← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.111

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.111 Arrest- Rolnummer: 111/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-04 Raadplegingen: 404 - laatst gezien 2026-06-19 00:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, gesteld door de Raad van State. Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Gewestplan - Landbouwgebied - Inplanting van windturbines - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 111/2024 van 24 oktober 2024 Rolnummer : 8083 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 257.285 van 13 september 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 oktober 2023, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het [Waalse] Wetboek van ruimtelijke ontwikkeling (WRO) artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en het standstill-beginsel dat inherent is aan het daarin erkende recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, in zoverre het bepaalt dat één of meerdere windturbines kunnen worden ingeplant in landbouwgebied op het gewestplan in de nabijheid van verkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte en op voorwaarde dat zij de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten terwijl, onder de gelding van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (WWROSP), zulke windturbines slechts konden worden ingeplant met inachtneming van de voorwaarden van het afwijkingsmechanisme waarin artikel 127, § 3, van hetzelfde Wetboek voorziet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de stad Bastenaken, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Sylviane Leprince, advocate bij de balie te Namen; 2 - de nv « Luminus », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Annabelle Vanhuffel en Mr. Alexandra de Hults, advocates bij de balie van Waals-Brabant; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Bénédicte Hendrickx, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 oktober 2018 dient de nv « Luminus » bij de stad Bastenaken een aanvraag tot eenmalige vergunning in voor de inplanting en de exploitatie van vier windturbines, de bouw van een inkoopstation, de aanleg van toegangswegen en opslagzones en het leggen van stroomkabels op een terrein gelegen te Hemroulle, in landbouwgebied volgens het gewestplan van Bastenaken, dat werd aangenomen op 5 september

  1. Op 10 oktober 2019 wordt de gevraagde eenmalige vergunning uitgereikt door de gemachtigde en de technische ambtenaar. Op 4 november 2019 stelt het gemeentecollege van de stad Bastenaken bij de Waalse Regering een administratief beroep in tegen die beslissing. Dat beroep wordt op 13 maart 2020 verworpen door de ministers van Ruimtelijke Ordening en van Leefmilieu. Op 28 juni 2020 verzoekt de stad Bastenaken de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het verwijzende rechtscollege, om de nietigverklaring van die beslissing. Zij stelt onder meer dat de bestreden akte steunt op de artikelen D.II.36, § 2, tweede lid, en R.II.36-2 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, die de standstill-verplichting die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet zouden schenden in zoverre zij de inplanting van windturbines toestaan in een gebied dat op het gewestplan is ingekleurd als landbouwgebied, terwijl, vóór de inwerkingtreding van die bepalingen, het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium de inplanting van windturbines enkel bij afwijking in dat gebied toestond, onder strengere voorwaarden. Zij ziet daarin een aanzienlijke achteruitgang van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en stelt voor om daarover een vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Bij zijn arrest nr. 257.285 van 13 september 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.285) willigt de Raad van State dat verzoek in, waarbij hij de formulering van de vraag wijzigt, en stelt hij aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.
