← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 Arrest- Rolnummer: 108/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-14 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-06-15 19:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. Schending (artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde die aangifte deed van het faillissement derdenverzet kan doen tegen het vonnis van faillietverklaring, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde)
  2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Aangifte van het faillissement - Vonnis van faillietverklaring - Derdenverzet - Termijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 108/2024 van 3 oktober 2024 Rolnummer : 8155 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 22 januari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 januari 2024, heeft de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  3. Schendt artikel XX.108 § 3 WER, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen doordat voor eenzelfde categorie van personen namelijk de gefailleerden, ingevolge artikel XX.108 § 3 WER de aanvang van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel verschilt afhankelijk van de wijze van faillietverklaring op tegenspraak, op verstek of op aangifte ?
  4. Schendt artikel XX.107 § 1 WER, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegd in samenhang gelezen met artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen doordat artikel XX.107 § 1 WER, wanneer de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de publicatie, niet voorziet in het opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie (tekst artikel XX.108 WER - XX.109 WER) als deze die verplicht dient opgenomen in het exploot van betekening van het vonnis van faillissement aan de gefailleerde (XX.106 WER) ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - de bv « Bouwst » en Sezgin Ahmedov, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Dimitri Pressman, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De bv « Bouwst » en Sezgin Ahmedov hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Ingevolge de aangifte door de enige bestuurder, Sezgin Ahmedov, wordt de bv « Bouwst » op 13 oktober 2023 failliet verklaard door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde. Het vonnis van faillietverklaring wordt op 19 oktober 2023 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en wordt op 20 november 2023 aan de bv « Bouwst » betekend door de curator. Bij exploot van 5 december 2023, binnen vijftien dagen na de betekening, tekenen de bv « Bouwst » en Sezgin Ahmedov derdenverzet aan, omdat de aangifte op een vergissing van hen zou berusten. In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van het derdenverzet, stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
  5. Volgens de bv « Bouwst » en Sezgin Ahmedov moet de eerste prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord. Of de gefailleerde al dan niet partij was bij de procedure, is geen relevant criterium van onderscheid voor het bepalen van de aanvang van de termijn voor de verschillende rechtsmiddelen. A.1.
  6. De Ministerraad benadrukt dat er maar twee manieren zijn waarop de procedure aanvangt : op dagvaarding of op aangifte. Alleen in het eerste geval is de gefailleerde partij bij de procedure. De verschillende wijze van inleiding leidt ertoe dat de procedures niet onderling vergelijkbaar zijn, en verantwoordt bovendien het verschillende aanvangspunt van de termijnen om de rechtsmiddelen aan te wenden. Tussen de verschijnende gefailleerde die hoger beroep wil instellen en de gefailleerde op aangifte die derdenverzet wil instellen, is er geen 3 verschil in behandeling : in beide gevallen loopt de termijn van vijftien dagen vanaf de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad. Ten aanzien van de eerste situatie wordt de aanvang van de beroepstermijn op basis van de bekendmaking verantwoord door het feit dat de gefailleerde partij is bij de procedure, en in de tweede situatie omdat de gefailleerde weliswaar geen partij is, maar mag worden geacht op de hoogte te zijn van het bestaan van de procedure, in tegenstelling tot de gedagvaarde gefailleerde die verstek liet gaan. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.2.
  7. Volgens de bv « Bouwst » en Sezgin Ahmedov moet ook de tweede prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord. Zij verwijzen daarbij naar de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de vermelding van de mogelijkheden en termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden. A.2.
  8. De Ministerraad benadrukt dat de termijn enkel ingaat vanaf de betekening wanneer de gedagvaarde gefailleerde verstek liet gaan, en dat enkel voor het indienen van het verzet. Een gefailleerde die zelf aangifte deed, kan worden geacht voldoende op de hoogte te zijn van het feit dat er een vonnis kan worden verwacht. In ondergeschikte orde voert hij aan dat, indien het Hof zou oordelen dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, het antwoord op de tweede vraag overbodig wordt. -B- B.
  9. Artikel XX.106 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.108 en XX.109, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.146 en XX.166 ». Artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « §
  10. Het vonnis van faillietverklaring en het latere vonnis dat de staking van betaling vaststelt, worden, door de curator binnen vijf dagen na hun respectievelijke dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel vermeldt : 1° in het geval van een natuurlijke persoon, de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte, de aard van de voornaamste activiteit alsmede de handelsnaam waaronder die activiteit wordt uitgeoefend, het adres alsmede de plaats van zijn hoofdvestiging en het ondernemingsnummer; in het geval van een rechtspersoon, de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de zetel en het ondernemingsnummer; in het geval van een onderneming als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, c), de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, in voorkomend geval het 4 ondernemingsnummer en de zetel van de activiteit en de identificatiegegevens van de gemachtigde, in voorkomend geval; 2° de datum van het vonnis van faillietverklaring en de rechtbank die het heeft gewezen en de naam van de rechter-commissaris; 3° in voorkomend geval, de datum van het vonnis waarbij de staking van betaling is vastgesteld, en de datum van die staking; 4° de naam, de voornamen en het adres en elektronisch adres van de curatoren; 5° de termijn en modaliteiten om aangifte van de schuldvorderingen in het register te doen; 6° de datum van de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. §
  11. Onverminderd artikel 2:74, § 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt een uittreksel van de beslissing bedoeld in artikel XX.100, vierde lid, neergelegd in het register door toedoen van de griffier. Het uittreksel vermeldt : - de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de zetel en het ondernemingsnummer; - de datum van het vonnis dat de gerechtelijke ontbinding uitspreekt en de rechtbank die het heeft gewezen ». Artikel XX.108 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « §
  12. Ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, is bij voorraad en op de minuut vanaf de uitspraak uitvoerbaar. §
  13. Tegen het vonnis kan verzet worden gedaan door de verstekdoende partijen en derdenverzet door de belanghebbenden die daarbij geen partij zijn geweest. Een schuldenaar die aangifte doet van zijn staking van betaling, is geen partij in het vonnis dat over die aangifte oordeelt. §
  14. Het verzet is slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de betekening van het vonnis. Indien het faillissement van een in artikel I.1, eerste lid, 1°, c), van dit boek bepaalde onderneming, of een rechtspersoon waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, betreft, is het derdenverzet uitgaande van een vennoot die niet op de hoogte gebracht is of geen kennis gekregen heeft van de aangifte van faillissement slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen de zes maanden na de opneming van de bekendmaking van het faillissement in het Belgisch Staatsblad, en ieder geval, binnen vijftien dagen na kennisname van het vonnis. 5 Het derdenverzet is slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de opneming van de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad. De termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, is vijftien dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van het vonnis bedoeld in artikel XX.107 ». B.
