id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.099 Arrest- Rolnummer: 99/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-07 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-06-18 04:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
- Schending (artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit », in zoverre het niet van toepassing is op de sociale dienstverrichters die geen erkende sociale secretariaten zijn)
- - Geen schending (dezelfde bepaling, in zoverre zij van toepassing is in geval van een faillissement op aangifte) - Schending (de ontstentenis van een analoge wetsbepaling die van toepassing is in geval van een faillissement op dagvaarding) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Stukken die moeten worden gevoegd bij een aangifte van faillissement - Sociaal secretariaat waarbij de gefailleerde onderneming was aangesloten - Verplichting om de documenten kosteloos te verstrekken Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 99/2024 van 26 september 2024 Rolnummer : 7985 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 17 april 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 april 2023, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de erkende sociale secretariaten verplicht zijn om de sociale documenten en de documenten die vereist zijn bij het uittreden uit de onderneming in het kader van een faillissement kosteloos te verstrekken, terwijl alle andere dienstverleners van de gefailleerde onderneming, met name boekhouders en niet-erkende secretariaten, het recht behouden op terugbetaling van hun prestaties ? »; « Schendt artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de erkende sociale secretariaten verplicht zijn om de sociale documenten en de documenten die vereist zijn bij het uittreden uit de onderneming kosteloos te verstrekken, indien die verplichting in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij zich beperkt tot de faillissementen op bekentenis en niet van toepassing is op de faillissementen op dagvaarding ? Kan die bepaling in die zin worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op alle faillissementen, ongeacht de wijze van opening ervan ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - de vzw « Group S – Sociaal Secretariaat », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Edwin Truyens, advocaat bij de balie van Antwerpen; - Mr. Paul Debetencourt en Mr. Axel Caby, advocaten bij de balie te Doornik, handelend in de hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de bv « Actissia Belgique »; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Sébastien Depré, Mr. Evrard de Lophem en Mr. Germain Haumont, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Group S – Sociaal Secretariaat »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 24 april 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak in staat van wijzen was, - de partijen te verzoeken vooraf op de volgende vraag te antwoorden door middel van een aanvullende memorie in te dienen bij ter post aangetekende brief uiterlijk op 21 mei 2024 en binnen dezelfde termijn mee te delen aan de andere partijen, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be » : « Welk eventueel gevolg, voor de onderhavige zaak nr. 7985, leidt u af uit de wijziging die in artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht wordt aangebracht door artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 ‘ tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit ’ (bepaling die overigens het voorwerp uitmaakt van een beroep tot vernietiging dat thans hangende is voor het Hof, ingeschreven onder het rolnummer 8138 van het Hof) ? », - dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, - en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 21 mei 2024 en de zaak in beraad zou worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de vzw « Group S – Sociaal Secretariaat »; - Mr. Paul Debetencourt en Mr. Axel Caby; 3 - de Ministerraad. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 21 mei 2024 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een vonnis van 18 januari 2022 spreekt de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik, het faillissement van de bv « Actissia Belgique » uit op aangifte van de schuldenaar. De curatoren ontslaan het personeel en verzoeken de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat », het sociaal secretariaat van de gefailleerde vennootschap, om de sociale documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn, kosteloos te verstrekken. De vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » bezorgt een aantal documenten maar wenst te worden vergoed voor de prestaties met betrekking tot het opstellen van de andere documenten, hetgeen de curatoren weigeren. Op verzoek van de curatoren veroordeelt de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik, bij een vonnis van 19 april 2022, de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » ertoe de betrokken documenten kosteloos te bezorgen, op straffe van een dwangsom. Die laatste bezorgt de documenten, maar stelt tevens hoger beroep in tegen dat vonnis voor het verwijzende rechtscollege. In hoger beroep eist zij dat de curatoren ertoe worden veroordeeld haar het bedrag van 1 747,48 euro te betalen voor het opstellen van die documenten. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat », op het ogenblik van het faillissement, het erkende sociaal secretariaat van de bv « Actissia Belgique » was en dat zij, krachtens artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht, bijgevolg ertoe is gehouden de laatste sociale documenten betreffende de werknemers, evenals de aan de werknemers te bezorgen documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn, kosteloos aan de curatoren te verstrekken. Het verwijzende rechtscollege beklemtoont dat de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » zich niet aan die wettelijke verplichting kan onttrekken met als voorwendsel dat zij nog geen instructies van haar aangeslotene had gekregen voor de maand waarin het faillissement werd uitgesproken. Het verwijzende rechtscollege is bovendien van oordeel dat die wettelijke verplichting inhoudt dat de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » de berekeningen uitvoert die noodzakelijk zijn voor het opstellen van de desbetreffende documenten, zonder dat zij haar prestaties kan factureren. Het verwijzende rechtscollege besluit daaruit dat de betwistingen van de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » niet in aanmerking kunnen worden genomen indien toepassing wordt gemaakt van artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht. Het verwijzende rechtscollege onderzoekt vervolgens het door de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek om twee prejudiciële vragen te stellen over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de gesuggereerde eerste prejudiciële vraag pertinent is en dat er te dezen geen klaarblijkelijke ontstentenis van ongrondwettigheid is. Wat de gesuggereerde tweede prejudiciële vraag betreft, merkt het verwijzende rechtscollege op dat zij pertinent is indien artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht in die zin wordt geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is op de faillissementen op aangifte. Het verwijzende rechtscollege stelt dan ook de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van het onderwerp van de prejudiciële vragen A.
