← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.097

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.097 Arrest- Rolnummer: 97/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-07 Raadplegingen: 1504 - laatst gezien 2026-06-19 02:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie - Verwerping van de overige grieven (onder voorbehoud van de in B.121 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 20 juli 2022 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de identificatiegegevens en van metagegevens in de sector van de elektronische communicatie en de verstrekking ervan aan de autoriteiten », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet, door de vzw « Liga voor Mensenrechten », door de vzw « Ligue des droits humains » en door Jens Hermans en anderen. Telecommunicatie - Elektronische communicatie - Verzameling en bewaring van de gegevens -

  1. Gebruik van versleuteling -
  2. Gebruikte maatregelen op netwerkniveau of op het niveau van de eindgebruiker om fraude en kwaadwillig gebruik van de netwerken en diensten op te sporen -
  3. Bewaren van de verkeersgegevens -
  4. Bewaren van de locatiegegevens -
  5. Bewaren van de inschrijvings- en identificatiegegevens -
  6. Verplichting tot identificatie van de abonnees en van de eindgebruikers van elektronische-communicatiediensten -
  7. Gerichte bewaring van de gegevens op basis van een geografisch criterium -
  8. Opsomming van de bevoegde autoriteiten en de doeleinden in het kader van de toegang tot de gegevens -
  9. Bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie van het BIPT -
  10. Bevoegdheden van de procureur des Konings -
  11. Bevoegdheden van de onderzoeksrechter -
  12. Bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten -
  13. Inwerkingtreding -
  14. Bescherming van het beroepsgeheim Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 97/2024 van 26 september 2024 Rolnummers : 7907, 7929, 7930, 7931 en 7932 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 20 juli 2022 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de identificatiegegevens en van metagegevens in de sector van de elektronische communicatie en de verstrekking ervan aan de autoriteiten », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet, door de vzw « Liga voor Mensenrechten », door de vzw « Ligue des droits humains » en door Jens Hermans en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 januari 2023, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Alexandre Cassart, advocaat bij de balie te Charleroi, en door Mr. Jean-François Henrotte, Mr. Elisabeth Kiehl en Mr. Eric Lemmens, advocaten bij de balie Luik-Hoei, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 20 juli 2022 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de identificatiegegevens en van metagegevens in de sector van de elektronische communicatie en de verstrekking ervan aan de autoriteiten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2022). b. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 3, 6 en 8 februari 2023 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 6, 7, 8 en 9 februari 2023, zijn beroepen tot gehele of gedeeltelijke (artikelen 2 tot 17) vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet, door de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie van Antwerpen, door de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd 2 door Mr. Catherine Forget, advocate bij de balie te Brussel, en door Jens Hermans, de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jan De Groote, advocaat bij de balie te Dendermonde. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7907, 7929, 7930, 7931 en 7932 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Evrard de Lophem, Mr. Sébastien Depré en Mr. Germain Haumont, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend (in alle zaken), de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7907, 7930 en 7931 hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend (in de zaken nrs. 7907, 7930 en 7931). Bij beschikking van 28 februari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij in de zaak nr. 7907 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 13 maart 2024 : - de dag van de terechtzitting bepaald op 10 april 2024; - de partijen uitgenodigd om, in een uiterlijk op 5 april 2024 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, hun opmerkingen te kennen te geven over de weerslag van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Podchasov t. Rusland van 13 februari 2024, op de behandeling van onderhavige beroepen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij in de zaak nr. 7907; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7930; - de verzoekende partijen in de zaak nr. 7932; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 10 april 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Jean-François Henrotte en Mr. Elisabeth Kiehl, tevens loco Mr. Eric Lemmens, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7907; 3 . Jean Pierre Riquet, in eigen persoon en voor de vzw « Académie Fiscale » (verzoekende partijen in de zaak nr. 7929); . Mr. Raf Jespers, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7930; . Mr. Catherine Forget, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7931; . Mr. Jan De Groote, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7932; . Mr. Evrard de Lophem, tevens loco Mr. Sébastien Depré, en Mr. Germain Haumont, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. Bij beschikking van 15 mei 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben behoord, beslist : - de debatten te heropenen; - de partijen uit te nodigen om, in een uiterlijk op 30 mei 2024 in te dienen aanvullende memorie, hun opmerkingen te kennen te geven over de weerslag van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie La Quadrature du Net e.a. (Données personnelles et lutte contre la contrefaçon) (C-470/21) en Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bolzano (C-178/22) van 30 april 2024 op de behandeling van onderhavige beroepen en binnen dezelfde termijn mee te delen aan de andere partijen, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be »; - de dag van een nieuwe terechtzitting vast te stellen op 5 juni
  15. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij in de zaak nr. 7907; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 5 juni 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Alexandre Cassart, tevens loco Mr. Jean-François Henrotte, en Mr. Elisabeth Kiehl, tevens loco Mr. Eric Lemmens, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7907; . Mr. Raf Jespers, tevens loco Mr. Catherine Forget, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7930 en 7931; 4 . Mr. Jan De Groote, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7932; . Mr. Evrard de Lophem, tevens loco Mr. Sébastien Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft het standpunt van de verzoekende partijen Zaak nr. 7907 A.1.
  16. De verzoekende partij, die de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is, voert aan dat zij over het belang beschikt om de vernietiging van de artikelen 5, 4° en 6°, 8 tot 11, 13 tot 15, 19, 21, 22, 24 tot 42 en 44 van de wet van 20 juli 2022 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de identificatiegegevens en van metagegevens in de sector van de elektronische communicatie en de verstrekking ervan aan de autoriteiten » (hierna : de wet van 20 juli 2022) te vorderen, ten aanzien van de opdrachten die zij waarneemt krachtens artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek. De bestreden bepalingen doen immers afbreuk aan het beroepsgeheim van de advocaat in zoverre zij het met name mogelijk maken te bepalen of een cliënt een advocaat heeft geraadpleegd en de datum en het tijdstip van die communicatie te bepalen, maar ook de advocaat en zijn cliënten te identificeren. Die informatie is evenwel vertrouwelijk en wordt gedekt door het beroepsgeheim. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het Hof, bij het arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005 (ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.126), haar belang heeft erkend om in rechte te treden teneinde de vernietiging te vorderen van bepalingen met betrekking tot het beroep van advocaat en, bij het arrest nr. 84/2015 van 11 juni 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.084), haar belang heeft bevestigd om in rechte te treden met betrekking tot bepalingen met een soortgelijke draagwijdte als die van de bestreden bepalingen. A.1.
  17. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de bestreden bepalingen een ondeelbaar geheel vormen ten aanzien van de grieven die zij opwerpt, zodat, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, het belang om in rechte te treden zich niet beperkt tot artikel 27, 2°, van de wet van 20 juli 2022, dat enkel betrekking heeft op de toegang tot beschermde gegevens en niet op de bewaring ervan, die wordt geregeld bij andere bepalingen. Bovendien is het voormelde artikel 27, 2°, niet van toepassing op de communicatie die afkomstig is van de cliënt, noch op de door die cliënt bijgehouden gegevens, terwijl die informatie, in voorkomend geval, wordt gedekt door het beroepsgeheim. De andere bepalingen van de wet van 20 juli 2022 zijn dus noodzakelijkerwijs van toepassing op en doen afbreuk aan het beroepsgeheim, aangezien in die wet geen onderscheid wordt gemaakt op grond van de gegevens die al dan niet worden gedekt door dat beroepsgeheim. Bijgevolg meent de verzoekende partij te beschikken over een belang met betrekking tot het derde en het vierde onderdeel van het enige middel, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert. Het Hof heeft overigens, bij zijn arresten nrs. 57/2021 van 22 april 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.057) en 96/2018 van 19 juli 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.096), het belang erkend van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » in het kader van beroepen tot vernietiging die waren gericht tegen wetten met een zeer soortgelijke draagwijdte als die van de wet van 20 juli
  18. Te dezen dient niet te worden afgezien van die rechtspraak. 5 Zaak nr. 7929 A.
  19. De eerste verzoekende partij, de vzw « Académie Fiscale », meent te beschikken over een belang om de vernietiging van de artikelen 2 tot 17 van de wet van 20 juli 2022 te vorderen, ten aanzien van haar statutair doel, aangezien die bepalingen de situatie van de boekhouders-fiscalisten, de accountants en de belastingadviseurs alsook die van de belastingplichten die door de voornoemde personen worden verdedigd, rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. De wet van 20 juli 2022 doet immers afbreuk aan het beroepsgeheim van de boekhoudkundige en fiscale professionals in zoverre het raadplegen van de bewaarde metagegevens het mogelijk maakt om te bepalen of een boekhoudkundige en fiscale professional werd geraadpleegd, maar ook om die professional en zijn cliënten te identificeren en de datum en het tijdstip van hun communicatie te bepalen. Het beroepsgeheim vormt evenwel een algemeen beginsel dat bijdraagt tot de inachtneming van de grondrechten. Bovendien is de tweede verzoekende partij, die een natuurlijke persoon is, een beroepsbeoefenaar die werkt op het gebied van de fiscaliteit en onderworpen is aan het beroepsgeheim krachtens haar inschrijving in het openbaar register van de gecertificeerde belastingadviseurs van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants. In dat opzicht wordt zij rechtstreeks geraakt door de bestreden bepalingen die voorzien in maatregelen tot bewaring van gegevens die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen. De verzoekende partij stelt zich eveneens voor als burger en als belastingplichtige, zodat zij, in dat opzicht, meent dat zij rechtstreeks wordt geraakt door de voormelde bewaringsmaatregelen in het kader van haar eventuele private relatie met haar advocaat. Zaak nr. 7930 A.
  20. De verzoekende partij, de « Liga voor Mensenrechten », voert aan dat zij over een belang beschikt om de vernietiging van de gehele wet van 20 juli 2022 te vorderen, ten aanzien van haar statutair doel, dat erin bestaat elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden, alsook de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme te verdedigen waarop de democratische samenlevingen berusten, en zulks met name via rechtsvorderingen. In dat verband beweert zij dat de wet van 20 juli 2022 diverse grondrechten aantast in zoverre zij wijzigingen aanbrengt in de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » (hierna : de wet van 13 juni 2005). Zij merkt bovendien op dat het Hof haar belang om in rechte te treden reeds herhaalde malen heeft erkend. Zaak nr. 7931 A.
  21. De verzoekende partij, de « Ligue des droits humains », meent te beschikken over een belang om de vernietiging van de wet van 20 juli 2022 te vorderen, ten aanzien van haar statutair doel, dat erin bestaat onrechtvaardigheid en elke willekeurige aantasting van de rechten van een individu te bestrijden, alsook elk initiatief te steunen dat strekt tot de totstandkoming en de bevordering van de rechten en vrijheden, aangezien die wet bepaalde grondrechten in het gedrang lijkt te brengen. Zij merkt bovendien op dat het Hof haar belang om in rechte te treden herhaalde malen heeft erkend, met name op het gebied van de bewaring van gegevens uit elektronische communicatie. Daarenboven voert zij aan dat zij ernaar streeft te vermijden dat terrorismebestrijding een excuus wordt om een aantal fundamentele waarden van de rechtsstaat, zoals het beginsel van de wettigheid van de misdrijven en van de straffen, te herzien. Zaak nr. 7932 A.5.
  22. De verzoekende partijen voeren aan dat de wet van 20 juli 2022 een algemene draagwijdte heeft in zoverre de bewaring van de erin beoogde gegevens betrekking heeft op elke gebruiker van een elektronische- communicatiedienst. Bovendien is het gebruik van elektronische-communicatiemiddelen onontbeerlijk in de samenleving, zodat elke mogelijke gebruiker van dergelijke middelen over een belang beschikt om die wet te bestrijden. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat het, in het geval van een norm die een essentieel aspect van de vrijheid van de burger raakt, niet noodzakelijk is te onderzoeken of de persoonlijke situatie van de verzoekers wordt geraakt, aangezien het belang hoe dan ook vaststaat. A.5.
  23. De eerste en de derde verzoekende partij stellen zich meer bepaald voor als eindgebruikers van elektronische-communicatiediensten waarop de in de wet van 20 juli 2022 bedoelde maatregelen rechtstreeks 6 betrekking hebben. Die doen echter afbreuk aan hun privéleven wegens het risico van een ongeoorloofde toegang tot de bewaarde elektronische-communicatiegegevens en het risico van een oneigenlijk gebruik van die gegevens. Bijgevolg hebben de voornoemde verzoekende partijen een belang bij het vorderen van de vernietiging van de wet van 20 juli 2022 om een einde te maken aan de krachtens die wet bedoelde bewaring van hun persoonsgegevens. A.5.
  24. De tweede verzoekende partij is een rechtspersoon wiens statutair doel erin bestaat te streven naar het vrijwaren van het privéleven van elke burger en met name tegen te gaan dat een maatschappij wordt opgebouwd waarin de overheid toezicht houdt. In dat kader is zij gemachtigd om elke maatregel te nemen teneinde de in de Grondwet en in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vastgelegde fundamentele rechten en vrijheden te verdedigen. De wet van 20 juli 2022 strekt evenwel ertoe de overheid toe te staan om zich te mengen in het privéleven van de burgers, hetgeen het door artikel 22 van de Grondwet en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht hoe dan ook aantast. Het belang van de tweede verzoekende partij is dan ook in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof en leunt niet aan bij een actio popularis. Wat betreft het standpunt van de Ministerraad A.
