id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.102 Arrest- Rolnummer: 102/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-07 Raadplegingen: 369 - laatst gezien 2026-06-14 19:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007, in zoverre zij het kind dat is geboren dankzij gedoneerde gameten op absolute wijze beletten om enige identificerende of niet-identificerende informatie betreffende de donor te verkrijgen van het fertiliteitscentrum) - De gevolgen van die bepalingen worden gehandhaafd tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van de in B.10 vermelde wetsbepalingen en uiterlijk tot en met 30 juni 2027 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 « betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten », gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Burgerlijk recht - Afstamming - Medisch begeleide voortplanting - Anonimiteit van de donor van gameten - Fertiliteitscentrum - Absoluut verbod om enige gegevens met betrekking tot de donor over te maken Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 102/2024 van 26 september 2024 Rolnummer : 8091 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 « betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten », gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, voorzitter Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 2 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 oktober 2023, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 458 van het Strafwetboek, in zoverre dit degene die is geboren uit een zwangerschap die tot stand is gebracht door een medische voortplantingsbehandeling met behulp van gedoneerde gameten, verhindert vanwege de verstrekker van deze behandeling eender welke informatie te bekomen betreffende diens biologische afstamming aan de zijde van de donor, artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ? Schendt artikel 57 van de Wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, in zoverre dit degene die is geboren uit een zwangerschap die tot stand is gebracht door een medische voortplantingsbehandeling met behulp van gedoneerde gameten, verhindert vanwege de 2 verstrekker van deze behandeling informatie te bekomen betreffende diens biologische afstamming aan de zijde van de donor dewelke kan leiden tot de identificatie van deze laatste, artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Iris Tuijaerts en Hilde Tuijaerts, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Joris Gebruers, advocaat bij de balie van Limburg; - het Universitair Ziekenhuis Gent, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Sylvie Tack, advocate bij de balie van West-Vlaanderen, en door Mr. Johan Vande Lanotte, advocaat bij de balie te Gent (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Thomas Beelen, advocaat bij de balie te Leuven. Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 12 juni 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 10 juli 2024. Op de openbare terechtzitting van 10 juli 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Leen Vanbrabant, advocate bij de balie te Brussel, loco Mr. Joris Gebruers, voor Iris Tuijaerts en Hilde Tuijaerts; . Mr. Johan Vande Lanotte, voor het Universitair Ziekenhuis Gent; . Mr. Thomas Beelen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Hilde Tuijaerts, de tweede eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, onderging in 1999 een medisch begeleide voortplantingsbehandeling waarbij gebruik werd gemaakt van zaadcellen van een anonieme donor. Die behandeling resulteerde in een zwangerschap die leidde tot de geboorte van een tweeling, waaronder Iris Tuijaerts, de eerste eisende partij voor het verwijzende rechtscollege. Iris Tuijaerts, die thans meerderjarig is, wenst de identiteit en andere relevante kenmerken van de donor te achterhalen. Iris Tuijaerts heeft daartoe het Universitair Ziekenhuis Brussel, de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, zijnde het ziekenhuis waar de medisch begeleide voortplantingsbehandeling heeft plaatsgevonden, verzocht om het medisch dossier van Hilde Tuijaerts over te dragen. Het Universitair Ziekenhuis Brussel is niet ingegaan op dat verzoek. Hilde Tuijaerts en Iris Tuijaerts hebben daarop het Universitair Ziekenhuis Brussel gedagvaard voor de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij vorderen de volledige overdracht van het medisch dossier van Hilde Tuijaerts. Bij vonnis van 2 oktober 2023 heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel geoordeeld dat Hilde Tuijaerts geen belang heeft bij de vordering die in werkelijkheid ertoe strekt bepaalde afstammingsinformatie te verkrijgen, en dat de vordering van Iris Tuijaerts moet worden begrepen als strekkende tot overmaking van de gegevens van de biologische vader waarover het Universitair Ziekenhuis Brussel beschikt. Vooraleer verder uitspraak te doen, acht de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel het noodzakelijk om de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte –A– A.1. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van oordeel dat beide prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Zij voeren aan dat het recht op afstammingsinformatie, dat wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zich verzet tegen de in het geding zijnde wetgeving, die het belang van de donor om anoniem te blijven op voorhand en op absolute wijze laat voorgaan op het belang van de persoon die zijn afstamming wenst te kennen. Dat laatste belang gaat volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nochtans in principe voor op het belang van de rust van de families en de rechtszekerheid van de familiale banden. Minstens moet de donor kunnen worden gevraagd om toestemming te geven om zijn gegevens, waaronder in het bijzonder ook gezondheidsgegevens, bekend te maken en moet in geval van een weigering in principe daartegen een beroep bij een onafhankelijke instantie openstaan. Voorts merken de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege op dat België meer en meer geïsoleerd komt te staan op het vlak van de anonimiteit van de donor. In een groot aantal Europese landen is de anonimiteit van donoren van gameten opgeheven. Bovendien bevelen de Raad van Europa en het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties aan om de anonimiteit van gametendonoren te verbieden en om donorkinderen toegang te verlenen tot informatie over de donor. De opheffing van de anonimiteit van de donor leidt volgens de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege tot slot ook niet noodzakelijk tot een terugval van het aantal donoren van gameten. Uit empirisch onderzoek blijkt dat indien een Staat de nodige inspanningen levert, bijvoorbeeld door meer te financieren of door campagnes te voeren, de opheffing van de anonimiteit niet leidt tot een tekort aan donoren. In zoverre er toch een daling van het aantal donoren is, is dat in principe bovendien slechts tijdelijk. A.2.1. De Ministerraad is van oordeel dat beide prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Hij wijst allereerst erop dat artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 « betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten » (hierna : de wet van 6 juli 2007) geen absoluut verbod inhouden om enige gegevens met betrekking tot de donor van gameten over te maken. Artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 staat namelijk niet-anonieme donatie berustend op de 4 toestemming van de donor en de ontvanger of ontvangers toe en verbiedt in geval van anonieme donatie uitsluitend de bekendmaking van gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van de donor. Bovendien bepalen de artikelen 64 en 65 van diezelfde wet dat fertiliteitscentra medische informatie met betrekking tot de donor van gameten die van belang kan zijn voor de gezonde ontwikkeling van het kind, onder bepaalde voorwaarden mogen meedelen aan de ontvangers van de gameten, alsook aan de huisarts van de persoon die verwekt is door inseminatie of aan die van de ontvangers van de gameten. Vervolgens voert de Ministerraad aan dat het verbod op het meedelen van gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van de donor die anoniem heeft gedoneerd, berust op een voldoende precieze wettelijke basis en beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte, namelijk het vermijden van een tekort aan gedoneerde gameten. Het verbod vloeit volgens de Ministerraad ook voort uit een zorgvuldige belangenafweging en heeft geen onevenredige gevolgen. Geen andere maatregel kan namelijk garanderen dat er voldoende donoren van gameten zijn. Bovendien wordt de inmenging gemilderd doordat niet-anonieme donatie mogelijk is en doordat medische informatie onder bepaalde voorwaarden kan worden overgemaakt. Voorts wijst de Ministerraad erop dat het bewaren van de anonimiteit in ieder geval nodig is om het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de anonieme donor te beschermen. Die donor mocht immers ervan uitgaan dat zijn identiteit nooit zou worden meegedeeld. Tot slot doet hij gelden dat er geen sprake is van een Europese consensus met betrekking tot de opheffing van de anonimiteit van de gametendonor, en dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechtens van de Mens niet volgt dat de identiteit van de donor onthuld moet kunnen worden zonder diens toestemming. Datzelfde Hof vereist evenmin dat er steeds een onafhankelijke instantie moet zijn die over een weigering kan oordelen. A.2.2. In ondergeschikte orde, indien het Hof zou vaststellen dat de in het geding zijnde bepalingen het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven zouden schenden, verzoekt de