- De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vragen enkel het derde lid van artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht betreffen en dat zij in het bijzonder betrekking hebben op de in de tweede zin van dat lid bedoelde kosteloze verstrekking van de aan de werknemers te bezorgen documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.2.
- De vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » zet eerst haar interpretatie van artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht uiteen. Zij merkt op dat de sociale secretariaten worden geregeld bij de artikelen 27 en 27bis van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » (hierna : de wet van 27 juni 1969) en bij de artikelen 31ter en 31quater van de wet van 29 juni 1981 « houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ». Zij beklemtoont dat uit die laatste bepaling voortvloeit dat de overeenkomst tussen een sociaal secretariaat en een werkgever gedeeltelijk een mandaatovereenkomst is. Zij is van mening dat een sociaal secretariaat geen loonberekeningen kan uitvoeren zonder instructies van de werkgever te hebben ontvangen. Wat de bij de in het geding zijnde bepaling opgelegde verplichting betreft, voert zij aan dat de sociale documenten die na het faillissement moeten worden verstrekt, worden opgesteld op grond van de loonberekeningen die zijn uitgevoerd overeenkomstig de instructies die de werkgever vóór het faillissement heeft gegeven. Volgens haar wordt bij de in het geding zijnde bepaling aan de sociale secretariaten de verplichting opgelegd om de sociale documenten kosteloos te verstrekken en niet om loonberekeningen kosteloos uit te voeren. Nog steeds volgens haar kan een sociaal secretariaat niet ertoe worden verplicht loonberekeningen kosteloos uit te voeren op verzoek van de curatoren en vervolgens sociale documenten kosteloos te verstrekken. Aan de hand van voorbeelden doet zij gelden dat, indien zulks het geval zou zijn, dat enorme gevolgen zou hebben voor de sociale secretariaten. Zij vraagt zich ten slotte af of het juridisch verdedigbaar is om bezoldigingen te berekenen voor een periode waarvoor de onderneming die failliet gaat, de bezoldigingen niet meer betaalt. Volgens haar stellen de berekening van bezoldigingen die niet worden betaald en het verstrekken van een loonfiche en van een individuele rekening de betrokken werknemers bloot aan het risico dat zij bijdragen moeten betalen op bedragen die zij nooit hebben ontvangen. Zij doet vervolgens gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling tussen de erkende sociale secretariaten en de andere dienstverleners niet redelijk wordt verantwoord door het feit dat enkel de erkende sociale secretariaten bepaalde voordelen genieten, zoals het voorbehouden gebruik van de benaming « sociaal secretariaat » of de exclusieve bevoegdheid om de sociale bijdragen van hun aangesloten werkgevers te innen. Wat dat laatste punt betreft, merkt zij op dat de wettelijke termijnen waarbinnen de sociale secretariaten de socialezekerheidsbijdragen aan de RSZ moeten betalen, sterk werden ingekort en dat hun rendabiliteit bovendien sterk is verminderd als gevolg van de lage rentevoet die sedert vele jaren van toepassing is. Zij beklemtoont dat niet-erkende dienstverleners min of meer dezelfde diensten verlenen als de sociale secretariaten, maar dat die laatste het voorwerp uitmaken van stelselmatige controles die een zekere kwaliteit waarborgen. Zij voegt eraan toe dat de werkgevers die niet zijn aangesloten bij een sociaal secretariaat, meestal een beroep doen op een andere dienstverlener en dat, indien een dergelijke werkgever failliet gaat, de curator moet betalen voor het verstrekken van de sociale documenten, zodat de betrokken werknemers worden benadeeld. Ten slotte verwijst zij naar een advies van een advocatenkantoor volgens hetwelk
(1)niets verantwoordt dat de erkende sociale secretariaten sociale documenten en documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn, kosteloos moeten verstrekken in het kader van een faillissement, terwijl alle andere schuldeisers het recht op de betaling van hun prestaties behouden,
(2)het verschil in behandeling tussen de erkende sociale secretariaten en de andere sociale dienstverrichters niet redelijk verantwoord is en
(3)het niet redelijk verantwoord is om de erkende sociale secretariaten verschillend te behandelen naargelang zij documenten verstrekken in het kader van een faillissement of in een andere context. De vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » besluit dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. In haar aanvullende memorie merkt de vzw « Group S – Sociaal Secretariaat » op dat de verplichting om de laatste sociale documenten en de documenten die vereist zijn bij het uittreden uit de onderneming kosteloos te 5 verstrekken, verplichting die voordien enkel gold voor de sociale secretariaten, werd uitgebreid naar de andere sociale dienstverrichters bij artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit » (hierna : de wet van 7 juni 2023). Aangezien die wijziging in werking is getreden op 1 september 2023, heeft zij volgens haar geen rechtstreekse gevolgen voor de thans onderzochte zaak. Nog steeds volgens haar kan evenwel uit die wijziging worden afgeleid dat er vroeger wel degelijk een discriminatie bestond tussen de sociale secretariaten en de andere sociale dienstverrichters. A.2.2. De curatoren van het faillissement van de bv « Actissia Belgique » doen gelden dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt de werknemers te beschermen door hun de mogelijkheid te bieden snel hun sociale documenten te verkrijgen en de werkomstandigheden van de curator te verbeteren. Zij merken op dat het kosteloze optreden van het sociaal secretariaat ook wordt verantwoord door de verplichting, voor de curator, om de sociale documenten te verstrekken vóór elke sluiting en zelfs bij gebrek aan enige activa. Zij merken op dat enkel de erkende sociale secretariaten, krachtens artikel 27 van de wet van 27 juni 1969,