  25. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 7907 enkel ontvankelijk is ten aanzien van artikel 27, 2°, van de wet van 20 juli
  26. Onder voorbehoud van een aantal uitzonderingen waarop het beroep geen betrekking heeft, wordt bij die bepaling de toegang tot alle metagegevens met betrekking tot de communicatiemiddelen van een advocaat, voor zowel inkomende als uitgaande communicatie, uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 20 juli
  27. Daarentegen hebben het derde en het vierde onderdeel van het enige middel betrekking op de wet van 20 juli 2022 in haar geheel, zonder enig verband met het beroepsgeheim van de advocaten aan te tonen. Volgens de rechtspraak van het Hof beperkt het belang van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » zich echter tot de bepalingen die een weerslag hebben op het recht op toegang tot een rechter, op de rechtsbedeling en op de bijstand die de advocaten kunnen bieden aan hun cliënten. Enkel de kritiek die die partij met betrekking tot de bescherming van het beroepsgeheim van de advocaat formuleert, is dus ontvankelijk. Ten gronde Wat betreft het standpunt van de verzoekende partijen Zaak nr. 7907 A.
  28. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest). Zij voert aan dat de in het middel aangehaalde bepalingen de bescherming van het beroepsgeheim van de advocaat verzekeren, aangezien dat onder het recht op een eerlijk proces valt en een essentieel bestanddeel van het recht op eerbiediging van het privéleven uitmaakt. Zij voegt eraan toe dat, hoewel het beroepsgeheim van de advocaat niet onaantastbaar is, het een van de grondbeginselen vormt waarop de organisatie van het gerecht in een democratische samenleving berust. Dat geheim heeft met name betrekking op het bestaan zelf van de raadpleging van een advocaat. In dat kader zijn de data en tijdstippen waarop de advocaat werd geraadpleegd, gegevens met een vertrouwelijk karakter. Hetzelfde geldt voor de professionele agenda van de advocaat en voor de identiteit van de cliënten. A.8.
  29. In het eerste onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen geen - of minstens onvoldoende - onderscheid maken tussen de gebruikers die houder zijn van het beroepsgeheim en de andere gebruikers. Bij die bepalingen worden alle gebruikers die elektronische communicatie verzenden immers op dezelfde wijze behandeld, zonder die gebruikers te onderscheiden wier communicatie wordt beschermd door het beroepsgeheim, zoals de cliënten van advocaten. Zij houden dus geen rekening met het bijzondere statuut van de communicatie van de advocaat, met het fundamentele karakter van het beroepsgeheim waaraan de advocaat is onderworpen en met de noodzakelijke vertrouwensrelatie die hem aan zijn cliënten bindt. De verzoekende partij stelt vast dat het Hof, bij zijn arrest nr. 84/2015, heeft geoordeeld dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 « houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering » onevenredig was ten aanzien van de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest in zoverre die wet zonder enige uitzondering van 7 toepassing was, met name op personen van wie de communicatie onder het beroepsgeheim valt. Bovendien heeft het Hof, bij het arrest nr. 57/2021, artikel 9 van de wet van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie » vernietigd, in zoverre die bepaling de communicatie die onder het beroepsgeheim valt en de andere communicatie op dezelfde wijze behandelde. Volgens de verzoekende partij maakt de wet van 20 juli 2022 het niet mogelijk om de in de voormelde arresten vastgestelde ongrondwettigheid weg te nemen. De wetgever beoogt immers enkel de communicatie die uitgaat van de advocaat en niet die welke afkomstig is van de cliënt, terwijl het communicatie betreft die meer afbreuk doet aan het beroepsgeheim, aangezien zij de overheid te kennen geeft dat de cliënt de advocaat heeft gecontacteerd en zij de locatie en het ogenblik van dat contact aangeeft. De wetgever maakt het dus mogelijk om in concreto te bepalen of een advocaat werd geraadpleegd, om die advocaat en zijn gesprekspartner te identificeren, maar ook om de datum en het tijdstip van de communicatie te bepalen. Dat systeem houdt een grote aantasting in van het noodzakelijke vertrouwen van de cliënt jegens zijn advocaat en kan een persoon ervan afbrengen om een beroep op hem te doen via elektronische communicatiemiddelen. De wetgever heeft dus afbreuk gedaan aan het beroepsgeheim en aan de grondrechten die worden gewaarborgd door de in het middel bedoelde bepalingen, en zulks door geen nuttig onderscheid te maken tussen, enerzijds, de personen wier communicatie onder het beroepsgeheim valt en, anderzijds, de andere personen. A.8.
  30. In het tweede onderdeel van het enige middel beweert de verzoekende partij dat de wet van 20 juli 2022 de door het beroepsgeheim gedekte gegevens niet - of onvoldoende - onderscheidt van de andere gegevens, terwijl de eerste categorie van gegevens het voorwerp moet uitmaken van een specifiekere behandeling dan de tweede. A.8.
  31. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert met betrekking tot het eerste en het tweede onderdeel van het enige middel, beweert de verzoekende partij dat de versterking van de regels met betrekking tot de toegang tot de bewaarde gegevens niet volstaat om de veralgemeende bewaring van die gegevens te verantwoorden. Te dezen leidt het gebrek aan beperkingen en controle inzake de bewaring van de gegevens, in het bijzonder vanuit de invalshoek van de noodzaak om het beroepsgeheim te vrijwaren, ertoe het middel gegrond te achten. Het beroepsgeheim van de advocaat heeft immers niet alleen betrekking op de inhoud van de uitwisselingen maar ook op het bestaan zelf ervan. Bijgevolg schendt het loutere feit dat de metagegevens van de communicatie van de advocaten worden bewaard, de rechten van de verdediging indien de inmenging die de bewaring inhoudt, niet aanvaardbaar is ten aanzien van de grondrechten, hetgeen te dezen net het geval is. Bovendien is de verzoenende interpretatie van artikel 27, 2°, van de wet van 20 juli 2022, die door de Ministerraad wordt voorgesteld en volgens welke die bepaling ook de communicatie dekt die afkomstig is van de cliënt, niet toelaatbaar aangezien in de bewoordingen van de tekst wordt verwezen naar het elektronische communicatiemiddel van een advocaat. Bovendien, in het geval van de voormelde verzoenende interpretatie, worden de door een derde bijgehouden gegevens bewaard en blijven zij toegankelijk zonder dat er rekening wordt gehouden met de vertrouwelijkheid ervan, hetgeen niet aanvaardbaar is ten aanzien van de grote hoeveelheid en de uitermate ruime aard van de gegevens die worden verzameld en bewaard door derde operatoren. A.8.
  32. Wat de ontstentenis van evenredigheid van de maatregel betreft, voegt de verzoekende partij eraan toe dat het door de Ministerraad ter sprake gebrachte feit dat de advocaat niet actief meewerkt, het discriminerende karakter van de wet van 20 juli 2022 en de grote aantasting van het beroepsgeheim lijkt te bevestigen, aangezien een actieve medewerking de advocaat net in staat stelt om te helpen bij het verwezenlijken van de maatregel en om zijn opmerkingen te doen gelden, hetgeen te dezen niet mogelijk is. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het sorteren a posteriori, waarop ook de aandacht is gevestigd door de Ministerraad, geen bevredigend antwoord biedt wegens gebrek aan een specifieke procedure of een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm, aangezien het Hof van Cassatie erkent dat elk - zelfs illegaal verkregen - bewijs toelaatbaar is in strafzaken en in burgerlijke zaken, behalve in het geval van de schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven regel, van een gebrek dat de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of van de schending van het recht op een eerlijk proces. In werkelijkheid zal bij gebrek aan een voorafgaand beroep en een daadwerkelijke medewerking van de advocaat geen controle plaatsvinden. In de feiten, zelfs in het geval waarin een door het beroepsgeheim gedekt bewijselement wordt geweerd, zal de overheid hoe dan ook vooraf kennis hebben genomen van dat element. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens bevestigd dat de inachtneming van het beroepsgeheim uitsluit dat de rechter bij wie een vervolging is ingesteld, zelf onderzoekt en beslist of elementen worden beschermd door dat geheim, aangezien een dergelijke methode het beroepsgeheim stelselmatig in het gedrang zou brengen en volledig zou uithollen. Bovendien bepaalt de wet van 8 20 juli 2022 niets met betrekking tot de teruggave of het wissen van de gegevens waartoe men zich op onregelmatige wijze toegang zou hebben verschaft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld artikel 90octies, § 3, van het Wetboek van strafvordering. A.8.
  33. De verzoekende partij voegt eraan toe dat een bijzondere behandeling moet worden voorbehouden aan de houders van het beroepsgeheim, maar ook aan de door dat beroepsgeheim gedekte metagegevens, in alle gevallen. Zulks geldt des te meer ten aanzien van de aard van de betrokken metagegevens. Bovendien zijn de bepalingen van het Wetboek van strafvordering die de Ministerraad vergelijkbaar acht met die van de wet van 20 juli 2022, te dezen niet pertinent, aangezien die wet niet in een actieve medewerking van de advocaat voorziet, in tegenstelling tot de voormelde bepalingen van het Wetboek van strafvordering. A.9.
  34. In het derde onderdeel van het enige middel merkt de verzoekende partij op dat de wetgever een verplichting heeft ingevoerd tot registratie en bewaring van bepaalde metagegevens die door de overheid kunnen worden geraadpleegd door zich te baseren op een systeem van cijfers inzake strafbare feiten per arrondissement. Een aanzienlijk geheel van gegevens kan dus worden verzameld, hetgeen in werkelijkheid een algemene dekking van het grondgebied en dus van alle burgers uitmaakt. De desbetreffende elektronische-communicatiemiddelen zijn immers zowel de « klassieke » elektronische-communicatiediensten, zoals telefonie, als recentere diensten, zoals onlinediensten voor het sturen van berichten. Bovendien verantwoordt geen enkel element de algemene verplichting tot bewaring van de gegevens, die van toepassing is op zowel de rechtzoekenden die het voorwerp uitmaken van een onderzoek of een vervolging als de rechtzoekenden die niet het voorwerp van dergelijke maatregelen uitmaken. Daarenboven worden in de wet van 20 juli 2022 evenmin de metagegevens gepreciseerd die de doelstellingen van bescherming van de openbare veiligheid en de doelstellingen inzake het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten effectief dienen. In werkelijkheid wijzigt de wet van 20 juli 2022 het vroegere systeem, dat nochtans door het Hof werd vernietigd, niet wezenlijk. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna : het Hof van Justitie) is trouwens van oordeel dat een maatregel tot algemene en ongedifferentieerde bewaring van gegevens een zodanige inmenging in de grondrechten van de beoogde personen uitmaakt dat hij in beginsel niet toelaatbaar is. A.9.
  35. In het vierde onderdeel van het enige middel is de verzoekende partij van mening dat het bij de wet van 20 juli 2022 ingevoerde systeem niet evenredig is met het door de wetgever nagestreefde doel. Het bijeenbrengen van de gegevens die worden bewaard krachtens een verplichting tot bewaring van een groot geheel van metagegevens die de facto het gehele grondgebied dekt, maakt het immers mogelijk om een zeer precieze « digitale kaart » van elke persoon op te maken. Dat systeem vormt een dermate ernstige inmenging in de grondrechten dat het niet evenredig is met het nagestreefde doel en dat het bovendien op vernietigende wijze afbreuk doet aan het beroepsgeheim van de advocaat. De wet van 20 juli 2022 voorziet weliswaar niet in de registratie van de inhoud van het gesprek tussen de advocaat en zijn cliënt, maar het kennisnemen van de metagegevens volstaat om de raadpleging van de advocaat als dusdanig vast te stellen en om een aantal conclusies te trekken naargelang van de omstandigheden, zoals een oproep die enkele minuten na de feiten heeft plaatsgevonden. Het beroepsgeheim van de advocaat heeft evenwel tot doel aan diegenen die dat beroep uitoefenen, de nodige waarborgen inzake geloofwaardigheid te geven opdat de personen die zich tot een advocaat wenden, de zekerheid kunnen hebben dat de aan hun raadsman toevertrouwde geheimen niet aan derden zullen worden bekendgemaakt. De bestreden maatregel is dus geenszins evenredig ten aanzien van het essentiële karakter van het voormelde beroepsgeheim, waarvan het Hof het belang in herinnering heeft gebracht bij zijn arrest nr. 127/2013 van 26 september 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.127). Het bestreden systeem heeft tot gevolg dat de rechtzoekenden nooit in alle vertrouwen een advocaat zullen kunnen raadplegen en de zekerheid zullen kunnen hebben dat het bestaan en de omstandigheden van die raadpleging niet worden bekendgemaakt aan de overheid. Ten slotte stelt de verzoekende partij vast dat de gelijke behandeling van de personen die houder zijn van het beroepsgeheim en de andere personen niet wordt verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli
  36. De wetgever heeft de invoering van minder beperkende maatregelen, zoals het sorteren van de gewone metagegevens en die welke zijn verbonden aan een houder van het beroepsgeheim door middel van een filtermechanisme bij binnenkomst, hetgeen nochtans technisch haalbaar is, niet overwogen. A.9.
