id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.103 Arrest- Rolnummer: 103/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-07 Raadplegingen: 515 - laatst gezien 2026-06-18 13:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de in B.10.2, B.18.3 en B.21.2 vermelde interpretaties) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 7, 3°, en 13 van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie », ingesteld door de Vlaamse Regering. Energie - Bevoegdheidverdelende regels - 1. Gasmarkt - Wijziging van het begrip aardgas - 2. Elektriciteitsmarkt - Distributie en plaatselijke vervoer van elektriciteit - Voorwaarden inzake de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur - Delegatie aan de CREG Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 103/2024 van 26 september 2024 Rolnummer : 8112 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 7, 3°, en 13 van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie », ingesteld door de Vlaamse Regering. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 november 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 november 2023, heeft de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Frederik Vandendriessche, Mr. Pieterjan Claeys en Mr. Natan Vermeersch, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7, 3°, en 13 van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 juni 2023, derde editie). Memories zijn ingediend door : - de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Thomas Eyskens en Mr. Sebastiaan De Meue, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Barteld Schutyser, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 27 maart 2024 heeft het Hof de memorie van antwoord ingediend door de verzoekende partij onontvankelijk verklaard en uit de debatten geweerd. 2 De Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 12 juni 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 10 juli 2024. Op de openbare terechtzitting van 10 juli 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Nathanaëlle Kiekens en Mr. Lieselotte Schellekens, advocates bij de balie te Brussel, en Mr. Natan Vermeersch, tevens loco Mr. Frederik Vandendriessche en Mr. Pieterjan Claeys, voor de verzoekende partij; . Mr. Sebastiaan De Meue, tevens loco Mr. Thomas Eyskens, voor de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG); . Mr. Bart Martel en Mr. Quinten Jacobs, advocaten bij de balie te Brussel, loco Mr. Barteld Schutyser, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is bij gebrek aan aanduiding van de bestreden bepalingen en/of uiteenzetting van de middelen. De Vlaamse Regering zet immers enkel middelen uiteen tegen de bestreden artikelen 7, 3°, en 13 van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie » (hierna : de wet van 21 mei 2023) in zoverre die bepalingen op een welbepaalde manier worden geïnterpreteerd, telkens (minstens impliciet) in samenhang gelezen met nog andere bepalingen van de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen » (hierna : de Gaswet) en van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet). De Vlaamse Regering beperkt zich tot het « ter illustratie » bespreken van een aantal bestaande regelingen, zonder dat het duidelijk is of zij ook effectief haar vernietigingsberoep wenst te beperken tot die situaties getroffen door (interpretaties van) bestreden en niet-bestreden bepalingen. Bijgevolg is het bijzonder moeilijk om de draagwijdte van het verzoekschrift te ontwaren. 3 Bovendien bevat het verzoekschrift verschillende onnauwkeurigheden in de aanduiding van de bestreden bepalingen. Zo worden de gewestelijke bevoegdheden in het eerste middel gesitueerd in littera
- d)in plaats van
- f)van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en wordt pas later ook de bevoegdheid inzake de « distributie » vermeld. A.2.1. De Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG), de tussenkomende partij, is van oordeel dat het beroep ratione temporis niet ontvankelijk is, in zoverre de Vlaamse Regering in essentie wetsbepalingen bekritiseert die reeds geruime tijd van toepassing zijn. In het eerste middel gaat de Vlaamse Regering voorbij aan artikel 2, § 4, van de Gaswet, zoals ingevoegd bij de wet van 8 januari 2012 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen », dat bepaalt dat de door de Gaswet opgestelde regels voor aardgas eveneens van toepassing zijn op biogas of andere gassoorten. De kritiek van de Vlaamse Regering dat de uitbreiding van het toepassingsgebied van de Gaswet tot onder andere biogas en biomethaan afbreuk doet aan de gewestelijke energiebevoegdheid, is bijgevolg manifest laattijdig. De wijziging van de definitie van aardgas heeft slechts een wetgevingstechnische draagwijdte, in zoverre die wijziging louter strekt tot verduidelijking van de bestaande toestand. Ook de overige bepalingen die de Vlaamse Regering bij het middel betrekt, in het bijzonder de artikelen 15/9, 15/14, § 2, 5°, en 15/12 van de Gaswet, zijn niet nieuw. Ook ten aanzien van het tweede en het derde middel dient te worden vastgesteld dat de kritiek van de Vlaamse Regering zich in wezen richt tegen bepalingen die niet nieuw zijn. De machtiging om in de gedragscode voorwaarden vast te leggen inzake de « toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur » en de « verstrekking van ondersteunende diensten », is immers reeds opgenomen in de voordien geldende wettelijke bepaling. Het is slechts om wetgevingstechnische redenen, namelijk om te vermijden dat de wijzigingsbepaling al te complexe bewoordingen behoeft, dat die zinsneden opnieuw zijn aangenomen. Ook de definitie van ondersteunende diensten, waarin eveneens wordt verwezen naar de distributienetten, is reeds geruime tijd opgenomen in artikel 1, 36°, van de Gaswet. A.2.2. In ondergeschikte orde stelt de CREG dat de gevorderde vernietiging van de bestreden bepalingen de Vlaamse Regering niet tot voordeel kan strekken. In de hypothese van de vernietiging van de artikelen 7, 3°, en 13 van de wet van 21 mei 2023 herleeft immers de voordien geldende regeling, die bepalingen met eenzelfde draagwijdte omvat. De Vlaamse Regering heeft bijgevolg geen belang bij het vernietigingsberoep, noch bij de aangevoerde middelen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.3. De Vlaamse Regering voert in het eerste middel een schending aan, door artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, van de gewestelijke bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van de energie in de zin van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en in het bijzonder van de gewestelijke bevoegdheid inzake de nieuwe energiebronnen en inzake distributie in de zin van artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