(1)aan de RSZ de aangiftes met verantwoording van het bedrag van de voor de werknemers verschuldigde sociale bijdragen kunnen toezenden,
(2)de sociale bijdragen kunnen betalen voor rekening van de werkgever en
(3)alle formaliteiten kunnen vervullen waartoe de werkgevers krachtens de socialezekerheidswetgeving zijn gehouden. De andere instellingen die sociale documenten kunnen opstellen, maar die niet over de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheden beschikken, zijn naar hun mening geen sociale secretariaten. Zij zijn van oordeel dat de twee categorieën niet vergelijkbaar zijn. Zij besluiten dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. In hun aanvullende memorie betogen de curatoren van het faillissement van de bv « Actissia Belgique » dat artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 geen weerslag heeft op de thans onderzochte zaak, aangezien die bepaling van toepassing is op insolventieprocedures die zijn geopend na 1 september 2023 (artikelen 272 en 273 van de wet van 7 juni 2023) en het faillissement van de bv « Actissia Belgique » dateert van vóór die datum. Zij beklemtonen overigens dat die bepaling de voormelde fundamentele verschillen tussen de niet-erkende sociale dienstverrichters en de sociale secretariaten niet doet verdwijnen. In uiterst ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 te dezen van toepassing is en dat er vroeger sprake was van discriminatie tussen de twee voormelde categorieën, merken zij op dat die discriminatie thans is verdwenen door een ingrijpen van de wetgever, zodat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden. A.2.
- De Ministerraad betoogt dat het Hof zich niet dient uit te spreken over de interpretatie die aan de in het geding zijnde bepaling moet worden gegeven, aangezien die kwestie reeds door het verwijzende rechtscollege werd beslecht en aangezien de interpretatie van dat laatste niet kennelijk onjuist is. De Ministerraad voert aan dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de erkende sociale secretariaten en, anderzijds, de boekhouders en de niet-erkende secretariaten wordt verantwoord door het feit dat enkel de erkende sociale secretariaten de sociale bijdragen van de aangesloten werkgevers kunnen innen om ze door te storten aan de bevoegde instellingen. Hij merkt vervolgens op dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt het werk van de curatoren vlotter te laten verlopen en de werknemers van de gefailleerde vennootschap te beschermen, zodat zij legitieme doelstellingen nastreeft. Volgens hem is de verplichting die aan de erkende sociale secretariaten wordt opgelegd om de documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn, kosteloos te verstrekken, evenredig met die doelstellingen. Hij beklemtoont in dat verband dat het mogelijk is dat het erkende sociaal secretariaat de enige persoon is die die documenten, die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van de sociale rechten van de werknemers, kan verstrekken. Bovendien is hij van mening dat, indien het verstrekken van die documenten afhankelijk zou worden gesteld van het betalen van een geldsom, dit de sociale bescherming zou verminderen van de werknemers van vennootschappen die een beroep doen op de diensten van een erkend sociaal secretariaat en dat dit hen zou benadelen ten opzichte van de werknemers van vennootschappen waarvoor de informatie die noodzakelijk is voor het opstellen van die documenten, intern beschikbaar is en dus kosteloos toegankelijk is voor de curator. Ten slotte, wat betreft het advies van een advocatenkantoor waarnaar de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » verwijst, beklemtoont de Ministerraad dat dit advies noch in het kader van de thans onderzochte zaak, noch voor rekening van de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » werd opgesteld, en dat daarbij een voorbehoud wordt gemaakt. De Ministerraad besluit dat het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. 6 In zijn aanvullende memorie merkt de Ministerraad op dat artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 past in het kader van de omzetting van de richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 « betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/1023), die in het bijzonder beoogt om de betrokken procedures efficiënter en minder lang te maken, en het beste beschermingsniveau te waarborgen ten aanzien van de betaling van werknemerslonen voor reeds verricht werk. Hij merkt evenwel op dat de richtlijn (EU) 2019/1023 niet pertinent is voor het bodemgeschil, daar de omzettingstermijn voor de meeste bepalingen op 17 juli 2022 is verstreken. De Ministerraad doet gelden dat, gelet op het exclusieve prerogatief van de erkende sociale secretariaten om de sociale bijdragen van hun aangesloten werkgevers te innen, het verantwoord was dat de in artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht bedoelde verplichting tot kosteloze verstrekking in eerste instantie alleen betrekking heeft op de erkende sociale secretariaten. Teneinde de met de richtlijn (EU) 2019/1023 nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken, is het volgens hem vervolgens pertinent en verantwoord gebleken om die verplichting uit te breiden tot de niet-erkende sociale dienstverrichters, die de tweede categorie van sociale mandatarissen vormen. Nog steeds volgens hem past die uitbreiding ook binnen de geleidelijke tenuitvoerlegging van de bij artikel 23 van de Grondwet vastgelegde rechten, in het bijzonder het grondrecht op sociale zekerheid. Hij beklemtoont immers dat de sociale documenten en de documenten die bij het uittreden vereist zijn, noodzakelijk zijn voor de werknemers om tal van socialezekerheidsuitkeringen te krijgen. Tot slot verwijst hij naar de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt. De Ministerraad besluit daaruit dat artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 geen gevolgen heeft voor de thans onderzochte prejudiciële vraag. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.3.
