id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.098 Arrest- Rolnummer: 98/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-07 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-06-17 21:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Verwerping van het beroep in de zaak nr. 7926 in zoverre het betrekking heeft op de in B.24.2 vermelde grieven - Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie alvorens uitspraak te doen over de andere grieven in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG », ingesteld door de vennootschap naar Amerikaans recht « Google LLC » en de vennootschap naar Iers recht « Google Ireland Ltd. », door de nv « Spotify Belgium » en de vennootschap naar Zweeds recht « Spotify AB », door de vennootschap naar Iers recht « Meta Platforms Ireland Ltd. », door de bv « Streamz » en door de nv « Sony Music Entertainment Belgium » en anderen. Economisch recht - Auteursrechten en naburige rechten - Omzetting van een EU-richtlijn - Digitale eengemaakte markt - Bevoegdheidverdelende regels - Bevoegdheid van de gemeenschappen - Nieuw naburig recht gecreëerd voor de persuitgevers, wanneer hun perspublicatie online wordt gebruikt door de dienstverleners van de informatiemaatschappij - Recht op een vergoeding voor de auteur de en uitvoerende kunstenaar in het geval waarin het recht op mededeling aan het publiek, met inbegrip van het recht op beschikbaarstelling, werd overgedragen aan een verlener van een onlinedienst voor het delen van content - Passende vergoeding voor een auteur of uitvoerend kunstenaar van geluids- of audiovisuele werken, voor de exploitatie van hun werken en prestaties door streamingplatformen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 98/2024 van 26 september 2024 Rolnummers : 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG », ingesteld door de vennootschap naar Amerikaans recht « Google LLC » en de vennootschap naar Iers recht « Google Ireland Ltd. », door de nv « Spotify Belgium » en de vennootschap naar Zweeds recht « Spotify AB », door de vennootschap naar Iers recht « Meta Platforms Ireland Ltd. », door de bv « Streamz » en door de nv « Sony Music Entertainment Belgium » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 31 januari 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 39 en 54 van de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2022) door de vennootschap naar Amerikaans recht « Google LLC » en de vennootschap naar Iers recht « Google Ireland Ltd. », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. William Timmermans, Mr. Gerrit Vandendriessche en Mr. Sophie Lens, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 februari 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 60, 61 en 62 van dezelfde wet door de nv « Spotify Belgium » en de 2 vennootschap naar Zweeds recht « Spotify AB », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Ted Shapiro en Mr. Carina Gommers, advocaten bij de balie te Brussel, en door Mr. Steve Ronse, Mr. Thomas Quintens en Mr. Guillaume Vyncke, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 februari 2023, heeft de vennootschap naar Iers recht « Meta Platforms Ireland Ltd. », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Benoit Van Asbroeck en Mr. Marc Martens, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 38, 39 en 40 van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 februari 2023, heeft de bv « Streamz », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Joos Roets en Mr. Timothy Roes, advocaten bij de balie van Antwerpen, en door Mr. Christoph De Preter en Mr. Judith Bussé, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 61 en 62 van dezelfde wet. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 februari 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 54 en 60 tot 62 van dezelfde wet door de nv « Sony Music Entertainment Belgium », de nv « Universal Music », de nv « Warner Music Benelux », de bv « Play It Again, Sam », de nv « North East West South », de nv « CNR Records » en de vzw « Belgian Recorded Music Association », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jean-François Bellis, Mr. Peter L’Ecluse en Mr. Margot Vogels, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Amerikaans recht « Google LLC » en de vennootschap naar Iers recht « Google Ireland Ltd. », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Sophie Lens, Mr. William Timmermans en Mr. Gerrit Vandendriessche (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7924, 7925 en 7927); - de cv « Belgische Vereniging der Auteurs, Componisten en Uitgevers » (SABAM), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Frédéric Lejeune, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in alle zaken); - de cv « Journalisten Auteursmaatschappij », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Tanguy de Haan en Mr. Maxime Vanderstraeten, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaken nrs. 7922 en 7925); - de vzw « Flemish Games Association », de vzw « Wallonia Games Association », de vzw « Games.brussels », de vzw « Video Games Federation Belgium », de ivzw « Video Games Europe » en de vzw naar Zweeds recht « European Games Developer Federation Ekonomisk Förening », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Pieter Paepe, advocaat bij de 3 balie te Brussel, en door Mr. Stefan Sottiaux, advocaat bij de balie van Antwerpen (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7926 en 7927); - de bv « Streamz », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Joos Roets, Mr. Timothy Roes, Mr. Christoph De Preter en Mr. Judith Bussé (tussenkomende partij in de zaken nrs. 7924 en 7927); - de vennootschap naar Frans recht « Deezer », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Steve Ronse, Mr. Thomas Quintens, Mr. Guillaume Vyncke, Mr. Ted Shapiro en Mr. Carina Gommers (tussenkomende partij in de zaken nrs. 7924, 7926 en 7927); - de nv « Spotify Belgium » en de vennootschap naar Zweeds recht « Spotify AB », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Steve Ronse, Mr. Thomas Quintens, Mr. Guillaume Vyncke, Mr. Ted Shapiro en Mr. Carina Gommers (tussenkomende partijen in de zaak nr. 7926); - de cv « PlayRight », de vzw « De Acteursgilde », de vzw « Fédération des auteurs, compositeurs et interprètes réunis », de vzw « De Muziekgilde » en de stichting van openbaar nut « Fondation de l’Union des Artistes du Spectacle », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Fabienne Brison, advocate bij de balie te Brussel, en door Mr. Hans-Kristof Carême, advocaat bij de balie te Leuven (tussenkomende partijen in alle zaken); - de cv « Vlaamse Nieuwsmedia », de cv « La Presse.be - Alliance des Médias d’Information » en de vzw « WE MEDIA », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. François Tulkens, Mr. Sarah Van Den Brande, Mr. Jonathan Renaux en Mr. Pauline Van Muylder, advocaten bij de balie te Brussel, en door Mr. Bernard Vanbrabant, advocaat bij de balie Luik-Hoei (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7922 en 7925); - de vennootschap naar Frans recht « Société des auteurs et compositeurs dramatiques », de vennootschap naar Frans recht « Société civile des auteurs multimédia », de cvba « deAUTEURS », de vzw « Les Professionnels de la Production et de la Création Audiovisuelles », de vzw « Scenaristengilde » en de vzw « Unie van Regisseurs », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Maxime Vanderstraeten en Mr. Alain Strowel, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen in alle zaken); - de cv « Multimedia Maatschappij van de Auteurs van de Visuele Kunsten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jean-Ferdinand Puyraimond, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in alle zaken); - de nv « Sony Music Entertainment Belgium », de nv « Universal Music », de nv « Warner Music Benelux », de bv « Play It Again, Sam », de nv « North East West South », de vzw « Belgian Recorded Music Association » en de nv « CNR Records », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jean-François Bellis, Mr. Peter L’Ecluse en Mr. Margot Vogels (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7922, 7924 en 7926); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Aube Wirtgen en Mr. Pieter Callens, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. 4 Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vennootschap naar Amerikaans recht « Google LLC » en de vennootschap naar Iers recht « Google Ireland Ltd. »; - de vzw « Flemish Games Association » en anderen; - de vennootschap naar Frans recht « Deezer »; - de nv « Spotify Belgium » en de vennootschap naar Zweeds recht « Spotify AB »; - de cv « PlayRight » en anderen; - de cv « Vlaamse Nieuwsmedia » en anderen; - de vennootschap naar Frans recht « Société des auteurs et compositeurs dramatiques » en anderen; - de cv « Multimedia Maatschappij van de Auteurs van de Visuele Kunsten »; - de nv « Sony Music Entertainment Belgium » en anderen; - de Ministerraad. Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren en de dag van de terechtzitting bepaald op 26 juni
- Op de openbare terechtzitting van 26 juni 2024 : - zijn verschenen : . Mr. William Timmermans, Mr. Sophie Lens en Mr. François Lambert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7922; . Mr. Steve Ronse en Mr. Thomas Quintens, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7924 en voor de vennootschap naar Frans recht « Deezer »; . Mr. Benoit Van Asbroeck, Mr. Camille Vanpeteghem en Mr. Kevin Munungu Lungungu, advocaten bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. Marc Martens, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7925; . Mr. Joos Roets en Mr. Christoph De Preter, tevens loco Mr. Timothy Roes, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7926; . Mr. Peter L’Ecluse en Mr. Malik Aouadi, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7927; . Mr. Frédéric Lejeune, voor de cv « Belgische Vereniging der Auteurs, Componisten en Uitgevers » (SABAM); 5 . Mr. Tanguy de Haan, voor de cv « Journalisten Auteursmaatschappij »; . Mr. Christoph De Preter loco Mr. Pieter Paepe, voor de vzw « Flemish Games Association » en anderen; . Mr. Hans-Kristof Carême en Mr. Alessandra Poppe, advocate bij de balie te Brussel, loco Mr. Fabienne Brison, voor de cv « PlayRight » en anderen; . Mr. François Tulkens, Mr. Sarah Van Den Brande, Mr. Jonathan Renaux, Mr. Pauline Van Muylder en Mr. Bernard Vanbrabant, voor de cv « Vlaamse Nieuwsmedia » en anderen; . Mr. Maxime Vanderstraeten en Mr. Leana Derard, advocate bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. Alain Strowel, voor de vennootschap naar Frans recht « Société des auteurs et compositeurs dramatiques » en anderen; . Mr. Jean-Ferdinand Puyraimond, voor de cv « Multimedia Maatschappij van de Auteurs van de Visuele Kunsten »; . Mr. Aube Wirtgen en Mr. Pieter Callens, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft het standpunt van de verzoekende partijen Zaak nr. 7922 A.1.
- De vennootschap naar Amerikaans recht « Google LLC » (hierna : Google LLC) en de vennootschap naar Iers recht « Google Ireland Ltd. » (hierna : Google Ireland Ltd.) menen dat zij belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG » (hierna : de wet van 19 juni 2022). Allereerst geeft Google LLC aan dat zij verantwoordelijk is voor het verkrijgen van licenties voor het gebruik van content die wordt beschermd bij artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 « inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging 6 van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/790), omgezet bij de wet van 19 juni
- Vervolgens preciseert Google Ireland Ltd. dat zij de diensten van Google aanbiedt in de Europese Economische Ruimte en in Zwitserland, in het kader waarvan fragmenten van perspublicaties die krachtens artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 kunnen worden beschermd, online worden weergegeven ter attentie van de gebruikers. Daarnaast wijzen zij erop dat Google LLC de technische infrastructuur die de werking van YouTube mogelijk maakt, in haar bezit heeft en er controle op uitoefent, en dat Google Ireland Ltd. die dienst in de Europese Economische Ruimte en in Zwitserland aanbiedt. A.1.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen hun juridische en economische situatie rechtstreeks en ongunstig raken. In de eerste plaats merken zij op dat die bepalingen het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna : het BIPT) de zorg toevertrouwen om bindende beslissingen te nemen wanneer de partijen het binnen vier maanden na de start van de onderhandelingen niet eens worden, waardoor de verzoekende partijen hun contractuele vrijheid wordt ontnomen. Ten tweede legt de wet van 19 juni 2022 aan de voormelde partijen aanzienlijke verplichtingen op in termen van informatie-uitwisseling, verplichtingen waarvan de draagwijdte niet duidelijk is en die moeten worden nageleefd binnen een termijn van één maand, wat kort is. Die verplichtingen houden een omvangrijke investering in en daarbij wordt geen rekening gehouden met de juridische en contractuele beperkingen waaraan de verzoekende partijen kunnen worden onderworpen. Die situatie wordt erger gemaakt door het ontbreken van passende waarborgen die een kader verschaffen voor de openbaarmaking van de informatie. In de derde plaats voorziet de wet van 19 juni 2022 in een onvervreemdbaar en onoverdraagbaar recht op een vergoeding dat aan een verplicht collectief beheer is onderworpen, vergoeding die moet worden betaald door de verleners van een onlinedienst voor het delen van content, wanneer de auteurs en uitvoerende kunstenaars hun recht op mededeling aan het publiek aan een derde hebben overgedragen. Het recht op mededeling aan het publiek bestaat uit een toestemmingsrecht en een vergoedingsrecht, zodat de verleners van een onlinedienst voor het delen van content twee onderscheiden overeenkomsten moeten sluiten voor dezelfde content. Bovendien verplicht artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 de voormelde dienstverleners ertoe om na te gaan of de auteurs en de uitvoerende kunstenaars aan de voorwaarden voldoen om het recht op een vergoeding te genieten, maar ook om de betaling te waarborgen van die personen, wier vergoeding reeds is vastgelegd in de licentieovereenkomsten die de verleners van een onlinedienst voor het delen van content gewoonlijk ondertekenen met de houders van afgeleide rechten. Bijgevolg bestaat er een hoog risico dat twee keer moet worden betaald voor dezelfde mededeling of beschikbaarstelling voor het publiek van auteursrechtelijk beschermde materialen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het nieuwe onoverdraagbare vergoedingsrecht, bepaald bij artikel 54 van de wet van 19 juni 2022, een extra verplichting oplegt ten opzichte van de regeling bepaald bij artikel 17, lid 4, van de richtlijn (EU) 2019/
- Tot slot beperkt artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 het vrij verrichten van diensten, zoals bepaald bij artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), daar dat artikel het grensoverschrijdend verrichten van diensten door de verleners van een onlinedienst voor het delen van content minder aantrekkelijk maakt doordat het juridische drempels en transactiekosten creëert die specifiek zijn voor het Belgische grondgebied. A.1.