Ministerraad om de gevolgen te handhaven voor alle gametendonaties die plaatsvonden vóór de uitspraak van het arrest, alsook voor alle gametendonaties die plaatsvinden tot zes maanden na die uitspraak. De handhaving van de gevolgen is nodig om het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven van de donoren die anoniem hebben gedoneerd en die de opheffing van hun anonimiteit niet konden voorzien, te beschermen, om een terugval van het aantal donoren te beperken en om de wetgever de tijd te geven nieuwe wetgeving uit te werken. De wetgever zou daar een termijn van 24 maanden voor nodig hebben. A.3. De tussenkomende partij, het Universitair Ziekenhuis Gent, meent eveneens dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Zij wijst vooreerst erop dat de prejudiciële vragen ongenuanceerd zijn doordat zij geen rekening houden met de informatie die op grond van artikel 65 van de wet van 6 juli 2007 kan worden meegedeeld. Volgens haar laat artikel 57 van die wet bovendien toe dat alle niet-identificerende gegevens worden meegedeeld, maar de interpretatie van het verwijzende rechtscollege volgens welke ook die gegevens onder het beroepsgeheim vallen, is niet kennelijk verkeerd. Daarnaast merkt zij op dat de Raad van Europa slechts aanbeveelt anonieme donaties voor de toekomst af te schaffen. De retroactieve opheffing van de anonimiteit wordt afgewezen. Donaties die in de toekomst plaatsvinden, maken evenwel niet het voorwerp uit van de prejudiciële vragen. Voorts leidt de tussenkomende partij uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens af dat er, behoudens een andersluidende wettelijke bepaling, geen recht bestaat op het kennen van de identiteit van de gametendonor of het verkrijgen van niet-identificerende informatie over de donor. Een dergelijk recht retroactief toch toekennen zou niet alleen het privéleven en het gezinsleven van de donor ernstig verstoren, maar ook de vertrouwensrelatie tussen, enerzijds, de donor, en, anderzijds, de arts en het fertiliteitscentrum. Bovendien zijn afstammingsvorderingen voor inseminaties die hebben plaatsgevonden vóór de wet van 6 juli 2007 niet uitgesloten. Het feit dat de wet van 6 juli 2007 geen procedureel recht bevat om de donor om toestemming te vragen om gegevens over te maken, is volgens de tussenkomende partij evenmin strijdig met het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven. De anonieme donor moet worden beschouwd als een buitenstaander die geen enkele band heeft met het verwekte kind. Bovendien kan een dergelijk verzoek eveneens het privéleven en het gezinsleven van de donor ernstig verstoren en de vertrouwensrelatie met de arts en het fertiliteitscentrum beschadigen. In ieder geval kan het Hof volgens de tussenkomende partij hoogstens een lacune vaststellen die de wetgever dient op te vullen. 5 –B– Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 « betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten » (hierna : de wet van 6 juli 2007). Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt : « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte (of voor een parlementaire onderzoekscommissie) getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ». Artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 bepaalt : « Wanneer gameten gebruikt worden voor een donatieprogramma, moet het geraadpleegde fertiliteitscentrum alle gegevens die zouden kunnen leiden tot de identificatie van de donor, ontoegankelijk maken. De niet-anonieme donatie berustend op de toestemming van de donor en de ontvanger(
- s)is toegestaan. Iedere persoon die in of voor een fertiliteitscentrum werkt en die op welke manier ook kennis neemt van informatie waarmee de donoren van gameten kunnen worden geïdentificeerd, is gebonden door het beroepsgeheim en kan worden gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek ». B.1.2. Artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 waarborgt de anonimiteit van de donor van gameten die niet samen met de ontvanger(
- s)heeft ingestemd met een niet-anonieme donatie. Krachtens die bepaling zijn de fertiliteitscentra ertoe gehouden om alle gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van de donor van gameten, ontoegankelijk te maken. Iedereen die in of voor een fertiliteitscentrum werkt en op welke manier ook kennisneemt van die informatie, is bovendien gebonden door het beroepsgeheim, waarvan de overtreding wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. 6 Krachtens artikel 458 van het Strafwetboek wordt de houder van het beroepsgeheim die het hem toevertrouwde geheim bekendmaakt, buiten het geval dat hij geroepen wordt om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hem verplicht of toelaat het geheim bekend te maken, gestraft met een gevangenisstraf van één jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met één van die straffen alleen. B.2.1. Eveneens relevant voor het beantwoorden van de prejudiciële vragen zijn de artikelen 56, 64, § 1, en 65 van de wet van 6 juli 2007. Artikel 56 van de wet van 6 juli 2007 bepaalt : « Vanaf de inseminatie van de gedoneerde gameten spelen de afstammingsregels als bepaald in het Burgerlijk Wetboek in het voordeel van de wensouder(