- b)en d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De Vlaamse Regering bekritiseert het feit dat artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 de definitie van het begrip « aardgas » in artikel 1, 2°, van de Gaswet wijzigt, waardoor dat begrip niet langer alleen fossiel aardgas omvat, maar onder andere ook biogas en biomethaan. Aldus wordt het toepassingsgebied van een aantal bestaande regelingen in de Gaswet in verband met opslag en productie onrechtstreeks uitgebreid tot kleine(
- re)onshore productie- en opslaginstallaties, zoals biogasinstallaties. Ter illustratie verwijst de Vlaamse Regering naar het feit dat nu ook kleinschalige biogasproductie-installaties vallen onder het begrip « upstream-installaties » in de zin van artikel 2, 6°, van de Gaswet en aldus onderworpen worden aan de bepalingen van de Gaswet. De Vlaamse Regering verwijst in het bijzonder naar de regeling inzake de toegang tot die installaties krachtens artikel 15/9 van de Gaswet, evenals naar de vergunningsplicht en de veiligheidsvoorschriften in de zin van de artikelen 3 en 17 van de Gaswet. Voorts heeft de uitbreiding van het begrip « aardgas » tot gevolg dat veel meer entiteiten – waaronder ook kleine(
- re)onshore aardgasproducenten – onder het begrip « aardgasonderneming » in de zin van artikel 1, 5°bis, van de Gaswet vallen, waardoor ook het toezicht van de CREG op onrechtmatige wijze wordt uitgebreid. 4 Tot slot zal een onderneming die op kleinschalige wijze biogas produceert en dat biogas ook opslaat in een kleinschalige opslaginstallatie, beschouwd worden als verticaal geïntegreerd in de zin van artikel 1, 38°, van de Gaswet en worden onderworpen aan de verplichting krachtens artikel 15/12, § 2, van de Gaswet om een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de opslagactiviteiten. Nochtans ressorteren enkel de productie- en opslaginstallaties die een voldoende substantiële invloed kunnen uitoefenen op de bevoorradingszekerheid onder de federale bevoegdheid inzake energie, alsook alle productie- en opslaginstallaties in de Belgische Noordzee. Alle andere productie- en opslaginstallaties, en in het bijzonder productie-installaties voor hernieuwbare energie, behoren tot de gewestelijke bevoegdheden. A.4.1. De Ministerraad merkt vooreerst op dat uit het verzoekschrift blijkt dat niet de wijziging van de definitie van het begrip « aardgas » in artikel 1, 2°, van de Gaswet op zich wordt bestreden. Het is louter door de weerslag van die definitie op de draagwijdte van andere, niet bestreden bepalingen dat de Vlaamse Regering een bevoegdheidsschending meent te kunnen ontwaren. In ieder geval kan een definitie van een begrip op zich geen bevoegdheidsschending uitmaken. A.4.2. In zoverre de Vlaamse Regering aanvoert dat het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 op onrechtmatige wijze de draagwijdte van het begrip « upstream-installaties » wijzigt, antwoordt de Ministerraad dat de federale overheid bevoegd is om de toegang tot « upstream-installaties » te regelen op grond van haar bevoegdheid voor het vervoer van energie in de zin van artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Upstream-installaties zijn immers leidingen of installaties om aardgas te vervoeren en niet om aardgas te produceren. Het regelen van de toegang tot upstream-installaties (en dus vervoersleidingen) en de vergunningsplicht en de veiligheidsvoorschriften voor die installaties zijn onmiskenbaar inherent verbonden met de bevoegdheid voor het vervoer van aardgas. De Vlaamse Regering begrijpt het begrip « upstream-installaties » verkeerd, in zoverre die lezing inhoudt dat de productie-installaties zelf onder dat begrip vallen. De Ministerraad benadrukt in dat opzicht dat de Gaswet niet de (al dan niet kleinschalige) biogasproductie-installatie zelf regelt, maar wel een eventuele upstream-leiding die gebruikt wordt om het biogas bij de verwerkingsinstallatie of terminal te brengen. De Ministerraad merkt voorts op dat uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt dat de federale bevoegdheid voor het vervoer van energie niet tot aardgas beperkt blijft. Ook andere gassen, zoals propaan of waterstof, moeten vanuit bevoegdheidsrechtelijk perspectief als « gas » worden beschouwd. Dat geldt a fortiori voor de gassen die technisch equivalent zijn aan aardgas, zoals methaangas van niet-ondergrondse oorsprong. Bovendien beperkt de federale bevoegdheid voor het vervoer van energie zich niet tot het vervoer dat een significante bijdrage levert tot de bevoorradingszekerheid. Die federale bevoegdheid strekt zich uit tot kleinschalige upstream-installaties. A.4.3. In zoverre de Vlaamse Regering aanvoert dat het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 op onrechtmatige wijze de draagwijdte van het begrip « aardgasonderneming » uitbreidt tot kleinere onshore aardgasproducenten waardoor ook het toezicht van de CREG op onrechtmatige wijze wordt uitgebreid, antwoordt de Ministerraad dat de bevoegdheid om het toezicht door de CREG te regelen, niet afhangt van de adressaat van de verplichting waarop dat toezicht wordt uitgeoefend. De bevoegdheid om toezicht uit te oefenen, is daarentegen onlosmakelijk verbonden met de materiële bevoegdheid om een bepaalde aangelegenheid te regelen, hetzij met de bevoegdheid voor de verplichting waarop toezicht wordt uitgeoefend. De CREG oefent toezicht uit op verplichtingen die krachtens de Gaswet en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn opgelegd, en waarvan niet wordt betwist dat die passen in de federale bevoegdheden. Minstens toont het Vlaamse Gewest niet aan welke verplichting en welk toezicht door de CREG op de naleving daarvan de federale bevoegdheden inzake productie en vervoer van energie zouden overschrijden. A.4.4. In zoverre de Vlaamse Regering tot slot aanvoert dat geïntegreerde kleinschalige opslaginstallaties zouden worden onderworpen aan de verplichting krachtens artikel 15/12, § 2, van de Gaswet om een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de opslagactiviteiten, antwoordt de Ministerraad dat het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 louter de definitie van « aardgas » wijzigt. Die bepaling grijpt niet in op de genoemde verplichting voor geïntegreerde gasondernemingen om een afzonderlijke