- Wat de procesbevoegdheid betreft, beklemtonen de verzoekende partijen dat Google LLC rechtspersoonlijkheid heeft en een vennootschap is die naar behoren is opgericht krachtens de wetten van de staat Delaware in de Verenigde Staten van Amerika en dat Google Ireland Ltd. eveneens rechtspersoonlijkheid heeft en een vennootschap is die naar behoren is opgericht krachtens de wetten van de Republiek Ierland. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het krachtens artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) niet vereist is om in het verzoekschrift het bewijs te leveren van de beslissing om het beroep in te stellen, maar dat het volstaat dat de verzoekende partij dat bewijs op het eerste verzoek kan leveren. In dat verband leggen de verzoekende partijen naar aanleiding van hun memorie van antwoord verschillende stukken voor waaruit de geldigheid blijkt van de beslissing om het beroep in te stellen. Zaak nr. 7924 A.2.
- De nv « Spotify Belgium » (hierna : Spotify Belgium) en de vennootschap naar Zweeds recht « Spotify AB » (hierna : Spotify AB) menen dat zij een belang erbij hebben om de vernietiging van de artikelen 60, 61 en 62 van de wet van 19 juni 2022 te vorderen, aangezien die bepalingen een regeling invoeren waarbij recht wordt gegeven op een individuele vergoeding, regeling die bedrijven als Spotify rechtstreeks raakt. Die nv is immers een dienstverlener van de informatiemaatschappij in de zin van artikel XI.228/10 van het Wetboek van economisch recht en wordt uitdrukkelijk beoogd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni
- 7 A.2.
- De verzoekende partijen preciseren dat de belangen van Spotify ongunstig worden geraakt door de wet van 19 juni 2022, omdat die vennootschap thans verantwoordelijk is voor de betalingen aan de beheersvennootschappen of aan de collectieve beheersorganisaties, wat voordien niet het geval was, en dat ondanks het feit dat Spotify licenties verleent en een vergoeding betaalt aan de houders van auteursrechten en naburige rechten (hierna : de rechthebbenden) voor de rechten van de uitvoerende kunstenaars. Het nieuwe vergoedingssysteem heeft een rechtstreekse invloed op de contractuele vrijheid van Spotify, haar handelsverrichtingen en haar vermogen om diensten in België aan te bieden. A.2.
- In hun memorie van antwoord verduidelijken de verzoekende partijen dat de beslissingen om het beroep in te stellen, werden genomen door hun raad van bestuur voordat het verzoekschrift werd ingediend. Zaak nr. 7925 A.3.
- De vennootschap naar Iers recht « Meta Platforms Ireland » voert aan dat zij op juridisch en economisch vlak rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de wet van 19 juni 2022, zodat zij over het vereiste belang beschikt om de vernietiging van de artikelen 38 en 39 van die wet te vorderen. Zij preciseert dat zij in België de dienst Facebook ter beschikking stelt, waardoor de gebruikers, met inbegrip van de persuitgevers, perspublicaties, alsook hyperlinks naar die publicaties kunnen delen. Volgens haar blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna : het Hof van Justitie) met betrekking tot de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 « betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij » (hierna : de richtlijn 2001/29/EG) dat de in die bepalingen bedoelde rechten exclusieve rechten zijn die de houders ervan in staat stellen om de reproductie en de beschikbaarstelling voor het publiek van hun rechten toe te staan of te verbieden. Die rechten zijn eveneens van preventieve aard, in die zin dat voor elke handeling van reproductie of beschikbaarstelling voor het publiek van werken of prestaties van de houder van auteursrechten of naburige rechten diens voorafgaande toestemming is vereist. De verzoekende partij verduidelijkt dat de Europese wetgever heeft gewild dat de persuitgevers ook de voormelde rechten konden genieten. Artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 bepaalt aldus dat, binnen de in de overwegingen nrs. 54, 55 en 57 bepaalde grenzen, de lidstaten aan de in de Europese Unie gevestigde persuitgevers de in artikel 2 en in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2001/29/EG bedoelde naburige rechten moeten verlenen voor het onlinegebruik van hun perspublicaties. A.3.
- Volgens de verzoekende partij kan de wet van 19 juni 2022 zo worden geïnterpreteerd dat zij van de dienstverleners van de informatiemaatschappij en van de persuitgevers vereist dat zij onderhandelen over het gebruik van de perspublicaties onder de bij de wet gestelde voorwaarden, ongeacht het soort gebruik en de specifieke kenmerken van de door de betrokken dienstverlener van de informatiemaatschappij verrichte dienst. Bovendien lijken bepaalde passages in de parlementaire voorbereiding van die wet te suggereren dat er in de praktijk dan ook een vergoeding is verschuldigd aan de persuitgevers voor het onlinegebruik van hun perspublicaties. De wet van 19 juni 2022 legt overigens aan de dienstverleners van de informatiemaatschappij informatieplichten ten aanzien van de persuitgevers op. Die dienstverleners moeten op schriftelijk verzoek van de persuitgevers actuele, relevante en volledige informatie verstrekken betreffende de exploitatie van hun perspublicaties opdat de laatstgenoemden de waarde van hun naburige rechten kunnen inschatten. In het geval waarin de wet van 19 juni 2022 op de voormelde wijze zou moeten worden geïnterpreteerd, zou zij nadelig zijn voor de verzoekende partij, aangezien zij die partij ertoe zou verplichten aanzienlijke human resources in te zetten om aan die onevenredige vereisten te voldoen en mogelijk ingrijpende investeringen te doen op haar kosten, teneinde informatie te verzamelen die mogelijk niet gemakkelijk beschikbaar is, zonder noodzakelijkerwijze in ruil hiervoor in voldoende waarborgen te voorzien om de vertrouwelijke aard van de betrokken informatie, die onder het bedrijfsgeheim valt, te beschermen. A.3.3.
- De verzoekende partij preciseert dat uit artikel 7 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, wanneer een beroep tot vernietiging wordt ingesteld door een rechtspersoon, die niet meer het bewijs dient voor te leggen van de beslissing om het beroep tot vernietiging in te stellen. Dat bewijs moet op het eerste verzoek van het Hof worden voorgelegd. Tenzij de statuten van de vennootschap moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, is het bovendien niet vereist een kopie daarvan bij het verzoekschrift te voegen. Volgens de verzoekende partij wordt in artikel 7 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het geheel van de regels die van toepassing zijn op de hoedanigheid en rechtsbekwaamheid van de rechtspersonen op volledige en nauwkeurige wijze vastgesteld, los van de geografische locatie van hun maatschappelijke zetel of hun 8 rechtsvorm. Uit geen enkele bepaling van de voormelde bijzondere wet, noch uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de rechtspersonen naar buitenlands recht moeten worden vertegenwoordigd door hun Belgische bijkantoor. A.3.3.
- De verzoekende partij voegt eraan toe dat de voorwaarden waaraan het recht op toegang tot een rechter kan worden onderworpen, niet ertoe mogen leiden dat dat recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort barrière vormt die verhindert dat de rechtsonderhorige zijn geschil ten gronde beslecht ziet door de bevoegde rechter. Het feit dat wordt vereist dat een niet in België gevestigde vennootschap uitsluitend via een in België gevestigd bijkantoor in rechte treedt voor het Hof, zou een barrière vormen voor het recht op toegang tot de rechter die de goede rechtsbedeling geenszins zou dienen. Tot slot preciseert de verzoekende partij dat zij te dezen wordt vertegenwoordigd door Belgische advocaten en dat geen enkel feitelijk of juridisch element het bestaan van de beslissing om het beroep tot vernietiging in te stellen tegen de wet van 19 juni 2022, in het geding brengt, noch het feit dat die beslissing krachtens de statuten van de verzoekende partij werd genomen door het bevoegde orgaan. Zaak nr. 7926 A.4.
- De bv « Streamz » meent te beschikken over een belang om de vernietiging van de artikelen 61 en 62 van de wet van 19 juni 2022 te vorderen in het licht van haar maatschappelijk doel op basis waarvan zij een streamingplatform aanbiedt via hetwelk Belgische, Europese en internationale audiovisuele content wordt aangeboden aan de consument. A.4.
- De verzoekende partij preciseert dat zij met toepassing van de bestreden bepalingen voortaan wordt onderworpen aan een vergoedingsplicht die een bijkomende, mogelijk zwaarwegende financiële last en een substantiële hertekening van de lokale audiovisuele waardeketen creëert. Volgens de verzoekende partij heeft die situatie een grote rechtsonzekerheid tot gevolg waardoor de concurrentiepositie van het platform Streamz in ieder geval nog meer wordt verzwakt ten aanzien van de voornaamste internationale streamingplatformen. Bijgevolg wordt de verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepalingen. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof moet de verzoekende partij, aangezien het belang bij het beroep vaststaat, bovendien niet doen blijken van een belang bij elk van de door haar aangewende middelen. A.4.
- Wat de excepties van niet-ontvankelijkheid betreft, merkt de verzoekende partij allereerst op dat, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof, een advocaat die namens een partij handelt, wordt verondersteld gemandateerd te zijn door de persoon die hij beweert te vertegenwoordigen. Krachtens artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek dient de advocaat geen volmacht voor te leggen, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving vereist, hetgeen niet het geval is voor de bijzondere wet van 6 januari
- Krachtens artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 behoudt het Hof de mogelijkheid om aan een rechtspersoon te vragen het bewijs voor te leggen van de beslissing van de bevoegde organen om het beroep in te stellen. De partij die de exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt, moet evenwel op aannemelijke wijze aantonen dat de beslissing om in rechte te treden niet werd genomen door de bevoegde organen, hetgeen te dezen niet het geval is. In elk geval heeft het bevoegde orgaan van de verzoekende partij, namelijk haar raad van bestuur, wel degelijk tijdig beslist om het beroep in te stellen. Zaak nr. 7927 A.5.
- De verzoekende partijen zijn verschillende rechtspersonen die actief zijn in de muzieksector. Het betreft allereerst de nv « Sony Music Entertainment Belgium », de nv « Universal Music », de nv « Warner Music Benelux », de bv « Play It Again, Sam », de nv « North East West South » en de nv « CNR Records », die zich voorstellen als labels die geluidsopnames van muziekclips produceren, verspreiden en verhandelen, met name door de rechten van reproductie en beschikbaarstelling voor het publiek op die opnames en video’s in licentie te geven aan de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en aan de streamingdiensten. Zij voeren aan dat zij een belang erbij hebben de vernietiging van de artikelen 54 en 60 tot 62 van de wet van 19 juni 2022 te vorderen, omdat die bepalingen op wezenlijke en onverantwoorde wijze interfereren met hun vrijheid van ondernemen, met inbegrip van hun vermogen om licentieovereenkomsten te sluiten die overeenstemmen met hun eigen commerciële belangen en met die van de uitvoerders die zij vertegenwoordigen. 9 A.5.
- De laatste verzoekende partij is de vzw « Belgian Recorded Music Association », die de verdelers en de producenten van in België opgenomen muziek vertegenwoordigt. Haar opdracht bestaat erin de belangen van de Belgische muziekindustrie te vertegenwoordigen, aan te bevelen en te bevorderen, en de waarden ervan te beschermen. Zij preciseert dat het investeringssysteem van de labels in de uitvoerders en hun projecten, dat volledig op contractuele grondslagen berust, ernstig in het gedrang wordt gebracht door de bestreden bepalingen. Zij preciseert dat de bestreden bepalingen op onverantwoorde wijze interfereren met het complexe en delicate evenwicht van de contractuele relaties in de muzieksector. Wat het standpunt van de tussenkomende partijen betreft Zaak nr. 7922 A.
- De cv « Vlaamse Nieuwsmedia », de cv « La Presse.be - Alliance des médias d’information » en de vzw « WE MEDIA » (hierna : de tussenkomende partijen) betogen dat zij belang erbij hebben tussen te komen in de zaak nr. 7922, aangezien, zoals in hun respectieve statuten wordt beklemtoond, het arrest van het Hof een invloed kan hebben op de situatie waarin zij zich bevinden in termen van nadere regels voor de tenuitvoerlegging van het naburige recht dat aan de in België gevestigde persuitgevers is toegekend, persuitgevers die bij hen zijn aangesloten en van wie zij de belangen verdedigen. Zaak nr. 7924 A.7.
- Google LLC en Google Ireland Ltd. (hierna : de eerste tussenkomende partijen), die de verzoekende partijen in de zaak nr. 7922 zijn, menen dat zij een belang erbij hebben om tussen te komen in de procedure, daar zij ook een beroep hebben ingesteld tot vernietiging van meerdere bepalingen van de wet van 19 juni 2022, waaronder met name artikel 54 ervan. Zij voeren aan dat die bepaling op wezenlijke en onverantwoorde wijze interfereert met hun vrijheid van ondernemen, met inbegrip van hun contractvrijheid, en het complexe en delicate evenwicht tussen de verschillende actoren van de betrokken sector in het gedrang brengt. Bijgevolg raakt artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 de juridische en economische situatie van de eerste tussenkomende partijen, met name in zoverre het een weerslag heeft op hun contractvrijheid, hun handelsverrichtingen en hun vermogen om diensten in België aan te bieden. A.7.
- Wat de artikelen 60 tot 62 van de wet van 19 juni 2022 betreft, voeren de eerste tussenkomende partijen aan dat het lot daarvan nauw verbonden is met dat van artikel 54 van die wet, dat situaties dekt die a priori verschillend zijn. Al die bepalingen verankeren immers voor de auteurs en uitvoerende kunstenaars een onoverdraagbaar recht op een vergoeding ten laste van de dienstverleners van de informatiemaatschappij, recht waarvan geen afstand kan worden gedaan en dat aan een verplicht collectief beheer is onderworpen, als tegenprestatie voor de mededeling aan het publiek of voor de prestatie. In werkelijkheid is het vergoedingsrecht bedoeld in, enerzijds, artikel 54 en, anderzijds, de artikelen 60 tot 62 in wezen hetzelfde. A.