- s)die de gameten ontvangen heeft (hebben). Donoren van gameten kunnen geen rechtsvordering instellen betreffende de afstamming of de daaruit voortvloeiende vermogensrechtelijke gevolgen. Ook de ontvanger(
- s)van gameten en het kind geboren dankzij de inseminatie van gameten kunnen geen rechtsvordering instellen betreffende de afstamming of de daaruit voortvloeiende vermogensrechtelijke gevolgen tegen de donor(
- en)van gameten ». Artikel 64, § 1, van de wet van 6 juli 2007, laatst gewijzigd bij de wet van 11 juli 2023 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheid », bepaalt : « Onverminderd de verordening van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016, nr. 2016/679/EU betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, verzamelt het fertiliteitcentrum voor iedere donor van gameten de volgende gegevens : 1° medische informatie met betrekking tot de donor van gameten die belangrijk kan zijn voor de gezonde ontwikkeling van het ongeboren kind; 2° de fysieke kenmerken van de donor van gameten; 3° de informatie die nodig is voor de toepassing van deze wet ». Artikel 65 van de wet van 6 juli 2007, laatst gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015 « houdende diverse bepalingen inzake gezondheid », bepaalt : 7 « De gegevens met betrekking tot de donor van gameten, die vermeld worden in artikel 64, § 1, 1°, mogen worden meegedeeld door het fertiliteitscentrum : 1° aan de ontvangster van de gameten of aan het paar dat de gameten ontvangt, wanneer zij daarom vragen op het moment dat zij een keuze maken; 2° voor zover de gezondheid van de persoon die verwekt is door de inseminatie met gameten dit vereist, aan diens huisarts of aan die van de ontvangster van de gameten of het paar dat de gameten ontvangt ». B.2.2. Artikel 56 van de wet van 6 juli 2007 bepaalt dat de ontvangers van gameten en het kind geboren dankzij de inseminatie van gameten geen rechtsvordering kunnen instellen tegen de donor betreffende de afstamming of de daaruit voortvloeiende vermogensrechtelijke gevolgen. Die bepaling verhindert eveneens dat de donoren van gameten een dergelijke vordering instellen. B.2.3. Overeenkomstig artikel 65 van de wet van 6 juli 2007, in samenhang gelezen met artikel 64, § 1, 1°, van dezelfde wet, mogen de fertiliteitscentra medische informatie met betrekking tot de donor van gameten die belangrijk kan zijn voor de gezonde ontwikkeling van het ongeboren kind meedelen aan de ontvangers van de gameten, wanneer zij daarom vragen op het moment dat zij een keuze maken, evenals aan de huisarts van het verwekte kind of aan die van de ontvangers van de gameten, voor zover de gezondheid van de persoon die verwekt is door de inseminatie met gameten dit vereist. Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.3.1. Met de eerste prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 458 van het Strafwetboek bestaanbaar is met artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het degene die is geboren uit een zwangerschap die tot stand is gebracht door een medische voortplantingsbehandeling met behulp van gedoneerde gameten, verhindert om vanwege de verstrekker van de behandeling eender welke informatie te verkrijgen over de donor van de gameten. 8 Met de tweede prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 bestaanbaar is met artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het degene die is geboren uit een zwangerschap die tot stand is gebracht door een medische voortplantingsbehandeling met behulp van gedoneerde gameten, verhindert om vanwege de verstrekker van de behandeling gegevens te verkrijgen over de donor van de gameten die zouden kunnen leiden tot zijn identificatie. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. B.3.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een meerderjarige persoon geboren uit een zwangerschap die tot stand is gebracht door een medische voortplantingsbehandeling met behulp van gedoneerde gameten die plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2007. Zij vordert van het ziekenhuis waar de behandeling heeft plaatsgevonden, de overmaking van de identificerende gegevens en niet-identificerende gegevens van de donor van de gameten. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese en begrijpt de prejudiciële vragen zo dat ze betrekking hebben op het overmaken van die gegevens door het fertiliteitscentrum. B.4.