boekhouding te voeren en verandert niets aan de schaalvereiste van opslagfaciliteiten om binnen het toepassingsgebied van de Gaswet te vallen. Aangezien de federale overheid overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd is voor de « grote infrastructuren voor de stockering » van energie, zijn de verplichtingen die verband 5 houden met die bevoegdheid voor de opslag van energie vanzelfsprekend enkel van toepassing op grote opslaginstallaties, ongeacht of de gasvormige brandstof al dan niet van ondergrondse oorsprong is. Voor zover die verplichting om een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de opslagactiviteiten ook van toepassing is op geïntegreerde kleinschalige opslaginstallaties, is de federale bevoegdheidsgrondslag niet de bevoegdheid inzake de opslag van energie, doch wel de economische bevoegdheid inzake het mededingingsrecht, het handelsrecht en het vennootschapsrecht die is neergelegd in artikel 6, VI, vierde lid, 4° en 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.5. De CREG voert aan dat de Gaswet geen alomvattende regeling van de aardgasmarkt omvat, maar in essentie betrekking heeft op (de infrastructuur voor) de opslag en het vervoer van aardgas. De Gaswet beoogt dus niet de productie of de distributie van aardgas te regelen, zodat aan de onderscheiden bepalingen van de Gaswet geen lezing kan worden gegeven die uitgaat van het tegendeel. Het loutere gegeven dat de definitie van aardgas aangepast wordt om ook niet-fossiele vormen van methaan te omvatten, vormt op zich geen inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake energie. De federale overheid blijft voor die energievormen immers bevoegd voor de « grote infrastructuren », waaronder de vervoersinfrastructuur. In zoverre de Vlaamse Regering verwijst naar de regeling inzake upstream-installaties die is neergelegd in artikel 15/9 van de Gaswet, merkt de CREG op dat die bepaling geen betrekking heeft op de productie van aardgas, doch slechts op het vervoer, zulks in overeenstemming met de algemene systematiek van de Gaswet. Die bepaling beoogt in het bijzonder het vervoer van gas van de productiesites naar de aanlandingsterminal in de context van de aardgasontginning op zee, die de facto plaatsvindt buiten het Belgische grondgebied. Het feit dat die regeling thans ook betrekking zou hebben op andere vormen van methaanproductie, vormt geen schending van de gewestelijke bevoegdheid. In zoverre de Vlaamse Regering verwijst naar de toezichtsbevoegdheid van de CREG op de « aardgasondernemingen », stelt de CREG dat de Vlaamse Regering op geen enkele wijze concreet maakt hoe die toezichtsbevoegdheid strijdig zou zijn met de gewestelijke energiebevoegdheid ingevolge de wijziging die is aangebracht bij het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023. Daar de Gaswet in essentie het vervoer en de opslag van energie regelt, valt niet in te zien hoe de toezichtsbevoegdheid van de CREG uitgebreid zou worden tot kleine(
- re)onshore aardgasproducenten die zijn aangesloten op een distributienet. Ook in de mate dat de Vlaamse Regering aanvoert dat de kans reëel is dat de Gaswet van toepassing wordt op kleinschalige opslag van onder meer biomethaan en e-methaan, is het middel volgens de CREG ongegrond. Het middel bekritiseert in wezen immers de bestaande regeling, die niet gewijzigd is door de wet van 21 mei 2023 en daarmee geen enkel verband vertoont. De CREG ziet voorts niet in hoe de verwijzing naar artikel 15/12, § 2, van de Gaswet de kritiek van de Vlaamse Regering kan staven. Wat betreft het tweede middel A.6. De Vlaamse Regering voert in het tweede middel een schending aan, door artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, van de gewestelijke bevoegdheid inzake de distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit, vervat in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, doordat die bepaling de CREG de bevoegdheid geeft om in de gedragscode voorwaarden inzake « de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur » te bepalen, zonder die te beperken tot de grensoverschrijdende infrastructuur op het niveau van het transmissienet. In zoverre de CREG aldus de bevoegdheid wordt toegekend om de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur op het niveau van het plaatselijk vervoersnet en de distributienetten te regelen, doet artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023 afbreuk aan de exclusieve gewestelijke bevoegdheid inzake distributie. A.7. Volgens de Ministerraad mist het tweede middel feitelijke en juridische grondslag. De draagwijdte van artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, is immers wel degelijk beperkt tot de toegang tot de grensoverschrijdende infrastructuur op het transmissienet. In zoverre de bestreden bepaling voor meerdere interpretaties vatbaar zou zijn, moet de bevoegdheidsconforme interpretatie worden gehanteerd dat die bepaling niet van toepassing is op de 6 distributienetbeheerder. De Vlaamse Regering toont niet aan waarom een bevoegdheidsconforme interpretatie niet mogelijk zou zijn. A.8. Volgens de CREG gaat het middel uit van een verkeerde interpretatie van artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023. Zelfs indien de betrokken zinsnede niet uitdrukkelijk vermeldt dat het om voorwaarden omtrent de toegang tot grensoverschrijdende transmissie-infrastructuur gaat, kan op basis van de context van die bepaling moeilijk tot een ander besluit gekomen worden. De gedragscode in kwestie heeft betrekking op het transmissienet, en dat geldt ook voor de voorwaarden inzake de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur. Dat geldt des te meer daar de CREG reeds een gedragscode heeft vastgesteld op grond van het oude artikel 11 van de Elektriciteitswet, en daarin geenszins een regeling is opgenomen voor « grensoverschrijdende distributienetten » (voor zover die ook effectief bestaan). Wat betreft het derde middel A.9. De Vlaamse Regering voert in het derde middel een schending aan, door artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, van de gewestelijke bevoegdheid inzake de distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit, vervat in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, doordat die bepaling de CREG de bevoegdheid geeft om in de gedragscode de voorwaarden inzake « de verstrekking van ondersteunende diensten » te bepalen, zonder die te beperken tot ondersteunende diensten op het niveau van het transmissienet. De Vlaamse Regering verwijst naar de definitie