  2. De stad Bastenaken, verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, doet gelden dat artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna : het WRO) bepaalt dat windturbines mogen worden ingeplant in een gebied dat op het gewestplan is ingekleurd als landbouwgebied, onder twee voorwaarden : vooreerst moeten zij worden ingeplant in de nabijheid van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, en vervolgens mogen zij de bestemming van het landbouwgebied niet onomkeerbaar aantasten. Daardoor vormt die bepaling een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu in zoverre, onder de gelding van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : het WWROSP), de installatie van windturbines in landbouwgebied een afwijking van het gewestplan vormde die slechts mogelijk was als het ging om handelingen of werken van openbaar nut en wanneer laatstgenoemde handelingen of werken de krachtlijnen van het landschap eerbiedigden of herschikten. De afwijking van het gewestplan kon slechts uitzonderlijk worden toegekend, waarbij de toekenningsvoorwaarden strikt moesten worden geïnterpreteerd. Door de mogelijkheid te bieden om windturbines in landbouwgebied in te planten zonder af te wijken van het gewestplan, leidt de in het geding zijnde bepaling tot een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu, die de hoofdbestemming van de landbouwgebieden in gevaar kan brengen. Dat geldt des te meer omdat het mogelijk blijft om een afwijking van het gewestplan voor het inplanten van windturbines in landbouwgebied te verkrijgen buiten de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO. De stad Bastenaken doet ook gelden dat de in het geding zijnde bepaling geen enkele planning inzake de inplanting van windturbines oplegt noch voorstelt, met als gevolg dat, bij gebrek aan coördinatie van de verschillende initiatiefnemers, de betrokken landbouwgebieden mogelijk onder een dermate hoge druk komen te staan – zonder dat de bestemming van die gebieden onomkeerbaar wordt aangetast – dat de andere essentiële functies van de landbouwgebieden, waaronder in de eerste plaats het onderbrengen van landbouwactiviteiten, aanzienlijk zouden worden verzwakt. Een aanzienlijke vermazing van windturbine-eilandjes leidt immers tot een versnippering van de landbouwgronden die het mogelijke gebruik ervan tussen die eilandjes aanzienlijk beperkt, temeer omdat landbouwgebieden reeds onder een toenemende druk staan die verband houdt met de natuurcompenserende maatregelen van het WRO. Een ongestructureerde uitbreiding van het aantal windturbineprojecten doet eveneens afbreuk aan de integriteit van het landschap en aan de levenskwaliteit van de omwonenden, wat het aanzienlijke karakter van de achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu versterkt, vooral wanneer het groeperingsprincipe wordt toegepast, dat het verkrijgen van afwijkingen van het gewestplan wegens de nabijheid van een reeds vergund windturbineproject zou vergemakkelijken. A.1.
  3. De Waalse Regering doet gelden dat niet wordt aangetoond dat de in het geding zijnde bepaling een achteruitgang van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau impliceert. Volgens de parlementaire voorbereiding van artikel D.II.36 van het WRO heeft die bepaling immers tot gevolg dat de mogelijkheid om windturbines in te planten, wordt beperkt : enerzijds voorziet artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO enkel voor landbouwgebied in de mogelijkheid om windturbines te installeren, terwijl artikel 127, § 3, van het WWROSP voor alle gebiedstypes de mogelijkheid bood om van het gewestplan af te wijken voor het inplanten van windturbines. Anderzijds legt artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO twee grondvoorwaarden op voor de inplanting van windturbines in landbouwgebied, terwijl artikel 127, § 3, van het WWROSP er slechts één oplegde, die overigens minder restrictief was dan de voorwaarden waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet. Bij ontstentenis van een achteruitgang en a fortiori van een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu, zijn artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en de erin vervatte standstill-verplichting niet geschonden. De Waalse Regering is eveneens van oordeel dat gebieden die op het gewestplan zijn ingekleurd als landbouwgebied bijzonder geschikt zijn voor windturbineprojecten, aangezien het windpotentieel van open vlakten van nature hoger is dan dat van andere gebieden. Die eisen van technische aard moeten dus worden opgenomen in de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening. De standstill-verplichting verbiedt de decreetgever overigens niet om wijzigingen aan te brengen in het systeem van de plannen van aanleg, voor zover dat geen aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu teweegbrengt die niet verantwoord zou zijn door een reden van algemeen belang. 4 A.1.