  37. De verzoekende partij voegt, met betrekking tot het derde en het vierde onderdeel van het enige middel, eraan toe dat de rechtspraak van het Hof van Justitie de invoering van een minimale filter bij binnenkomst vereist, los van de bepalingen waarin is voorzien voor de toegang tot de gegevens. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, brengt de bewaring van de door het beroepsgeheim gedekte gegevens een onderscheiden inmenging met zich mee, los van de beperkingen waarin met betrekking tot de toegang tot de gegevens is voorzien. De voormelde invoering van een filter bij binnenkomst is maar één voorbeeld waarbij de aandacht wordt gevestigd op het feit dat andere oplossingen mogelijk zijn. Die werden evenwel niet overwogen terwijl de wet van 9 20 juli 2022 net op discriminerende wijze afbreuk doet aan de grondrechten die worden gewaarborgd door de in het middel aangehaalde bepalingen. Bovendien zijn de technische moeilijkheden die zouden voortvloeien uit de invoering van de voormelde filter, waarop de Ministerraad de nadruk heeft gelegd, niet onoverkomelijk, zodat die maatregel in de praktijk mogelijk is. Hoewel het juist is dat het het Hof niet toekomt zich uit te spreken over de opportuniteit van een wetskrachtige regeling, blijft het desalniettemin bevoegd om te beslissen of een wet ongrondwettig is bij gebrek aan een dergelijke regeling. De voorafgaande filtering blijkt evenwel de enige maatregel te zijn die kan verzekeren dat de bewaring van de metagegevens door de operatoren niet van toepassing is op de door het beroepsgeheim gedekte gegevens. Indien die filtering niet kan worden uitgevoerd, zoals de Ministerraad beweert, betekent dit dat de in de wet van 20 juli 2022 bedoelde inmenging hoe dan ook onevenredig is. Bovendien zijn de andere door de Ministerraad aangevoerde hinderpalen met betrekking tot het filtermechanisme niet overtuigend volgens de verzoekende partij. Dat systeem zou in het bijzonder niet kunnen worden geacht een voorrecht toe te kennen aan de advocaat. Het beroepsgeheim is immers een fundamentele waarborg voor de rechtzoekende in een democratische Staat. De advocaten zijn ertoe gehouden dat geheim te eerbiedigen op straffe van strafrechtelijke en deontologische sancties. De opheffing van het geheim is trouwens enkel denkbaar krachtens de noodtoestand of een conflict met een hogere waarde. Die afwijking wordt enkel doorgevoerd in de mate die noodzakelijk is voor het verdedigen van de respectieve rechten van de partijen in het geding. Het feit dat bepaalde advocaten zelf misdrijven kunnen plegen, verandert niets aan die vaststellingen, aangezien de advocaat zich niet achter zijn beroep kan verschuilen om straffeloosheid te genieten. Bovendien verwijst het feit dat een kwaadwillig persoon de communicatiemiddelen van een advocaat zou kunnen misbruiken, hetgeen de Ministerraad eveneens opwerpt, naar een uitzonderlijk geval dat de bestreden maatregel geenszins rechtvaardigt. Zaak nr. 7929 A.10.
  38. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8, 11 en 47 van het Handvest. Volgens hen behandelen de bestreden bepalingen de gebruikers van telecommunicatie- of elektronische-communicatiediensten die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen, onder wie de boekhoudkundige en fiscale professionals, en de andere gebruikers van die diensten op identieke wijze, zonder rekening te houden met het bijzondere statuut van de voornoemde professionals, met het fundamentele karakter van het beroepsgeheim waaraan die zijn onderworpen, noch met de noodzakelijke vertrouwensrelatie met hun cliënten. Bovendien behandelen de bestreden bepalingen, enerzijds, de rechtzoekenden die het voorwerp uitmaken van maatregelen van onderzoek en vervolging wegens feiten die onder de omschreven doelstellingen voor de bewaring van de in het geding zijnde elektronische gegevens kunnen vallen en, anderzijds, diegenen die niet het voorwerp van dergelijke maatregelen uitmaken, eveneens op identieke wijze. A.10.
  39. De verzoekende partijen merken op dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2022 wordt aangegeven dat die ertoe strekt de richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 « betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische-communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG » (hierna : de richtlijn 2006/24/EG) en artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 « betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) » (hierna : de richtlijn 2002/58/EG) gedeeltelijk om te zetten. Volgens de verzoekende partijen zijn de in de wet van 20 juli 2022 bedoelde verplichtingen tot bewaring evenwel buitensporig ten opzichte van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, aangezien in geen enkele waarborg wordt voorzien wat betreft de gegevens die betrekking hebben op de accountants en de belastingadviseurs, terwijl die vertrouwelijk zijn en onder het beroepsgeheim vallen. De wet van 20 juli 2022 voldoet immers niet aan de voorwaarden die door het Hof van Justitie zijn aanvaard met betrekking tot de uitzonderingen op het verbod van de algemene bewaring van de gegevens. De verzoekende partijen merken bovendien op dat, hoewel de wet van 20 juli 2022, behoudens uitzondering, niet toestaat dat gegevens worden bewaard die de inhoud van de communicatie onthullen, daarin wel wordt aanvaard dat kennis wordt genomen van metagegevens die aan het licht kunnen brengen dat een boekhoudkundige en fiscale professional werd geraadpleegd en die het mogelijk kunnen maken om bepaalde conclusies te trekken naargelang van de omstandigheden. 10 Volgens de verzoekende partijen is de bestaansreden van het beroepsgeheim van boekhoudkundige professionals van algemeen belang en beoogt het aan diegenen die dat beroep uitoefenen, de nodige waarborgen inzake geloofwaardigheid te bieden opdat diegenen die zich tot hen wenden, de zekerheid hebben dat de toevertrouwde geheimen niet aan derden worden bekendgemaakt. De wet van 20 juli 2022 doet evenwel afbreuk aan die waarborg, terwijl niets het mogelijk maakt om de identieke behandeling van alle gebruikers van telecommunicatiediensten, onder wie diegenen die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen, te verantwoorden. De verzoekende partijen merken op dat door de bevoegde autoriteiten een strafvervolging zou kunnen worden ingesteld op grond van de vertrouwelijke gegevens die krachtens de wet van 20 juli 2022 zijn verzameld, zonder dat in de diverse stadia van de procedure in een jurisdictionele controle wordt voorzien, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch met artikel 47 van het Handvest. Wat de voormelde identieke behandeling van de rechtzoekenden betreft, voeren de verzoekende partijen bovendien aan dat er een niet te verwaarlozen risico bestaat dat de gegevensbanken lichtzinnig worden beheerd door de operatoren die terughoudend zijn ten opzichte van de kosten die worden veroorzaakt door de verplichtingen die voortvloeien uit de wet van 20 juli
  40. A.10.
  41. De verzoekende partijen merken op dat artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 in algemene bewoordingen is geformuleerd die het niet mogelijk maken om alle in die bepaling bedoelde autoriteiten te identificeren. Die zullen waarschijnlijk worden geïdentificeerd in een ministeriële omzendbrief. De wet van 20 juli 2022 voorziet overigens niet in een waarborg met betrekking tot de vertrouwelijke gegevens die worden gedekt door het beroepsgeheim van de accountants en fiscalisten, maar beperkt zij zich ertoe het aan de Koning over te laten om de technische en administratieve maatregelen vast te stellen die de betrokken operatoren zullen moeten nemen om de bescherming van de bewaarde gegevens te waarborgen. Bovendien is het, vanuit technisch oogpunt, mogelijk om de gewone metagegevens en die welke zijn verbonden aan een houder van het beroepsgeheim te sorteren door middel van een filtermechanisme bij binnenkomst. Volgens de verzoekende partijen is het Hof van Justitie van oordeel dat artikel 15 van de richtlijn 2002/58/EG zich verzet tegen een nationale regeling die, ten behoeve van de bestrijding van de criminaliteit, voorziet in een algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeers- en locatiegegevens van alle abonnees en gebruikers, met betrekking tot alle elektronische-communicatiemiddelen. Bij die bepaling wordt bovendien een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit opgelegd, alsook een bewaring van de gegevens op het grondgebied van de Unie. De verzoekende partijen stellen overigens vast dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de richtlijn 2006/24/EG onbestaanbaar was met het evenredigheidsbeginsel, zodat een nationale regeling niet dezelfde inhoud als die richtlijn kan hebben, hetgeen het discriminerende karakter van de wet van 20 juli 2022 aantoont. A.10.
  42. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de in de wet van 20 juli 2022 bedoelde verplichting tot bewaring van de gegevens valt onder het toepassingsgebied van het recht op eerbiediging van het privéleven en van de vrijheid van meningsuiting, die worden gewaarborgd door de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest. In dat verband is het Hof van Justitie van oordeel dat artikel 15 van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de voormelde bepalingen van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een overheidsorgaan ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten kan opleggen. De wet van 20 juli 2022 voorziet weliswaar in een bewaring voor een duur die is beperkt tot twaalf maanden, maar niets verantwoordt te dezen dat alle personen worden beoogd zonder een onderscheid te maken wanneer de gegevens onder het beroepsgeheim vallen. De omstandigheid dat de bewaarde gegevens, in voorkomend geval, later mogelijkerwijs niet worden gebruikt, is eveneens irrelevant, aangezien de toegang tot de gegevens een onderscheiden inmenging in de grondrechten uitmaakt. Bovendien kunnen de verkeers- en locatiegegevens informatie prijsgeven over een groot aantal aspecten van het privéleven van de betrokken personen, zoals de seksuele geaardheid, de politieke opvattingen, de religieuze overtuigingen of nog de gezondheidstoestand. In hun geheel genomen geven die gegevens zeer precieze aanwijzingen over de personen wier gegevens werden bewaard en maken zij het dan ook mogelijk om het profiel van die personen te bepalen. A.10.
  43. De verzoekende partijen merken op dat de bewaring van verkeers- en locatiegegevens voor politiële doeleinden op zichzelf afbreuk kan doen aan het recht dat wordt gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest en de gebruikers kan ontmoedigen met betrekking tot het gebruik van hun elektronische-communicatiemiddelen, hetgeen een inmenging in de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting vormt. Die ontmoedigende effecten raken in het bijzonder de personen wier communicatie onder het beroepsgeheim valt en de klokkenluiders. Bovendien houdt de aanzienlijke hoeveelheid verkeers- en locatiegegevens, die gevoelige informatie aan het licht kunnen brengen, verzameld krachtens een algemene en ongedifferentieerde 11 bewaringsmaatregel, risico’s van misbruik en onrechtmatige toegang in. Het Hof van Justitie legt in dat kader de verplichting op dat de bewaring van gegevens met betrekking tot elektronische communicatie de uitzondering moet zijn en niet de regel. Die bewaring moet bovendien aan duidelijke en nauwkeurige regels zijn onderworpen en daarnaast voldoen aan een minimum aan vereisten. De inmenging moet tot het strikt noodzakelijke worden beperkt en een evenredigheidsbeginsel in acht nemen. Het doel van de bestrijding van zware criminaliteit kan een algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeers- en locatiegegevens zoals bedoeld in de wet van 20 juli 2022 hoe dan ook niet verantwoorden. Hoewel die wet voorziet in het creëren van zones op grond van de criminaliteitscijfers, wordt daarin immers niet gepreciseerd hoe de strafbare feiten worden geteld. Bovendien beperkt die wet zich niet tot het beogen van precieze situaties die te maken hebben met een ernstige en daadwerkelijke bedreiging van de nationale veiligheid. Zij voorziet evenmin in een specifieke regeling voor de aan het beroepsgeheim onderworpen personen, noch voor die welke het voorwerp van een onderzoek uitmaken. Zaak nr. 7930 A.11.
  44. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 11, 12, 22 en 29 van de Grondwet, en de artikelen 5, 6, 9 en 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52, lid 1, van het Handvest, uit de schending van de artikelen 6, 8, 10, 11 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/680). Zij voert aan dat de artikelen 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 van de wet van 20 juli 2022 maatregelen zijn die de jure en de facto een algemene verplichting tot bewaring van de communicatiegegevens invoeren, alsook een zeer brede toegang tot de bewaarde gegevens instellen. Volgens de verzoekende partij zijn de voormelde bepalingen van de wet van 20 juli 2022 niet in overeenstemming met de ter zake toepasselijke rechtspraak van het Hof van Justitie. Die bepalingen beogen immers een vijftigtal verschillende soorten van gegevens die het merendeel van de verkeers- en locatiegegevens vormen. Artikel 11 van die wet bepaalt vijf geografische zones waarbinnen de gegevens onder bepaalde voorwaarden door de operatoren moeten worden bewaard, hetgeen de facto ertoe leidt dat het volledige Belgische grondgebied onder de bewaarplicht kan vallen, gedurende lange of onbepaalde periodes. Artikel 13 van die wet stelt tien autoriteiten vast die onder bepaalde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de door de operatoren bewaarde gegevens. Het gaat om een zeer groot aantal autoriteiten waarvan de meeste buiten het kader van de doelstellingen van artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG vallen. Onder die autoriteiten bevinden zich autoriteiten die bevoegd zijn voor de preventie, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van feiten die gewone strafrechtelijke inbreuken vormen, zonder dat ze onder zware criminaliteit vallen. A.11.