van het begrip « ondersteunende dienst » in artikel 2, 101°, van de Elektriciteitswet, dat ook de ondersteunende diensten omvat die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van een distributienet. Uit de samenlezing van die definitie met het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023 volgt dat de CREG de bevoegdheid wordt toegekend om de toegang tot ondersteunende diensten op het niveau van het plaatselijk vervoersnet en de distributienetten te regelen, hetgeen afbreuk doet aan de exclusieve gewestelijke bevoegdheid inzake distributie. A.10. Volgens de Ministerraad volgt uit het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023 en uit de definitie van het begrip « ondersteunende dienst » in artikel 2, 101°, van de Elektriciteitswet inderdaad dat de bevoegdheid van de CREG tot het bepalen van de voorwaarden voor het verstrekken van ondersteunende diensten tevens betrekking heeft op ondersteunende diensten ten behoeve van het distributienet. Hierdoor wordt geen afbreuk gedaan aan de gewestelijke bevoegdheid inzake distributie, daar de ondersteunende diensten voor het net een aangelegenheid uitmaken die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal niveau behoeven en waarvoor bijgevolg enkel de federale overheid bevoegd is. De aankoop en het beschikbaar houden van ondersteunende diensten door de transmissienetbeheerder zijn immers een cruciaal middel om het netevenwicht te waarborgen. Dat netevenwicht kan alleen worden verzekerd indien het transmissienet en het distributienet als geheel in evenwicht zijn. De transmissienetbeheerder moet door middel van de nodige maatregelen onmiddellijk kunnen ingrijpen om de stabiliteit van het net in zijn geheel te vrijwaren en aldus de bevoorradingszekerheid van het hele land te waarborgen. Het is bijgevolg inherent aan zijn bevoegdheid inzake het transmissienet dat de federale wetgever kan bepalen dat de CREG in haar gedragscode de voorwaarden inzake het verstrekken van dergelijke ondersteunende diensten vastlegt, ook voor ondersteunende diensten ten behoeve van het distributienet. De federale overheid is overigens ook bevoegd voor de organisatie van de elektriciteitsmarkt, die de markt voor de verhandeling van ondersteunende diensten omvat. Die bevoegdheid strekt zich logischerwijze ook uit tot de markt voor het verstrekken van ondersteunende diensten ten behoeve van het distributienet, daar er geen afzonderlijke elektriciteitsmarkt voor het verstrekken van ondersteunende diensten ten behoeve van het distributienet bestaat. A.11. De CREG voert aan dat uit de verwijzing naar zowel transmissie- als distributiesystemen in de definitie van « ondersteunende dienst » in artikel 2, 101°, van de Elektriciteitswet, niet kan worden afgeleid dat de gedragscode het leveren van ondersteunende diensten aan het distributienet beoogt te regelen. De CREG herhaalt dat uit de context van artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, blijkt dat de gedragscode en de voorwaarden inzake « de verstrekking van ondersteunende diensten » principieel betrekking hebben op het transmissienet. Dat geldt des te meer daar de CREG reeds een gedragscode heeft vastgesteld op grond van het oude artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet, en daarin geenszins een regeling is opgenomen voor « ondersteunende diensten op de distributienetten ». Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat de CREG op termijn bepalingen in de gedragscode zal moeten opnemen die zijdelings betrekking 7 hebben op ondersteunende diensten die op het distributienet worden geleverd, zonder dat dit aanleiding zou geven tot de schending van de gewestelijke bevoegdheid. Zulks zou het geval zijn wanneer de op het distributienet uitgeoefende ondersteunende diensten een impact zouden hebben op het transmissienet, die dan gemitigeerd zouden moeten worden om het evenwicht van het elektriciteitsnet als geheel te bewaren. -B– B.1.1. De Vlaamse Regering vordert de vernietiging van de artikelen 7, 3°, en 13 van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie » (hierna : de wet van 21 mei 2023). B.1.2. De wet van 21 mei 2023 wijzigt de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen » (hierna : de Gaswet) en de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet). De wijzigingen kunnen worden onderverdeeld in zes « luiken ». Het beroep tot vernietiging betreft het « luik tot aanpassing van de definitie van aardgas » en het « luik inzake het wettelijk kader van het technisch reglement inzake elektriciteit en de gedragscode inzake elektriciteit » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3238/001, p. 3). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2.1. Volgens de Ministerraad is het beroep gedeeltelijk niet ontvankelijk bij gebrek aan aanduiding van de bestreden bepalingen en uiteenzetting van de middelen. B.2.2. Krachtens artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) dient het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen te bevatten. Om te voldoen aan de vereisten van het voormelde artikel 6 moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereisten zijn ingegeven, enerzijds, door de noodzaak voor het Hof vanaf het indienen van 8 het verzoekschrift in staat te zijn de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging te bepalen en, anderzijds, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partijen te antwoorden, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partij aangeeft welke de artikelen of de onderdelen ervan zijn die volgens haar een schending uitmaken van de in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving verzekert. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift, inzonderheid op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het beperkt derhalve zijn onderzoek tot die onderdelen van de bestreden bepalingen waarvan wordt uiteengezet in welk opzicht zij de in de middelen aangevoerde referentienormen zouden schenden en tot die referentienormen waarvan wordt uiteengezet in welk opzicht ze zouden zijn geschonden. Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel B.3.1. In het eerste middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 afbreuk doet aan artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
- b)en
- d)(lees : f)), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), doordat die bepaling de definitie van het begrip « aardgas » in artikel 1, 2°, van de Gaswet wijzigt, waardoor dat begrip niet langer alleen fossiel aardgas omvat maar onder andere ook biogas en biomethaan, en het toepassingsgebied van een aantal bestaande regelingen in de Gaswet in verband met opslag en productie onrechtstreeks wordt uitgebreid tot kleine(