- De vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » verwijst naar een advies van een advocatenkantoor volgens hetwelk de in het geding zijnde bepaling voorkomt in een artikel dat het faillissement op aangifte specifiek regelt. Volgens dat advies verantwoordt niets dat de prestaties die in het kader van een faillissement worden verricht, verschillend worden behandeld naargelang dat faillissement al dan niet werd geopend ingevolge een aangifte. De vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. A.3.
- De curatoren van het faillissement van de bv « Actissia Belgique » doen gelden dat artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht van toepassing is op elk soort van faillissement. Volgens hen blijkt dat niet alleen uit de wil van de wetgever om de werknemers te beschermen bij een faillissement, maar ook uit het feit dat die bepaling voorkomt in een hoofdstuk met betrekking tot de verschillende wijzen van opening van het faillissement. Zij besluiten daaruit dat de in het geding zijnde bepaling, om bestaanbaar te zijn met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op alle faillissementen, ongeacht de wijze van opening ervan. A.3.
- De Ministerraad doet in hoofdorde gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling onbestaande is. Volgens hem is de in het geding zijnde bepaling van toepassing op elk soort van faillissement, zoals blijkt uit de directe en systemische normatieve context ervan. In de eerste plaats merkt hij op dat artikel XX.103, derde lid, tweede zin, van het Wetboek van economisch recht geen verschil in behandeling in het leven roept tussen het faillissement op aangifte en het faillissement op dagvaarding, en merkt hij op dat het laatste lid van hetzelfde artikel van toepassing is op elk soort van faillissement. Daarnaast beklemtoont hij dat een faillissement kan worden geopend ingevolge een aangifte of een dagvaarding (artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht), dat het uitgangspunt dat van de aangifte is (artikel XX.102 van hetzelfde Wetboek) en dat de curator, ongeacht het soort van faillissement, pas wordt aangewezen na het vonnis van faillietverklaring (artikel XX.104 van hetzelfde Wetboek), zodat het optreden van de curator bij het sociaal secretariaat enkel denkbaar is na de uitspraak van dat vonnis. Hij merkt op dat alle volgende bepalingen van het Wetboek van economisch recht de faillissementsprocedure op uniforme wijze regelen, ongeacht of die is geopend ingevolge een aangifte of een dagvaarding. Verwijzend naar artikel XX.139, § 1, van het Wetboek van economisch recht en naar de kwestie van de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten, voert de Ministerraad aan dat de in artikel XX.103 van hetzelfde Wetboek bedoelde documenten even essentieel zijn voor het werk van de curator bij een faillissement op aangifte als bij een faillissement op dagvaarding. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat uit het advies waarnaar de vzw « Group S - Sociaal Secretariaat » verwijst, blijkt dat het geraadpleegde advocatenkantoor zelf niet overtuigd was van zijn eigen conclusie met betrekking tot het toepassingsgebied van de in het geding zijnde 7 bepaling. Volgens de Ministerraad berust de tweede prejudiciële vraag op een verkeerd uitgangspunt en behoeft zij bijgevolg geen antwoord. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat het in het geding zijnde verschil in behandeling, gesteld dat de in het geding zijnde bepaling enkel van toepassing is op de faillissementen op aangifte, niet voortvloeit uit die bepaling, maar uit de ontstentenis van een analoge bepaling voor de faillissementen op dagvaarding. Volgens hem zou, indien het Hof een lacune in de wetgeving zou vaststellen, moeten worden gepreciseerd dat, in afwachting van het optreden van de wetgever, de verplichting voor de erkende sociale secretariaten om de betrokken documenten kosteloos te verstrekken ook van toepassing moet zijn op de faillissementen op dagvaarding. -B– Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht. Artikel XX.103, eerste lid, somt de stukken op die moeten worden gevoegd bij een aangifte van faillissement. Artikel XX.103, derde lid, zoals het van toepassing is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, legt aan het sociaal secretariaat waarbij de gefailleerde onderneming was aangesloten de verplichting op om de volgende documenten kosteloos aan de curator te bezorgen : de individuele rekeningen en, in voorkomend geval, de door de RSZ toegekende code, bepaald in artikel XX.103, eerste lid, 4°, (indien de onderneming in de onmogelijkheid verkeert om ze bij haar aangifte van faillissement te voegen), de laatste sociale documenten met betrekking tot de werknemers en de aan de werknemers te bezorgen documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn. Artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « De schuldenaar voegt op dezelfde wijze bij zijn aangifte : 1° de balans van zijn zaken of een nota waarin de redenen worden opgegeven die hem beletten de balans neer te leggen; 2° een balans die een staat bevat van activa en passiva zoals bepaald door [...] boek III, titel 3, hoofdstuk 2, van dit Wetboek alsmede een opgave en een schatting van alle roerende en onroerende goederen van de schuldenaar, de staat van de schuldvorderingen en de schulden, een tabel van de winsten en verliezen, de laatste behoorlijk afgesloten resultatenrekening en een tabel van de uitgaven; zij moet door de schuldenaar echt verklaard, gedagtekend en ondertekend zijn; 8 3° de gegevens over de plaats waar de boekhouding zich bevindt, met aanduiding of deze gehouden worden door derden; in dat geval de contactgegevens van deze derden en de middelen om een toegang te krijgen; 4° in de mate de schuldenaar personeel tewerkstelt of heeft tewerkgesteld de laatste achttien maanden, het personeelsregister, de individuele rekening, zoals