  15. De parlementaire voorbereiding van artikel XX.108 verwijst naar het vroegere artikel 14 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, waarmee de wetgever een snelle en vlotte afwikkeling van de faillissementsprocedure beoogde, teneinde het normale marktmechanisme zo weinig mogelijk te verstoren en teneinde de situatie van alle betrokkenen, en vooral van de schuldeisers, zo snel mogelijk uit te klaren (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, p. 29). B.
  16. Uit de formulering van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de zaak voor het verwijzende rechtscollege betrekking heeft op een gefailleerde die aangifte deed van zijn staking van betaling, en die bijgevolg een derdenverzet heeft gedaan tegen het vonnis van faillietverklaring, en niet op een gefailleerde die partij was bij het vonnis en bijgevolg hoger beroep kon instellen. Het Hof beperkt zijn onderzoek van beide prejudiciële vragen tot die hypothese. B.
  17. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel XX.108, § 3, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, doordat voor eenzelfde categorie van personen, namelijk de gefailleerden, de aanvang van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel verschilt afhankelijk van de wijze van faillietverklaring op tegenspraak, op verstek of op aangifte. In essentie heeft de vraag betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, een gefailleerde die derdenverzet moet doen omdat hij, ten gevolge van zijn aangifte van de staking tot betaling, als een derde wordt beschouwd en, anderzijds, een gefailleerde die verzet moet doen omdat hij, hoewel opgeroepen, verstek liet gaan. Hoewel in beide gevallen het vonnis van faillietverklaring zowel moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht) als aan de gefailleerde moet worden betekend (artikel XX.106 van hetzelfde Wetboek), vangt de termijn van vijftien dagen om 6 derdenverzet aan te tekenen voor de eerste categorie van gefailleerden aan na de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.108, § 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek), terwijl de termijn van vijftien dagen om verzet aan te tekenen voor de tweede categorie van gefailleerden aanvangt na de betekening van het vonnis (artikel XX.108, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek). B.
  18. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
  19. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, §§ 35-37; 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406, § 69; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712, §§ 63-66; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, § 43). 7 B.
  20. Het vonnis van faillietverklaring moet door de curator binnen vijf dagen na zijn dagtekening bij uittreksel worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht). De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is het officiële middel waarmee de wetgever de daadwerkelijke toegang waarborgt tot het voormelde vonnis. De datum van bekendmaking bij uittreksel van een vonnis in het Belgisch Staatsblad is bijgevolg de datum waarop de belanghebbende derden worden geacht van dat vonnis kennis te hebben genomen. Hij vormt in principe een relevant aanvangspunt om de beroepstermijn te doen ingaan, ten aanzien van belanghebbende derden aan wie het vonnis niet moet worden betekend. B.
  21. Ten aanzien van de gefailleerde, ook de gefailleerde die geen partij is bij de procedure, geldt echter de verplichting voor de curator om het vonnis van faillietverklaring te betekenen, waarbij eveneens de verplichting geldt dat daarbij uitdrukkelijk de beroepsmogelijkheden worden vermeld (artikel XX.106, eerste en tweede lid, van het Wetboek van economisch recht). Het is een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter dat voor een gefailleerde aan wie in elk geval het vonnis moet worden betekend, toch de beroepstermijn zou aanvangen op basis van een bekendmaking die zowel wat betreft de effectieve kennisname als wat betreft de vermelding van de rechtsmiddelen en de nadere regels ervan, minder waarborgen biedt. De in B.2 vermelde doelstelling van een snelle afwikkeling verandert niets aan die conclusie. Hoewel er, in tegenstelling tot wat is bepaald voor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, niet in een termijn is voorzien voor de betekening van het vonnis aan de gefailleerde, verhindert dit de curator geenszins om zo snel mogelijk over te gaan tot die betekening. B.
  22. Artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde die aangifte deed van het faillissement derdenverzet kan doen tegen het vonnis van faillietverklaring, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde. 8 B.
  23. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling onder gefailleerden, doordat artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht, wanneer de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie als die welke verplicht dient te worden opgenomen in het exploot van betekening van het vonnis van faillissement aan de gefailleerde. Rekening houdend met het antwoord dat is gegeven op de eerste prejudiciële vraag, behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  24. Artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde die aangifte deed van het faillissement derdenverzet kan doen tegen het vonnis van faillietverklaring, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde.
  25. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 oktober
  26. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.139 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.155 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.