  4. De nv « Luminus », tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege, doet gelden dat de bescherming van het leefmilieu op zich het doel is dat door het WRO wordt nagestreefd wanneer het de gebieden bepaalt die als enige geschikt zijn om er windturbines te plaatsen, aangezien dat ertoe bijdraagt de milieuhinder in de andere gebieden te beperken en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, hetgeen overigens past in het kader van de inachtneming van artikel 7bis van de Grondwet. Daardoor beoogt de hervorming van het WRO het algemene beschermingsniveau inzake leefmilieu dat onder de gelding van het WWROSP bestond, te handhaven (en zelfs te versterken). Door geprivilegieerde gebieden te bepalen voor de vestiging van windturbineprojecten, heeft de decreetgever het groeperingsprincipe bekrachtigd dat reeds voorkwam in de « Referentiekaders voor de inplanting van windturbines in het Waalse Gewest » van 2002 en
  5. Door de mogelijke hinder in bepaalde gebieden te concentreren, vrijwaart de decreetgever de bestemming van de gebieden die niet in aanmerking komen voor de inplanting van windturbines. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege leidt daaruit af dat de hervorming geen aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu met zich meebrengt. De nv « Luminus » doet in dat verband ook gelden dat de voorwaarden voor de inplanting van windturbines in landbouwgebied, onder de gelding van het WRO, strikter worden geïnterpreteerd dan de voorwaarden voor de afwijking van het gewestplan waarin het WWROSP voorzag. De achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu, in de veronderstelling dat die bestaat, kan niet als aanzienlijk worden gekwalificeerd. Tot slot wijst de nv « Luminus » erop dat de stad Bastenaken, door het ontbreken van een planning en de toepassing van het groeperingsprincipe, dat zou impliceren dat afwijkingen van het gewestplan gemakkelijker te verkrijgen zijn, te bekritiseren, in feite het beleid van de Waalse Regering inzake ontwikkeling van windenergie betwist, en niet de in het geding zijnde bepaling. De nv « Luminus » doet overigens gelden dat het daarentegen moeilijker zal zijn om afwijkingen te verkrijgen, aangezien landbouwgebied een « natuurlijk » vestigingsgebied voor windturbineprojecten vormt; het zal dus des te moeilijker zijn om een niet-naleving van de in artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO vastgestelde voorwaarden te verantwoorden. A.2.
  6. De stad Bastenaken is van mening dat de aanzienlijke achteruitgang die zij aanvoert, niet wordt verantwoord door een reden van algemeen belang. De doelstellingen van algemeen belang die door het WRO in zijn geheel worden nagestreefd, namelijk de strijd tegen stadsuitbreiding en de economische herontwikkeling van Wallonië, volstaan niet om een dergelijke achteruitgang te rechtvaardigen. De in het geding zijnde bepaling draagt immers kennelijk niet bij tot de bestrijding van stadsuitbreiding en beantwoordt niet aan de doelstellingen die de basis vormen van de economische herontwikkeling, met name huisvesting en het scheppen van werkgelegenheid. Overigens wordt geen enkele specifieke doelstelling van artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO in de parlementaire voorbereiding van die bepaling aangevoerd om de aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu dat werd geboden door de voordien toepasselijke wetgeving, te verantwoorden. Daaruit kan worden afgeleid dat artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en de in die bepaling vastgelegde standstill-verplichting schendt. De enige verantwoordingen die door de wetgever worden aangevoerd, hebben betrekking op het WRO in zijn geheel en vormen een petitio principii volgens hetwelk het WRO de standstill-verplichting naleeft, zonder dat ergens aan te tonen. A.2.
  7. De Waalse Regering is van mening dat de standstill-verplichting die is vastgelegd bij artikel 23 van de Grondwet en de vereisten van artikel 7bis van de Grondwet, dat de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten verplicht om een doelstelling van duurzame ontwikkeling, onder meer in haar milieugebonden aspecten, na te streven, met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht. Bijgevolg kunnen artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en de erin vervatte standstill-verplichting niet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan wetskrachtige maatregelen ter beperking van de klimaatverandering en ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, a fortiori wanneer zulke maatregelen toelaten om zich te conformeren aan de internationale verplichtingen van België. Het Hof heeft dat bevestigd bij zijn arrest nr. 142/2021 van 14 oktober 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.142), aangezien het heeft geoordeeld dat de Europese doelstellingen inzake de productie van hernieuwbare energie doelstellingen van algemeen belang konden vormen die een - zelfs aanzienlijke - achteruitgang van het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, kunnen rechtvaardigen. A.2.