bepaald in artikel 4, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, zowel die van het afgelopen kalenderjaar als die van het lopende kalenderjaar, de gegevens met betrekking tot het sociaal secretariaat en de sociale kassen waarbij de onderneming aangesloten is, de identiteit van de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk en van de leden van de vakbondsafvaardiging en, in [voorkomend] geval, de toegangscode die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de onderneming heeft toegekend en die de raadpleging mogelijk maakt van het elektronisch personeelsregister en die toegang verleent tot de overige noodzakelijke identificatiegegevens; 5° een lijst met naam en adres van de klanten en leveranciers; 6° de lijst met naam en adres van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker gesteld hebben voor de onderneming; 7° de lijst van de vennoten indien de schuldenaar een in artikel I.1, eerste lid, 1°, c), [van dit boek bepaalde onderneming is] of een rechtspersoon waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, [...] en het bewijs dat de vennoten op de hoogte werden gebracht. De schuldenaar waakt er over dat bij het neerleggen van de stukken, het beroepsgeheim niet wordt geschonden. Als de onderneming in de onmogelijkheid verkeert om de in het eerste lid, 4°, vermelde individuele rekeningen en de desgevallend door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de werkgever toegekende code bij zijn aangifte te voegen, dan neemt het sociaal secretariaat waarbij de onderneming was aangesloten, deze verplichtingen onmiddellijk en kosteloos op zich, op eenvoudig verzoek van de curatoren. Het sociaal secretariaat bezorgt kosteloos, op verzoek van de curator, de laatste sociale documenten betreffende de werknemers, evenals de documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn. De aangever verkrijgt na de neerlegging in het register hiervan een ontvangstbewijs. De plaatsing in het register van alle andere stukken betreffende het faillissement wordt op dezelfde wijze vastgesteld, zonder dat daarvan een andere akte van neerlegging behoeft te worden opgemaakt ». Artikel XX.132, derde lid, van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « De curatoren werken actief en prioritair mee aan het vaststellen van het bedrag van de aangegeven schuldvorderingen van de werknemers van de gefailleerde onderneming ». Artikel XX.135, § 3, van het Wetboek van economisch recht bepaalt : 9 « De sluiting van het faillissement wegens ontoereikend actief kan slechts worden uitgesproken wanneer wordt vastgesteld dat de curatoren al het mogelijke hebben gedaan om de werknemers de wettelijk bepaalde sociale bescheiden uit te reiken ». B.2.
- De verplichting die bij artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht aan de sociale secretariaten wordt opgelegd, vindt haar oorsprong in de wet van 15 juli 2005 « tot aanvulling van de artikelen 10 en 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 ». Die wet had in artikel 10 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 het volgende lid ingevoegd : « Als de koopman in de onmogelijkheid verkeert om de in het eerste lid, 3°, van dit artikel vermelde individuele rekeningen en de desgevallend door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de werkgever toegekende code bij zijn aangifte te voegen, dan neemt het sociaal secretariaat waarbij de koopman was aangesloten, deze verplichtingen onmiddellijk en kosteloos op zich, op eenvoudig verzoek van de curators ». Het amendement dat aan de oorsprong ligt van die bepaling en dat was ingediend naar aanleiding van de hoorzitting met een deskundige (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1541/005, pp. 18-19), werd als volgt verantwoord : « De programmawet van 8 april 2003 (Belgisch Staatsblad van 17 april 2003) heeft voor de koopman de verplichting ingevoerd om bij zijn aangifte ook de ‘ individuele rekeningen ’ neer te leggen. In de praktijk is deze bepaling jammer genoeg dode letter gebleven. Bijna alle ondernemingen zijn aangesloten bij een erkend sociaal secretariaat en de koopman gaat er dan ook van uit dat de curator op eenvoudig verzoek van het sociaal secretariaat die individuele rekeningen zal bekomen. Het is niet uitzonderlijk dat een curator verschillende maanden dient te wachten voor hij in het bezit wordt gesteld van de noodzakelijke individuele rekeningen van het jaar van faillietverklaring zelf en van het voorgaande jaar. Dikwijls worden er aanzienlijke bedragen gevraagd voor het afleveren van individuele rekeningen, waardoor de sociale secretariaten hun achterstallige administratiekosten trachten te verhalen bij de curator. Alle sociale secretariaten kunnen op eenvoudig verzoek de individuele rekeningen van de laatste jaren afdrukken of doormailen zonder dat daar zware kosten aan verbonden zijn. Deze individuele rekeningen zijn absoluut nodig om formulieren C4 en andere sociale bescheiden te kunnen afleveren aan de ontslagen werknemers en om hun schuldvorderingen na te zien of te verbeteren. 