- re)onshore productie- en opslaginstallaties, zoals biogasinstallaties. Die bevoegdheidsoverschrijding komt volgens de Vlaamse Regering in het bijzonder tot uiting wanneer de bestreden bepaling wordt samengelezen met artikel 1, 5°bis, 6° en 38°, van de Gaswet. 9 B.3.2. Uit de uiteenzetting van het eerste middel in het verzoekschrift blijkt duidelijk dat de Vlaamse Regering een schending aanvoert van de gewestelijke bevoegdheid inzake gasdistributie en inzake de nieuwe energiebronnen in de zin van artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
- b)en f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Uit de memories van de Ministerraad en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG) blijkt overigens dat ze het eerste middel in die zin hebben begrepen en op adequate wijze hebben geantwoord op de grieven die door de Vlaamse Regering zijn geformuleerd. Het Hof onderzoekt het middel in die zin. B.4.1. Vóór de wijziging ervan bij artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 definieerde artikel 1, 2°, van de Gaswet « aardgas » als : « elke gasvormige brandstof die hoofdzakelijk bestaat uit methaan van ondergrondse oorsprong, met inbegrip van vloeibaar aardgas, afgekort ‘ LNG ’ ». Het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 heeft in die definitie de woorden « van ondergrondse oorsprong » opgeheven. Die wijziging strekt ertoe de definitie van « aardgas » niet langer te beperken tot fossiel aardgas, maar uit te breiden tot elke gasvormige brandstof die hoofdzakelijk bestaat uit methaan, waaronder biogas, biomethaan en synthetisch methaan. B.4.2. Het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 wordt in de memorie van toelichting als volgt verantwoord : « In het kader van de lopende energietransitie zullen de onafhankelijke infrastructuurbeheerders van aardgas, of het nu gaat om de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas of de beheerder van de LNG-installatie, methaan vervoeren dat van oorsprong niet noodzakelijk meer fossiel is. Het gaat bijvoorbeeld om biogas, dat is geproduceerd door middel van de fermentatie van organische stoffen (afval uit verschillende sectoren als de landbouw, de voedingsindustrie, de publieke instellingen, de horeca, het slib van zuiveringsstations, enz.) zonder zuurstof. Het kan ook gaan om bio-methaan, een gas dat wordt verkregen na een grondige zuivering van biogas. Eens gezuiverd van koolstofdioxide, water en waterstofsulfide, verkrijgt biomethaan een samenstelling die fossiel aardgas zeer dicht benadert. Die trend zal toenemen en nieuwe vormen van hernieuwbaar methaan zullen het daglicht zien die ook zullen worden vervoerd door infrastructuur die nu is bestemd voor het vervoer van fossiel aardgas. Een voorbeeld hiervan is 10 synthetisch methaan (of ‘ e-methane ’ in het Engels) dat op hernieuwbare wijze wordt geproduceerd door de combinatie van groene stroom en koolstofdioxide dat is afgevangen aan de bron bij industriële uitstoters om hun uitstoot van broeikasgassen te beperken. Om deze evolutie te weerspiegelen, wordt voorgesteld om in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (hierna ‘ de Gaswet ’) de bestaande definitie van ‘ aardgas ’, namelijk ‘ elke gasvormige brandstof die hoofdzakelijk bestaat uit methaan van ondergrondse oorsprong, met inbegrip van vloeibaar aardgas, afgekort “ LNG ” ’, te wijzigen door het criterium ‘ van ondergrondse oorsprong ’ te schrappen. Het aldus gedefinieerde concept van ‘ aardgas ’ zou objectiever en juister beantwoorden aan de chemische basissamenstelling (CH4) van de verschillende gassen die vandaag worden vervoerd of opgeslagen of die in de nabije toekomst zullen worden vervoerd of opgeslagen in het bestaande aardgasvervoersnet, de bestaande aardgasopslaginstallatie en de LNG-terminal van Zeebrugge » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3238/001, p. 4). B.5.1. De CREG voert aan dat het beroep gericht tegen artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 ratione temporis niet ontvankelijk is, in zoverre het toepassingsgebied van de Gaswet reeds door artikel 2, § 4, van de Gaswet, zoals ingevoegd bij de wet van 8 januari 2012 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen », werd uitgebreid tot biogas en andere gassoorten. B.5.2. De omstandigheid dat een middel is gericht tegen een nieuwe wettelijke bepaling die een draagwijdte heeft die soortgelijk is aan die van een bepaling die reeds bestond, leidt op zich niet tot de onontvankelijkheid van dat middel. B.5.3. Artikel 2, § 4, van de Gaswet bepaalt : « De door deze wet opgestelde regels voor aardgas, met inbegrip van LNG, zijn eveneens van toepassing, op niet-discriminerende wijze, op biogas en gas uit biomassa of andere gassoorten, in de mate dat het technisch mogelijk is om deze veilig te injecteren en te vervoeren over het aardgasvervoersnet en in de mate dat deze gassoorten in overeenstemming zijn met de toepassing van artikel 15/5undecies aangenomen gedragscode, en ook verenigbaar zijn met de kwaliteitsnormen die op het aardgasvervoersnet vereist worden ». Daargelaten de vraag of die bepaling eenzelfde draagwijdte heeft als artikel 1, 2°, van de Gaswet, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, volstaat de vaststelling dat de wetgever bij het aannemen van de bestreden bepaling zijn wil tot uitdrukking 11 heeft gebracht om opnieuw wetgevend op te treden in die aangelegenheid. Zodoende heeft hij zich de inhoud ervan toegeëigend, zodat de bepaling binnen de wettelijke termijn voor het Hof kan worden bestreden. B.5.4. In ondergeschikte orde stelt de CREG dat de Vlaamse Regering geen belang heeft bij de vernietiging van artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, daar in geval van vernietiging de voordien geldende regeling herleeft die bepalingen met eenzelfde draagwijdte omvat. B.5.5. Geen enkele bepaling in de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereist van de Vlaamse Regering een belang om een beroep tot vernietiging in te dienen. B.5.6. De excepties worden verworpen. B.6.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
- b)en f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor : « Wat het energiebeleid betreft : De gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : [...]
- b)De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet; [...]