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vragen uitgaan van een kennelijk verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen. Volgens hem verbieden die bepalingen uitsluitend het meedelen van gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van de donor die op anonieme basis heeft gedoneerd. Bovendien staat artikel 65 van de wet van 6 juli 2007 het fertiliteitscentrum uitdrukkelijk toe om onder bepaalde voorwaarden medische informatie met betrekking tot de donor van gameten die belangrijk kan zijn voor de gezonde ontwikkeling van het verwekte kind, mee te delen. De tussenkomende partij onderschrijft het standpunt van de Ministerraad in zoverre het betrekking heeft op artikel 65 van de wet van 6 juli 2007. B.4.2. Artikel 458 van het Strafwetboek, dat het voorwerp uitmaakt van de eerste prejudiciële vraag, verbiedt houders van het beroepsgeheim niet om de hen toevertrouwde geheimen bekend te maken indien de wet, het decreet of de ordonnantie de bekendmaking toelaat of verplicht. Artikel 65 van de wet van 6 juli 2007 bevat een dergelijke toelating voor 9 medische informatie met betrekking tot de donor van gameten die belangrijk kan zijn voor de gezonde ontwikkeling van het verwekte kind, zij het dat die toelating uitsluitend geldt voor mededelingen aan de ontvangers van de gameten en aan de huisarts van het verwekte kind of van die ontvangers. Voor het overige laat de wet van 6 juli 2007 niet toe gegevens met betrekking tot de donor vrij te geven. De eerste prejudiciële vraag gaat bijgevolg niet uit van een kennelijk verkeerde interpretatie, in zoverre zij is gesteld in een geschil waarin het donorkind identificerende en niet-identificerende informatie betreffende de donor opvraagt bij het fertiliteitscentrum zonder dat daartoe enige medische noodzaak bestaat. Artikel 57 van de wet van 6 juli 2007, dat het voorwerp uitmaakt van de tweede prejudiciële vraag, verplicht de fertiliteitscentra om de identificerende gegevens ontoegankelijk te maken en onderwerpt iedereen die in of voor een fertiliteitscentrum werkt en op welke manier ook kennisneemt van die informatie, aan het beroepsgeheim. De tweede prejudiciële vraag, die uitsluitend betrekking heeft op identificerende gegevens, gaat evenmin uit van een kennelijk verkeerde interpretatie. B.5.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». 10 B.5.2. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.5.3. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven heeft een ruime draagwijdte en houdt onder meer een recht in op identiteit en persoonlijke ontwikkeling en daaruit voortvloeiend een recht om zijn of haar afstamming te kennen. Onder de aangelegenheden die een impact hebben op de zelfontplooiing behoren immers het vaststellen van de elementen van de identiteit van een persoon als menselijk wezen en het vitale belang bij het verkrijgen van informatie die nodig is om de waarheid te kennen over belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit, zoals de identiteit van zijn verwekker. De geboorte, en met name de omstandigheden daaromheen, maken deel uit van het privéleven van het kind, en vervolgens van de volwassene. Het belang van een persoon om zijn afstamming te kennen houdt niet op bij het ouder worden (EHRM, 7 september 2023, Gauvin-Fournis en Silliau t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2023:0907JUD002142416, §§ 106 en 109; 30 januari 2024, Cherrier t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2024:0130JUD001884320, § 50; zie ook EHRM, grote kamer, 13 februari 2003, Odièvre t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004232698, §§ 29 en 44; 25 september 2012, Godelli t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2012:0925JUD003378309, §§ 46, 63 en 69). B.5.4. Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, net als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat in die inmenging wordt voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een 11 daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven garanderen, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1994:1027JUD001853591, § 31). B.5.5. Bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, dient de wetgever een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de concurrerende belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, ECLI:CE:ECHR:1994:0526JUD001696990, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, reeds aangehaald, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2005:0602JUD007778501, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD007482601, § 34). In dat opzicht beschikt de wetgever over een appreciatiemarge, die evenwel niet onbegrensd is : teneinde te beoordelen of een wettelijke regel verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle in het geding zijnde rechten en belangen. Daartoe volstaat het niet dat de wetgever een evenwicht tot stand brengt tussen de concurrerende belangen