10 Het is dan ook aangewezen om aan de sociale secretariaten de wettelijke verplichting op te leggen om op korte termijn de individuele rekeningen en de door de RSZ aan de werkgever toegekende code kosteloos ter beschikking te stellen van de curator » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1541/002, p. 2). Tijdens de commissiebesprekingen werden over die bepaling eveneens de volgende gedachtewisselingen gehouden : « [Een lid] ziet geen bezwaren in een aanvulling van artikel 10, zoals gesuggereerd door [de deskundige]. Tegenover het argument dat sociale secretariaten overdreven kosten aanrekenen voor de terbeschikkingstelling van de gegevens van de individuele rekening, kan worden ingebracht dat dit voor de sociale secretariaten administratieve kosten veroorzaakt. [De deskundige] meent dat zij op die wijze proberen een deel van de achterstallige beheerskosten te recupereren. Het volstaat dat zij een waarborg vragen aan de werkgever, wat vele sociale secretariaten ook doen. [Een andere spreker] wijst erop dat de faillissementswet bepaalt dat de curatoren, zelfs bij faillissement zonder enige activa, dit pas mogen sluiten na het afleveren van de sociale documenten. Deze regel zou als grondslag voor een eventuele verplichting kunnen worden gebruikt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1541/005, p. 19); « Er wordt een amendement nr. 1 (DOC 51 1541/002) ingediend door [een lid] dat voorstelt om artikel 10 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 te wijzigen. Het amendement laat toe dat de curatoren sneller kunnen toegang krijgen tot individuele rekeningen en tot het elektronisch personeelsregister aan de hand waarvan zij de formulieren C4 en sociale bescheiden kunnen afleveren aan de ontslagen werknemers. [Een tweede lid] benadrukt dat dit amendement tegemoet komt aan een veel voorkomend probleem in de praktijk. Het is van het grootste belang dat de ontslagen werknemers zo snel mogelijk over de nodige sociale documenten beschikken om een werkloosheidsvergoeding te kunnen aanvragen en zich opnieuw op de arbeidsmarkt te begeven. [Een derde lid] vraagt zich af of er wel wetgevend werk op dit vlak nodig is, aangezien de curatoren toegang hebben tot DIMONA en de Kruispuntbank van Ondernemingen waardoor zij, op eenvoudig verzoek, de nodige informatie kunnen verkrijgen. Volgens spreekster bleek uit de hoorzittingen niet dat het verkrijgen van informatie voor de curatoren problematisch is. [Het tweede lid] betwijfelt of de Kruispuntbank individuele rekeningen aan de curatoren zal ter beschikking stellen. Uit de hoorzittingen bleek volgens spreker wel degelijk dat in de praktijk de sociale secretariaten zeer terughoudend zijn om individuele rekeningen ter beschikking te stellen » (ibid., p. 22); « De commissie neemt vervolgens kennis van de wetgevingstechnische nota van de juridische dienst van de Kamer betreffende het ontwerp van aangenomen tekst van het wetsvoorstel tot aanvulling van de artikelen 10 en 46 van de faillissementswet van 8 augustus
- 11 [...] Rekening houdend met de inhoud van het nieuwe derde lid van artikel 10, leidt de toevoeging van de woorden ‘ zowel die van het lopende kalenderjaar als die van het afgelopen kalenderjaar ’ ertoe dat het sociaal secretariaat alleen met betrekking tot die jaren onmiddellijk en kosteloos de verplichtingen van de koopman op zich moet nemen. Op de vraag van [een lid] of met de hypothese werd rekening gehouden waarbij de afhandeling van een faillissement meerdere jaren kan aanslepen, verduidelijkt [een ander lid] dat de beperking in jaren beantwoordt aan een keuze vanwege de indieners van het amendement nr. 1 » (ibid., p. 28). B.2.
- Bij de invoeging van boek XX in het Wetboek van economisch recht bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » werd met betrekking tot artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht de volgende toelichting gegeven : « Dit artikel neemt grotendeels de bepalingen over van artikel 10 van de Faillissementswet. Er zijn wel enkele wijzigingen aangebracht aan het stelsel. De verwijzingen naar de boekhoudkundige regels worden geactualiseerd; de wijze waarop het sociaal secretariaat zijn bijstand verleent wordt eveneens nader omschreven » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 81). B.
- De sociale wetgeving maakt een onderscheid tussen twee types van mandatarissen die de werkgevers kunnen aanstellen in het kader van hun sociale administratie : enerzijds, de sociale dienstverrichters die geen erkende sociale secretariaten zijn (hierna : de sociale dienstverrichters) en, anderzijds, de erkende sociale secretariaten, die, krachtens hun erkenning, over het exclusieve recht beschikken om de door de aangesloten werkgevers verschuldigde sociale bijdragen te innen en door te storten aan de RSZ. Artikel 31ter van de wet van 29 juni 1981 « houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers » bepaalt : « §
- Werkgevers kunnen een mandataris aanstellen in het kader van hun sociale administratie. §
- Er bestaan twee types mandatarissen : 12 1° Sociale dienstverrichters zijn mandatarissen die in naam en voor rekening van werkgevers formaliteiten inzake sociale zekerheid, waartoe deze werkgevers zijn gehouden ten aanzien van de instellingen van sociale zekerheid, in een rechtstreekse relatie met deze instellingen vervullen. Binnen de grenzen van het met de werkgever gesloten mandaat nemen zij de opdracht op zich de werkgevers te begeleiden in hun betrekkingen met de instellingen, zoals ze zijn opgesomd in artikel 2, eerste alinea, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, en hen in die context te informeren; 2° erkende sociale secretariaten, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. §
- De mandataris krijgt voor het uitvoeren van de formaliteiten inzake sociale zekerheid voor zijn aangesloten werkgevers een toegang tot het elektronische netwerk van de sociale zekerheid voor zover : 1° hij zich behoorlijk identificeert bij de diensten van de Rijksdienst voor sociale zekerheid; 2° hij zich schikt naar de onderrichtingen van de betrokken administraties; 3° hij op aanvraag van de bevoegde administraties alle inlichtingen verschaft of alle documenten voor het toezicht op de toepassing van de sociale wetten doorgeeft, overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek, voor zover die inlichtingen of documenten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de mandataris; 4° hij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid binnen vijftien dagen na de gebeurtenis kennis geeft van de opzegging of van de schrapping van een werkgever ». Artikel 27, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » bepaalt : « §