  45. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de wet van 20 juli 2022 in haar geheel moet worden onderzocht, aangezien het de volledige wet is die de door de rechtspraak van het Hof van Justitie omlijnde beginselen schendt, zowel vanuit het oogpunt van de gegevensbewaring als van de toegang tot die gegevens. De algemene aard van de maatregelen druist immers in tegen het evenredigheidsbeginsel, aangezien alle verkeers- en locatiegegevens worden bewaard, zowat het volledige grondgebied onder de bewaarplicht valt en een ruime groep van autoriteiten toegang kan krijgen tot de gegevens, wat ingaat tegen de doelstellingen die met artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG worden nagestreefd. In werkelijkheid voert de wet van 20 juli 2022 een algemene en ongedifferentieerde gegevensbewaring in. Volgens de verzoekende partij worden de uitzonderlijke voorwaarden waaronder het Hof van Justitie een algemene en ongedifferentieerde gegevensbewaring toestaat, niet vervuld door de wet van 20 juli
  46. Het feit dat de gegevens in het kader van de nationale veiligheid worden bewaard op basis van het door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (hierna : het OCAD) vastgestelde dreigingsniveau, voorziet immers niet in een toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke instantie, en bepaalt te dezen geen termijn van strikte noodzakelijkheid. Bovendien zijn de bepalingen met betrekking tot de gegevensbewaring in het kader van zware criminaliteit gericht op strafbare feiten die niet onder dat soort criminaliteit vallen. Het begrip « zware criminaliteit » zelf wordt, wat betreft de toegang tot de gegevens door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de preventie, het onderzoek, de opsporing of de vervolging, te ruim bepaald ten opzichte van de definitie van zware criminaliteit voor de bewaring van de gegevens. Terwijl voor de gegevensbewaring artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering van toepassing wordt gesteld, verwijst de toegang tot de gegevens 12 immers naar artikel 88bis, § 1, van het Wetboek van strafvordering, alsook naar de inbreuken inzake marktmisbruik, die een veel lagere strafdrempel hebben dan artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering. A.11.
  47. Wat betreft de evenredigheid van de gegevensbewaring voegt de verzoekende partij eraan toe dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, de bewaring van een groot aantal gegevens niet enkel wordt bepaald in artikel 8 van de wet van 20 juli 2022, maar eveneens in de artikelen 5 en 12 van die wet. Uit die bepalingen blijkt dat het mogelijk is identificatiegegevens te bewaren, zonder dat zulks noodzakelijk of strikt beperkt is. Daarnaast is artikel 8 van de wet van 20 juli 2022 niet bestaanbaar met de rechtspraak van het Hof van Justitie, in zoverre het betrekking heeft op andere gegevens dan het IP-adres en de burgerlijke gegevens van de gebruiker, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft beklemtoond. Bovendien houden de betrokken gegevens geen verband met de doeleinden inzake de vrijwaring van de nationale veiligheid, de bestrijding van zware criminaliteit en de voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Daarenboven wijst de verzoekende partij erop dat het grote aantal beoogde gegevens niet kan worden verantwoord door een technische noodzaak. Zij vestigt daarnaast de aandacht erop dat de bewaring van de gegevens, enerzijds, en de toegang ertoe, anderzijds, onderscheiden inmengingen vormen, zodat een algemene gegevensbewaring niet kan worden verantwoord door waarborgen betreffende de toegang tot die gegevens. Tot slot moet de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven worden onderzocht in het licht van de concrete identificatie van de betrokken personen en niet vanuit het algemene en abstracte oogpunt van de beschikbare technologieën. A.12.
  48. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 11, 12, 22 en 29 van de Grondwet, van artikel 15, lid 1, en van de artikelen 5, 6 en 9 van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52, lid 1, van het Handvest, uit de schending van de artikelen 6, 8, 10, 11 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/
  49. De verzoekende partij betoogt dat de artikelen 5, 6, 8, 9, 10 en 12 van de wet van 20 juli 2022, die betrekking hebben op de gegevens die de operatoren verplicht moeten bewaren, wat betreft het aantal en de beoogde categorieën van gegevens, de beginselen van evenredigheid en noodzakelijkheid schenden. De verzoekende partij preciseert dat uit de voormelde bepalingen van de wet van 20 juli 2022 zeer precieze conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de beoogde personen, met name hun dagelijkse gewoontes, hun woonplaats of nog hun sociale relaties, waardoor een profiel van die personen kan worden opgesteld. De wet van 20 juli 2022 brengt de bewaring van een groot aantal en diverse categorieën van gegevens teweeg, hetgeen op zich de schending van artikel 22 van de Grondwet en van de artikelen 7 en 8 van het Handvest met zich meebrengt, daar het privéleven van de burgers niet meer wordt beschermd. De artikelen 5, 6, 8, 9, 10 en 12 van de wet van 20 juli 2022 zijn overigens op een te ruim geheel van gegevens gericht ten opzichte van de rechtspraak van het Hof van Justitie en zij voorzien in te lange bewaringstermijnen. Bovendien is geen enkel beroep vrijgesteld van de gegevensbewaring, ook niet de artsen, advocaten of journalisten. Daarnaast heeft de bewaarplicht voor de operatoren betrekking op vrijwel alle gegevens en maakt die plicht het mogelijk de betrokken communicatie nauwkeurig te identificeren. De bewaring van die gegevens heeft betrekking op nagenoeg de hele bevolking zonder dat die zich noodzakelijkerwijs in een situatie bevindt die aanleiding geeft tot strafrechtelijke vervolging. Anders gezegd, de wet van 20 juli 2022 legt zonder grondslag de algemene en, vanuit persoonlijk, temporeel en geografisch oogpunt, ongedifferentieerde bewaring van het merendeel van de verkeers- en locatiegegevens op. In dat verband verplicht artikel 8 van de wet van 20 juli 2022 niet ertoe de grondslag van de bewaring te vermelden, in tegenstelling tot de artikelen 5 en 6 van die wet. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de beoogde gegevens kunnen worden opgevraagd door de autoriteiten zonder dat die toegang noodzakelijkerwijs iets te maken heeft met de vermelde doelstelling. Wat betreft de gegevensbewaring in de geografische zones vermeldt artikel 9 van de wet van 20 juli 2022 als doelstellingen de vrijwaring van de nationale veiligheid, de strijd tegen zware criminaliteit, de preventie van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid en de bescherming van de vitale belangen van een natuurlijke persoon. Hetzelfde artikel 9 preciseert evenwel ook dat de geografische zones enkel kunnen worden opgenomen ter vrijwaring van de nationale veiligheid of bij een hoog risico van zware criminaliteit, hetgeen tegenstrijdig is. Artikel 11 voorziet dan weer in een bewaarplicht die het volledige grondgebied kan dekken. A.12.
  50. De verzoekende partij herinnert eraan dat de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft onderstreept dat de wet van 20 juli 2022 in de feiten leidt tot een algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht voor de gegevens met het oog op de bestrijding van criminaliteit. Bovendien vroeg die Autoriteit zich af of een verplichting tot een preventieve en systematische gegevensbewaring, waarin artikel 5 van die wet voorziet, noodzakelijk is. Volgens de verzoekende partij zijn de opmerkingen van de Gegevensbeschermingsautoriteit eveneens relevant wat betreft 13 de verplichting om systematisch de verkeersgegevens te bewaren van alle gebruikers van elektronische- communicatiemiddelen en wat betreft de mogelijkheid om andere locatiegegevens dan verkeersgegevens te verwerken teneinde de veiligheid en de correcte werking van het netwerk of de dienst te waarborgen, of teneinde fraude of kwaadwillig gebruik van het netwerk op te sporen of te analyseren. In de artikelen 6, 8 en 9 van de wet van 20 juli 2022 wordt verduidelijkt dat zij gelden onverminderd de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG) en de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018). Volgens de verzoekende partij volstaat die stelling niet om de naleving van de AVG te waarborgen. A.12.
  51. Hoewel de bewaarplicht de inhoud van de communicatie uitdrukkelijk uitsluit, merkt de verzoekende partij op dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de bewaring van categorieën van zeer precieze gegevens op basis waarvan het profiel van de beoogde personen kan worden opgesteld, zoals dat het geval is voor die welke worden bedoeld in de wet van 20 juli 2022, niet toelaatbaar was. In het bijzonder wat betreft de algemene en ongedifferentieerde bewaring van de gegevens met betrekking tot de burgerlijke identiteit van de gebruikers en de IP-adressen stelt de verzoekende partij dat een dergelijke bewaring is toegestaan met het oog op de vrijwaring van de nationale veiligheid, en enkel ter bestrijding van zware criminaliteit en ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid, voor zover die mogelijkheid afhankelijk wordt gesteld van de strikte naleving van materiële en procedurele voorwaarden, dat de bewaring niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is in het licht van de nagestreefde doelstelling en dat de maatregel voorziet in strikte voorwaarden en waarborgen met betrekking tot het gebruik van de gegevens. In dat kader merkt de verzoekende partij op dat artikel 8 van de wet van 20 juli 2022 in het algemeen voorziet in de verplichting om het rijksregisternummer, de gegevens van de identifier en het IP-adres dat heeft gediend voor de inschrijving of voor de activering van de elektronische-communicatiediensten te bewaren. Het verduidelijkt niet binnen welk kader die gegevens moeten worden bewaard, in tegenstelling tot hetgeen is bepaald in artikel 5 van die wet. Die gegevens worden tot twaalf maanden na het einde van de dienst bewaard. Artikel 9 van de wet van 20 juli 2022 bepaalt dat voor de geografische zones de in artikel 10 bedoelde gegevens, met name de identificatiegegevens en het IP-adres, worden bewaard. Enkel in artikel 9 wordt gepreciseerd dat de doeleinden bestaan in de vrijwaring van de nationale veiligheid, de bestrijding van zware criminaliteit, de preventie van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid en de bescherming van de vitale belangen van een natuurlijke persoon. Tot slot legt artikel 12 de bewaring van een lange reeks identificatiegegevens op. De verzoekende partij voert aan dat dat systeem niet strookt met de eisen van het Hof van Justitie, aangezien het doeleinde van de bewaring veel ruimer is dan enkel de nationale veiligheid, de bestrijding van zware criminaliteit en de preventie van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. De voormelde bepalingen van de wet van 20 juli 2022 leggen immers geen enkele grondslag vast voor de bewaring of voorzien in een grondslag die bestaat in de veiligheid van het netwerk of de bescherming van de vitale belangen van een natuurlijke persoon. Alleen in artikel 9 van de wet is een zeker kader bepaald. Bovendien voorziet geen enkele bepaling in materiële en procedurele voorwaarden die het gebruik van de beoogde gegevens regelen. A.12.
  52. De verzoekende partij maakt aanvullende opmerkingen met betrekking tot het doeleinde dat is gericht op de bestrijding van fraude en het kwaadwillige gebruik van netwerken, enerzijds, en met betrekking tot het doeleinde inzake vrijwaring van de veiligheid en de correcte werking van het netwerk, anderzijds. Zij betoogt dat artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 duidelijk een onderscheid maakt tussen die doeleinden en dat die bepaling een algemene bewaring van de verkeersgegevens van de gebruikers invoert. Bovendien wordt niet getoetst of de gegevensbewaring noodzakelijk is. Wat meer bepaald de verantwoordelijkheid betreft die aan de operatoren wordt gedelegeerd opdat zij de nodige verkeersgegevens bewaren teneinde de veiligheid en de goede werking van de netwerken en de diensten te waarborgen, voert de verzoekende partij aan dat dat doeleinde niet is vermeld in artikel 23 van de AVG, zodat de maatregel niet toelaatbaar is. In dat verband kan artikel 6, lid 1, f), van de AVG niet worden aangevoerd. In de veronderstelling dat die maatregel zou kunnen worden verantwoord door artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, zou artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 tot slot leiden tot een algemene gegevensbewaring die niet bestaanbaar is met artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. A.13.
  53. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 11, 12, 22 en 29 van de Grondwet, van artikel 15, lid 1, en van de artikelen 5, 6 en 9 van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52, lid 1, van het Handvest, uit de schending van de artikelen 6, 8, 10, 11 en 14 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/
  54. Zij betoogt dat de artikelen 10 en 11 van de wet van 20 juli 2022 de operatoren ertoe verplichten bepaalde gegevens te bewaren in vijf welbepaalde zones, hetgeen in de feiten leidt tot een algemene en ongedifferentieerde bewaring van het merendeel van de verkeers- en locatiegegevens voor een periode die niet systematisch bij wet is vastgesteld, maar die met name bij koninklijk besluit moet worden verduidelijkt. Artikel 10 van de wet van 20 juli 2022 leidt, in het bijzonder, tot de bewaring van de locatiegegevens van personen die zich niet in de geografische zone bevinden waarvoor de gegevens moeten worden bewaard. A.13.