- f)De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie ». B.6.2. Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoudt evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot de aangelegenheden « die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : [...] de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie ». 12 B.6.3. Wat betreft de samenhang tussen de aan de gewesten toegekende bevoegdheden en die welke aan de federale overheid zijn voorbehouden, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uiteengezet : « Wat het energiebeleid betreft zijn de Gewesten bevoegd voor de ‘ gewestelijke aspecten van het energiebeleid ’ en in ieder geval voor de opgesomde aangelegenheden van het eerste lid van artikel 6, § 1, VII, behalve voor de aangelegenheden waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven en die limitatief en volledig worden opgesomd na de woorden : ‘ te weten ’. De nationale overheid is bevoegd voor de voormelde uitzonderingen evenals voor de niet-gewestelijke aspecten van het energiebeleid » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 405/2, p. 111). Aldus heeft de bijzondere wetgever het energiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de openbare gasdistributie aan de gewesten is toevertrouwd, terwijl het vervoer van gas tot de bevoegdheid van de federale wetgever is blijven behoren. B.7. De federale overheid is daarnaast krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4° en 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 alleen bevoegd voor : « 4° het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken, met uitzondering van de toekenning van kwaliteitslabels en oorsprongbenamingen van regionale of lokale aard; 5° het handelsrecht en het vennootschapsrecht ». B.8. De bevoegdheid van de gewesten voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval « de openbare gasdistributie » en « de nieuwe energiebronnen », belet niet elk normerend optreden door de federale overheid ten aanzien van ander aardgas dan fossiel aardgas, met inbegrip van biogas en biomethaan. Een dergelijke federale regeling kan in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels indien zij bijvoorbeeld past binnen de federale bevoegdheid voor het vervoer van gas, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken, het handelsrecht of het vennootschapsrecht. De federale overheid mag bijgevolg een definitie van aardgas invoegen die ook biogas en biomethaan omvat. B.9. Het voorgaande neemt niet weg dat bepalingen die gebruikmaken van de bestreden definitie in overeenstemming moeten zijn met de bevoegdheidverdelende regels. 13 B.10.1. De Vlaamse Regering viseert vooreerst het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 in samenhang gelezen met de definitie van het begrip « upstream-installaties » die is neergelegd in artikel 1, 6°, van de Gaswet. De Vlaamse Regering bekritiseert het feit dat het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, door de wijziging van het begrip « aardgas », het begrip « upstream-installaties » zou uitbreiden tot kleinschalige biogasproductie-installaties die dienvolgens zouden worden onderworpen aan de artikelen 3, 15/9 en 17 van de Gaswet. B.10.2. Artikel 1, 6°, van de Gaswet definieert het begrip « upstream-installaties » als « alle leidingen en andere installaties gebouwd of geëxploiteerd als onderdeel van een olie- of aardgasproductieproject, of gebruikt om aardgas afkomstig van één of meer olie- of aardgasproductieplaatsen te vervoeren naar een verwerkingsinstallatie of -terminal of aanlandingsterminal ». Krachtens artikel 1, 8°, van de Gaswet maken die upstream-installaties deel uit van de « vervoerinstallaties ». Zoals de Ministerraad aanvoert, dient het begrip « upstream-installaties » in artikel 1, 6°, van de Gaswet te worden begrepen in die zin dat het uitsluitend betrekking heeft op leidingen of installaties om aardgas te vervoeren, en niet op installaties om aardgas te produceren. Bijgevolg is de federale overheid, op grond van zijn bevoegdheid inzake het vervoer van energie, bevoegd om de vervoersvergunning voor de bouw en de exploitatie van die installaties (artikel 3 van de Gaswet), de toegang tot die installaties (artikel 15/9 van de Gaswet) en de veiligheidsvoorschriften voor die installaties (artikel 17 van de Gaswet) te regelen. Het feit dat het begrip « upstream-installaties », ingevolge de bestreden wijziging van de definitie van het begrip « aardgas », thans ook betrekking zou hebben op leidingen of installaties om biogas of biomethaan te vervoeren, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De federale overheid is immers bevoegd voor het vervoer van alle vormen van energie, ongeacht het fossiele of hernieuwbare karakter van de vervoerde energie en ongeacht de grootte van de betrokken vervoersinfrastructuur. 14 B.10.3. In de in B.10.2 vermelde interpretatie is artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, in samenhang gelezen met artikel 1, 6°, van de Gaswet, in overeenstemming met de in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgenomen bevoegdheidverdelende regels. B.11.1. De Vlaamse Regering viseert voorts het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 in samenhang gelezen met de definitie van het begrip « aardgasonderneming » die is neergelegd in artikel 1, 5°bis, van de Gaswet. De Vlaamse Regering bekritiseert het feit dat het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, door de wijziging van het begrip « aardgas », het begrip « aardgasonderneming » zou uitbreiden tot kleine onshore aardgasproducenten die zijn aangesloten op het distributienet, die dienvolgens zouden worden onderworpen aan de toezichtsbevoegdheid van de CREG krachtens artikel 15/14, § 2, 5°, van de Gaswet. B.11.2. Artikel 1, 5°bis, van de Gaswet definieert het begrip « aardgasonderneming » als « natuurlijke persoon of rechtspersoon die ten minste een van de volgende functies vervult : productie, transmissie, distributie, telling, levering, aankoop of opslag van aardgas, met inbegrip van LNG, en die verantwoordelijk is voor de met deze functies verband houdende commerciële, technische en/of onderhoudswerkzaamheden, maar die geen eindafnemer is ». Krachtens artikel 15/14, § 2, 5°, van de Gaswet houdt de CREG toezicht « op de naleving door [...] de aardgasondernemingen van de verplichtingen die hen krachtens deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn opgelegd, evenals van de andere voor de aardgasmarkt toepasselijke wettelijke reglementaire bepalingen, onder meer inzake de grensoverschrijdende kwesties en de materies die beoogd worden door Verordening (EG) nr. 715/2009 [van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 ‘ betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 ’] ». B.11.3. De federale overheid is bevoegd om verplichtingen op te leggen aan de aardgasondernemingen in de zin van artikel 1, 5°bis, van de Gaswet en om het toezicht op de naleving van de aan de aardgasondernemingen opgelegde verplichtingen te regelen, in zoverre die verplichtingen passen binnen haar bevoegdheden voor onder meer het vervoer van gas, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken, het handelsrecht of het vennootschapsrecht. De uitbreiding van het begrip « aardgasonderneming » tot natuurlijke personen of rechtspersonen die instaan voor de productie, transmissie, distributie, telling, 15 levering, aankoop of opslag van niet-fossiel aardgas, zoals biogas of biomethaan, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De Vlaamse Regering