  8. De nv « Luminus » is van mening dat, indien het Hof zou oordelen dat een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu is aangetoond, die achteruitgang gerechtvaardigd zou zijn door een reden van algemeen belang. Zij brengt immers in herinnering dat het WRO een doel van algemeen belang nastreeft, namelijk de bevordering van hernieuwbare energiebronnen en een duurzame 5 ontwikkeling van het grondgebied, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling ». Die doelstellingen passen overigens binnen het kader van Europese verplichtingen om de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen te vorderen. Met de hervorming worden overigens ook doelstellingen van administratieve vereenvoudiging en economische ontwikkeling nagestreefd, die als zodanig redenen van algemeen belang vormen. A.2.
  9. De stad Bastenaken onderstreept dat de Waalse decreetgever zich niet zou kunnen beroepen op de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) », noch op de verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 » om de door haar aangeklaagde aanzienlijke achteruitgang te rechtvaardigen door een reden van algemeen belang, in zoverre die teksten dateren van na de aanneming van de in het geding zijnde bepaling. Ook de verordening (EU) 2022/2577 van de Raad van 22 december 2022 « tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen » is niet van toepassing op de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak, aangezien zij enkel geldt voor vergunningsaanvragen die zijn ingediend tussen 30 december 2022 en 30 juni
  10. Die verordening kan bijgevolg niet dienen als bewijs dat de in het geding zijnde bepaling klaarblijkelijk een doel van algemeen belang, namelijk de productie van hernieuwbare energie, nastreeft, terwijl dat doel nooit is aangevoerd in de parlementaire voorbereiding van het WRO. Indien die verordening toch in aanmerking zou worden genomen bij het onderzoek dat door het Hof wordt verricht, vraagt de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De stad Bastenaken ontkent overigens niet dat het nastreven van een beleid inzake ontwikkeling van hernieuwbare energie op zich een doel van algemeen belang kan vormen, maar is van oordeel dat het niet volstaat om aan te voeren dat het onderwerp waarover de wetgever wetgevend is opgetreden door de in het geding zijnde bepaling aan te nemen, van algemeen belang is. Er moet eveneens worden aangetoond dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft, dat wil zeggen dat zij het evenwicht waarin artikel D.I.1, § 1, vierde lid, van het WRO voorziet, respecteert, of dat minstens wordt verantwoord waarom dat evenwicht is verbroken. Zij bekritiseert dus wel degelijk het feit dat de in het geding zijnde bepaling zelf, en niet het algemenere doel inzake de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, niet op evenredige wijze is verantwoord door een reden van algemeen belang. A.2.
  11. Wat de pertinentie van de Europeesrechtelijke instrumenten betreft, wijst de nv « Luminus » erop dat zij passen in het kader van het REPowerEU-plan, dat werd gelanceerd in mei 2002, zijnde lang vóór de aanneming van het WRO. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de aangehaalde richtlijnen niet rechtstreeks kunnen worden aangevoerd, heeft het Waalse Gewest zich overigens meermaals ertoe verbonden om vanaf 2014 zijn broeikasgasemissies te verminderen en investeringen in hernieuwbare energie te bevorderen. Er kan dus niet worden ontkend dat de decreetgever heeft kunnen steunen, zo niet op de richtlijnen zelf, dan wel minstens op de algemene doelstellingen ervan. Tot slot geeft de nv « Luminus » aan dat zij niet aanvoert dat de voormelde verordening (EU) 2022/2577 als grondslag dient voor de in het geding zijnde bepaling, maar stelt zij enkel vast dat de door de decreetgever gemaakte keuzes door die Europeesrechtelijke norm worden ondersteund, waardoor het evenwichtige en redelijke karakter van de in het geding zijnde bepaling zou worden versterkt. De door de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege opgeworpen prejudiciële vraag dient dus niet aan het Hof van Justitie te worden gesteld. A.3.
  12. In ondergeschikte orde, indien het Hof zou oordelen dat de hervorming een aanzienlijke achteruitgang inhoudt van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu, achteruitgang die niet wordt gerechtvaardigd door een reden van algemeen belang, vraagt de nv « Luminus » dat de gevolgen van de bepaling waarvan de ongrondwettigheid zou worden vastgesteld, worden gehandhaafd. Zo niet zouden alle op grond van de in het geding zijnde bepaling verleende vergunningen hun wettelijke grondslag verliezen, wat een grote rechtsonzekerheid zou veroorzaken. Die onzekerheid zou overigens tot gevolg kunnen hebben dat toekomstige 6 investeringen in de sector van de hernieuwbare energie worden afgeremd en dat de klimaatdoelstellingen van het Waalse Gewest in gevaar worden gebracht. A.3.