- De vennootschap naar Frans recht « Deezer » (hierna : de tweede tussenkomende partij) stelt zich voor als een van de voornaamste aanbieders van muziekstreamingdiensten, met name in België, via een website en applicaties. De tweede tussenkomende partij voert aan dat zij een belang erbij heeft om tussen te komen in de zaak nr. 7924, omdat het recht op een vergoeding dat door de in die zaak bestreden bepalingen wordt ingevoerd, haar rechtstreeks kan raken. Met toepassing van die bepalingen is zij immers voortaan verantwoordelijk voor de betalingen aan de beheersvennootschappen en aan de collectieve beheersorganisaties, wat voordien niet het geval was, en zulks ondanks het feit dat zij reeds licentieovereenkomsten sluit en aan de rechthebbenden een vergoeding betaalt voor de rechten van de uitvoerders. Bijgevolg heeft het nieuwe vergoedingssysteem een rechtstreekse en ongunstige weerslag op haar contractuele vrijheid, haar handelsverrichtingen en op haar vermogen om diensten in België aan te bieden. Tot slot preciseert de tweede tussenkomende partij dat de vereiste beslissingen van de raad van bestuur om in de zaak nr. 7924 tussen te komen, tijdig zijn genomen. Zaak nr. 7925 A.
- Google LLC en Google Ireland Ltd. (hierna : de eerste tussenkomende partijen), die de verzoekende partijen in de zaak nr. 7922 zijn, menen dat zij een belang erbij hebben om tussen te komen in de procedure, aangezien zij ook een beroep tot vernietiging hebben ingesteld tegen verschillende bepalingen van de wet van 19 juni 2022, meer bepaald artikel 39 ervan. De eerste tussenkomende partijen voegen eraan toe dat de artikelen 38 10 en 40 van die wet, die eveneens worden bestreden in de zaak nr. 7925, rechtstreeks en intrinsiek verband houden met artikel 39, zodat zij een belang erbij hebben om deel te nemen aan de debatten met betrekking tot die bepalingen. Voor het overige vestigen de eerste tussenkomende partijen de aandacht op het feit dat de artikelen 38, 39 en 40 van de wet van 19 juni 2022 hun juridische en economische situatie als dienstverleners van de informatiemaatschappij rechtstreeks en ongunstig raken. A.
- De cv « Vlaamse Nieuwsmedia », de cv « La Presse.be – Alliance des médias d’information » en de vzw « WE MEDIA » (hierna : de tweede tussenkomende partijen) doen gelden dat zij een belang erbij hebben om tussen te komen in de zaak nr. 7925 om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de zaak nr. 7922, waarin zij ook tussenkomende partijen zijn. Zaak nr. 7926 A.
- Spotify Belgium en Spotify AB, die de verzoekende partijen in de zaak nr. 7924 zijn, en de vennootschap naar Frans recht « Deezer » (hierna : de tussenkomende partijen) doen blijken van hun belang om tussen te komen in de zaak nr. 7926 door middel van uiteenzettingen die in wezen identiek zijn aan die waarbij getracht wordt aan te tonen dat de vennootschap naar Frans recht « Deezer » een belang heeft om tussen te komen in de zaak nr. 7924, waarin zij eveneens tussenkomende partij is. De tussenkomende partijen preciseren dat de beslissingen om tussen te komen in de zaak nr. 7926 tijdig werden genomen door de bevoegde organen. Zaak nr. 7927 A.12.
- Google LLC en Google Ireland Ltd. (hierna : de eerste tussenkomende partijen), die de verzoekende partijen in de zaak nr. 7922 zijn, menen dat zij een belang erbij hebben in de procedure tussen te komen, aangezien zij eveneens een beroep tot vernietiging hebben ingesteld tegen verschillende bepalingen van de wet van 19 juni 2022, waaronder artikel 54 ervan. Zij voeren aan dat die bepaling op wezenlijke en onverantwoorde wijze interfereert met hun vrijheid van ondernemen, met inbegrip van hun contractvrijheid, en het complexe en delicate evenwicht tussen de verschillende actoren van de betrokken sector in het gedrang brengt. Bijgevolg raakt artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 de juridische en economische situatie van de eerste tussenkomende partijen, met name in zoverre dat artikel een weerslag heeft op hun contractuele vrijheid, hun handelsverrichtingen en hun vermogen om diensten in België aan te bieden. A.12.
- Wat de artikelen 60 tot 62 van de wet van 19 juni 2022 betreft, betogen de eerste tussenkomende partijen dat het lot daarvan nauw is verbonden met dat van artikel 54 van die wet, dat situaties dekt die a priori verschillen. Al die bepalingen verankeren immers voor de auteurs en uitvoerende kunstenaars een onoverdraagbaar vergoedingsrecht ten laste van de dienstverleners van de informatiemaatschappij, recht waarvan geen afstand kan worden gedaan en dat aan een verplicht collectief beheer is onderworpen, als tegenprestatie voor de mededeling aan het publiek of voor de prestatie. In werkelijkheid is het recht op een vergoeding bedoeld in, enerzijds, artikel 54 en, anderzijds, de artikelen 60 tot 62 in wezen hetzelfde. A.
- De vennootschap naar Frans recht « Deezer » (hierna : de tweede tussenkomende partij) doet blijken van haar belang om tussen te komen in de zaak nr. 7927 door middel van uiteenzettingen die in wezen identiek zijn aan die welke ertoe strekken haar belang aan te tonen om tussen te komen in de zaak nr. 7924, waarin zij eveneens tussenkomende partij is. Zij preciseert ook dat de vereiste beslissingen van de raad van bestuur om tussen te komen in de zaak nr. 7927 tijdig werden genomen. Zaken nrs. 7922 en 7925 A.
- De cv « Journalisten Auteursmaatschappij » (hierna : de tussenkomende partij), waarvan de leden journalisten zijn, voert aan dat zij een belang erbij heeft om tussen te komen in de zaken nrs. 7922 en
- Zij preciseert dat haar doel erin bestaat de auteursrechten van journalisten te beheren, rechten waarvan de exploitatie in haar voordeel werd overgedragen. De artikelen 37 tot 40 van de wet van 19 juni 2022 voeren echter een nieuwe wettelijke regeling in die ertoe strekt de uitgevers van perspublicaties en de auteurs van werken die zijn verwerkt in perspublicaties te beschermen. De auteurs krijgen in het bijzonder « een passend deel van de vergoeding » toegekend die de persuitgevers ontvangen van de dienstverleners van de informatiemaatschappij voor het gebruik van hun perspublicaties, en hebben recht op « actuele, relevante en volledige informatie » in verband met die vergoeding. In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt verduidelijkt dat journalisten kunnen worden 11 beschouwd als auteurs van werken die in perspublicaties zijn verwerkt. Bijgevolg hebben de tussenkomende partij en haar leden rechtstreeks te maken met de nieuwe wettelijke regeling, zodat het belang om tussen te komen in de zaken nrs. 7922 en 7925 vaststaat. Zaken nrs. 7924 en 7927 A.
- De bv « Streamz » (hierna : de tussenkomende partij), die de verzoekende partij in de zaak nr. 7926 is, meent dat zij een belang erbij heeft om tussen te komen in de zaken nrs. 7924 en
- De tussenkomende partij verduidelijkt dat haar leden Belgische mediagroepen zijn die actief zijn in de sectoren van de printmedia, televisie, radio, telecommunicatie en contentproductie. Zij voegt eraan toe dat zij in september 2020 een Vlaams streamingplatform heeft gelanceerd. De tussenkomende partij stelt dat de artikelen 60 tot 62 van de wet van 19 juni 2022 een aantal bijkomende verplichtingen invoeren ten opzichte van de omgezette richtlijn (EU) 2019/790, verplichtingen die juist in strijd zijn met die richtlijn. Dat is meer bepaald het geval voor het nieuwe recht op een vergoeding die de streamingplatformen verschuldigd zijn, en zulks zelfs wanneer die platformen alle rechten op die audiovisuele werken contractueel hebben verworven. De tussenkomende partij betoogt dat de artikelen 60 tot 62 van de wet van 19 juni 2022 haar voortaan onderwerpen aan een bijkomende betalingsverplichting, ook al heeft zij op rechtmatige en contractuele wijze reeds alle relevante rechten verworven op de audiovisuele werken die zij wenst te streamen. Die bepalingen treffen haar eveneens op onevenredige wijze in vergelijking met de grote internationale streamingplatformen en plaatsen haar voortaan in een situatie van rechtsonzekerheid. Gelet op de ernstige en zwaarwegende economische gevolgen van het voormelde vergoedingsrecht bestaat er overigens een risico dat zij de concurrentie ten aanzien van internationale streamingdiensten niet langer op gelijke voet kan aangaan. Dat risico wordt des te meer in de hand gewerkt door het feit dat de overige lidstaten geen soortgelijk vergoedingsrecht hebben ingevoerd naar aanleiding van de omzetting van de richtlijn (EU) 2019/
- Anders gezegd, het bestreden vergoedingsrecht creëert geen harmonisatie, maar zal integendeel een marktverstorend effect tot gevolg hebben, alsook een zwakkere concurrentiepositie van de Belgische streamingplatformen en audiovisuele producties. Zaken nrs. 7922, 7924 en 7926 A.
- De nv « Sony Music Entertainment Belgium », de nv « Universal Music », de nv « Warner Music Benelux », de bv « Play It Again, Sam », de nv « North East West South », de nv « CNR Records » en de vzw « Belgian Recorded Music Association » (hierna : de tussenkomende partijen) betogen dat zij een belang erbij hebben om tussen te komen in de zaken nrs. 7922, 7924 en 7926 om soortgelijke redenen als die welke zij aanvoeren ter staving van hun belang om in rechte te treden in het kader van de zaak nr. 7927, waarin zij de verzoekende partijen zijn. Zaken nrs. 7922, 7924, 7926 en 7927 A.17.
- In het geval waarin de videogames die door hun respectieve leden worden gemaakt, ontwikkeld en uitgegeven, onder het toepassingsgebied van de wet van 19 juni 2022 vallen, met name indien het gaat om auteursrechtelijk beschermde audiovisuele werken, menen de vzw’s « Flemish Games Association », « Wallonia Games Association », « Games.brussels », « Video Games Federation Belgium », de ivzw « Video Games Europe » en de vzw naar Zweeds recht « European Games Developer Federation Ekonomisk Förening » (hierna : de tussenkomende partijen) dat zij een belang erbij hebben om tussen te komen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7926 en
- Zoals in hun verschillende statuten wordt beklemtoond, vertegenwoordigen zij immers de belangen van het volledige spectrum van actoren in de videogame-industrie, waaronder een zeer significant deel van de development studio’s, uitgevers en platformen in de Europese Unie en vrijwel alle development studio’s in België. A.17.
- De tussenkomende partijen preciseren dat de bestreden bepalingen ernstig afbreuk doen aan de economische en morele belangen van hun leden, aangezien de nieuw ingevoerde vergoedingsrechten bijkomende financiële lasten doen ontstaan, de contractvrijheid en de vrijheid van vereniging aanzienlijk beperken en een grote rechtsonzekerheid teweegbrengen. Die potentiële gevolgen gaan in tegen de door de tussenkomende partijen nagestreefde doelstellingen, waaronder het ontwikkelen van de videogame-industrie en het opheffen van belemmeringen die de gratis reclame tegenhouden. 12 Zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927 Eerste tussenkomende partij A.
- De cv « Belgische Vereniging der Auteurs, Componisten en Uitgevers (SABAM) (hierna : de eerste tussenkomende partij) meent dat zij een belang erbij heeft om tussen te komen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en
- Zij stelt zich voor als een collectieve beheersorganisatie die ertoe gemachtigd is haar activiteiten bij ministerieel besluit uit te oefenen, met name ten voordele van de auteurs in de zin van de artikelen 54 en 62 van de wet van 19 juni
- In zoverre de artikelen 54 en 60 tot 62 van die wet met name betrekking hebben op mechanismen van verplicht collectief beheer op het gebied van auteursrechten, kan de situatie van de eerste tussenkomende partij rechtstreeks worden geraakt door het arrest dat het Hof zal wijzen met betrekking tot de tegen die artikelen gerichte beroepen tot vernietiging. Tweede tussenkomende partijen Ontvankelijkheid van de tussenkomst A.