toont niet aan welke concrete verplichting die zou worden opgelegd aan die aardgasondernemingen en waarop toezicht wordt uitgeoefend door de CREG, afbreuk zou doen aan een aan de gewesten toegewezen bevoegdheid. B.11.4. Artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, in samenhang gelezen met artikel 1, 5°bis, van de Gaswet, doet geen afbreuk aan een aan de gewesten toegewezen bevoegdheid. B.12.1. De Vlaamse Regering viseert tot slot het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023 in samenhang gelezen met de definitie van het begrip « verticaal geïntegreerde onderneming » die is neergelegd in artikel 1, 38°, van de Gaswet. De Vlaamse Regering bekritiseert het feit dat het bestreden artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, door de wijziging van het begrip « aardgas », het begrip « verticaal geïntegreerde onderneming » zou uitbreiden tot een onderneming die op kleinschalige wijze biogas produceert en dat biogas ook opslaat in een kleinschalige opslaginstallatie, die dienvolgens onderworpen zou worden aan de verplichting krachtens artikel 15/12, § 2, van de Gaswet om een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de opslagactiviteiten. B.12.2. Artikel 1, 38°, van de Gaswet definieert het begrip « verticaal geïntegreerde onderneming » als « aardgasbedrijf of groep van aardgasondernemingen waarin dezelfde persoon of dezelfde personen, direct of indirect, het recht hebben zeggenschap uit te oefenen en waarbij het bedrijf of de groep van bedrijven ten minste één van de functies van vervoer, distributie, LNG of opslag en ten minste één van de functies van productie of levering van aardgas verricht ». Krachtens artikel 15/12, § 2, van de Gaswet dienen de aardgasondernemingen die verticaal geïntegreerd zijn « in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen [te houden] voor hun activiteiten van vervoer, distributie en opslag van aardgas en de LNG-activiteiten en, in voorkomend geval, voor het geheel van hun activiteiten die niet verbonden zijn met het aardgasvervoer, de aardgasdistributie, LNG-activiteiten en aardgasopslag, zoals zij zouden moeten doen indien deze activiteiten door juridisch onderscheiden ondernemingen werden uitgevoerd ». 16 B.12.3. De verplichting voor verticaal geïntegreerde aardgasondernemingen om een afzonderlijke boekhouding te voeren voor hun opslagactiviteiten, vormt een omzetting van artikel 13, lid 3, van de richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas » (thans artikel 31, lid 3, van de richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG »), die volgens de bewoordingen ervan beoogt « discriminatie, kruissubsidiëring en concurrentievervalsing te voorkomen ». Die verplichting past bijgevolg binnen de exclusieve federale bevoegdheid voor het mededingingsrecht, het handelsrecht en het vennootschapsrecht (artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4° en 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De omstandigheid dat die verplichting ook van toepassing zou zijn op een onderneming die op kleinschalige wijze biogas produceert en opslaat in een kleinschalige opslaginstallatie, doet daaraan geen afbreuk. Het behoort op grond van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4° en 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 immers ook tot de bevoegdheid van de federale overheid om de toepassing van het in die bepalingen vermelde « mededingingsrecht », « handelsrecht » en « vennootschapsrecht » op een specifieke activiteitensector te regelen, zelfs wanneer die sector geheel of gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of gewesten behoort. B.12.4. Artikel 13 van de wet van 21 mei 2023, in samenhang gelezen met artikel 1, 38°, van de Gaswet, doet geen afbreuk aan een aan de gewesten toegewezen bevoegdheid. B.13. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.10.2, is het eerste middel niet gegrond. Wat betreft het tweede en het derde middel B.14.1. Het tweede en het derde middel zijn gericht tegen artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, dat artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet vervangt. Vóór de vervanging ervan bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, bepaalde artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet : 17 « De commissie legt een gedragscode vast. In die gedragscode bepaalt de commissie, op voorstel van de netbeheerder en na raadpleging van de netgebruikers, de voorwaarden inzake de aansluiting op en toegang tot het transmissienet. In die gedragscode bepaalt de commissie, na raadpleging van de netgebruikers en van de netbeheerder, de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake : 1° de verstrekking van ondersteunende diensten, die zo economisch mogelijk worden uitgevoerd en passende stimuleringsmaatregelen bieden voor netwerkgebruikers, om hun input en output op elkaar af te stemmen; dergelijke ondersteunende diensten worden op billijke en niet-discriminerende wijze verstrekt en zijn gebaseerd op objectieve criteria, en 2° toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur, inclusief de procedures voor de toewijzing van capaciteit en congestiebeheer ». Na de vervanging ervan bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, bepaalt artikel 11, § 2, van de Elektriciteitswet : « De commissie legt een gedragscode vast. In die gedragscode bepaalt de commissie : 1° op voorstel van de netbeheerder en na raadpleging van de netgebruikers, de voorwaarden inzake de aansluiting op en toegang tot het transmissienet, met inbegrip van de aansluitingsprocedures; 2° na raadpleging van de netgebruikers en van de netbeheerder, de voorwaarden inzake :
- a)onverminderd artikel 8, § 1/1, de verstrekking van ondersteunende diensten, die zo economisch mogelijk worden uitgevoerd en passende stimuleringsmaatregelen bieden voor netgebruikers om hun input en output op elkaar af te stemmen; dergelijke ondersteunende diensten worden op billijke en niet-discriminerende wijze verstrekt en zijn gebaseerd op objectieve criteria; en
- b)de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur, inclusief de procedures voor de toewijzing van capaciteit en congestiebeheer. In deze gedragscode bepaalt de commissie tevens, na raadpleging van de netgebruikers en van de netbeheerder, de documenten waaronder in voorkomend geval de type-overeenkomsten die de netbeheerder ter goedkeuring aan haar moet voorleggen betreffende de in deze paragraaf vermelde aangelegenheden ». B.14.