt door artikel 22ter van de Grondwet, in zoverre de personen die het slachtoffer zijn van de in het arrest nr. 53/2023 vastgestelde discriminatie, kunnen worden beschouwd als personen met een handicap en in zoverre zij dus kunnen vragen om een redelijke aanpassing in de zin van die grondwetsbepaling, die te dezen zou bestaan in een regeling die afwijkt van het vereiste om niveau A2 inzake schriftelijke taalkennis te behalen. B.4.3. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, bestaat de in het voormelde arrest nr. 53/2023 geformuleerde vaststelling van ongrondwettigheid in een lacune in artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024, en in artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek. Artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof staat geenszins eraan in de weg dat het Hof een norm vernietigt waarvan de vastgestelde ongrondwettigheid bestaat in een lacune die is gelegen in de aan het Hof voorgelegde tekst (zie, in die zin, GwH, arrest nr. 153/2012, 13 december 2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.153, B.2.4). Bovendien, gesteld dat artikel 22ter van de Grondwet van toepassing is op de in het voormelde arrest nr. 53/2023 bedoelde categorie van personen, kan de omstandigheid dat die bepaling vermeldt dat elke persoon met een handicap recht heeft op redelijke aanpassingen, de in dat arrest geformuleerde vaststelling van ongrondwettigheid niet wijzigen, noch doen besluiten tot het niet-discriminerende karakter van de bestreden bepalingen zelf. B.5. Om dezelfde redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 53/2023 worden vermeld, dient te worden vastgesteld dat het enige middel gegrond is. Artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024, en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet voorzien in een 12 uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen. 13 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 september 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.096 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.153 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div