- Een aantal natuurlijke en rechtspersonen (hierna : de tweede tussenkomende partijen) voeren aan dat zij belang erbij hebben om tussen te komen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en
- Allereerst gaat het om de cv « PlayRight » (hierna : PlayRight) die overeenkomstig haar statuten belast is met de inning, het beheer en de verdeling van de naburige rechten van de uitvoerende kunstenaars in België en in het buitenland. Zij is krachtens een ministerieel besluit ertoe gemachtigd om haar werkzaamheden uit te oefenen. Zij preciseert dat zij met de uitvoerende kunstenaars overeenkomsten sluit waarbij de rechten op mededeling aan het publiek aan haar worden overgedragen met het oog op het collectieve beheer ervan, met name de in de artikelen 54 en 62 van de wet van 19 juni 2022 bedoelde rechten op een vergoeding. Overigens vertegenwoordigt PlayRight uitvoerende kunstenaars die zijn aangesloten bij buitenlandse beheersvennootschappen waarmee wederkerigheidsovereenkomsten werden gesloten. Aangezien zij ertoe gemachtigd is een rechtsvordering in te stellen om de belangen van de uitvoerende kunstenaars te behartigen, is haar belang om tussen te komen, aangetoond. Op uitnodiging van PlayRight wensen bovendien vier vzw’s die de belangen van de uitvoerende kunstenaars vertegenwoordigen en de voorzitters ervan eveneens tussen te komen in de voormelde zaken. Het gaat om de vzw « De Acteursgilde » die de uitvoerende kunstenaars in de audiovisuele sector voornamelijk in Vlaanderen vertegenwoordigt, de vzw « Fédération des auteurs, compositeurs et interprètes réunis » die de uitvoerende kunstenaars in de muzieksector voornamelijk in Franstalig België vertegenwoordigt, de vzw « De Muziekgilde » die de uitvoerende kunstenaars in de muzikale sector voornamelijk in Vlaanderen vertegenwoordigt en de stichting van openbaar nut « Fondation de l’Union des Artistes du Spectacle », die de uitvoerende kunstenaars in de audiovisuele sector voornamelijk in Franstalig België vertegenwoordigt. Die tussenkomende partijen wensen tussen te komen in de voormelde zaken om duidelijk het signaal te geven dat de hele sector van de uitvoerende kunstenaars in de muzikale en audiovisuele sector dezelfde bezorgdheden deelt. Bovendien is het niet uitgesloten dat die groeperingen een actieve rol zullen spelen, al dan niet samen met PlayRight, bij het bepalen van de vergoedingen waarop de uitvoerende kunstenaars krachtens de bestreden bepalingen recht hebben. Het belang van de voormelde vzw’s om tussen te komen, is dus aangetoond, net zoals dat van de natuurlijke personen die de respectieve voorzitters ervan zijn en zelf uitvoerende kunstenaars zijn. Ontvankelijkheid van de beroepen A.
- De tweede tussenkomende partijen voeren aan dat de beroepen in de zaken nrs. 7922, 7924 en 7926 onontvankelijk zijn bij ontstentenis van elke bewezen beslissing van het bevoegde orgaan om die beroepen in te stellen. Derde tussenkomende partijen A.
- De vennootschappen naar Frans recht « Société des Auteurs et Compositeurs Dramatiques » en de « Société Civile des Auteurs Multimédias », de cvba « deAUTEURS », de vzw « Les Professionnels de la Production et de la Création Audiovisuelle », de vzw « Scenaristengilde » en de vzw « Unie van Regisseurs » 13 (hierna : de derde tussenkomende partijen) stellen dat zij doen blijken van een belang om tussen te komen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927, aangezien zij tot doel hebben de belangen van de auteurs te behartigen, of vennootschappen of organisaties voor het collectieve beheer van auteursrechten zijn en dus rechtstreeks betrokken zijn bij de handhaving van de artikelen 39, 54 en 62 van de wet van 19 juni 2022, waarin niet alleen de vergoedingsrechten voor auteurs worden verankerd, maar die eveneens bestemd zijn om het innen van de aan de auteurs verschuldigde vergoeding te vereenvoudigen en te centraliseren. De derde tussenkomende partijen voegen eraan toe dat een aantal onder hen reeds zijn tussengekomen in de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest nr. 128/2016 van 13 oktober 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.128). Die zaak had betrekking op artikel XI.225 van het Wetboek van economisch recht dat, net zoals de artikelen 39, 54 en 62 van de wet van 19 juni 2022, voorziet in een onoverdraagbaar vergoedingsrecht voor de auteurs en uitvoerende kunstenaars voor de doorgifte via de kabel, wanneer zij hun exclusieve recht om die doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, hebben overgedragen aan een producent van audiovisuele werken. Zij voegen eraan toe dat artikel XI.225 van het Wetboek van economisch recht eveneens bepaalt dat het beheer van dat recht op een vergoeding voor de auteurs en uitvoerende kunstenaars uitsluitend mag worden uitgeoefend door beheersvennootschappen die auteurs vertegenwoordigen. Vierde tussenkomende partij Ontvankelijkheid van de tussenkomst A.22.
- De cv « Multimedia Maatschappij van de Auteurs van de Visuele Kunsten » (hierna : de vierde tussenkomende partij) is een collectieve beheersorganisatie die zowel in België als in het buitenland instaat voor de exploitatie, de administratie en het beheer van alle auteursrechten die voortvloeien uit de intellectuele activiteit en de creatieve expressie van auteurs door middel van het geschreven woord, het gesproken woord en visuele of audiovisuele uitvoeringen in grafische, plastische, stilstaande of bewegende fotografische vorm, en van alle naburige rechten. Ze vertegenwoordigt aldus een repertoire dat auteurs van verschillende categorieën van visuele werken omvat. In dat kader staat zij in voor de uitoefening en het beheer van alle rechten met betrekking tot de reproductie en de mededeling van de werken van haar leden aan het publiek, en int en verdeelt zij de vergoedingen die voortvloeien uit zowel die individuele als collectieve rechten. De vierde tussenkomende partij voegt eraan toe dat zij bij een ministerieel besluit is erkend als collectieve beheersvennootschap en dat zij eveneens belast is met de inning en de verdeling van het volgrecht krachtens een koninklijk besluit. Zij onderhandelt dan ook over de overeenkomsten houdende licentie en overdracht met de gebruikers van de werken van de rechthebbenden die zij vertegenwoordigt. A.22.
- Aangezien de wet van 19 juni 2022 rechtstreeks de collectieve beheersorganisaties in de hoedanigheid van rechtstreekse begunstigden van het in de artikelen 54, 60, 61 en 62 van die wet bedoelde resterende vergoeding beoogt, meent de vierde tussenkomende partij dat zij doet blijken van een belang om tussen te komen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en
- Ontvankelijkheid van de beroepen A.23.
- De vierde tussenkomende partij voert aan dat het beroep in de zaak nr. 7922 niet ontvankelijk is, daar de verzoekende partijen noch kopieën van hun statuten, noch enig stuk voorleggen dat kan aantonen dat zij worden vertegenwoordigd door hun organen die bevoegd zijn om het beroep in te stellen. A.23.
- Zij beklemtoont dat de vordering van Google LLC onontvankelijk is met toepassing van artikel 2:148, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, behalve als zij kan aantonen dat zij haar oprichtingsakte heeft neergelegd overeenkomstig artikel 2:24, § 2, 1°, van dat Wetboek. Overigens legt die verzoekende partij geenszins het bewijs van de identiteit of de vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar managing member voor, noch het bewijs van de aan haar adjunct-secretaris toegekende delegatie van bevoegdheid of van handtekening. De vierde tussenkomende partij vraagt dat de voormelde identiteit haar wordt meegedeeld overeenkomstig artikel 703, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In haar memorie van wederantwoord betoogt zij dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de natuurlijke persoon die heeft beslist om het beroep in te stellen, daadwerkelijk daartoe gemachtigd was. Wat Google Ireland Ltd. betreft, stelt de vierde tussenkomende partij dat niet wordt aangetoond dat de bevoegdheden van de personen die hebben beslist om het beroep in te stellen, werden toegekend en bekendgemaakt 14 overeenkomstig het Ierse recht en het afgeleide recht van de Europese Unie, noch dat in die eventuele publiciteitsmaatregelen wordt gepreciseerd of die personen bevoegd zijn om de vennootschap alleen of samen met anderen te verbinden. In haar memorie van wederantwoord voert de vierde tussenkomende partij aan dat Google Ireland Ltd. niet het bewijs levert dat zij een aan derden tegenstelbare rechtspersoonlijkheid heeft, dat zij handelt door middel van natuurlijke personen die regelmatig zijn aangesteld en van wie de bevoegdheden tegenstelbaar aan derden zijn, en dat de beslissing om het beroep in te stellen regelmatig is genomen door haar organen. De namen van de natuurlijke personen die hebben beslist om het beroep in te stellen, zijn overigens niet in de statuten van Google Ireland Ltd opgenomen. Bijgevolg moet het bewijs worden gevraagd van de beslissing om het beroep in te stellen met toepassing van artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari
- A.23.
- De vierde tussenkomende partij werpt een soortgelijke exceptie van niet-ontvankelijkheid op wat de zaken nrs. 7924 en 7925 betreft. Met betrekking tot de zaak nr. 7924 voegt zij eraan toe dat Spotify AB geen redenen aanvoert waarom haar maatschappelijke doel zou worden geraakt door de wet van 19 juni 2022 en dat Spotify Belgium geen kopie heeft neergelegd van de bekendmaking van haar statuten in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. A.23.
- Wat het beroep in de zaak nr. 7926 betreft, betoogt de vierde tussenkomende partij vervolgens dat de verzoekende partij de beslissing om in rechte te treden niet heeft voorgelegd en dat, in de veronderstelling dat die beslissing dateert van vóór 12 december 2022, die laatste onregelmatig is krachtens de artikelen 2:18, 2:14, 1° en 5°, en 2:8, § 1, 5°, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De vierde tussenkomende partij verzoekt dat de verzoekende partij de identiteit van haar organen voorlegt overeenkomstig artikel 703, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en dat het Hof het bewijs om het beroep in te stellen, vraagt overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari
- A.23.
- De vierde tussenkomende partij betwist overigens dat de tussenkomst van bepaalde tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7926 en 7927 ontvankelijk is, aangezien zij niet het bewijs leveren dat de beslissing om in de voorliggende zaken tussen te komen, werd genomen door het bevoegde orgaan. Zij werpt tevens een exceptie van niet-ontvankelijkheid op met betrekking tot de tussenkomst van de tweede tussenkomende partij in de zaak nr. 7927, in zoverre die partij niet preciseert wat de identiteit is van haar vertegenwoordigers en haar statuten niet neerlegt. Bijgevolg verzoekt de vierde tussenkomende partij dat die tussenkomende partij de identiteit voorlegt van haar organen overeenkomstig artikel 703, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien toont de tweede tussenkomende partij in de zaak nr. 7927 niet aan in welk opzicht haar maatschappelijke doel zou worden geraakt door de wet van 19 juni 2022, noch dat de bevoegdheden van de personen die hebben beslist om het beroep in te stellen, werden toegekend en bekendgemaakt. A.23.
- Volgens de vierde tussenkomende partij is de tussenkomst van de eerste tussenkomende partijen in de zaak nr. 7924, van de eerste tussenkomende partijen in de zaak nr. 7925 en van de eerste tussenkomende partijen in de zaak nr. 7927 onontvankelijk om dezelfde redenen als die welke ertoe leiden dat het door die tussenkomende partijen ingestelde beroep in de zaak nr. 7922, waarin zij de verzoekende partijen zijn, onontvankelijk moet worden geacht. Overigens proberen die tussenkomende partijen door middel van hun uiteenzettingen de draagwijdte uit te breiden van de oorspronkelijke verzoekschriften in de zaken waarin zij tussenkomen. De vierde tussenkomende partij betoogt bovendien dat de tussenkomst van de tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7922, 7924, 7926 en 7927 onontvankelijk is, in zoverre zij de draagwijdte van de oorspronkelijke verzoekschriften in die zaken probeert uit te breiden. Tot slot voert de vierde tussenkomende partij aan dat de tussenkomsten van de tussenkomende partij in de zaken nrs. 7924 en 7927, van de tweede tussenkomende partij in de zaak nr. 7924, van de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7926, van de tweede tussenkomende partij in de zaak nr. 7927 en van de tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7922, 7924 en 7926 onontvankelijk zijn om dezelfde redenen als die op grond waarvan de verzoekschriften die ten grondslag liggen aan de zaken waarin sommige tussenkomende partijen verzoekende partijen zijn, onontvankelijk moeten worden geacht, maar ook omdat de beroepen waarin die tussenkomende partijen wensen tussen te komen, zelf niet ontvankelijk zijn, en ten slotte omdat die tussenkomende partijen de draagwijdte van de oorspronkelijke verzoekschriften proberen uit te breiden. Wat het standpunt van de Ministerraad betreft A.
- De Ministerraad voert aan dat het verzoekschrift in de zaak nr. 7924 niet ontvankelijk is, aangezien het rechtstreekse en werkelijke doel van de verzoekende partijen erin bestaat aan het Hof van Justitie vijf 15 prejudiciële vragen te stellen over de overeenstemming van de artikelen 60, 61 en 62 van de wet van 19 juni 2022 met artikel 18 van de richtlijn (EU) 2019/790, met de artikelen 3 en 5, lid 3, van de richtlijn 2001/29/EG, met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 56 van het VWEU en met artikel 1, lid 1, f), van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535). De verzoekende partijen beogen met andere woorden niet rechtstreeks de vernietiging van de artikelen 60, 61 en 62 van de wet van 19 juni
- Aldus maken zij misbruik van de vernietigingsprocedure voor het Hof teneinde een rechtstreeks beroep bij het Hof van Justitie in te stellen. In werkelijkheid komt het de rechtzoekenden toe hun zaak aan de gewone rechter voor te leggen in het kader van een betwisting die betrekking heeft op het in de bestreden bepalingen bedoelde subjectieve recht op een vergoeding, en vervolgens aan die rechter te vragen een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Ten gronde Wat het standpunt van de verzoekende partijen betreft Zaak nr. 7922 Eerste middel A.25.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 56 van het VWEU en met de artikelen 16, 20, 21 en 52, lid 1, van het Handvest. A.25.2.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het middel ontvankelijk is, aangezien daarin de te vergelijken categorieën van personen worden geïdentificeerd, namelijk, enerzijds, diegenen die zonder onderscheid de toepassing genieten van de vrijheid van handel en nijverheid en, anderzijds, diegenen die ze niet genieten, namelijk de dienstverleners van de informatiemaatschappij. Dienaangaande vestigen de verzoekende partijen de aandacht op het feit dat de rechtspraak van het Hof het middel waarin een verschil in behandeling wordt aangeklaagd tussen, enerzijds, de personen die zijn onderworpen aan een wet waarin een Europese richtlijn op niet-conforme wijze wordt omgezet en, anderzijds, de andere rechtssubjecten die zijn onderworpen aan wetten die in overeenstemming zijn met de erdoor omgezette richtlijnen, als ontvankelijk beschouwt. In dat geval vergelijkt het Hof automatisch de categorie van de personen die aan een niet correct omgezette richtlijn zijn onderworpen met de categorie van de personen die aan een correct omgezette richtlijn zijn onderworpen. A.25.2.