van het individu en die van de samenleving in haar geheel, maar moet hij ook een evenwicht tot stand brengen tussen de concurrerende belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2010:0706JUD003649805, § 46), op gevaar af een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen. De appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt, is ruimer indien het gaat om moeilijke morele of ethische vragen of wanneer een evenwicht moet worden gevonden tussen conflicterende belangen of rechten. De appreciatiemarge is daarentegen beperkter indien een bijzonder belangrijk aspect van iemands bestaan of identiteit in het geding is (EHRM, 7 september 2023, Gauvin-Fournis en Silliau t. Frankrijk, reeds aangehaald, §§ 105 en 111- 112; 30 januari 2024, Cherrier t. Frankrijk, reeds aangehaald, §§ 52, 67-69). B.6. De in het geding zijnde bepalingen vallen onder het toepassingsgebied van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien zij betrekking hebben op de toegang tot informatie betreffende de donor door een kind dat is geboren dankzij gedoneerde gameten. 12 B.7.1. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2007 vloeide de anonimiteit van de donor uitsluitend voort uit artikel 458 van het Strafwetboek. De onmogelijkheid voor het fertiliteitscentrum of de verstrekker van de behandeling om informatie over de donor te verstrekken, was toen algemener, aangezien de uitzondering bedoeld in artikel 65 van de wet van 6 juli 2007, in samenhang gelezen met artikel 64 van dezelfde wet, nog niet bestond. B.7.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 juli 2007 blijkt dat de wetgever de anonimiteit van de donor van gameten die op anonieme basis heeft gedoneerd, heeft behouden om te vermijden dat, zoals in enkele landen waar de anonimiteit van de donor was opgeheven, een tekort aan donoren zou ontstaan : « Een ander belangrijk punt heeft betrekking op de anonimiteit van donoren van gameten. Hier wordt gekozen voor een status quo. In de werkgroep ‘ bio-ethiek ’ waren weliswaar een aantal senatoren duidelijk gewonnen voor de opheffing van deze anonimiteit, maar de alarmerende berichten uit sommige buurlanden in verband met het tekort aan donoren heeft toch tot enige voorzichtigheid aanleiding gegeven. Het is wellicht beter om eerst na te gaan wat de effecten zijn van de opheffing van de anonimiteit en pas dan eventueel deze stap ook in ons land te zetten. Op vandaag smeken vele medici om de anonimiteit toch maar te behouden; het gevolg is weliswaar dat mensen uit, bijvoorbeeld, Nederland een beroep doen op de Belgische fertiliteitscentra » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1440/9, p. 61). Dezelfde parlementaire voorbereiding geeft ook aan waarom de wetgever, wat de niet-identificerende gegevens van de donor betreft, uitsluitend de mededeling van medische informatie met betrekking tot de donor van gameten die belangrijk kan zijn voor de gezonde ontwikkeling van het verwekte kind, heeft willen toestaan : « De minister wijst er in verband met amendement nr. 22 op dat de gegevens alleen omwille van de medische veiligheid worden overgezonden aan hetzij de huisarts, hetzij een arts die werkt in een centrum voor reproductieve geneeskunde, een erfelijkheidscentrum of een andere medische omgeving. Wat de niet-identificeerbare gegevens van de donor betreft, wordt ernaar gestreefd die niet relevante gegevens niet ter kennis te brengen van het kind of van de familie teneinde de mythe dat het karakter van het kind bijvoorbeeld in de genen van de donor zou zitten niet in stand te houden » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2567/004, pp. 40 en 41). Die doelstellingen zijn legitiem. B.8.1. De medisch begeleide voortplanting middels een anonieme donatie van gameten vindt plaats binnen een rechtsverhouding tussen het fertiliteitscentrum en de donor (artikel 59 13 van de wet van 6 juli 2007) en binnen een rechtsverhouding tussen het fertiliteitscentrum en de ontvanger van de gameten (artikel 62 van de wet van 6 juli 2007). Bij de beoordeling van de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen, moet het Hof echter nagaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft bewerkstelligd tussen de concurrerende belangen van alle bij de medisch begeleide voortplanting betrokken personen, te weten het fertiliteitscentrum, de donor van gameten, de ontvanger van gameten en het verwekte kind. Wat de anonimiteit van de donoren betreft, beoogt het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet de belangen van het fertiliteitscentrum te beschermen, maar wel deze van die donoren. In het bijzonder de donoren die vóór de uitspraak van het onderhavige arrest gameten hebben gedoneerd, beschikken op grond van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, over de legitieme verwachting dat de regel van de anonimiteit