  55. De verzoekende partij preciseert dat artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 bepaalt dat de beoogde gegevens hetzij gedurende zes tot twaalf maanden worden bewaard, hetzij voor een periode die niet bij de wet is bepaald, hetzij voor een bij koninklijk besluit vast te leggen periode. Volgens haar voldoet artikel 11 dan ook niet aan de door het Hof van Justitie opgelegde voorwaarde dat de periode niet langer is dan strikt noodzakelijk. Allereerst zijn de bewaringstermijnen van zes tot twaalf maanden dermate lang dat zij toelaten precieze informatie over het privéleven van de gebruiker van het elektronische-communicatiemiddel te verschaffen. Wat betreft de door het OCAD bepaalde zones, geldt vervolgens de verplichting tot algemene bewaring op het hele grondgebied zodra dat orgaan inschat dat de dreiging op niveau 3 staat voor het volledige grondgebied. In die hypothese moet de bewaarplicht bij koninklijk besluit worden bevestigd, met dien verstande dat, wanneer die bevestiging er niet komt, een einde wordt gemaakt aan de gegevensbewaring. De bewaringstermijn is dus niet erg duidelijk. Tot slot is niet in enige termijn voorzien voor de zones bedoeld in artikel 126/3, §§ 3 tot 5, van de wet van 13 juni 2005, ingevoegd bij artikel 11 van de wet van 20 juli
  56. Voor die laatste heeft de wetgever enkel bepaald dat de bewaringstermijn bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, zonder dat daarbij minimum- of maximumtermijnen worden vastgelegd. Bijgevolg voldoet artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 niet aan de door het Hof van Justitie gestelde voorwaarde volgens welke de gegevens slechts worden bewaard indien is voldaan aan materiële en procedurele voorwaarden die door middel van duidelijke en nauwkeurige regels zijn geformuleerd. A.13.
  57. Wat betreft de geografische zones die rond de in artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 bepaalde criminaliteitscijfers zijn ingericht, betoogt de verzoekende partij dat de noodzaak van de maatregel niet is aangetoond. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt immers dat er geen precieze gegevens bestaan wat betreft de gevolgen die de bewaring van de gegevens heeft voor de bestrijding van zware criminaliteit. Bovendien is de maatregel waarin artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 voorziet, niet gekoppeld aan strategische plaatsen of plaatsen die door een groot aantal personen worden bezocht, maar enkel aan criminaliteitscijfers. Er wordt een permanente situatie geschapen, aangezien de lijst met zones jaarlijks wordt opgesteld. Daarnaast is de criminaliteitsgraad die verband houdt met de strafbare feiten in de zone laag, waardoor het gekozen criterium te ruim is. De maatregel treft op zich de grote meerderheid van de burgers die niets met strafbare feiten te maken hebben. Volgens de verzoekende partij kan uit de in artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 gekozen lage criminaliteitscijfers niet worden afgeleid dat er een hoog risico op strafbare feiten is, zelfs niet rekening houdend met de aard van de beoogde strafbare feiten. De maatregel is dan ook niet evenredig en niet bestaanbaar met de grondrechten van de burgers, zoals bovendien blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2022, die daarenboven aantoont dat de wetgever niet in de mogelijkheid is om precies aan te geven welk percentage van het grondgebied of welk percentage van de bevolking daadwerkelijk wordt beoogd. De verzoekende partij wijst erop dat het door de wetgever gekozen criterium dat is van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering. Door het grote aantal in die bepaling bedoelde strafbare feiten is het voormelde criterium te ruim voor het bepalen van de strafbare feiten die in het kader van de gegevensbewaring in aanmerking moeten worden genomen. Volgens de verzoekende partij kan de bevoegdheid van de onderzoeksrechter in het kader van artikel 90ter van het Wetboek van stafvordering niet als verantwoording dienen voor de bestreden maatregel inzake gegevensbewaring, die een algemene bewaringsmaatregel blijkt te zijn die niet bestaanbaar is met het uitzonderlijke en subsidiaire karakter van een methode waarbij een inmenging plaatsvindt in de bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest en bij artikel 22 van de Grondwet gewaarborgde grondrechten in het kader van de strijd tegen zware criminaliteit. De verzoekende partij preciseert dat niet alle strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering onder het begrip « zware criminaliteit » vallen, daar sommige ervan worden bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar. Bovendien is de lijst van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering opgesteld om de specifieke bevoegdheid van de onderzoeksrechter af te bakenen en niet om zware criminaliteit te definiëren in het kader van de gegevensbescherming, hetgeen niet bestaanbaar is met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daarnaast kent het begrip « zware criminaliteit » op zich geen exacte definitie in het strafrecht. Het gekozen criterium maakt overigens geen onderscheid tussen vervolging, veroordeling, niet-vervolging en seponering. Voor het overige dient te worden opgemerkt dat het begrip « zwaar strafbaar feit » niet overdreven ruim mag worden geïnterpreteerd door de lidstaten van de Europese Unie. 15 A.13.
  58. De verzoekende partij betwist de bewering dat de bedoelde vaststellingen van het aantal strafbare feiten op een wetenschappelijke en objectieve wijze kunnen worden verricht op basis van de in de wet van 20 juli 2022 bepaalde statistische gegevens, aangezien de door de wetgever daartoe aangewezen gegevensbank niet met dat doel is ontworpen. Die gegevensbank bevat een groot aantal gegevens die gewoonweg verband houden met strafbare feiten, met name de gegevens van slachtoffers, de terechte of onterechte meldingen van strafbare feiten, alsook de feiten die hebben geleid tot een schuldigverklaring. Anders gezegd, de wetgever beoogt niet alleen de feiten die voor de rechter zijn gebracht en tot een veroordeling hebben geleid, terwijl het nochtans het aantal effectief gepleegde strafbare feiten is dat bepaalt of er aan gegevensbewaring kan worden gedaan in een bepaald arrondissement. Bovendien had de Gegevensbeschermingsautoriteit in het kader van haar advies over de wet van 20 juli 2022 twijfels bij de relevantie van het gebruik van die gegevensbank. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, stelt de verzoekende partij dat het niet nodig is een oplossing naar voren te schuiven ter vervanging van de door de wetgever gekozen gegevensbank teneinde de irrelevantie van die laatste aan te tonen. Hoe dan ook zou het wenselijk zijn dat de wet van 20 juli 2022 betrekking heeft op een specifieke gegevensbank, rekening houdend met de aanzienlijke impact ervan op het recht op eerbiediging van het privéleven, en dat die gegevensbank op zaken berust die daadwerkelijk aanhangig zijn gemaakt bij het parket of de rechtbanken met het oog op vervolging. A.13.
  59. Wat betreft de gegevensbewaring in het kader van een dreiging van niveau 3, waarin artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 eveneens voorziet, voert de verzoekende partij aan dat de door het Hof van Justitie geformuleerde eisen worden geschonden. Er wordt immers in geen effectieve rechterlijke controle voorzien om na te gaan of een dergelijk niveau is vastgesteld. Hoewel het dreigingsniveau 4 overeenstemt met een dreiging die ernstig en zeer nabij is, moet overigens worden vastgesteld dat het niveau 3 niet die graad van ernst bereikt, zodat dat dat laatste niveau niet beantwoordt aan het begrip « werkelijke en actuele of voorzienbare bedreiging van de nationale veiligheid » dat is verankerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Bovendien beantwoordt artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 niet aan de voorwaarde volgens welke de gegevensbewaringsmaatregel niet langer dan strikt noodzakelijk kan worden opgelegd. In artikel 11 wordt overigens niet verduidelijkt hoe een einde wordt gemaakt aan die maatregel, met uitzondering wat betreft de automatische beëindiging van een maatregel die het volledige grondgebied dekt bij ontstentenis van een koninklijk besluit tot bekrachtiging ervan. A.13.
  60. Artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 heeft bovendien betrekking op drie bij artikel 126/3, §§ 3 tot 5, van de wet van 13 juni 2005 ingevoegde zones die worden onderscheiden op basis van de aard van de bedreiging waaraan zij kunnen worden blootgesteld. Volgens de verzoekende partij is het aantal plaatsen en infrastructuren waarvoor gegevens moeten worden bewaard in het kader van die zones, dermate groot dat vrijwel het volledige Belgische grondgebied wordt beoogd, hetgeen leidt tot een algemene en ongedifferentieerde bewaring van de gegevens van de hele bevolking. Bovendien is de perimeter van de zones niet bij wet bepaald, maar bij een koninklijk besluit, zonder dat de wetgever in een minimum- of maximumperimeter voorziet. Voor het overige heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit erop gewezen dat artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 plaatsen beoogt die niet enkel worden gekenmerkt door een hoog risico op het voorbereiden of plegen van daden van zware criminaliteit, zoals de rechtspraak van het Hof van Justitie vereist. Wat betreft de in artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 bedoelde de facto algemene gegevensbewaring, preciseert de verzoekende partij dat die bepaling voorziet in de bewaring van gegevens in de gemeenten waar zich kritieke infrastructuren bevinden. In de feiten is die maatregel gericht op de gegevens van iedere persoon die verbinding maakt met de internetservers van die infrastructuren, met name de servers van een ziekenhuis, maar ook de verhuurde servers in een commercieel datacenter of bij cloudproviders. De impact van een dergelijke gegevensbewaring is enorm en komt in werkelijkheid neer op een algemene bewaarplicht. Evenzo worden de personen die een vaste internetverbinding hebben en in de buurt wonen van bepaalde gebouwen of zones, bijvoorbeeld in de buurt van een station, eveneens geraakt door de gegevensbewaring. Artikel 10 van de wet van 20 juli 2022 heeft immers niet alleen betrekking op de mobiele netwerken, maar ook op bepaalde vaste internetverbindingen. Die maatregel is geenszins pertinent wat betreft zware criminaliteit of nationale veiligheid. A.13.
  61. Artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 bepaalt dat de omvang van de perimeter van bepaalde zones bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, zonder dat de wetgever zelf de na te leven minimum- en maximumperimeters vastlegt. Een dergelijke maatregel is strijdig met het verbod op een algemene en ongedifferentieerde gegevensbewaring, daar hij niet beantwoordt aan de vereiste van duidelijkheid en nauwkeurigheid. Bovendien komt het de wetgever toe om zelf de lijst van de zones en de perimeter daarvan vast te stellen. Het in artikel 22 van de Grondwet vervatte beginsel van de formele wettigheid is geschonden. 16 A.13.
  62. De verzoekende partij merkt op dat artikel 45 van de wet van 20 juli 2022 bepaalt dat de gerichte gegevensbewaring op basis van de in artikel 126/3, §§ 3 tot 5, van de wet van 13 juni 2005 bedoelde criteria in werking treedt op een bij koninklijk besluit vastgestelde datum, uiterlijk op 1 januari
  63. Die uiterste datum bevestigt dat de gegevensbewaringsmaatregel niet haalbaar is, omdat er veel tijd nodig is om het systeem in de beoogde zones in werking te stellen. Bovendien is het niet coherent dat die overgangsmaatregel betrekking heeft op bepaalde zones en niet op andere, terwijl de legitieme belangen en technische moeilijkheden dezelfde zijn voor de verschillende zones. A.13.
  64. Wat betreft het gebruik door artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 van variabelen, teneinde een soepel systeem op te zetten dat overeenstemt met de realiteit op het terrein, betoogt de verzoekende partij dat de wetgever louter willekeurige kwantitatieve criteria in het leven heeft geroepen die kunnen worden betwist ten aanzien van de beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid en subsidiariteit. De drempels die in de wet van 20 juli 2022 in aanmerking worden genomen, verwijzen naar lage criminaliteitscijfers die niet ernstig zijn. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, staat het wel degelijk aan het Hof om die drempels te onderzoeken in het kader van zijn evenredigheidstoets. Wat betreft de variabelen met betrekking tot de bewaringstermijn, wijst de verzoekende partij erop dat dat mechanisme flagrant in tegenspraak is met, enerzijds, de bepaling van de wet van 20 juli 2022 waarin de zwaarte van de strafbare feiten wordt vastgesteld op basis van de statistieken met betrekking tot het aantal strafbare feiten over een gemiddelde van drie jaar en, anderzijds, de bepaling waarin elk jaar de lijst van de arrondissementen en politiezones wordt vastgesteld. Artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 is niet bestaanbaar met de noodzaak om het hoge risico op daden van zware criminaliteit te bestrijden, aangezien de zones in de feiten elk jaar a posteriori worden vastgesteld voor een variabele bewaringstermijn, daar zij ontstaan zijn uit vroegere criminaliteitsstatistieken. In werkelijkheid houdt de lijst die jaarlijks wordt opgesteld gewoonweg geen rekening met de actuele realiteit op het terrein. Voor het overige is de verzoekende partij van mening dat kan worden betwist of het mechanisme van periodieke herziening toepasbaar is, en dat dat mechanisme niet aantoont dat de in artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 bedoelde maatregel noodzakelijk is. A.13.
  65. De verzoekende partij beklemtoont dat artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 gelijkstaat met een algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht van de gegevens. In haar advies over het voorontwerp van wet dat aan de oorsprong ligt van die wet had de afdeling wetgeving van de Raad van State trouwens vragen bij de keuze voor de geografische zones en bij de noodzaak om de verschillende types van zones vast te stellen. De maatregel lijkt dus onevenredig en niet bestaanbaar met de rechtspraak van het Hof van Justitie. De verzoekende partij voert bovendien aan dat het argument van de Ministerraad volgens hetwelk de kenmerken die eigen zijn aan de Belgische Staat, die laatste zouden onderscheiden van andere Staten, en de noodzaak en de evenredigheid van de maatregel zouden verantwoorden, niet verdedigbaar is. In de feiten zou dat argument verantwoorden dat elke lidstaat met een kleinere oppervlakte zich kan onttrekken aan de werkingssfeer van artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG. Bijgevolg kan niet staande worden gehouden dat objectieve factoren een algemene gegevensbewaring verantwoorden op het hele grondgebied. A.14.