- Bovendien toont het eerste middel aan in welk opzicht artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 20, 21 en 52, lid 1, van het Handvest schendt. A.25.2.
- Voorts beklemtonen de verzoekende partijen dat het Hof volgens de vaste rechtspraak van oordeel is dat het bevoegd is om de inachtneming van de vrijheid van handel, van nijverheid en van ondernemen te toetsen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Indien de bestreden norm tot gevolg heeft dat er op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan die vrijheden, schendt die norm die vrijheden en moet hij worden vernietigd. A.26.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, in zoverre het artikel XI.216/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht invoert, afbreuk doet aan de vrijheid van ondernemen door een dwingende procedure tot vaststelling van de tarieven voor het BIPT in te stellen. Zij betogen dat die bepaling ertoe strekt een mechanisme in te voeren in het geval waarin de onderhandelingen binnen een termijn van vier maanden mislukken, naar aanleiding waarvan elke partij een procedure tot vaststelling van de tarieven kan opstarten en een zaak aanhangig kan maken bij het BIPT, dat een bindende beslissing neemt waarin het bedrag van de voor een bepaald gebruik verschuldigde vergoeding wordt opgelegd. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 2022 blijkt dat de wetgever aan de dienstverleners van de informatiemaatschappij een verplichting beoogt op te leggen om de persuitgevers te vergoeden voor het onlinegebruik van hun content. A.26.2.
- In een eerste subonderdeel, dat in hoofdorde wordt aangevoerd, stellen de verzoekende partijen dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 aan de wezenlijke aspecten van de vrijheid van ondernemen raakt door te bepalen dat een van de partijen bij de onderhandelingen aan het BIPT kan vragen om een bindende prijs vast te 16 stellen voor de online-exploitatie van perspublicaties, indien de onderhandelingen binnen vier maanden na de start ervan mislukken. Indien een van de partijen bij de lopende onderhandelingen meent dat de voorgestelde voorwaarden bijvoorbeeld niet evenwichtig zijn, kan zij bijgevolg niet vrij erover beslissen om zich uit de onderhandelingen terug te trekken en heeft zij niet langer de vrijheid om af te zien van het sluiten van een overeenkomst. De betrokken partij kan immers eenzijdig beslissen om een beroep te doen op het BIPT na het verstrijken van de periode van vier maanden en aldus de weigering van de andere partij om een contract te sluiten, omzeilen via de dwingende beslissing van het BIPT. In dat kader kan het BIPT inderdaad aan de beide partijen de voorwaarden opleggen voor onlinegebruik van de perspublicaties en zulks zelfs wanneer een van de partijen niet heeft overwogen de in het geding zijnde publicaties te gebruiken. Een dergelijke situatie kan ertoe leiden dat de dienstverleners van de informatiemaatschappij ertoe verplicht zijn om perspublicaties op hun platformen te gebruiken, en in ieder geval voor het gebruik te betalen, terwijl zij aanvankelijk niet een dergelijk gebruik hadden overwogen. De vrijheid van ondernemen omvat echter eveneens de vrijheid om te kiezen met wie men zaken doet. Volgens de verzoekende partijen verzet de rechtspraak van het Hof van Justitie zich precies tegen het invoeren van een dergelijke verplichting tot contracteren. Tot slot bepaalt artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 dat elke partij bij de onderhandelingen aan het BIPT kan vragen om een bindende prijs vast te stellen voor de online- exploitatie van de perspublicaties in het geval waarin de onderhandelingen mislukken. Bijgevolg kunnen de dienstverleners van de informatiemaatschappij en de persuitgevers niet langer vrij de prijs bepalen voor het verrichten van hun diensten, hetgeen nochtans ontegenzeglijk deel uitmaakt van de essentie van de vrijheid van ondernemen. A.26.2.
- In antwoord op de door de tussenkomende partijen en door de Ministerraad uiteengezette argumenten beklemtonen de verzoekende partijen dat de Belgische wetgever zelf heeft erkend dat de bestreden procedure voor het BIPT problematisch is ten aanzien van de contractuele vrijheid. Bovendien is het duidelijk dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 op de premisse berust dat de dienstverleners van de informatiemaatschappij noodzakelijkerwijs de perspublicaties gebruiken van de persuitgevers die het nieuwe naburige recht genieten en dat zij dus voor het bedoelde gebruik moeten betalen. Bij die bepaling wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de dienstverleners van de informatiemaatschappij het niet opportuun of nodig kunnen achten om bepaalde publicaties van sommige uitgevers te gebruiken en bijgevolg mogelijk niet willen onderhandelen, laat staan contracteren, zoals duidelijk blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Het is overigens duidelijk dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling niet ertoe beperkt is om de partijen ertoe aan te moedigen te onderhandelen of een overeenkomst te sluiten, maar ook erin bestaat te vermijden dat een perspublicatie logischerwijs niet wordt gebruikt bij ontstentenis van een overeenkomst, door een mechanisme in te voeren dat de partijen, in het bijzonder de dienstverleners van de informatiemaatschappij, ertoe verplicht te onderhandelen en een overeenkomst te sluiten met de uitgevers, en ze in fine te betalen, en zulks zelfs wanneer zij niet wensen te contracteren met bepaalde uitgevers, bijvoorbeeld omdat zij hun perspublicaties niet willen gebruiken. A.26.2.
- Dienaangaande stellen de verzoekende partijen dat artikel XI.216/2, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht, ingevoegd bij artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 uitdrukkelijk voorziet in een eenzijdige verplichting om te onderhandelen over de content die de dienstverleners van de informatiemaatschappij niet wensen te gebruiken en dat de bewoordingen van artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 tot gevolg hebben dat de verplichting om te onderhandelen vooral en zelfs uitsluitend tot de voormelde dienstverleners is gericht. Bovendien is artikel 39 niet beperkt tot het opleggen van een verplichting om te onderhandelen, maar voorziet het in een wettelijke mogelijkheid om de eventuele weigering tot onderhandelen van een dienstverlener van de informatiemaatschappij, te bestraffen en te omzeilen door die dienstverlener te dwingen een contract te sluiten en een vergoeding te betalen door middel van het instellen van een procedure voor het BIPT. In dat verband neemt het feit dat de procedure voor het BIPT uitsluitend kan worden ingesteld door een van de partijen en nooit ambtshalve door dat instituut, niet weg dat die procedure een nutteloos en onevenredig drukmiddel is om de dienstverleners van de informatiemaatschappij te dwingen om te contracteren. De verzoekende partijen stellen overigens dat het feit dat andere vormen van geschillenbeslechting niet uitdrukkelijk worden uitgesloten door de invoering van de procedure voor het BIPT, niet pertinent is, aangezien artikel 39 een mechanisme vormt dat de toevlucht tot dergelijke andere vormen zonder twijfel ontmoedigt. A.26.2.
- De verzoekende partijen voeren dus aan dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 de essentie van de vrijheid van ondernemen, meer bepaald de contractuele vrijheid van de dienstverleners van de informatiemaatschappij, schendt. Die bepaling is overigens discriminerend, in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de uitgevers en, anderzijds, de dienstverleners van de informatiemaatschappij, maar ook tussen, enerzijds, de voormelde dienstverleners en, anderzijds, andere gebruikers van beschermde werken in andere sectoren die niet zijn onderworpen aan een dermate ingrijpende dwingende procedure en die gebruik kunnen maken van minder vergaande mechanismen van geschillenbeslechting, zoals bijvoorbeeld de omroeporganisaties en de kabelmaatschappijen voor de geschillen 17 met betrekking tot de kabeldoorgifte van televisie-uitzendingen, die een beroep kunnen doen op bemiddeling bij ontstentenis van een overeenkomst tussen partijen krachtens artikel XI.228 van het Wetboek van economisch recht. A.26.3.
- Indien het Hof zou oordelen dat de wet van 19 juni 2022 de wezenlijke aspecten van de vrijheid van ondernemen niet schendt, zetten de verzoekende partijen een tweede subonderdeel uiteen waarin zij stellen dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 een onevenredige inperking met zich meebrengt van de vrijheid van ondernemen die de dienstverleners van de informatiemaatschappij hebben. Volgens hen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 2022 dat artikel 39 ertoe strekt de licentiepraktijken tussen de persuitgevers en de dienstverleners van de informatiemaatschappij voor het onlinegebruik van perspublicaties te vergemakkelijken. De wet van 19 juni 2022 voert daartoe een dwingende procedure in tot vaststelling van de tarieven voor het BIPT, door verder te gaan dan de richtlijn, en stelt een betalingsverplichting voor ten laste van de dienstverleners van de informatiemaatschappij. De verzoekende partijen betogen dat die maatregelen niet geschikt en niet nodig zijn om de nagestreefde doelstelling te bereiken. A.26.3.
- Allereerst zijn de voorwaarden van de toepasselijk procedure voor het BIPT, meer bepaald de termijnen, te strikt, hetgeen de efficiëntie van de onderhandelingen tussen partijen in de weg staat. Die procedure kan worden ingesteld indien de partijen na een periode van amper vier maanden onderhandelen nog geen akkoord hebben bereikt, terwijl het naburige recht van de persuitgevers een nieuw mechanisme zonder enig precedent is. Dat naburige recht van de persuitgevers bevat tal van nieuwe concepten en nieuwe implicaties en verplichtingen voor de twee partijen, die alle vatbaar zijn voor een latere interpretatie door de rechter. Bovendien neemt het onderhandelen over licentieovereenkomsten met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten doorgaans veel tijd in beslag, vooral wanneer ze meerdere grondgebieden bestrijken. Overigens moet er rekening worden gehouden met de realiteit van de huidige persmarkt in België, in zoverre er enkele grote uitgeversgroepen bestaan die tal van websites bezitten die mogelijks als perspublicaties kunnen worden aangemerkt. Elk van die websites moet worden geverifieerd en gecontroleerd om te bepalen of hij voldoet aan de definitie van een perspublicatie, gegevens daarvoor moeten worden verstrekt en onderhandelingen worden gevoerd over de gebruiksvoorwaarden door de dienstverleners van de informatiemaatschappij. Bijgevolg lijkt een termijn van vier maanden buitengewoon kort en onredelijk, aangezien de partijen doorgaans veel meer tijd nodig hebben om over licentieovereenkomsten te onderhandelen. Daaruit volgt dat één partij druk kan uitoefenen op de andere tijdens de onderhandelingen om die laatste ertoe aan te zetten de voorgestelde overeenkomst te ondertekenen, omdat de eerste anders een zaak voorlegt aan het BIPT zodat dat instituut een bindende beslissing neemt over de vergoeding. De partijen wordt dus de facto hun contractuele vrijheid ontnomen. A.26.3.
- Vervolgens klagen de verzoekende partijen de ontstentenis van toereikende procedurele waarborgen aan voor de partijen ten aanzien van wie bindende beslissingen worden genomen met betrekking tot de tarieven die van toepassing zijn op de licenties die krachtens artikel XI.216/2 van het Wetboek van economisch recht moeten worden afgesloten. De organieke wetgeving van het BIPT voorziet immers niet in waarborgen met betrekking tot de onpartijdigheid van de leden van dat Instituut, die nochtans een bindende administratieve beslissing nemen ten aanzien van de dienstverleners van de informatiemaatschappij en de persuitgevers op wie de voor het onlinegebruik van perspublicaties verschuldigde vergoeding betrekking heeft. A.26.3.
- De verzoekende partijen voeren overigens aan dat de bindende beslissingen van het BIPT de mogelijkheden voor licentieverlening op het niveau van de Europese Unie verstoren, zowel voor de dienstverleners van de informatiemaatschappij als voor de persuitgevers. Volgens hen heeft de richtlijn (EU) 2019/790 tot doel de eengemaakte markt te versterken en in de hele Europese Unie de toekenning te bevorderen van licenties voor content van rechthebbenden aan dienstverleners van de informatiemaatschappij. De bij artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 ingevoerde verplichte procedure tot vaststelling van de tarieven voor het BIPT verplicht de partijen ertoe het Belgische grondgebied te isoleren wat betreft hun strategie voor licentieverlening, zodat de komst van een in België eenzijdig aangesteld territoriaal orgaan tot vaststelling van de tarieven een onevenredige inmenging doet ontstaan in de licentiemarkt op het niveau van de Europese Unie. A.26.3.
- De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de partijen met toepassing van artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 worden beperkt in hun vermogen om het eens te worden over andere voorwaarden dan een vergoeding als tegenprestatie voor de toestemming tot onlinegebruik van perspublicaties. Bij die bepaling wordt immers verondersteld dat de uitgevers in elk geval een vergoeding moeten ontvangen. Die vaststelling wordt kracht bijgezet door het feit dat het BIPT een bindend tarief kan opleggen aan de partijen. Krachtens de contractvrijheid moeten de partijen evenwel vrij kunnen onderhandelen over het feit of zij al dan niet een gebruik en een prijs 18 kunnen vaststellen die wederzijds voordelig is. Indien de partijen tot een akkoord komen over de toestemming tot gebruik van de content, kunnen zij afspreken wat zij als tegenprestatie voor die toestemming krijgen, zoals een onderling overeengekomen prijs die niet noodzakelijkerwijs bestaat in een betaling aan de uitgever, noch noodzakelijkerwijs in een geldelijke vergoeding. Tal van andere opties zijn mogelijk, zoals een kosteloze licentie, een vergoeding in natura of nog een visibiliteits- of sponsoringovereenkomst. Indien de partijen het niet eens worden over het gebruik van de content of de voorwaarden ervan, kunnen zij op grond van de contractuele vrijheid overigens een einde maken aan de onderhandelingen, zonder dat hun enige vorm van betaling of vergoeding wordt opgelegd. Met toepassing van artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 is die optie echter niet langer mogelijk. A.26.3.