  13. De stad Bastenaken wijst erop dat het verzoek van de nv « Luminus » geen nuttige termijn voor een handhaving van de gevolgen preciseert, zodat het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een handhaving van de gevolgen betreft die niet bepaald is in de tijd, dus ook voor de toekomst. Zelfs indien de handhaving van de gevolgen voor de toekomst in de tijd zou worden beperkt, zou dat strijdig zijn met het doel van milieubescherming dat de door het Hof gedane vaststelling van ongrondwettigheid zou ondersteunen, aangezien dat een forse toename van het aantal vergunningsaanvragen voor de inplanting van windturbines in landbouwgebied zou impliceren. Het is dus niet aangewezen om de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
  14. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid om windturbines in te planten in landbouwgebied en op de voorwaarden die in het kader van een dergelijke inplanting moeten worden vervuld. B.2.
  15. Artikel D.II.36 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna: het WRO), zoals ingevoerd bij het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling » (hierna : het decreet van 20 juli 2016), bepaalt de bestemming en de algemene voorschriften met betrekking tot de gebieden die op het gewestplan zijn ingekleurd als landbouwgebied. Artikel D.II.36 van het WRO bepaalt : « §
  16. Landbouwgebieden zijn bestemd om landbouwactiviteiten te ontvangen, namelijk teelt, fokkerij of akker- en tuinbouw, met inbegrip van het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de instandhouding van een landbouwareaal in een staat die het geschikt maakt voor weiden of akkerbouw zonder verdere voorbereiding dan gewone landbouwpraktijken of de inzet van gewone landbouwmachines. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht. 7 In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen en installaties opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn. Ze kunnen eveneens [diversifiërende] activiteiten bevatten ter aanvulling van de landbouwactiviteit van de exploitanten. §
  17. In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten. Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover : 1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering; 2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten. Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd worden voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts voor een beperkte duur toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw. Vissers- of jachthutten en kleine schuilplaatsen voor dieren zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Bosschages alsook de intensieve teelt van inlandse boomsoorten, vijvers en visteelt kunnen er eveneens toegelaten worden. §
  18. De Regering bepaalt de diversifiërende activiteiten bedoeld in paragraaf 1, lid
  19. De Regering bepaalt voor deze gebieden de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van inlandse bossoorten, vijvers, visteelt, vissers- en jachthutten, kleine schuilplaatsen en recreatieve activiteiten in de open lucht, de modules voor elektriciteits- en warmteproductie, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn ». B.2.
  20. Krachtens paragraaf 2, tweede lid, van dat artikel D.II.36 van het WRO kunnen windturbines worden ingeplant in gebieden die op het gewestplan zijn ingekleurd als landbouwgebied, onder de tweevoudige voorwaarde dat zij worden opgericht in de nabijheid van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte en dat zij de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten. B.2.
  21. Volgens artikel R.II.36-2 van het reglementaire deel van het WRO, dat uitvoering geeft aan artikel D.II.36, § 2, tweede lid, 1°, van het WRO, dient de nabijheid met de 8 hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte te worden begrepen als een maximale afstand van 1 500 meter tussen de mast van de windturbines, enerzijds, en de as van de hoofdverkeersinfrastructuren of de grens van een bedrijfsruimte, anderzijds. Het net van de hoofdverkeersinfrastructuren wordt gedefinieerd in artikel R.II.21-1 van het reglementaire deel van het WRO, dat bepaalt : « Uitgezonderd de aansluitingen op ondernemingen, gebieden van gewestelijk belang, bedrijfsruimtes, recreatiegebieden, gebieden van aanhorigheden van ontginningsgebieden en ontginningsgebieden bestaat het net van de hoofdverkeersinfrastructuren uit het net, opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en omvat : 1° de autosnelwegen en de gewestelijke verbindingswegen met tweemaal twee rijstroken, daaronder inbegrepen de singelwegen wanneer ze bestaan uit vakken van die wegen, die het Waalse grondgebied zijn structuur verlenen door vermazing van de gewestelijke kernen; 2° de spoorlijnen, uitgezonderd die met een uitsluitend toeristische bestemming; 3° de bevaarbare waterwegen, daaronder inbegrepen de door deze gevormde watervlakken ». Volgens artikel D.II.28, eerste lid, van het WRO wordt onder het begrip « bedrijfsruimte » verstaan de gemengde bedrijfsruimte, de industriële bedrijfsruimte, de specifieke bedrijfsruimte, het gebied met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en het gebied van aanhorigheden van ontginningen. B.3.