  66. Een vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 11, 12, 22 en 29 van de Grondwet, van artikel 15, lid 1, en van de artikelen 5, 6 en 9 van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52, lid 1, van het Handvest, van de artikelen 6, 8, 10, 11 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/
  67. De verzoekende partij betoogt dat artikel 13 van de wet van 20 juli 2022, dat betrekking heeft op de autoriteiten die toegang mogen krijgen tot de door de operatoren krachtens de artikelen 5 en 6 van die wet bewaarde gegevens, niet bestaanbaar is met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Volgens haar dient de toegang tot de gegevens te worden verantwoord vanuit het oogpunt van de vrijwaring van de nationale veiligheid of de bestrijding van zware criminaliteit, met dien verstande dat, wanneer de gegevens werden bewaard op de grondslag van de nationale veiligheid, de grondslag van de zware criminaliteit niet kan worden aangevoerd. Artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 heeft echter een te ruime draagwijdte, aangezien de bedoelde autoriteiten niet bevoegd zijn om de nationale veiligheid te vrijwaren of zware criminaliteit te bestrijden. Bijgevolg is de maatregel niet in overeenstemming met artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG. Artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 maakt tien onderscheiden autoriteiten bevoegd om toegang tot de beoogde gegevens te krijgen. Van die autoriteiten zijn de meeste nieuw ten opzichte van de vroegere regelingen die reeds door het Hof waren afgekeurd. De omstandigheid dat de toegang tot de gegevens in zekere mate beperkt is, is niet van dien aard dat zij aantoont dat de inmenging in de grondrechten verantwoord is, aangezien de beoogde gegevens zeer ruim zijn. Bovendien is het in dat artikel 13 bepaalde begrip « zware criminaliteit » niet hetzelfde als datgene dat wordt bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van stafvordering, waarvan sprake is in artikel 11 van de wet van 20 juli
  68. Dat artikel 13 heeft in dat opzicht een veel ruimere draagwijdte, hetgeen leidt tot tegenspraak wat betreft het begrip « zware criminaliteit » in het kader van de gegevensbewaring, enerzijds, 17 en in het kader van de toegang tot de gegevens, anderzijds. Om die reden wordt artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG geschonden. De verzoekende partij voert bovendien aan dat de in artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 beoogde administratieve autoriteiten geen toegang mogen krijgen tot de gegevens in het kader van zware criminaliteit en dat de verschillende in die bepaling vermelde doeleinden geen grondslagen vormen op basis waarvan gegevensverwerking is toegestaan in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, van de richtlijn 2002/58/EG en van de AVG. A.14.
  69. De verzoekende partij betoogt dat, in zoverre artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 de « administratieve of gerechtelijke autoriteiten die bevoegd zijn voor de preventie, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van een online gepleegde inbreuk of een inbreuk gepleegd via een elektronische- communicatienetwerk of -dienst » betreft, dat artikel problematisch is aangezien het niet beperkt is tot de strafbare feiten die onder zware criminaliteit vallen, maar betrekking heeft op alle strafbare feiten. Bovendien vermeldt artikel 13 dat de erin beoogde autoriteiten enkel toegang mogen hebben krachtens een formele wetskrachtige norm, zonder dat die norm wordt geïdentificeerd. De wetgever heeft trouwens bepaald dat de lijst van de autoriteiten die ertoe gemachtigd zijn van de operator de bewaarde gegevens te ontvangen, bij een ministeriële omzendbrief wordt vastgesteld. De verzoekende partij merkt in dat verband op dat niet wordt gepreciseerd wie daarvoor de bevoegde minister is en dat het in elk geval niet een omzendbrief is waarbij de inhoud van de wet kan worden gewijzigd. Die maatregel lijkt eveneens in tegenspraak te zijn met het feit dat artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 ook bepaalt dat enkel de in de wet bedoelde autoriteiten van de operatoren toegang mogen krijgen tot de gegevens. A.14.
  70. De verzoekende partij leidt een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 15, lid 1, en de artikelen 5, 6 en 9 van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52, lid 1, van het Handvest, van de artikelen 6, 8, 10, 11 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/
  71. De verzoekende partij merkt op dat de wet van 20 juli 2022 met name betrekking heeft op de bewaring van communicatiegegevens van aan het beroepsgeheim onderworpen personen, namelijk artsen, advocaten en journalisten, en zulks op dezelfde wijze als de bewaring van de communicatiegegevens van de andere personen, die niet aan het beroepsgeheim zijn onderworpen. De wetgever heeft echter in geen enkel pertinent controlemechanisme voorzien dat het de aan het beroepsgeheim onderworpen personen mogelijk maakt zich te verzetten tegen de verzameling, de bewaring of de kennisname van hun gegevens, terwijl zij zich in een situatie bevinden die objectief verschilt van die van andere personen. Bovendien wijst de verzoekende partij erop dat artikel 88bis van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 20 juli 2022, een onderzoeksrechter machtigt om een advocaat of een arts te viseren die zelf wordt verdacht van een strafbaar feit. Er is weliswaar bepaald dat de stafhouder of de provinciale vertegenwoordiger van de Orde der artsen op de hoogte wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de maatregel en dat wat onder het beroepsgeheim valt, niet wordt opgenomen in het proces-verbaal. Die waarborgen zijn evenwel onvoldoende om te verzekeren dat het procedé grondwettig is. Bovendien is niet in enige waarborg voorzien ten aanzien van de andere autoriteiten dan de onderzoeksrechter, terwijl ook de eerstgenoemde de toegang kunnen vragen tot de gegevens van advocaten, artsen of journalisten. Zaak nr. 7931 A.
  72. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 11, 12, 22 en 29 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52, lid 1, van het Handvest, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 5, 6 en 15 van de richtlijn 2002/58/EG en met de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/
  73. A.16.
  74. Allereerst, wat betreft de systematische en ongedifferentieerde verzameling van bepaalde gegevens, merkt de verzoekende partij op dat de wet van 20 juli 2022 aan de operatoren de bewaring oplegt van bepaalde identificatiegegevens, bovenop de gegevens die reeds moeten worden verzameld om de abonnees te identificeren, waaronder het rijksregisternummer. De gegevens dienen te worden bewaard gedurende het gebruik van de dienst en tot twaalf maanden na de datum van de laatste communicatie met behulp van de dienst, zonder dat de wetgever evenwel aangeeft waarom die bewaringstermijn noodzakelijk blijkt ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Bovendien, hoewel het Hof van Justitie in principe toelaat dat de verzamelde gegevens met betrekking tot de burgerlijke identiteit van de gebruikers worden bewaard zonder specifieke termijn, dient te worden vastgesteld dat te dezen de wet van 20 juli 2022 betrekking heeft op andere gegevens, met name de identifier gecreëerd voor elke communicatie, de datum van het begin van het abonnement of de gegevens met betrekking tot de betaling. In elk geval laat die informatie toe personen te lokaliseren. De wetgever geeft echter niet aan waarom de verzameling 18 van die gegevens noodzakelijk is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, zodat artikel 8 van de wet van 20 juli 2022 onevenredig is en de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. In geval van twijfel over artikel 8 van de wet van 20 juli 2022 dient volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 7931 een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie om te bepalen of artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest, in de weg staat aan een wetgevende maatregel waarbij, zonder specifieke termijn, de bewaring van verschillende identificatiegegevens van alle gebruikers van elektronische-communicatiemiddelen wordt opgelegd om te strijden tegen strafbare feiten en om de openbare veiligheid te vrijwaren, dan wel of die bepaling moet worden beperkt tot het verzamelen van gegevens met betrekking tot de burgerlijke identiteit van de gebruiker. A.16.
  75. De verzoekende partij merkt op dat het Hof van Justitie de systematische en ongedifferentieerde verzameling van IP-adressen toelaat in het kader van de strijd tegen zware criminaliteit en de preventie van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Desalniettemin laat de wet van 20 juli 2022 de toegang tot IP-adressen toe in veel ruimere hypotheses. Bovendien laat artikel 13 van die wet toe dat autoriteiten die niet belast zijn met de strijd tegen zware criminaliteit toegang hebben tot IP-adressen, hetgeen niet toelaatbaar is. Bovendien legt het Hof van Justitie op dat de bewaringstermijn wordt beperkt tot het strikt noodzakelijke ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, hetgeen de wetgever niet uitlegt, en dat strikte voorwaarden en waarborgen worden opgesteld wat betreft de verwerking van de gegevens, waarin de wet van 20 juli 2022 niet voorziet. A.16.
  76. De verzoekende partij merkt overigens op dat artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 de operatoren ertoe verplicht de locatiegegevens en de andere verkeersgegevens te bewaren, en in voorkomend geval te verwerken, die nodig zijn om vermeende fraude of vermeend kwaadwillig gebruik van het elektronische- communicatienetwerk op te sporen en te analyseren. De begrippen « fraude » en « kwaadwillig gebruik van het netwerk » zijn bij de wet en in de parlementaire voorbereiding ervan gedefinieerd, waarbij in die laatste meerdere concrete voorbeelden worden gegeven. Op die manier voert de wetgever in werkelijkheid een verplichting tot systematische en ongedifferentieerde verzameling en bewaring van bepaalde gegevens in omwille van de strijd tegen criminaliteit in het algemeen. Het Hof van Justitie preciseert evenwel dat enkel de strijd tegen zware criminaliteit een inmenging in de bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten kan verantwoorden, hetgeen niet het geval is voor vermeende fraude of vermeend kwaadwillig gebruik van het netwerk. In dat kader is de omstandigheid dat de verzameling beperkt is tot bepaalde categorieën van gegevens niet pertinent. Volgens de wetgever is het niet mogelijk om in een minder ingrijpend systeem te voorzien. De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft niettemin benadrukt dat maatregelen mogelijk waren die minder afbreuk doen, bijvoorbeeld door te voorzien in een verplichting tot bewaring van gegevens wanneer aanwijzingen bestaan van fraude of van kwaadwillig gebruik van het netwerk. Bovendien lijkt de bewaringstermijn van de gegevens kennelijk onevenredig te zijn. In elk geval probeert de Ministerraad het noodzakelijke karakter van de maatregel aan te tonen, terwijl het de evenredigheid ervan is die in het geding is gebracht. Voor het overige moet, volgens de verzoekende partij, in geval van twijfel wat betreft artikel 5 van de wet van 20 juli 2022, een prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie om te bepalen of artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest, in de weg staat aan een algemene verplichting, voor de operatoren en de aanbieders van elektronische-communicatiediensten, van toepassing op andere feiten dan handelingen van zware criminaliteit, omwille van de opsporing en de analyse van vermeende fraude of vermeend kwaadwillig gebruik van een elektronische-communicatienetwerk, om de verkeers- en locatiegegevens in de zin van die richtlijn, gegenereerd of verwerkt in het kader van de levering van die diensten, te bewaren. A.16.
  77. Artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 laat de mogelijkheid aan de operatoren om de verkeersgegevens te bewaren en te verwerken die nodig zijn om de veiligheid en de correcte werking van de elektronische-communicatienetwerken en -diensten te waarborgen, in het bijzonder om een mogelijke of werkelijke aanslag op die veiligheid op te sporen en te analyseren, inclusief om de oorsprong van die aanslag te identificeren. De verzoekende partij stelt vast dat de operatoren bovendien reeds gebonden zijn door een verplichting om de technische en organisatorische maatregelen te nemen teneinde de risico’s inzake de veiligheid van de netwerken en van de diensten op gepaste wijze te beheren, in voorkomend geval gezamenlijk om de veiligheid van het netwerk te waarborgen. Zij mogen ook de betrokken personen identificeren door informatie door te geven en kennis te nemen van gegevens inzake elektronische communicatie indien de goede werking van het netwerk en de goede uitvoering van een elektronische-communicatiedienst dat vereisen. Bijgevolg ziet de verzoekende partij niet in hoe artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 noodzakelijk blijkt bovenop de reeds bestaande verplichtingen. Bovendien laat die bepaling de verwerkingsverantwoordelijke toe om geen afweging meer te 19 maken van de aanwezige belangen om zich ervan te vergewissen dat er geen andere manieren zijn om de beoogde doelstelling te bereiken die minder ingrijpend zijn voor de betrokken persoon. De maatregel is dus onevenredig. A.17.