- Tot slot merken de verzoekende partijen op dat de exclusieve rechten van de rechthebbenden worden ingeperkt door de beslissing van het BIPT. Volgens hen vloeit uit artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 voort dat de tarieven die aan de basis liggen van de vergoeding die de persuitgevers van de dienstverleners van de informatiemaatschappij ontvangen, worden bepaald bij een administratieve beslissing van het BIPT. De auteurs van de werken die in de perspublicaties zijn verwerkt, zijn geen partijen in de procedure voor het BIPT. Bijgevolg is die procedure eveneens zeer onevenredig ten aanzien van de auteurs van de werken die in de perspublicaties zijn verwerkt, aangezien zij geen enkele controle kunnen uitoefenen op de vergoeding voor hun auteursrechtelijk beschermde werken en hun exclusieve recht om het gebruik van hun werken die in perspublicaties zijn opgenomen, toe te staan of te verbieden, niet daadwerkelijk kunnen uitoefenen, hetgeen in strijd is met het recht van de Europese Unie. A.26.3.
- De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het Hof van Justitie eist dat de bewijslast voor de noodzaak en de evenredigheid van een maatregel die een fundamentele vrijheid beperkt, berust bij degene die zich erop beroept, namelijk te dezen bij de Ministerraad en de tussenkomende partijen, eis waaraan te dezen niet wordt voldaan. Overigens brengen zij in herinnering dat de procedurele voorwaarden, en met name de termijnen die van toepassing zijn voor het BIPT, onevenredig zijn, hetgeen nadelig is voor de doeltreffendheid van de onderhandelingen tussen de partijen. Dienaangaande beklemtonen zij dat de procedure voor het BIPT uniek is op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten, en dat de mechanismen in andere sectoren aantonen dat de wetgever perfect voor een ander, minder strikt mechanisme had kunnen kiezen, alsook voor een langere onderhandelingstermijn of zelfs geen termijn. De verzoekende partijen preciseren verder nog dat de procedure voor het BIPT niet in toereikende procedurele waarborgen voorziet en dat die ontstentenis wel degelijk kan worden toegeschreven aan de wet van 19 juni 2022 zelf. Zij beklemtonen in dat verband dat het gebrek aan onpartijdigheid van het BIPT reeds herhaaldelijk werd bevestigd, met name door de afdeling wetgeving van de Raad van State. Overigens is het gegeven dat het BIPT zich kan laten bijstaan door externe deskundigen, niet pertinent aangezien dat mechanisme het niet mogelijk maakt om het gebrek aan intrinsieke deskundigheid van het BIPT zelf, dat in fine de enige is die een bindende beslissing kan nemen, te verhelpen. Wat de mogelijkheid van een beroep bij het Marktenhof betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat die mogelijkheid het gebrek aan deskundigheid en aan ervaring van het BIPT zelf niet kan compenseren, en dat het Marktenhof als beroepsinstantie optreedt, terwijl het niet de meest geschikte instantie daarvoor is, aangezien de zaken met betrekking tot het auteursrecht en de naburige rechten gewoonlijk worden behandeld door een andere kamer van het Hof van Beroep te Brussel. A.27.
- In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat, in zoverre artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 artikel XI.216/2, § 3, in het Wetboek van economisch recht invoert, het interfereert met de contractuele vrijheid door een uitgebreide en eenzijdige verplichting tot het delen van gegevens in te voeren voor de dienstverleners van de informatiemaatschappij. Die bepaling verplicht hen immers ertoe om met de persuitgevers veel mogelijk zeer gevoelige commerciële informatie te delen over de wijze waarop de content van de persuitgevers op hun platform wordt geëxploiteerd. Uit de tekst en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 2022 blijkt dat die verplichting wordt opgelegd om de onderhandelingen tussen de partijen te bevorderen en om de persuitgevers de mogelijkheid te bieden de waarde van hun recht in te schatten. De dienstverleners van de informatiemaatschappij moeten in het bijzonder een volledig overzicht geven van de wijze waarop de perspublicaties worden geëxploiteerd en geraadpleegd op hun platform, en vermelden welke rechtstreekse inkomsten zij genereren door het gebruik van de perspublicatie. Door die verplichting om informatie te delen, kunnen de persuitgevers een diepgaande kennis verwerven over de wijze waarop de dienstverleners van de informatiemaatschappij hun activiteiten verrichten en hun strategie bepalen, hetgeen van nature gevoelige en zeer vertrouwelijke commerciële informatie is. Overigens valt de informatie die de dienstverleners van de informatiemaatschappij moeten meedelen in veel gevallen zelfs onder de bescherming van bedrijfsgeheimen. Die verplichting tot het delen van informatie vereist een aanzienlijke investering en brengt hoge risico’s met zich mee. Hoewel de wet van 19 juni 2022 vermeldt dat de informatie strikt vertrouwelijk wordt behandeld, wordt 19 er in geen enkele specifieke wettelijke waarborg, zoals een bijzondere straf, voorzien om zich ervan te vergewissen dat de persuitgevers daadwerkelijk een vertrouwelijkheidsverplichting zullen nakomen. Bijgevolg voorziet de wet van 19 juni 2022 niet in specifieke of geschikte maatregelen om de bescherming van vertrouwelijke informatie te waarborgen. Bovendien wordt er bij de verplichting tot het delen van informatie geen rekening gehouden met de juridisch en contractuele beperkingen waarmee de dienstverleners kunnen worden geconfronteerd teneinde zich aan die verplichting te conformeren. De verzoekende partijen merken eveneens op dat de verplichting tot het delen van informatie enkel aan één partij wordt opgelegd, namelijk de dienstverleners van de informatiemaatschappij, en niet aan de persuitgevers wordt opgelegd. Het eenzijdige karakter van de verplichting tot het delen van informatie druist dus in tegen de algemene beginselen van licentieverlening voor auteursrechten en naburige rechten, volgens welke elke onderhandeling die te goeder trouw worden gevoerd over de licentieverlening van rechten, aan de beide partijen de verplichting oplegt om de nodige informatie onderling te delen. In dezelfde lijn zouden de dienstverleners van de informatiemaatschappij, in het licht van het doel dat wordt beoogd met het aan de persuitgevers verleende nieuwe naburige recht, namelijk de afschrijving van hun investeringen in perspublicaties, op zijn minst toegang moeten hebben tot de informatie die de persuitgevers in hun bezit hebben over de winsten uit het onlinegebruik van hun perspublicaties door de dienstverleners van de informatiemaatschappij, bijvoorbeeld het bedrag van de reclame-inkomsten uit het door de dienstverleners van de informatiemaatschappij gegenereerde internetverkeer. A.27.2.
- De verzoekende partijen preciseren dat de bij artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 teweeggebrachte aantasting van de vrijheid van ondernemen niet verantwoord is, aangezien het een kennelijk onevenredige maatregel betreft. A.27.2.
- Allereerst merken de verzoekende partijen op dat de dienstverleners van de informatiemaatschappij ertoe gemachtigd zijn om maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te vragen om te beletten dat hun bedrijfsgeheimen op onrechtmatige wijze worden verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt, of in voorkomend geval een schadevergoeding daarvoor te krijgen. De vaste rechtspraak van het Hof van Justitie erkent bovendien het algemene beginsel dat bedrijven recht hebben op de bescherming van hun bedrijfsgeheimen en vertrouwelijke informatie. A.27.2.
- Vervolgens betogen de verzoekende partijen dat de dienstverleners van de informatiemaatschappij ertoe verplicht zijn om aanzienlijke investeringen te doen, teneinde binnen een zeer korte termijn, namelijk een maand vanaf het verzoek daartoe van de persuitgevers, de verplichting tot het delen van informatie na te komen. Volgens de verzoekende partijen omvat de vrijheid van ondernemen, krachtens de rechtspraak van het Hof van Justitie, met name het recht voor elke onderneming om, binnen de grenzen van de aansprakelijkheid voor eigen handelingen, vrij gebruik te kunnen maken van de economische, technische en financiële middelen waarover zij beschikt. Een uitgebreide en eenzijdige verplichting om informatie te delen waaraan binnen een termijn van slechts één maand moet worden voldaan, zoals die waarin de wet van 19 juni 2022 voorziet, druist echter in tegen dat beginsel. Bovendien moeten de dienstverleners van de informatiemaatschappij krachtens die wet alle kosten die worden gemaakt door die verplichting tot het delen van informatie, alleen dragen ten behoeve van private belangen, namelijk die van de persuitgevers, veeleer dan om een algemeen belang te dienen. A.27.2.
- Tot slot merken de verzoekende partijen op dat krachtens artikel XI.216/2, § 4, van het Wetboek van economisch recht, ingevoerd bij artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, verscheidene uitsluitingen van het nieuwe recht van de persuitgevers worden vastgesteld. De door artikel XI.216/2, § 1, van het Wetboek van economisch recht verleende bescherming is immers niet van toepassing op handelingen op het gebied van hyperlinking, het gebruik van losse woorden of zeer korte fragmenten van een perspublicatie en op het gebruik van werken of prestaties waarvan de bescherming verstreken is. In de overweging nr. 57 van de richtlijn (EU) 2019/790 en in de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 2022 wordt overigens gepreciseerd dat de zuivere feiten waarover in de perspublicaties wordt bericht, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het recht van de persuitgevers. Die laatste uitsluiting is gebaseerd op het basisbeginsel van het auteursrecht, namelijk de dichotomie tussen het idee en de uitdrukking ervan, volgens welke de bescherming wordt geboden aan de concrete uitdrukkingsvorm van ideeën, en niet aan ideeën, procedures, werkwijzen of wiskundige concepten als zodanig. Bijgevolg moet en kan de uitsluiting van de zuivere feiten van het recht waarover de persuitgevers beschikken, niet in het geding worden gebracht. In zoverre de dienstverleners van de informatiemaatschappij niet ertoe zijn gehouden de toestemming van de persuitgevers te verkrijgen voor de handelingen die onder het toepassingsgebied van de voormelde uitsluitingen vallen, moeten zij geen vergoeding toekennen voor die handelingen. In de praktijk is het voor de dienstverleners van de informatiemaatschappij echter onmogelijk om na te gaan in hoeverre een bepaalde perspublicatie onder de uitzonderingen valt. De dienstverleners van de informatiemaatschappij moeten van de persuitgevers dus informatie krijgen op grond waarvan zij kunnen beoordelen welke publicaties buiten het toepassingsgebied van het recht van de persuitgevers vallen, aangezien 20 zulks een onmiddellijke weerslag heeft op het vergoedingsvoorstel dat aan de uitgevers kan worden gedaan. Bovendien zijn er tal van situaties waarin het onlinegebruik van perspublicaties ervoor zorgt dat de uitgevers investeringen beter en sneller terugverdienen, feit waarmee rekening zou moeten worden gehouden wanneer de dienstverleners een vergoedingsvoorstel formuleren. A.27.3.
- De verzoekende partijen voeren aan dat noch de Ministerraad, noch de tussenkomende partijen erin slagen duidelijkheid te scheppen over de informatie die moet worden verstrekt ter uitvoering van de aan de dienstverleners van de informatiemaatschappij opgelegde eenzijdige verplichting, zodat die laatstgenoemden in een onmogelijke situatie worden geplaatst, aangezien zij niet de omvang van hun verplichting kennen en dus niet de nodige maatregelen kunnen treffen om het risico te vermijden dat zij de wetgeving schenden, waardoor het volkomen onevenredige karakter van de maatregel wordt aangetoond. Overigens worden de dienstverleners van de informatiemaatschappij door de voormelde verplichting in een ongunstige contractuele situatie geplaatst, doordat zij niet met volledige kennis van zaken aan de onderhandelingen kunnen deelnemen. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, is de loutere precisering dat de uitgevers de verstrekte informatie niet voor een ander doeleinde mogen gebruiken dan om een inschatting te maken van hun recht, bovendien ontoereikend om de bescherming van het vertrouwelijke karakter ervan te waarborgen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de informatieplicht niet kan worden verantwoord ten aanzien van artikel 19 van de richtlijn (EU) 2019/790, aangezien de in die bepaling bedoelde transparantieverplichting uitsluitend van toepassing is op de contractuele relatie tussen de auteurs en de uitvoerende kunstenaars en hun rechtstreekse medecontractanten in het kader van exploitatiecontracten, en niet is opgevat met de bedoeling te worden toegepast op de handelsovereenkomsten tussen twee private ondernemingen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 2022 blijkt overigens duidelijk dat artikel 39 van die wet niet ertoe strekt artikel 19 van de richtlijn (EU) 2019/790 om te zetten. Zelfs indien de Belgische wetgever zich zou hebben geïnspireerd op artikel 19 van de richtlijn (EU) 2019/790, dient te worden opgemerkt dat die bepaling uitdrukkelijk voorziet in maatregelen die ertoe strekken de transparantieverplichting te matigen en te waarborgen dat die laatste evenredig blijft, maatregelen die niet zijn opgenomen in artikel 39 van de wet van 19 juni
- A.27.3.
- Voor het overige betogen de verzoekende partijen dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 in zijn geheel moet worden vernietigd, aangezien dat artikel door de wetgever werd opgevat als een onlosmakelijk geheel, in tegenstelling tot hetgeen de vierde tussenkomende partij in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927 vordert. Tweede middel A.28.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 40 en 144 van de Grondwet. A.28.