- Erkende sociale secretariaten zijn sociale dienstverrichters zoals vermeld in art. 31ter, § 2, 1° van de wet van 29 juni 1981 betreffende de algemene beginselen van de sociale zekerheid der werknemers die krachtens hun erkenning de sociale bijdragen van hun aangesloten werkgevers innen met het oog op doorstorting aan de instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen. §
- De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder sociale secretariaten van werkgevers door de Minister bevoegd voor de Sociale Zaken kunnen worden erkend [teneinde] in [de] hoedanigheid van mandataris van hun aangeslotenen, de door deze wet bepaalde formaliteiten te vervullen. Hij bepaalt hun rechten en verplichtingen. 13 De Koning kan, aan de categorieën werkgevers die Hij bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een financiële tussenkomst toekennen in de aansluitingskosten bij een erkend sociaal secretariaat, waarvan Hij het bedrag, de voorwaarden en de nadere regelen van de toekenning bepaalt. De bedrijfsrevisoren van de sociale secretariaten brengen bij de Minister bevoegd voor de Sociale Zaken en bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid binnen zestig dagen na de statutaire goedkeuring van het jaarverslag, schriftelijk verslag uit over de uitvoering van hun opdracht, inzonderheid met betrekking tot het boekhoudkundig plan door de Koning bepaald. Het gebruik van de benaming ‘ sociaal secretariaat ’ is uitsluitend voorbehouden aan de mandatarissen die overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen als sociaal secretariaat erkend zijn. De erkenning geeft aan het sociaal secretariaat het exclusieve recht om de door de aangesloten werkgevers verschuldigde bijdragen uitsluitend op girale wijze te innen en door te storten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bij gebreke aan deze specifieke erkenning is het een sociale dienstverrichter, zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 1°, van voornoemde wet van 29 juni 1981 verboden tot de inning van bijdragen over te gaan ». De artikelen 44 tot 51 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 « tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » (hierna : het koninklijk besluit van 28 november 1969) regelen de voorwaarden voor erkenning, de verplichtingen en de rechten van de sociale secretariaten. Een van de verplichtingen van de sociale secretariaten bestaat erin « voor ieder van de aangesloten werkgevers, op een plaats in België, een volledig dossier betreffende de toepassing van de sociale wetten samen te stellen en bij te houden voor het geheel van het personeel van de aangesloten werkgevers » (artikel 48, § 1, 3°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969). Die verplichting is ook van toepassing op de sociale dienstverrichters (artikel 53/3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969). B.
- Artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, geldt enkel voor de sociale secretariaten. B.
- De verplichting om de laatste sociale documenten en de documenten die vereist zijn bij het uittreden uit de onderneming in het kader van een faillissement kosteloos te verstrekken, is uitgebreid naar de sociale dienstverrichters bij artikel 205 van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 14 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit » (hierna : de wet van 7 juni 2023), dat bepaalt : « In artikel XX.103, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden ‘ Het sociaal secretariaat bezorgt kosteloos, op verzoek van de curator, ’ vervangen door de woorden ‘ Het sociaal secretariaat of de sociale dienstverrichter bezorgen kosteloos, op eenvoudig verzoek van de curator, ’ ». De artikelen 272 en 273 van de wet van 7 juni 2023 bepalen : « Art.
- De bepalingen van deze wet zijn toepasselijk op insolventieprocedures geopend vanaf de inwerkingtreding van deze wet. Art.
- Deze wet treedt in werking op 1 september 2023 ». Daaruit volgt dat artikel 205 van de wet van 7 juni 2023, waartegen een beroep tot vernietiging is gericht in de zaak nr. 8138, ratione temporis niet van toepassing is op het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.6.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vragen slechts betrekking hebben op het derde lid van artikel XX.103 van het Wetboek van economisch recht. Daarenboven betoogt hij dat ze enkel betrekking hebben op de aan de werknemers te bezorgen documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn. B.6.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op de verplichting voor de sociale secretariaten om de « sociale documenten en de documenten die vereist zijn bij het uittreden uit de onderneming » kosteloos te verstrekken in het kader van een faillissement. 15 Daaruit volgt dat de prejudiciële vragen enkel betrekking hebben op artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 juni
- Een partij voor het Hof vermag niet de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen. Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vraag hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. Bijgevolg is er geen aanleiding om het onderzoek van de prejudiciële vragen te beperken tot enkel de documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn. Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.
- De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof wordt verzocht het verschil in behandeling te onderzoeken tussen, enerzijds, de sociale secretariaten en, anderzijds, alle andere dienstverleners van de gefailleerde onderneming, inzonderheid de « niet-erkende secretariaten », zijnde de sociale dienstverrichters en de boekhouders. Terwijl de sociale secretariaten de laatste sociale documenten en de documenten die vereist zijn bij het uittreden uit de onderneming in het kader van een faillissement kosteloos moeten verstrekken, behouden de andere dienstverleners van de gefailleerde onderneming het recht op de betaling van hun prestaties. B.
- Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepaling in die zin dat ook de berekeningen die nodig zijn om de betrokken documenten op te stellen, kosteloos moeten worden verricht door het sociaal secretariaat. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd is. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 16 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- De in B.7 vermelde categorieën van personen zijn voldoende vergelijkbaar, aangezien het gaat om dienstverleners van de gefailleerde onderneming. B.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit of de dienstverlener al dan niet een sociaal secretariaat is. B.
- In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden aangenomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.
- Uit de in B.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de aan de sociale secretariaten opgelegde verplichting om, op eenvoudig verzoek van de curator, de laatste sociale documenten en de documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn, af te geven, ertoe strekt de rechten van de werknemers te vrijwaren en het werk van de curator te vereenvoudigen. Wat betreft de kosteloosheid, die beoogt het risico op misbruik te voorkomen, in het bijzonder het risico dat de sociale secretariaten daarbij proberen een deel van de achterstallige beheerskosten te recupereren. Die doelstellingen zijn legitiem. B.
- Het is pertinent ten aanzien van die doelstellingen dat de in het geding zijnde bepaling van toepassing is op mandatarissen die de werkgevers in het kader van hun sociale administratie kunnen aanstellen, en niet op alle dienstverleners van de gefailleerde onderneming. Het is daarentegen niet pertinent ten aanzien van die doelstellingen dat de in het geding zijnde bepaling onder die mandatarissen een verschil in behandeling in het leven roept tussen de sociale secretariaten en de sociale dienstverrichters. Zoals in B.3 is vermeld, vervullen de sociale dienstverrichters, net als de sociale secretariaten, in een rechtstreekse relatie met de 17 instellingen van sociale zekerheid formaliteiten inzake sociale zekerheid in naam en voor rekening van werkgevers. Bovendien zijn zowel de sociale dienstverrichters als de sociale secretariaten ertoe gehouden voor elke aangesloten werkgever een volledig dossier met betrekking tot de toepassing van de sociale wetten samen te stellen en bij te houden voor het geheel van het personeel. Hoewel de sociale secretariaten, in tegenstelling tot de sociale dienstverrichters, moeten beschikken over een erkenning en krachtens die erkenning de door de aangesloten werkgevers verschuldigde sociale bijdragen mogen innen en doorstorten aan de RSZ, houdt dat verschil geen verband met de kwestie van de kosteloze verstrekking van de laatste sociale documenten en de documenten die bij het uittreden uit de onderneming vereist zijn in het kader van een faillissement, en kan het bijgevolg het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoorden. B.
- Rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge waarover hij ter zake beschikt, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de kosteloosheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, ten opzichte van andere maatregelen die de prijs van de betrokken prestaties regelen, meer zekerheid kan bieden om de nagestreefde doelstellingen te bereiken, inzonderheid de bescherming van de rechten van de werknemers door hen zo snel mogelijk over de betrokken documenten te laten beschikken, en de strijd tegen het door de wetgever vastgestelde misbruik. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige gevolgen voor de eraan onderworpen dienstverleners. Zij kunnen in de door hen gesloten overeenkomsten met de werkgevers die een beroep doen op hun diensten, het risico dekken dat zij de betrokken documenten kosteloos moeten verstrekken als een werkgever failliet gaat. Wat betreft de individuele rekeningen, is de verplichting bovendien beperkt tot die van het afgelopen kalenderjaar en van het lopende kalenderjaar. B.
- Artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 juni 2023, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet van toepassing is op de sociale dienstverrichters. 18 Wat betreft de tweede prejudiciële vraag B.
- De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke die bepaling enkel van toepassing is in geval van een faillissement op aangifte door de schuldenaar. Het Hof wordt verzocht het verschil in behandeling te onderzoeken onder de sociale secretariaten naargelang het faillissement werd geopend ingevolge een aangifte of een dagvaarding. B.
- Artikel XX.103, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht somt de stukken op die de schuldenaar « bij zijn aangifte » moet voegen. Artikel XX.103, derde lid, eerste zin, van hetzelfde Wetboek heeft betrekking op de situatie waarin de onderneming in de onmogelijkheid verkeert om bepaalde documenten « bij [haar] aangifte » te voegen. Daaruit volgt dat de interpretatie volgens welke de in het geding zijnde bepaling enkel van toepassing is in geval van een faillissement op aangifte, niet klaarblijkelijk verkeerd is. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in die interpretatie. B.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de wijze van opening van het faillissement. B.
- Noch uit de parlementaire voorbereiding, noch uit de memories van de partijen blijkt in welk opzicht het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijkerwijs verantwoord zou zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, die in B.13 zijn vermeld. In het licht daarvan is het niet pertinent een onderscheid te maken naargelang het faillissement wordt geopend ingevolge een aangifte of een dagvaarding. B.
- Die ongrondwettigheid vindt haar oorsprong evenwel niet in de in het geding zijnde bepaling, maar in de ontstentenis van een analoge wetsbepaling die van toepassing is in geval van een faillissement op dagvaarding. B.
- Artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 juni 2023, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het van toepassing is in geval van een 19 faillissement op aangifte. De ontstentenis van een analoge wetsbepaling die van toepassing is in geval van een faillissement op dagvaarding, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel XX.103, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet van toepassing is op de sociale dienstverrichters die geen erkende sociale secretariaten zijn.
- - Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij van toepassing is in geval van een faillissement op aangifte. - De ontstentenis van een analoge wetsbepaling die van toepassing is in geval van een faillissement op dagvaarding, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 september
- De griffier De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div