  78. Wat betreft de bij de wet van 20 juli 2022 bepaalde gerichte bewaring van gegevens, geeft de verzoekende partij aan dat de wetgever heeft voorzien in een statistisch criterium en bepaalde zones heeft beoogd waar een hoge graad van zware criminaliteit heerst. De gegevens die dienen te worden bewaard, zijn opgesomd in artikel 10 van de wet van 20 juli
  79. Zij worden krachtens artikel 9 van die wet systematisch en ongedifferentieerd bewaard, op basis van een geografisch criterium dat bij artikel 11 nauwkeurig wordt bepaald. Volgens dat systeem legt de wetgever de verzameling van verkeers- en locatiegegevens op voor bepaalde zones met een hoge graad van zware criminaliteit, berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde aantal strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering die zijn vastgesteld per politiezone of per gerechtelijk arrondissement, per duizend inwoners, over een gemiddelde van drie jaar. De bewaartermijn van de gegevens, tussen zes en twaalf maanden, varieert op basis van het aantal vastgestelde strafbare feiten. Volgens de verzoekende partij verantwoordt de wetgever echter niet de redenen waarom de gegevens gedurende die termijn moeten worden bewaard, noch waarom die bewaring noodzakelijk is. Bovendien, hoewel het Hof van Justitie de systematische en ongedifferentieerde verzameling van de gegevens omwille van de strijd tegen ernstige criminaliteit toelaat, dient te worden vastgesteld dat de wet van 20 juli 2022 de criminaliteit in het algemeen beoogt, aangezien de in artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering beoogde strafbare feiten met name gemeenrechtelijke misdrijven zijn zoals valsheid in informatica, informaticabedrog of diefstal met geweld. In werkelijkheid had de wetgever zich kunnen richten op bepaalde strafbare feiten op basis van de straf die eraan is verbonden. De voormelde bepalingen van de wet van 20 juli 2022 dienen dus te worden vernietigd. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, kan het begrip « zwaar strafbaar feit » niet volledig aan de beoordeling van de lidstaten worden overgelaten, om geen uiteenlopende interpretaties van de in artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG bedoelde doelstellingen te veroorzaken. In geval van twijfel daaromtrent dient een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie om te bepalen of artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest, in de weg staat aan een gerichte bewaring van gegevens met betrekking tot het verkeer en de locatie, beperkt aan de hand van een geografisch criterium tot andere doeleinden dan zware criminaliteit, namelijk de strijd tegen valsheid in informatica, informaticabedrog of diefstel met geweld, los van de strafmaat. In haar memorie van antwoord stelt de verzoekende partij voor om aan het Hof van Justitie ook een vraag te stellen om te bepalen of de begrippen « zwaar strafbaar feit » en « zware criminaliteit » in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie autonome begrippen zijn van het Unierecht, dan wel of het aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten staat om de inhoud ervan zelf te preciseren en, in de hypothese waarin het autonome begrippen van het Unierecht zouden zijn, om de nadere regels te bepalen volgens welke moet worden bepaald of er sprake is van zware strafbare feiten of zware criminaliteit. A.17.
  80. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de voormelde bepalingen van de wet van 20 juli 2022 geen indicator vaststellen met betrekking tot het aantal gepleegde feiten, in tegenstelling tot hetgeen in de parlementaire voorbereiding is vermeld, aangezien zij voorzien in een criterium gebaseerd op gegevens met betrekking tot de kwalificatie van de feiten bij het begin van het onderzoek, zodat er onjuistheden bestaan, met name wanneer de kwalificatie van de feiten in de loop van het onderzoek wordt gewijzigd of wanneer de feiten worden geseponeerd. Er had een meer nauwkeurig criterium in aanmerking kunnen worden genomen, zoals het aantal strafbare feiten die tot een veroordeling door de hoven en rechtbanken hebben geleid. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, in de hypothese waarin de verplichting tot bewaring van de metagegevens voor het volledige grondgebied zou gelden, zou dat niet zijn wegens een hoge criminaliteitsgraad in de verschillende zones, maar wegens een bijzonder ruim geografisch criterium dat de criminaliteit in het algemeen omvat en dat is gebaseerd op onjuiste gegevens, aangezien de door de wet van 20 juli 2022 in aanmerking genomen statistische gegevens niet betrouwbaar zijn. Bovendien veroorzaakt de toepassing van het geografische criterium bepaalde moeilijkheden voor diensten zoals WhatsApp, Skype of Facebook, die onderworpen zijn aan dezelfde verplichtingen als de andere operatoren, terwijl die diensten niet altijd in staat zijn om de locatie van de gebruiker te bepalen. In die hypothese blijkt uit de wet van 20 juli 2022, met name uit artikel 9 ervan, dat alle gegevens a minima dienen te worden bewaard om de betrokken zone te dekken, hetgeen dus een verzameling veronderstelt van de gegevens die over het volledige Belgische grondgebied zijn verwerkt, hetgeen niet is toegelaten door het Hof van Justitie. Bovendien, wanneer de operator niet in staat is om de bewaring van gegevens te beperken tot de in de wet van 20 juli 2022 beoogde zones, is hij ertoe gebonden die gegevens te bewaren maar de bewaring ervan buiten die zone tot het strikt noodzakelijke te beperken, in het licht van de technische mogelijkheden. Door dat te doen, heeft de wetgever beslist om het beginsel van de minimale gegevensverwerking op soepele wijze toe te passen, teneinde 20 discriminatie tussen de slachtoffers van feiten van zware criminaliteit op basis van de middelen van de operatoren te vermijden. In werkelijkheid doet hij zo afbreuk aan een grondbeginsel van het recht op bescherming van de persoonsgegevens dat niet mag worden geschonden. Om de inmenging tot het strikt noodzakelijke te beperken, had de wetgever erin moeten voorzien dat de operator in geval van twijfel enkel de gegevens met betrekking tot de betrokken zone mag bewaren. A.17.
  81. Artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 voorziet erin dat de grenzen van de zones met een hoge graad van zware criminaliteit door de Koning worden bepaald, terwijl het in artikel 22 van de Grondwet en in de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest vervatte wettigheidsbeginsel oplegt dat dat element in een formele wet wordt vastgesteld. Voor het overige legt de wetgever de bewaring van gegevens op voor een zeer groot aantal zones die volgens hem een hoge graad van zware criminaliteit kennen, zonder concreet te verantwoorden hoe die zones effectief door een dergelijke hoge graad worden gekenmerkt, en dus ook zonder de redenen te verantwoorden waarom het verzamelen van gegevens noodzakelijk is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. A.17.
  82. Bij artikel 11 wordt bovendien de gerichte bewaring van metagegevens omwille van de nationale veiligheid vastgelegd, hetgeen niet toelaatbaar is om dezelfde redenen als die welke de bewaring van gegevens voor strafrechtelijke doeleinden betreffen. Bovendien zijn de opdrachten van het OCAD, dat aan de hand van het dreigingsniveau de betrokken geografische zones in dat kader bepaalt, ruimer dan die met betrekking tot de nationale veiligheid. Het Hof van Justitie preciseert echter dat criminaliteit, zelfs zware criminaliteit, niet kan worden gelijkgesteld met een bedreiging van de nationale veiligheid. Bovendien zijn de zones waarop de bewaring van gegevens omwille van de nationale veiligheid betrekking heeft, die waarvan het dreigingsniveau ten minste 3 bedraagt, en dat zolang dat niveau aanhoudt. Dat criterium lijkt ook niet in overeenstemming te zijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat de toevlucht tot het, hogere, niveau 4, alsook een periode waarin het dreigingsniveau opnieuw dient te worden geëvalueerd, lijkt op te leggen. Uit artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 blijkt ook dat de wetgever de bewaring van gegevens oplegt voor een zeer groot aantal zones die volgens hem vatbaar zijn voor een bedreiging van de nationale veiligheid, zonder die maatregel, noch de noodzaak van de verzameling van de gegevens concreet te verantwoorden. Bovendien wordt in die verzameling voorzien voor zones die mogelijk vatbaar zijn voor bedreigingen van de nationale veiligheid, hetgeen niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat een reële en actuele, of voorzienbare, bedreiging van de nationale veiligheid vereist. Artikel 11 beoogt ook de potentiële bedreiging van de belangen van de internationale instellingen zonder dat dat redelijk verantwoord is. De verzoekende partij stelt vast dat ook erin is voorzien dat de Koning de lijst van de in artikel 11 opgesomde zones kan aanvullen, en de grenzen van de zones gedekt door de verplichting tot bewaring van gegevens kan aanpassen, hetgeen in strijd is met het wettigheidsbeginsel van artikel 22 van de Grondwet. Het Hof van Justitie legt bovendien op dat de bewaring van gegevens effectief wordt gecontroleerd door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit, waarvan de beslissing bindend is, om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden en waarborgen waarin moet worden voorzien. A.
  83. Wat betreft de regels omtrent de snelle bevriezing van gegevens, voert de verzoekende partij aan dat de in artikel 25 van de wet van 20 juli 2022 beoogde hypothesen ruimer zijn dan de hypothesen die zijn toegelaten door het Hof van Justitie, die zich beperken tot de gevallen van zware criminaliteit en niet de criminaliteit in het algemeen omvatten. Bovendien is de bewaartermijn van de gegevens kennelijk onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. A.19.
  84. Wat betreft de toegang tot de gegevens, preciseert artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 de bevoegde autoriteiten, met name de financiële autoriteiten, zodat de wetgever heeft geoordeeld dat de inbreuken op de reglementering omtrent marktmisbruik onder zware criminaliteit vallen. Het Hof van Justitie is evenwel van oordeel dat het inbreuken betreft die onder de criminaliteit in het algemeen vallen. Artikel 9 van de wet van 20 juli 2022 preciseert bovendien dat de Koning de lijst van bevoegde autoriteiten kan aanvullen, hetgeen in strijd is met het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 22 van de Grondwet en in de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest, die vereisen dat wordt gebruikgemaakt van een formele wet. Bovendien, volgens artikel 13 van die wet, worden in een ministeriële omzendbrief de autoriteiten opgesomd die gemachtigd zijn om de door de wet beoogde gegevens te verkrijgen, hetgeen ook in strijd is met het voormelde beginsel van de formele wettigheid. De verzoekende partij merkt nog op dat de in artikel 13 van die wet beoogde doeleinden ruimer zijn dan die welke zijn vastgesteld bij artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG. A.19.
  85. De voorwaarden om toegang te hebben tot de verzamelde gegevens worden gepreciseerd in artikel 13 van de wet van 20 juli 2022 en zij vereisen niet dat het verzoek tot toegang wordt gemotiveerd ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, terwijl een verband met de doelstelling van de strijd tegen criminaliteit 21 wordt vereist. Bovendien laat artikel 26 van de wet van 20 juli 2022, dat de voorwaarden regelt voor de bevoegde autoriteiten om toegang te hebben tot de verzamelde gegevens voor strafrechtelijke doeleinden, de procureur des Konings of de officier van gerechtelijke politie toe om in geval van hoogdringendheid toegang te hebben tot de identificatiegegevens, terwijl het Hof van Justitie een voorafgaande controle door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit oplegt. De procureur des Konings kan echter niet als een derde worden beschouwd in het kader van de procedure om toegang te krijgen tot de betrokken gegevens. In geval van twijfel hierover dienen prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Hof van Justitie om te bepalen, enerzijds, of artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest, eraan in de weg staat dat de procureur des Konings, of in geval van hoogdringendheid een officier van gerechtelijke politie, toegang heeft tot de identificatiegegevens die systematisch en ongedifferentieerd zijn verzameld omwille van de strijd tegen criminaliteit in het algemeen en, anderzijds, of het voormelde artikel 15, lid 1, in samenhang gelezen met dezelfde bepalingen van het Handvest, eraan in de weg staat dat de procureur des Konings in geval van hoogdringendheid toegang heeft tot de verkeers- en locatiegegevens omwille van de strijd tegen criminaliteit in het algemeen. A.19.
  86. Bovendien laat artikel 26 van de wet van 20 juli 2022 de procureur des Konings toe om de medewerking van de gesloten centra en van de woonunits in de zin van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) op te leggen, zonder uit te leggen waarom die medewerking noodzakelijk is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, namelijk de strijd tegen criminaliteit. A.19.
  87. Artikel 25 van de wet van 20 juli 2022 laat op zijn beurt de toegang tot de gegevens toe bij ernstige vermoedens van een strafbaar feit dat een hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, hetgeen in werkelijkheid de grote meerderheid van de in het Strafwetboek vastgelegde strafbare feiten beoogt, die dus niet als zware criminaliteit kunnen worden gekwalificeerd. In geval van twijfel hierover dient een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie om te bepalen of artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest, eraan in de weg staat dat de onderzoeksrechter, of in geval van hoogdringendheid de procureur des Konings, toegang heeft tot de verkeers- en locatiegegevens omwille van de strijd tegen criminaliteit in het algemeen, aangezien op de beoogde strafbare feiten een straf staat van minimaal één jaar gevangenisstraf. Artikel 24 van de wet van 20 juli 2022 geeft een officier van gerechtelijke politie, die geen derde is in de procedure en dus niet als onafhankelijke autoriteit kan worden gekwalificeerd zoals het Hof van Justitie vereist, toegang tot de gegevens. Bovendien kan die officier van gerechtelijke politie, in geval van hoogdringendheid, eisen dat de operator hem de metagegevens bezorgt, op voorwaarde dat de onderzoeksrechter dat later controleert. Het Hof van Justitie legt in die hypothese echter een voorafgaande rechterlijke toetsing op. A.19.