- De verzoekende partijen stellen dat het middel ontvankelijk is aangezien het niet rechtstreeks betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met de artikelen 33, 40 en 144 van de Grondwet. Die laatste bepalingen worden aangevoerd in samenhang met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, die wel degelijk onder de bevoegdheid van het Hof vallen. De verzoekende partijen merken overigens op dat uit hun uiteenzettingen duidelijk blijkt in welk opzicht de voormelde referentienormen worden geschonden. Wat ten slotte het vermeende gebrek aan duidelijkheid van het middel betreft, merken de verzoekende partijen op dat Ministerraad de draagwijdte ervan perfect heeft begrepen en probleemloos erop kan antwoorden. A.29.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de rechten bedoeld in de wet van 19 juni 2022 burgerlijke subjectieve rechten zijn, zodat de wetgever niet het recht heeft om de betwistingen met betrekking daarop voor te behouden aan andere instanties dan de gewone rechtbanken. Bijgevolg is het niet toelaatbaar dat het BIPT bindende administratieve beslissingen kan nemen in die aangelegenheden. De in de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 2022 vermelde omstandigheid dat een beroep bij het Marktenhof mogelijk is, is in dat kader niet pertinent. A.29.
- In een in ondergeschikte orde aangevoerd tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat, wanneer de wetgever het recht zou hebben om gespecialiseerde organen op te richten om geschillen met betrekking tot de burgerlijke subjectieve rechten in eerste aanleg te behandelen, moet worden aangenomen dat dat procedé enkel is toegestaan indien die organen om specifieke redenen, bijvoorbeeld om hun specifieke deskundigheid of ervaring, worden gekozen, en in zoverre de procedure voor die organen waarborgen biedt die vergelijkbaar zijn 21 met die welke door een rechtbank worden geboden, bijvoorbeeld inzake vertrouwelijkheid. Die voorwaarden worden te dezen echter niet vervuld. Allereerst heeft het BIPT geen specifieke deskundigheid of ervaring inzake intellectuele eigendom, pers, licentierechten en andere. Het zijn de gewone rechtbanken, in het bijzonder de ondernemingsrechtbanken, die een expertise hebben in die kwesties. Er is voor de wetgever geen enkele reden om die kwesties aan de rechtbanken te ontnemen, noch om voorrang te geven aan een geschillenregeling door het BIPT. De procedure voor het BIPT voorziet overigens niet in dezelfde procedurele waarborgen als de procedure voor de gewone rechtbanken, met name in termen van bescherming van bedrijfsgeheimen. A.29.3.
- In antwoord op de argumenten van de Ministerraad en van verschillende tussenkomende partijen voegen de verzoekende partijen eraan toe dat het niet toelaatbaar is dat geschillen met betrekking tot burgerlijke subjectieve rechten worden beslecht door een beslissing van administratieve aard. Dat een dergelijk systeem wordt toegestaan waarin een administratieve overheid geschillen met betrekking tot de burgerlijke subjectieve rechten beslecht, voor zover een beroep met volle rechtsmacht openstaat voor een rechtbank van de rechterlijke orde, zou aan de wetgever de mogelijkheid bieden om, zonder enige beperking, elk geschil aan de rechterlijke macht te onttrekken. Door het BIPT aan te stellen als het voornaamste gezag in het kader van de geschillen, ontneemt artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 de rechtszoekenden de jarenlange praktijkervaring van de gewone rechtbanken met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten, en hun veel verregaandere deskundigheid dan die van het BIPT. In elk geval is het feit dat het BIPT werkzaam is in sectoren die enige gelijkenissen kunnen vertonen met de sector van de auteursrechten en de naburige rechten, ontoereikend als verantwoording om zijn bevoegdheid te vestigen. Bovendien preciseren de verzoekende partijen dat het beroep voor het Marktenhof de leemten en het gebrek aan waarborgen van de procedure voor het BIPT niet zal verhelpen. Dienaangaande verduidelijken zij dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld voor het BIPT, niet alleen argumenten zal moeten aanvoeren ter verdediging van haar subjectieve rechten, maar eveneens met betrekking tot de wettigheid van de administratieve beslissing voor het Marktenhof, waardoor in hoger beroep een hybride geschil ontstaat waarbij het oorspronkelijke debat met betrekking tot de vrijwaring van de subjectieve rechten zou kunnen worden verlegd naar een debat over de wettigheid van de door het BIPT genomen beslissing. Overigens dient te worden opgemerkt dat het BIPT de tegenpartij is voor het Marktenhof, zodat dat instituut zowel als rechter en als partij optreedt in een geschil met betrekking tot burgerlijke subjectieve rechten tussen een uitgever en een dienstverlener van de informatiemaatschappij, met als gevolg dat de verliezende partij tijdens de procedure in hoger beroep zonder enige twijfel tegenover twee tegenpartijen komt te staan, terwijl in het oorspronkelijke geschil slechts twee partijen tegenover elkaar stonden. Vervolgens voeren de verzoekende partijen aan dat het door artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 ingestelde systeem een verschil in behandeling invoert, aangezien de andere rechtssubjecten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een door een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege gewezen beslissing kunnen genieten, wat niet het geval zal zijn voor de dienstverleners van de informatiemaatschappij, terwijl de dubbele aanleg normaal vaststaat in België, zelfs in de veronderstelling dat die geen algemeen rechtsbeginsel vormt. A.29.3.
- Volgens de verzoekende partijen moet de bewering van de Ministerraad dat het beroep bij het BIPT facultatief is, sterk worden gerelativeerd, aangezien die procedure kan worden ingesteld op initiatief van één partij, de beslissing van het BIPT bindend is voor de beide partijen en de voormelde procedure voorrang heeft indien er eveneens een gerechtelijke procedure wordt ingesteld. De enige manier waarop de procedure voor het BIPT als facultatief kan worden beschouwd, bestaat erin de bestreden bepaling in die zin te interpreteren dat, zelfs indien de procedure voor het BIPT werd aangevat, zij van rechtswege moet eindigen zodra minstens een van de betrokken partijen het geschil voor de rechtbanken van de rechterlijke orde brengt. Derde middel A.30.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 en met de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 2001/29/EG. A.30.
- Volgens de verzoekende partijen is het derde middel ontvankelijk. Volgens vaste rechtspraak acht het Hof zich immers bevoegd om na te gaan of een wetsbepaling een Europese richtlijn, in samenhang gelezen met de grondwetsbepalingen ten aanzien waaraan het Hof kan toetsen, met name de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt. Bovendien menen de verzoekende partijen dat zij wel degelijk aantonen in welk opzicht de bestreden maatregelen niet verantwoord en evenredig zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, en de in 22 het middel aangehaalde referentiebepalingen schenden. Zij stellen overigens dat de bewoordingen van het middel voldoende duidelijk zijn. A.31.
- In een eerste onderdeel klagen de verzoekende partijen de bij artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 bepaalde procedure tot vaststelling van de tarieven voor het BIPT aan. A.31.2.
- In een eerste subonderdeel stellen de verzoekende partijen dat artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 een maatregel vormt die gericht is op maximale harmonisatie, zodat de lidstaten het toepassingsgebied van die bepaling dus niet naar eigen wens kunnen wijzigen. Noch in de bewoordingen van artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790, noch in enig ander element van die richtlijn wordt echter gerefereerd aan een reglementaire procedure tot vaststelling van de tarieven. De richtlijn (EU) 2019/790 bevat dienaangaande geen enkele specifieke bepaling met betrekking tot de vergoeding voor de rechten van de persuitgevers. In artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 worden enkel de rechten uiteengezet die de persuitgevers genieten, zonder dat wordt verwezen naar een vergoeding, noch naar een dwingende procedure tot vaststelling van de tarieven voor een administratief orgaan dat het recht zou hebben om de vergoeding in de plaats van de partijen te bepalen. De Belgische wetgever heeft dus bij de omzetting van artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 een zware extra verplichting ingevoerd. In dat kader kan volgens de verzoekende partijen uit andere Europese richtlijnen op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten worden afgeleid dat, wanneer de Europese wetgever de onderhandelingen beoogt te regelen, of de regeling ervan wil toestaan, daartoe een uitdrukkelijke formulering in de betrokken richtlijn wordt opgenomen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 in ieder geval verder gaat dan de speelruimte waarop de lidstaten zich hadden kunnen beroepen, speelruimte die noodzakelijkerwijs zeer beperkt zou zijn, terwijl er duidelijk andere, minder radicale oplossingen bestaan om de nagestreefde doelstelling te bereiken, en de procedure voor het BIPT discriminerend is. A.31.2.
- In een tweede subonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 2001/29/EG schendt en a fortiori artikel 15, lid 1, van de richtlijn (EU) 2019/790, aangezien dat laatste uitdrukkelijk verwijst naar de richtlijn 2001/29/EG. Volgens de verzoekende partijen perkt artikel XI.216/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, de exclusieve rechten van de rechthebbenden in, in zoverre het BIPT een bindende beslissing kan opleggen aan die rechthebbenden met betrekking tot de vergoeding voor het onlinegebruik van de perspublicaties. Met dat mechanisme regelt het BIPT immers in werkelijkheid de modaliteiten en de uitvoering van het recht van reproductie en van beschikbaarstelling voor het publiek van de persuitgevers. Een bindende beslissing over de vergoeding belet met name de rechthebbenden om te kiezen of zij een vergoeding wensen te krijgen voor het gebruik van hun werken, of een ander soort compensatie, en te beslissen over het commerciële gedeelte van de licentieovereenkomst, namelijk de prijs, samen met de andere voorwaarden van de licentie. Doordat de Belgische wetgever een administratief orgaan aanwijst om de voor een bepaalde exploitatie verschuldigde vergoeding te bepalen, hetgeen a priori een betalingsverplichting met zich meebrengt, omzeilt hij het preventieve karakter van het recht van reproductie en van beschikbaarstelling voor het publiek van de persuitgevers, en creëert hij op onverantwoorde wijze een bijkomende uitzondering op de exclusieve rechten van de rechthebbenden. Bijgevolg ontneemt dat mechanisme de rechthebbenden aldus hun exclusieve recht en vormt het hun preventieve recht de facto om tot een vergoedingsrecht, hetgeen door het Hof van Justitie reeds in strijd werd geacht met het Europese Unierecht. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de bestreden bepaling een onderhandelingsverplichting invoert voor alle partijen, ongeacht of zij al dan niet geïnteresseerd zijn in een licentieovereenkomst. De verplichting om te onderhandelen en het mogelijke beroep bij het BIPT zijn echter contraproductief en beperken de doeltreffendheid van de door het Europese Unierecht gecreëerde rechten. A.32.
- In een tweede onderdeel klagen de verzoekende partijen de aan de dienstverleners van de informatiemaatschappij opgelegde verplichting tot het delen van informatie aan. Zij betogen dat artikel 39 van de wet van 19 juni 2022 artikel 15 van de richtlijn (EU) 2019/790 schendt, aangezien die richtlijn in geen enkele verplichting voorziet voor de dienstverleners van de informatiemaatschappij om informatie te delen met de persuitgevers of de auteurs. In feite is die informatie vertrouwelijk en valt zij zelfs onder de bescherming van bedrijfsgeheimen. De verzoekende partijen verwijzen naar de overweging nr. 68 van de richtlijn (EU) 2019/790, waarin wordt bepaald dat de transparantieverplichting ten laste van de verleners van een onlinedienst voor het delen van content in het kader van artikel 17 van die richtlijn, geen afbreuk mag doen aan de bedrijfsgeheimen van de verleners van een onlinedienst voor het delen van content. Evenmin mag afbreuk worden gedaan aan de bedrijfsgeheimen van de dienstverleners van de informatiemaatschappij door een bij een omzetting in nationaal recht ingevoerde verplichting tot het delen van informatie, die niet in de richtlijn is opgenomen. 23 A.32.
- De verzoekende partijen brengen in herinnering dat de wet van 19 juni 2022 enkel ten laste van de dienstverleners van de informatiemaatschappij een verplichting tot het delen van informatie invoert. Hierdoor kunnen de persuitgevers een diepgaande kennis verwerven over de wijze waarop die dienstverleners hun activiteiten verrichten en hun strategie bepalen, hetgeen in wezen zeer vertrouwelijke informatie is. Vervolgens moeten de persuitgevers die informatie doorgeven aan de auteurs zonder enige waarborg met betrekking tot het vertrouwelijke karakter van de beoogde informatie. Dat betekent dus dat de vertrouwelijke en gevoelige bedrijfsinformatie van de voormelde dienstverleners openbaar kan worden gemaakt aan tal van derden zonder enige controle. Door een eenzijdige verplichting tot het delen van informatie in te voeren die enkel ten laste is van de dienstverleners van de informatiemaatschappij, gaat de wet van 19 juni 2022 dan ook verder dan het doel en de doelstellingen die met de richtlijn (EU) 2019/790 worden nagestreefd, en schendt ze artikel 15 ervan. A.32.
- Ten slotte moet artikel 39 van de wet van 19 juni 2022, in tegenstelling tot hetgeen de vierde tussenkomende partij in de zaken nrs. 7922, 7924, 7925, 7926 en 7927 aanvoert, in zijn geheel worden vernietigd. Vierde middel A.33.
- De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel 54 van de wet van 19 juni 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/
- Volgens de verzoekende partijen is het middel ontvankelijk, aangezien het Hof bevoegd is om de inachtneming van een Europese richtlijn, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, te toetsen. Voor het overige heeft het Hof zich reeds bevoegd geacht om uitspraak te doen over de mogelijke schending van de in artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 bedoelde kennisgevingsplicht, via het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij voegen eraan toe dat het middel voldoende duidelijk is en dat daarin helder wordt uiteengezet in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535, schendt. A.33.