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met het bestreden artikel 7 van de wet van 21 mei 2023 beoogde de « bevoegdheidsverdeling tussen de Koning 18 en de CREG op enkele punten meer precies en nog duidelijker af te bakenen en de samenhang met enkele bepalingen ingevoegd door andere wetswijzigingen op te kuisen teneinde eventuele interpretatieproblemen te vermijden en dus nog meer rechtszekerheid te verschaffen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3238/001, p. 11). B.15.1. De CREG voert aan dat het beroep gericht tegen artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023 ratione temporis niet ontvankelijk is, in zoverre de machtiging om in de gedragscode voorwaarden vast te leggen inzake de « toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur » en de « verstrekking van ondersteunende diensten » reeds was opgenomen in de voordien geldende wettelijke bepaling. B.15.2. Zoals is vermeld in B.5.2 en B.5.3, volstaat, wanneer de wetgever in een nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt, de vaststelling, daargelaten de vraag of de nieuwe bepaling dezelfde draagwijdte heeft als de oude bepaling, dat de wetgever bij het aannemen van de bestreden bepaling zijn wil tot uitdrukking heeft gebracht om opnieuw wetgevend op te treden in die aangelegenheid. De nieuwe bepaling kan dan binnen de wettelijke termijn voor het Hof worden bestreden. B.15.3. In ondergeschikte orde stelt de CREG dat de Vlaamse Regering geen belang heeft bij de vernietiging van artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, daar in geval van vernietiging de voordien geldende regeling herleeft die bepalingen met eenzelfde draagwijdte omvat. B.15.4. Zoals reeds is vermeld in B.5.5, vereist geen enkele bepaling in de bijzondere wet van 6 januari 1989 van de Vlaamse Regering een belang om een beroep tot vernietiging in te dienen. B.15.5. De excepties worden verworpen. B.16. In het tweede middel voert de Vlaamse Regering een schending aan, door artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, van de gewestelijke bevoegdheid inzake de distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit, vervat in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, doordat de bestreden bepaling de CREG de bevoegdheid zou geven om in de gedragscode voorwaarden inzake « de toegang tot grensoverschrijdende 19 infrastructuur » te bepalen, zonder deze te beperken tot de grensoverschrijdende infrastructuur op het niveau van het transmissienet. B.17.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoren tot de gewestelijke aspecten van de energie : «
- a)De distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet ». B.17.2. Zoals is vermeld in B.6.2, behoudt artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot de aangelegenheden « die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : [...] de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie ». B.17.3. Aldus heeft de bijzondere wetgever het energiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit (door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt) aan de gewesten is toevertrouwd, terwijl het (niet-plaatselijk) vervoer van elektriciteit tot de bevoegdheid van de federale wetgever is blijven behoren. B.18.1. Artikel 11, § 2, 2°, b), van de Elektriciteitswet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, machtigt de CREG om een gedragscode vast te leggen waarin zij onder meer de voorwaarden inzake de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur bepaalt. B.18.2. De Vlaamse Regering houdt voor dat die bepaling niet beperkt is tot de grensoverschrijdende infrastructuur op het niveau van het transmissienet, doch eveneens betrekking heeft op de grensoverschrijdende infrastructuur op het niveau van het plaatselijk vervoersnet en de distributienetten. 20 B.18.3. Zoals de Ministerraad aanvoert, dient artikel 11, § 2, 2°, b), van de Elektriciteitswet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, zo te worden geïnterpreteerd dat het de CREG enkel machtigt om de voorwaarden inzake de toegang tot de grensoverschrijdende infrastructuur te bepalen op het niveau van het transmissienet, zijnde een net waarvan de nominale spanning hoger is dan 70 000 volt. Die interpretatie houdt rekening met het feit dat artikel 11 van de Elektriciteitswet deel uitmaakt van hoofdstuk III van de Elektriciteitswet (« Beheer van het transmissienet »), met het feit dat het toepassingsgebied van artikel 11, § 1 en § 2, 1°, van de Elektriciteitswet wel uitdrukkelijk is beperkt tot het transmissienet, evenals met het feit dat de voorwaarden inzake de toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur krachtens artikel 11, § 2, 2°, van de Elektriciteitswet slechts kunnen worden vastgesteld « na raadpleging van de netgebruikers en van de netbeheerder », zijnde de gebruikers en de beheerders van het transmissienet (artikel 2, 8° en 18°, van de Elektriciteitswet). In die interpretatie is artikel 11, § 2, 2°, b), van de Elektriciteitswet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, in overeenstemming met de in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgenomen bevoegdheidverdelende regels. B.19. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.18.3 is het tweede middel niet gegrond. B.20. In het derde middel voert de Vlaamse Regering een schending aan, door artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, van de gewestelijke bevoegdheid inzake de distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit, vervat in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, doordat die bepaling de CREG de bevoegdheid zou geven om in de gedragscode voorwaarden inzake « de verstrekking van ondersteunende diensten » te bepalen, zonder die te beperken tot de ondersteunende diensten op het niveau van het transmissienet. B.21.1. Artikel 11, § 2, 2°, a), van de Elektriciteitswet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, machtigt de CREG om een gedragscode vast te leggen waarin zij onder meer de voorwaarden inzake « de verstrekking van ondersteunende diensten » bepaalt. 21 Artikel 2, 101°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 21 juli 2021 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen », definieert het begrip « ondersteunende dienst » als « een dienst die nodig is voor de exploitatie van een transmissie- of distributiesysteem, met inbegrip van balanceringsdiensten en niet-frequentie gerelateerde ondersteunende diensten, maar uitgezonderd congestiebeheer ». Artikel 2, 114°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU », definieert het begrip « niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst » als « een dienst die wordt gebruikt door een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor spanningsregeling in stationaire toestand, snelle blindstroominjecties, inertie voor plaatselijke netstabiliteit, kortsluitstroom, blackstartmogelijkheden en inzetbaarheid in eilandbedrijf ». B.21.2. Weliswaar sluiten de definities die zijn neergelegd in artikel 2, 101° en 114°, van de Elektriciteitswet niet uit dat diensten die worden gebruikt door een distributienetbeheerder ten behoeve van een net waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, kwalificeren als een ondersteunende dienst of een niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst. Om dezelfde redenen als vermeld in B.18.3, dient de machtiging aan de CREG om in de gedragscode de voorwaarden voor de verstrekking van ondersteunende diensten te bepalen, zoals neergelegd in artikel 11, § 2, 2°, a), van de Elektriciteitswet, evenwel zo te worden geïnterpreteerd dat de CREG enkel wordt gemachtigd om de voorwaarden te bepalen inzake de verstrekking van ondersteunende diensten die nodig zijn voor de exploitatie van het transmissienet, zijnde een net waarvan de nominale spanning hoger is dan 70 000 volt. In die interpretatie is artikel 11, § 2, 2°, a), van de Elektriciteitswet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 7, 3°, van de wet van 21 mei 2023, in overeenstemming met de in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgenomen bevoegdheidverdelende regels. 22 B.22. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.21.2 is het derde middel niet gegrond. 23 Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van de in B.10.2, B.18.3 en B.21.2 vermelde interpretaties, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 september 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.103 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.086 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div