  88. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de wet van 20 juli 2022 niet erin voorziet dat een persoon op de hoogte wordt gebracht van de verwerking van gegevens eens de beperking van de verwerking niet meer verantwoord is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, hetgeen het geval is wanneer die informatie het door de autoriteiten gevoerde onderzoek niet in gevaar kan brengen, in tegenstelling tot hetgeen door het Hof van Justitie wordt vereist. In geval van twijfel hierover dient een prejudiciële vraag te worden gesteld aan dat rechtscollege om te bepalen of artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8, 47 en 52, lid 1, van het Handvest en de artikelen 13 en 54 van de richtlijn (EU) 2016/680, een dergelijke voorlichting oplegt. De verzoekende partij stelt overigens vast dat de wet van 20 juli 2022 ook niet voorziet in een effectieve bescherming tegen risico’s van misbruik en onrechtmatige toegang tot de gegevens voor de betrokken personen. In het geval waarin de autoriteiten toegang hebben tot de gegevens maar van mening zijn dat het niet noodzakelijk is om strafvervolgingen in te stellen, kan de persoon de wettigheid van de onderzoeksmaatregel immers niet betwisten, tenzij door een rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor de rechtbank van eerste aanleg in te stellen, hetgeen een weinig waarschijnlijke hypothese is en geen daadwerkelijk rechtsmiddel biedt. Vervolgens, in het geval waarin de betrokken persoon de wettigheid betwist van de onderzoeksmaatregel in het kader van een strafprocedure tijdens welke die persoon voor een rechter moet verschijnen, kan de betrokken maatregel niet noodzakelijk uit de debatten worden geweerd en kan er geen rekening mee worden gehouden in de beoordeling van de straf, gelet op artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Bovendien bieden de door de Ministerraad genoemde organen en autoriteiten ook geen mogelijkheid tot jurisdictioneel beroep aan de betrokken personen, aangezien het onafhankelijke bestuurlijke autoriteiten betreft. 22 Bijgevolg schendt de wet van 20 juli 2022 de in het middel genoemde bepalingen in zoverre zij niet erin voorziet dat de personen ervan op de hoogte worden gebracht dat de bevoegde nationale autoriteiten toegang hebben gehad tot hun gegevens, noch dat die personen over een rechtsmiddel tegen een onwettige toegang tot gegevens beschikken. A.
  89. Wat betreft de versleuteling van de communicatie, merkt de verzoekende partij op dat artikel 3 van de wet van 20 juli 2022 bepaalt dat de operatoren, door gebruik te maken van een versleutelingssysteem, de uitvoering van een gericht verzoek tot toegang tot gegevens niet mogen verhinderen, enerzijds, en dat het gebruik van versleuteling door een buitenlandse operator niet tot gevolg mag hebben dat de operatoren wordt verhinderd om gegevens te bewaren wanneer een persoon een buitenlandse simkaart gebruikt op het Belgische grondgebied. Volgens de verzoekende partij is die maatregel kennelijk onevenredig. De versleutelingsmaatregelen laten immers toe de bescherming van de persoonsgegevens te waarborgen en dus bij te dragen aan de bescherming van het recht op eerbiediging van het privéleven. Verschillende instrumenten van het internationaal recht pleiten overigens voor de versleuteling van gegevens om de veiligheid van de stromen en de bescherming van de persoonsgegevens te waarborgen. A.
  90. Ten slotte, wat betreft de gevolgen van de vernietiging van de wet van 20 juli 2022, voert de verzoekende partij aan dat de verwerking, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, van gegevens die in strijd met de richtlijn 2002/58/EG en met de artikelen 7 en 8 van het Handvest zijn verzameld, schade vormt die op effectieve wijze moet kunnen worden hersteld door een beoordeling en een weging van de informatie en van de bewijselementen, of zelfs door het illegale karakter ervan in aanmerking te nemen in het kader van de strafbepaling, zoals de rechtspraak van het Hof van Justitie vereist. De wet van 20 juli 2022 voorziet echter niet in dergelijke waarborgen. Het Hof zou op zijn minst moeten preciseren dat het aan de strafrechter staat om vast te stellen dat de bewijselementen die in strijd met de van de richtlijn 2002/58/EG en met de artikelen 7 en 8 van het Handvest zijn verzameld en die niet uit de debatten kunnen worden geweerd, in elk geval in aanmerking moeten worden genomen, gelet op het onwettige karakter ervan, in het kader van de strafbepaling. De verzoekende partij voert aan dat het Hof wel degelijk bevoegd is in dat kader, op een wijze die vergelijkbaar is met hetgeen het Hof van Justitie in meerdere van zijn arresten doet. In geval van twijfel hieromtrent dient een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie om te bepalen, enerzijds, of het toegestaan is dat schendingen van het recht van de Europese Unie, in het bijzonder van de richtlijn 2002/58/EG alsook van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, die de bewijsgaring in een nationale strafprocedure aantasten, zonder gevolg kunnen blijven, zelfs in geval van een zwaar strafbaar feit, en, anderzijds, of de voormelde schendingen ten gunste van de vervolgde persoon in aanmerking dienen te worden genomen, ten minste in het stadium van de beoordeling van het bewijs of van de strafbepaling. Zaak nr. 7932 A.
  91. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 15, 22, 23 en 29 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5, 6, 8, 9, 10, 11, 14 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 11, 47 en 52 van het Handvest, met artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsook met artikel 6 van de richtlijn 2002/58/EG, met de richtlijn (EU) 2016/680 en met de AVG. Dat middel heeft betrekking op de verzameling en de bewaring van verkeers- en locatiegegevens. A.23.
  92. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 4 en 5 van de wet van 20 juli 2022 voorzien in een algemene bewaring van gegevens die niet voldoet aan de vereisten van het recht van de Europese Unie. A.23.
  93. Inzonderheid voorziet artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 met name in de verplichting voor een operator om verkeers- en locatiegegevens gedurende vier maanden te bewaren teneinde eventuele fraude of kwaadwillig gebruik van het netwerk of van de dienst te kunnen vaststellen. Een dergelijke verwerking vormt een algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeersgegevens en leeft de vereisten van artikel 6 van de richtlijn 2002/58/EG niet na. Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt ook dat een dergelijke algemene en ongedifferentieerde bewaring van gegevens slechts toelaatbaar is in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid. Fraude of kwaadwillig gebruik van het netwerk zijn fenomenen die absoluut niet aan die vereiste 23 voldoen. De voorziene verplichting tot bewaring valt dus kennelijk niet onder de in artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG bedoelde uitzondering. De verzoekende partijen merken op dat artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 bovendien voorziet in de verplichting voor een operator om gedurende twaalf maanden het telefoonnummer of het IP-adres toegewezen aan de bron van de binnenkomende communicatie, de tijdstempel en de gebruikte poort, alsook de precieze datums en tijdstippen van het begin en einde van de communicatie te bewaren, om fraude of kwaadwillig gebruik van het netwerk of de dienst te kunnen vaststellen. Het betreft een verplichting tot bewaring die in strijd is met artikel 6 van de richtlijn 2002/58/EG en die een schending van de grondrechten veroorzaakt. Bovendien voorziet artikel 5 van de wet van 20 juli 2022 in de mogelijkheid voor de operatoren om de verkeersgegevens te bewaren die nodig zijn om de veiligheid en correcte werking van hun netwerk of dienst te waarborgen, maar ook om een mogelijke of werkelijke aanslag op het netwerk op te sporen en te analyseren. De maximale bewaartermijn bedraagt twaalf maanden, maar in geval van een specifieke schending van de veiligheid, kunnen de gegevens zelfs langer worden bewaard. Volgens de verzoekende partijen betreft het een daadwerkelijk recht op bewaring dat in strijd is met artikel 6 van de richtlijn 2002/58/EG, dat vereist dat de verkeersgegevens worden gewist of anoniem worden gemaakt wanneer zij niet langer nodig zijn voor het doel van de transmissie. De bij artikel 15, lid 1, van die richtlijn bepaalde uitzondering is ook niet van toepassing, tenzij het zou gaan om zware criminaliteit of om een kwestie van nationale veiligheid. De wet past niettemin een veel ruimere definitie toe, die niet overeenstemt met het Europese toepassingsgebied. A.23.
  94. Volgens de verzoekende partijen veroorzaakt de ongedifferentieerde bewaring van de voormelde gegevens, met schending van het recht van de Europese Unie, een schending van het gelijkheidsbeginsel. De gegevens van de verzoekende partijen worden immers op dezelfde wijze verwerkt als de gegevens die het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijk onderzoek naar zware strafbare feiten, terwijl niets erop wijst dat de verzoekende partijen zich in eenzelfde situatie bevinden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat ook het recht op eerbiediging van het privéleven in het gedrang komt. A.
  95. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bewaring waarin artikel 6 van de wet van 20 juli 2022 voorziet, wat betreft de locatiegegevens voor de strijd tegen fraude en kwaadwillig gebruik van het netwerk, niet in overeenstemming is met het recht van de Europese Unie en met de grondrechten. De verzoekende partijen merken op dat artikel 6 van de wet van 20 juli 2022 de bewaring toelaat van andere locatiegegevens dan de verkeersgegevens. De bewaartermijn bedraagt twaalf maanden voor de goede werking en de veiligheid van het netwerk en vier maanden om fraude of kwaadwillig gebruik van het netwerk op te sporen. Artikel 9 van de richtlijn 2002/58/EG sluit een dergelijke verwerking echter uitdrukkelijk uit. A.25.
  96. Het derde onderdeel heeft betrekking op de bewaring in specifieke geografische zones, bepaald bij de artikelen 9, 10 en 11 van de wet van 20 juli
  97. De verzoekende partijen merken allereerst op dat de bewaring in de andere zones dan de specifieke geografische zones niet nodig is. In dat opzicht voeren zij aan dat, hoewel uitdrukkelijk wordt aangegeven dat de gegevens worden bewaard omwille van de vrijwaring van de nationale veiligheid, de strijd tegen zware criminaliteit, de preventie van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid en de bescherming van de vitale belangen van een natuurlijk persoon, zodat het erop lijkt dat de vereisten van het Hof van Justitie formeel worden nageleefd, uit de concrete toepassing van dat systeem evenwel volgt dat zulks de facto een ongedifferentieerde bewaring van gegevens met zich meebrengt. De verzoekende partijen voeren bovendien aan dat de wet van 20 juli 2022 niet toelaat een onderscheid te maken tussen de verschillende doelstellingen en de hiërarchie ertussen niet naleeft wanneer zij de toegang tot gegevens regelt, in tegenstelling tot hetgeen het Hof van Justitie vereist. De gegevens die, bijvoorbeeld, worden bewaard omwille van de vrijwaring van de nationale veiligheid, kunnen niet worden gebruikt voor het onderzoek naar zware strafbare feiten en de strijd daartegen. De bevoegde autoriteiten inzake strafrechtelijke onderzoeken mogen dus geen toegang hebben tot de gegevens indien het gaat om een algemene en ongedifferentieerde bewaring. Bijgevolg is de wet van 20 juli 2022 onvoldoende voorzienbaar en schendt zij de in het middel genoemde richtlijnen. Bovendien is de bewaringstermijn in principe vastgelegd op twaalf maanden, tenzij een kortere termijn wordt vastgesteld. Die standaardtermijn is onevenredig en overschrijdt de strikt noodzakelijke termijn. Voor het overige, in plaats van standaard een korte termijn te hanteren en de langere termijnen te beperken tot uitzonderlijke omstandigheden met een ernstige motivering, wordt ervoor gekozen standaard van de langst mogelijke termijn gebruik te maken, zodat het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden. De gegevens dienen te worden bewaard wat betreft de communicatie zowel vanuit de bepaalde geografische zone als naar die zone. Bijgevolg worden de locatiegegevens van een eindgebruiker die communiceert met een eindgebruiker in een betrokken geografische zone bewaard, zelfs indien de eerste eindgebruiker zich niet in een geografische zone bevindt die is onderworpen 24 aan een verplichting tot bewaring. Een dergelijke verplichting, buiten de betrokken geografische zone, is niet strikt noodzakelijk. Ten slotte is de beschrijving van de verschillende geografische zones in artikel 11 van de wet van 20 juli 2022 extreem ruim en omvat zij zones die niet aan een verplichting tot bewaring hoeven te worden onderworpen, zodat die bewaring de facto ongedifferentieerd is, hetgeen niet in overeenstemming is met de vereisten van het Hof van Justitie, noch met het evenredigheidsbeginsel. A.25.
  98. Wat betreft de bewaring van gegevens in de gerechtelijke arrondissementen en in de politiezones, bepaald bij artikel 11 van de wet van 20 juli 2022, merken de verzoekende partijen op dat een verplichting tot bewaring wordt opgelegd zodra een bepaald aantal strafbare feiten wordt overschreden. De in dat kader gebruikte statistieken reflecteren de criminaliteit evenwel niet op betrouwbare wijze, aangezien zij niet alleen veroordelingen of vastgestelde feiten betreffen, maar ook elke registratie van een feit dat eenzijdig door de politie wordt gecatalogeerd als potentieel strafbaar feit. Volgens de verzoekende partijen zouden die statistieken systematisch tot een overschatting van het werkelijke aantal strafbare feiten kunnen leiden, wegens dubbele registraties of wegens geregistreerde feiten die geen strafbare feiten zijn maar die toch als zodanig worden gecatalogeerd. Bovendien heeft de in aanmerking genomen drempel voor het aantal strafbare feiten tot gevolg dat zo goed als het volledige grondgebied aan de verplichting tot bewaring is onderworpen, zoals blijkt uit een analyse uitgevoerd op basis van de criminaliteitsstatistieken voor het kalenderjaar
  99. Bijgevolg heeft de wet van 20 juli 2022 tot gevolg

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.