id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.107 Arrest- Rolnummer: 107/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-14 Raadplegingen: 428 - laatst gezien 2026-06-16 04:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 909, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre het verbod niet geldt voor rechtspersonen) - De gevolgen van die bepaling, in zoverre zij ongrondwettig is bevonden, worden gehandhaafd ten aanzien van uitgevoerde beschikkingen onder levenden en van de nalatenschappen die afgesloten zijn en niet in rechte zijn betwist vóór de datum van uitspraak van dit arrest Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 909, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen Burgerlijk recht - Schenkingen onder de levenden - Woonzorgcentrum - Mogelijkheid om schenkingen van een bewoner te ontvangen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 107/2024 van 3 oktober 2024 Rolnummer : 8119 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 909, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 28 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 december 2023, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 20 december 2023 als volgt geherformuleerd werd : « Schendt/schond artikel 909, tweede lid, oud BW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het enkel van toepassing is op beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden (die aldus geen voordeel kunnen genieten van beschikkingen bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt), maar niet op de rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen zelf als rechtspersoon, zijnde een instelling/collectieve woonstructuur voor bejaarden ? ». Memories zijn ingediend door : - Peter Celis, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Tom Hermans en Mr. Yves Hautekiet, advocaten bij de balie van Antwerpen; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Aube Wirtgen en Mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel. Peter Celis heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Sabine de Bethune en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bewoonster van een woonzorgcentrum, zonder reservataire erfgenamen, verleende in 2015 een algemeen legaat aan dat woonzorgcentrum. Als algemene legataris vroeg het woonzorgcentrum de nietigverklaring van drie schenkingen die de volmachthouder van de bewoonster, in uitvoering van een zorgvolmacht, kort voor haar overlijden in 2020 aan haar nicht, tevens moeder van de volmachthouder, had gedaan. De rechter in eerste aanleg verklaarde de vordering in beperkte mate gegrond. Het woonzorgcentrum stelde hoger beroep in tegen die beslissing en vordert de volledige terugbetaling van de drie vermelde schenkingen door de begunstigde daarvan en de volmachthouder, die de geïntimeerden zijn. Zij stelden incidenteel beroep in en vragen de vordering van de appellante af te wijzen. De geïntimeerden werpen op dat het algemeen legaat aan de appellante nietig is op grond van artikel 909 van het oud Burgerlijk Wetboek. De appellante is van oordeel dat die bepaling enkel een onweerlegbaar vermoeden van onbekwaamheid bevat ten aanzien van beheerders en personeelsleden van rust- en verzorgingstehuizen en niet ten aanzien van de rust- en verzorgingstehuizen zelf. In navolging van de geïntimeerden vraagt het Hof van Beroep te Antwerpen zich af of de voormelde wetsbepaling, in die letterlijke en restrictieve interpretatie, een schending inhoudt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het stelt daarom de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- Een van de geïntimeerden voor het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof de prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden. De wetgever was van oordeel dat de bewoners van een woonzorgcentrum zich in een afhankelijkheidspositie bevinden en bescherming behoeven tegen mogelijke misbruiken. Het zou niet redelijk verantwoord zijn dat die bescherming enkel geldt tegen mogelijke misbruiken van de beheerders en personeelsleden van het woonzorgcentrum en niet tegen mogelijke misbruiken van het woonzorgcentrum zelf. In Nederland geldt de bescherming in beide gevallen, aldus de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij wijst in de eerste plaats op de discretionaire bevoegdheid van de wetgever. Het beginsel 3 van gelijkheid en niet-discriminatie is enkel geschonden indien het verschil in behandeling kennelijk onredelijk is, wat te dezen niet het geval is. Vervolgens meent hij dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is doordat elke beperking van het algemeen beginsel van rechtsbekwaamheid restrictief moet worden geïnterpreteerd. De onbekwaamheid om te beschikken ten aanzien van woonzorgcentra diende uitdrukkelijk in de wet te zijn bepaald indien zulks de bedoeling van de wetgever was. A.