waaronder zij hun donatie hebben verricht, hun bescherming zou blijven bieden. B.8.2. De legitieme belangen van de donor nemen evenwel niet weg dat, zoals in B.5.3 is vermeld, het kennen van zijn afkomst een bijzonder belangrijk aspect is van iemands identiteit. De in het geding zijnde bepalingen maken het in hoofde van het verwekte kind, dat zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nooit tegen de anonimiteit van de donor heeft kunnen verzetten, onmogelijk, in alle omstandigheden en ongeacht het belang dat zij inroepen, om enige identificerende of niet-identificerende informatie met betrekking tot de donor te verkrijgen van het fertiliteitscentrum. De in het geding zijnde bepalingen maken het het donorkind evenmin mogelijk om de donor rechtstreeks of onrechtstreeks te contacteren teneinde na te gaan of hij instemt met de opheffing van zijn anonimiteit. Zij ontnemen donorkinderen aldus op absolute wijze iedere mogelijkheid om hun afkomst te achterhalen via het fertiliteitscentrum, zelfs indien de donor zelf zou instemmen met de opheffing van de anonimiteit. Aldus heeft de wetgever geen billijk evenwicht bewerkstelligd tussen de in het geding zijnde belangen, maar heeft hij een absolute voorrang gegeven aan de belangen van de donor, ten nadele van de belangen van het verwekte kind. 14 B.9. Artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 zijn bijgevolg niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij het donorkind op absolute wijze beletten om enige identificerende of niet-identificerende informatie betreffende de donor te verkrijgen van het fertiliteitscentrum. B.10. Het staat aan de wetgever een wetgeving uit te werken met betrekking tot de toegang tot informatie betreffende de donor door een kind dat is geboren dankzij gedoneerde gameten, die een billijk evenwicht tot stand brengt tussen alle betrokken belangen en rechten, en in het bijzonder tussen het recht van het donorkind om zijn afkomst te kennen en het recht van de donor van gameten op de eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.11.1. De Ministerraad verzoekt het Hof de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven voor alle gametendonaties die plaatsvonden vóór het arrest, alsook voor alle gametendonaties die plaatsvinden tot zes maanden na het arrest. B.11.2. Krachtens artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wijst het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. B.11.3. Het wegwerken van de vastgestelde ongrondwettigheid vereist, zoals in B.5.5 is vermeld, dat de wetgever een billijk evenwicht tot stand brengt tussen de concurrerende belangen van het individu en de samenleving in haar geheel. Zoals in B.8.1 is vermeld, omvatten de belangen van het individu niet alleen die van het verwekte kind, maar ook onder andere die van de donoren van de gameten, die over de legitieme verwachting beschikken dat de regel van de anonimiteit waaronder zij hun donatie hebben verricht, hun bescherming zou blijven bieden. De wetgever dient, zoals eveneens is vermeld in B.5.5, dat billijk evenwicht bovendien tot stand te brengen in een context waarin ethische vragen rijzen. 15 Teneinde de wetgever toe te laten met al die belangen rekening te houden, dienen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te worden gehandhaafd tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van de in B.10 vermelde wetsbepalingen en uiterlijk tot en met 30 juni 2027. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 57 van de wet van 6 juli 2007 « betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten » schenden artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij het kind dat is geboren dankzij gedoneerde gameten op absolute wijze beletten om enige identificerende of niet-identificerende informatie betreffende de donor te verkrijgen van het fertiliteitscentrum. - De gevolgen van die bepalingen worden gehandhaafd tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van de in B.10 vermelde wetsbepalingen en uiterlijk tot en met 30 juni 2027. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 september 2024. De griffier, De wnd. voorzitster, Nicolas Dupont Joséphine Moerman PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.102 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:CE:ECHR:1994:05 ECLI:CE:ECHR:1994:0526JUD001696990 ECLI:CE:ECHR:1994:1027JUD001853591 ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD00423 ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004232698 ECLI:CE:ECHR:2005:0602JUD007778501 ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD00748 ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD007482601 ECLI:CE:ECHR:2010:0706JUD003649805 ECLI:CE:ECHR:2012:0925JUD003378309 ECLI:CE:ECHR:2023:0907JUD002142416 ECLI:CE:ECHR:2024:0130JUD001884320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div