- De verzoekende partijen merken op dat in artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 niet wordt verwezen naar een product, namelijk een audio- of audiovisueel werk, maar naar het verbod voor de verleners van een onlinedienst voor het delen van content om overeenkomsten met betrekking tot de vergoeding voor de auteurs te sluiten. Met andere woorden, krachtens artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 zijn de verleners van een onlinedienst voor het delen van content ertoe verplicht om niet alleen met de rechthebbenden te onderhandelen over de toestemming voor de mededeling aan en de beschikbaarstelling voor het publiek van hun werken, maar ook met de collectieve beheersorganisaties over de rechtstreekse vergoeding voor de auteurs en uitvoerende kunstenaars, met het risico dat die vergoeding reeds onder de eerste overeenkomst valt die rechtstreeks met de rechthebbenden wordt gesloten. Artikel 54 verstoort aldus de bestaande licentiepraktijken, in zoverre het met name aan de verleners van een onlinedienst voor het delen van content een complex systeem van licentieverlening en onderhandeling oplegt dat het grensoverschrijdend verrichten van diensten door die verleners beperkt. A.33.
- De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 een regel is betreffende diensten in de zin van artikel 1 van de richtlijn (EU) 2015/1535 en zulks om reden van de definitie van de « verlener van een onlinedienst voor het delen van content » in de zin van de richtlijn. Zij merken op dat artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 in werking is getreden op 1 augustus 2022, maar dat de Belgische regering de Europese Commissie geen kennis heeft gegeven van het ontwerp van die bepaling vóór die inwerkingtreding. Bijgevolg werd de in artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 bedoelde kennisgevingsplicht niet nageleefd, waardoor de maatregel niet van toepassing is tussen particulieren. Overigens is de uitzondering op de kennisgevingsplicht bedoeld in artikel 7, lid 1, a), van de richtlijn (EU) 2015/1535 volgens de verzoekende partijen te dezen niet van toepassing, aangezien artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 artikel 18 van de richtlijn (EU) 2019/790 niet omzet en verder gaat dan het bij artikel 17 van de richtlijn (EU) 2019/790 ingestelde kader van maximale harmonisatie, zodat de bestreden maatregel niet strekt tot naleving van een bindende handeling van de Unie. Bovendien doet artikel 54 op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van ondernemen en aan de contractvrijheid. Voor het overige betekent de omstandigheid dat ten aanzien van de Belgisch Staat nog geen inbreukprocedure werd ingesteld, niet dat de bestreden bepaling in overeenstemming is met de richtlijn (EU) 2015/
- A.33.
- In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen dat het Hof een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie, teneinde te bepalen of artikel 1, f) van de richtlijn (EU) 2015/1535 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat een bepaling van nationaal recht, zoals die welke is bedoeld in artikel 54 van de wet van 19 juni 24 2022 – waarbij een verplicht, onvervreemdbaar en onoverdraagbaar vergoedingsrecht wordt ingevoerd voor auteurs en uitvoerende kunstenaars wanneer zij hun recht om toe te staan of te weigeren dat hun werken of andere beschermde materialen worden meegedeeld aan het publiek door een aanbieder van een onlinedienst van content, hebben overgedragen, vergoedingsrecht dat enkel kan worden uitgeoefend via een verplicht collectief beheer van rechten – een « technisch voorschrift » vormt, namelijk een « regel betreffende diensten » waarvan het ontwerp aan een voorafgaande kennisgeving aan de Europese Commissie is onderworpen overeenkomstig artikel 5, lid 1, eerste alinea van de richtlijn (EU) 2015/
- Volgens de verzoekende partijen moet de prejudiciële vraag verplicht worden gesteld wanneer het Hof ook maar de minste twijfel zou hebben over het feit of de niet-kennisgeving van artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 bestaanbaar is met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/
- Die vraag is overigens in het bijzonder pertinent ten aanzien van de rechtspraak van het Hof van Justitie. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de vraag wel degelijk betrekking heeft op de interpretatie van de richtlijn (EU) 2015/1535 en niet op de geldigheid ervan. Vijfde middel A.
- De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending, door artikel 54 van de wet van 19 juni 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 17, lid 1, van de richtlijn (EU) 2019/790 en met de artikelen 3 en 5 van de richtlijn 2001/29/EG. Volgens hen is het middel ontvankelijk, aangezien het Hof bevoegd is om de inachtneming van een Europese richtlijn, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, te toetsen. Zij voegen eraan toe dat in het middel duidelijk wordt uiteengezet in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in het middel aangehaalde andere bepalingen, schendt. A.35.1.
- In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 artikel 17, lid 1, van de richtlijn (EU) 2019/790 schendt, in zoverre het een splitsing van het recht op mededeling aan en beschikbaarstelling voor het publiek tot stand brengt. Zij herinneren eraan dat artikel 17 van die richtlijn een maatregel van maximale harmonisatie vormt die de lidstaten niet naar believen mogen wijzigen. Die maximale harmonisatie betreft artikel 17 van die richtlijn in zijn geheel en niet enkel sommige onderdelen ervan. Overigens wordt te dezen noch in de bewoordingen van artikel 17, noch in enig ander element van de richtlijn verwezen naar een onvervreemdbaar en onoverdraagbaar vergoedingsrecht, zoals datgene dat is bedoeld in artikel 54 van de wet van 19 juni
- De Belgische wetgever lijkt duidelijk een verregaande verplichting te hebben ingevoerd die niet is opgenomen in de tekst van de richtlijn en die de in artikel 17 ervan vervatte afweging van de belangen in het gedrang kan brengen. De verzoekende partijen wijzen erop dat het auteursrecht en de naburige rechten op een audio- of een audiovisueel werk aan de rechthebbende niet alleen het exclusieve recht verlenen om het werk mee te delen aan of beschikbaar te stellen voor het publiek, maar ook het recht om aan een derde toe te staan om een dergelijke handeling te verrichten – zoals bijvoorbeeld de beschikbaarstelling van muziek op een platform – en bijgevolg te beslissen over de voorwaarden waaronder die toestemming wordt verleend, ook over wat de rechthebbende krijgt als tegenprestatie voor zijn toestemming. Door een onvervreemdbaar vergoedingsrecht in te voeren, creëert de wet van 19 juni 2022 echter een splitsing van het recht op mededeling aan het publiek in, enerzijds, een recht om de mededeling toe te staan en, anderzijds, een recht om een vergoeding te ontvangen, recht dat in dit geval onoverdraagbaar is. Dat betekent dat de auteurs en uitvoerende kunstenaars altijd het recht behouden om een vergoeding te krijgen voor de bedoelde exploitatie, zelfs indien zij het recht om hun werk daadwerkelijk te exploiteren aan een derde hebben overgedragen en zelfs indien die derde eveneens een vergoeding ontvangt voor de exploitatie van dat recht. De verzoekende partijen voegen eraan dat de richtlijn (EU) 2019/790 geen onderscheid maakt tussen het toestemmingsrecht en het vergoedingsrecht voor de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling van beschermde content. Integendeel, het gaat om de onderdelen van een en hetzelfde recht. Door de economische en juridische prerogatieven die voortvloeien uit het recht op mededeling aan of beschikbaarstelling voor het publiek van elkaar los te maken of op te delen, doet artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 aldus afbreuk aan de draagwijdte en de omvang van de in artikel 17, lid 1, van de richtlijn (EU) 2019/790 bedoelde rechten. A.35.1.
- De verzoekende partijen voegen eraan toe dat artikel 18 van de richtlijn (EU) 2019/790 niet kan dienen als grondslag voor artikel 54 van de wet van 19 juni 2022, zoals duidelijk blijkt uit het wetgevingsproces van die wet, met name uit de parlementaire voorbereiding en de briefwisseling tussen de Belgische Staat en de Europese Commissie, waarmee rekening moet worden gehouden, in tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt. Het toepassingsgebied van artikel 18 van de richtlijn (EU) 2019/790 is overigens strikt beperkt tot de contractuele 25 relaties tussen de auteurs en de uitvoerende kunstenaars en hun rechtstreekse medecontractanten, en kan niet gelden voor de relaties tussen de aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content en de houders van rechten die betrekking hebben op content die op hun diensten wordt gedownload. Bovendien heeft de Europese Commissie uitdrukkelijk aangegeven dat het vergoedingsmechanisme, zoals opgenomen in artikel 54 van de wet van 19 juni 2022, niet alleen in strijd was met artikel 17 van de richtlijn (EU) 2019/790, maar dat het evenmin kon berusten op artikel 18 daarvan. A.35.1.
- Indien wordt aangenomen dat artikel 17 van de richtlijn (EU) 2019/790 geen maatregel van maximale harmonisatie is of dat artikel 18 ervan als grondslag dient voor de bestreden bepaling, moet volgens de verzoekende partijen in elk geval worden opgemerkt dat artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 noch het Europese recht met betrekking tot de intellectuele eigendom, noch de harmonisatie van de exclusieve rechten onder de richtlijn 2001/29/EG in acht neemt. Zij verduidelijken dat het bestreden recht op een vergoeding het beschermingsgebied van de in artikel 3 van de richtlijn 2001/29/EG bedoelde exclusieve rechten van mededeling aan en beschikbaarstelling voor het publiek ten onrechte uitbreidt. Dat mechanisme creëert immers een splitsing van het exclusieve recht in, enerzijds, een recht op toestaan en, daarmee samenhangend, op verbieden, en anderzijds, een recht op een vergoeding. Die twee rechten houden echter intrinsiek met elkaar verband en kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. Het recht op een vergoeding, dat oorspronkelijk samenhing met het exclusieve recht op toestaan, reikt van nu af aan verder dan het contractuele toepassingsgebied, aangezien dat recht voortaan tegenstelbaar is aan derden met wie de auteurs en de uitvoerende kunstenaars geen enkele contractuele band hebben, en dat terwijl zij reeds een eerste keer werden betaald door hun rechtstreekse medecontractant als tegenprestatie voor de overeengekomen overdracht. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het bij artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 ingevoerde vergoedingsmechanisme zich fundamenteel onderscheidt van de in andere lidstaten ingestelde mechanismen, waarop de Ministerraad en een aantal tussenkomende partijen de aandacht vestigen om de bestreden maatregel te verantwoorden, waardoor die voorbeelden uit het buitenland in feite niet pertinent zijn. Door de verscheidenheid van de verschillende regelingen voor het recht op een resterende vergoeding wat betreft de oorsprong en het toepassingsgebied ervan is het onmogelijk de verschillende mechanismen in kwestie op nuttige wijze met elkaar te vergelijken. In elk geval is het feit dat andere landen regelingen voor een resterende vergoeding hebben aangenomen, niet van dien aard dat het de bestreden bepaling verantwoordt. Bovendien voeren de verzoekende partijen aan dat het bij artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 ingevoerde mechanisme ook onderscheiden is van de door de Ministerraad en een aantal tussenkomende partijen vooropgestelde rechten op een resterende vergoeding die op andere vlakken zijn aangenomen, die evenmin pertinent lijken te zijn. A.35.2.
- In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 artikel 3 van de richtlijn 2001/29/EG schendt en a fortiori artikel 17, lid 1, van de richtlijn (EU) 2019/790, in zoverre sommige aspecten van de exclusieve rechten waarover de auteurs en de uitvoerende kunstenaars beschikken, worden beperkt of zelfs opgeheven. Allereerst voeren zij aan dat de auteurs en uitvoerende kunstenaars met toepassing van de bestreden bepaling niet langer vrij over hun exclusieve rechten kunnen beschikken, aangezien zij niet kunnen beslissen om het vergoedingsrecht aan een derde over te dragen, noch kunnen toestaan dat hun werken onder een gratis licentie worden gebruikt. De auteurs en uitvoerende kunstenaars moeten dienaangaande de mogelijkheid hebben om het gebruik van de werken kosteloos toe te staan. Dat beginsel wordt onder meer bevestigd door overweging nr. 82 van de richtlijn (EU) 2019/790 waaruit voortvloeit dat het verlenen van gratis licenties mogelijk moet zijn. Vervolgens merken de verzoekende partijen op dat artikel 54 van de wet van 19 juni 2022 bepaalt dat het recht op een vergoeding uitsluitend kan worden uitgeoefend door de collectieve beheersorganisaties die auteurs en uitvoerende kunstenaars vertegenwoordigen. Dat verplichte collectieve beheer van de rechten verhindert dat de exclusieve rechten met betrekking tot het auteursrecht of de naburige rechten individueel worden uitgeoefend, wat ingaat tegen de exclusieve aard van het recht op mededeling aan het publiek, aangezien de auteurs en de uitvoerende kunstenaars naar eigen goeddunken zouden moeten kunnen beschikken over hun rechten om het gebruik ervan onder hun eigen voorwaarden toe te staan, ook zonder een beroep te doen op een collectieve beheersorganisatie. A.35.2.
- De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de beperking van de uitoefening van de voormelde exclusieve rechten blijkt uit het feit dat het verplichte collectieve beheer de auteurs en de uitvoerende kunstenaars verhindert te kiezen of zij een beroep willen doen op een collectieve beheersorganisatie, te kiezen door welke organisatie zij zich willen laten vertegenwoordigen in het geval er meerdere zijn, te onderhandelen over een prijs voor een overdracht van rechten individueel of via een gekozen entiteit en tot slot tegelijk met de andere 26 voorwaarden van de licentie of met andere naburige rechten van verwante entiteiten te onderhandelen over het commerciële gedeelte van de licentieovereenkomst. A.35.2.
- In antwoord op de uiteenzettingen van de Ministerraad en de verschillende tussenkomende partijen betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling verhindert om afstand doen van een vergoeding, waardoor het vermogen om vrij te kunnen beschikken over de in artikel 3 van de richtlijn 2001/29/EG verankerde exclusieve rechten aanzienlijk wordt beperkt. Zij wijzen erop dat, wanneer een recht wordt overgedragen, de overdrager in beginsel elk economisch prerogatief verliest. De bestreden bepaling creëert evenwel een uitzondering op dat beginsel door een onov