- In zijn memorie van antwoord betoogt de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege dat de redenering van de Ministerraad mank loopt. Dat uitzonderingen op een algemene regel restrictief moeten worden geïnterpreteerd, doet geen afbreuk aan het feit dat de algemene regel op zich discriminerend kan zijn. Dat is hier ook het geval. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid voor een woonzorgcentrum om schenkingen en legaten van een bewoner van dat woonzorgcentrum te ontvangen. Artikel 909, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek sluit die mogelijkheid in beginsel uit voor beheerders en personeelsleden van woonzorgcentra, maar niet voor de woonzorgcentra zelf. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of dat verschil in behandeling strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie waarborgen. B.
- Artikel 909 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in het geding ten gronde, bepaalt : « Doctors in de genees-, heel- en verloskunde, officieren van gezondheid en apothekers, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament, die hij, in de loop van die ziekte, te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt. Beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt. Hiervan zijn uitgezonderd : 1° de beschikkingen tot vergelding van diensten, onder bijzondere titel gemaakt, met inachtneming van het vermogen van de beschikker en van de bewezen diensten; 4 2° De algemene beschikkingen ten voordele van bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort; 3° de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met de wie de beschikker een feitelijk gezin vormt. Dezelfde regels worden in acht genomen ten aanzien van de bedienaren van de erediensten en andere geestelijken, alsmede ten aanzien van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad ». Artikel 909 van het oud Burgerlijk Wetboek werd opgeheven bij artikel 58, 3°, van de wet van 19 januari 2022 « houdende boek 2, titel 3, ‘ Relatievermogensrecht ’ en boek 4 ‘ Nalatenschappen, schenkingen en testamenten ’ van het Burgerlijk Wetboek », met ingang van 1 juli
- Het Burgerlijk Wetboek bevat vanaf die datum een soortgelijke bepaling (artikel 4.142). B.
- Artikel 909, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd bij artikel 2, 2°, van de wet van 22 april 2003 « tot wijziging van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek ». Het eerste lid bepaalde reeds dat onder meer artsen, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, geen voordeel kunnen genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament gemaakt in de loop van die ziekte. De toevoeging van het tweede lid beoogde het reeds bestaande verbod, vervat in het eerste lid, uit te breiden tot beheerders en personeelsleden van instellingen voor residentiële ouderenzorg om de daar verblijvende personen en hun vermogen te beschermen tegen beïnvloeding van personen die zichzelf voordeel zouden willen verschaffen (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0150/001, p. 3). Het vrijwaren van de integriteit van de zorgrelaties, door mogelijke misbruiken te voorkomen, is een wettige doelstelling. B.
- Het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het onderscheid tussen begunstigde natuurlijke personen en begunstigde rechtspersonen. B.
- Ten aanzien van de legitieme doelstelling die de wetgever nastreeft, is het niet redelijk verantwoord dat de onmogelijkheid om schenkingen en legaten van een bewoner van een woonzorgcentrum te ontvangen, enkel geldt voor beheerders en personeelsleden van dat 5 woonzorgcentrum en niet voor het woonzorgcentrum zelf. Ook rechtspersonen kunnen, door toedoen van hun wettelijke vertegenwoordigers, zichzelf voordeel verschaffen door misbruik te maken van de zorgrelaties, zodat het eveneens noodzakelijk is om de bewoners van instellingen voor residentiële ouderenzorg hiertegen te beschermen. B.
- Het verschil in behandeling tussen woonzorgcentra en de beheerders en personeelsleden ervan is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Krachtens artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wijst het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. B.
- Om rechtsonzekerheid te vermijden, dienen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij ongrondwettig is bevonden, te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 909, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het verbod niet geldt voor rechtspersonen. - De gevolgen van die bepaling, in zoverre zij ongrondwettig is bevonden, worden gehandhaafd ten aanzien van uitgevoerde beschikkingen onder levenden en van de nalatenschappen die afgesloten zijn en niet in rechte zijn betwist vóór de datum van uitspraak van dit arrest. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 oktober
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div