  22. Vóór de inwerkingtreding van het WRO was de bestemming van landbouwgebied, met inbegrip van de mogelijkheid om er windturbines in te planten, vastgelegd in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : het WWROSP). De inplanting van windturbines in een gebied dat op het gewestplan is ingekleurd als landbouwgebied, was in principe verboden (artikel 35 van het WWROSP). B.3.
  23. Het was evenwel mogelijk om windturbines in landbouwgebied in te planten via een afwijking van het gewestplan, overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in artikel 127, § 3, van het WWROSP, dat bepaalde : « Voor zover de aanvraag vooraf onderworpen wordt aan de bijzondere bekendmakingsmaatregelen bepaald door de Regering of aan de verplichte raadpleging bedoeld in artikel 4, lid 1, 3°, wanneer het handelingen en werken betreft bedoeld in § 1, lid 1, 1°, 2°, 9 4°, 5°, 7° en 8° en die de krachtlijnen van het landschap ofwel eerbiedigen, structureren of herschikken, kan de vergunning toegekend worden ter afwijking van het gewestplan, een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement of een rooiplan ». Uit die bepaling volgde dat het mogelijk was om af te wijken van het gewestplan en dus onder meer om windturbines in te planten in landbouwgebied, onder de tweevoudige voorwaarde dat het ging om werken van openbaar nut en dat die werken de krachtlijnen van het landschap eerbiedigden, structureerden of herschikten. B.3.
  24. Het WWROSP is opgeheven bij artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 24 april 2014 « tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling » (hierna : het decreet van 24 april 2014). Dat decreet alsook de erin opgenomen versie van het WRO zijn echter nooit in werking getreden. Bij het decreet van 20 juli 2016 werden het WWROSP, inclusief de voormelde artikelen 35 en 127, alsook het decreet van 24 april 2014, opgeheven. Het nieuwe WRO, dat op 1 juni 2017 in werking is getreden, is ingevoerd bij hetzelfde decreet. B.3.
  25. In de memorie van toelichting bij artikel D.II.36 van het WRO wordt gepreciseerd dat die bepaling de tegenhanger is van artikel D.II.32 van het decreet van 24 april 2014, behoudens enkele aanpassingen (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 307/1, p. 30). De decreetgever heeft, tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 april 2014, evenwel erop gewezen dat een groot aantal windturbineparken krachtens de afwijking op grond van artikel 127, § 3, van het WWROSP in landbouwgebied werden ingeplant, wat rechtvaardigde dat het WRO een dergelijke inplanting toestaat zonder af te wijken van het gewestplan : « Artikel D.II.31 [van het ontwerp, dat overeenstemt met artikel D.II.32 van het decreet van 24 april 2014] beoogt in werkelijkheid een einde te maken aan de huidige regeling die tot gevolg heeft dat alle windturbineparken per definitie niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van het gewestplan, waardoor het mechanisme van artikel 127, § 3, van het huidige WWROSP systematisch wordt gebruikt, mechanisme dat volgens de Raad van State enkel bij wijze van uitzondering mag worden gebruikt. Wanneer het gebruik ervan systematisch wordt, heeft het niets uitzonderlijks meer » (Parl. St., Waals Parlement, 2013-2014, nr. 942/1, p. 25). 10 B.4.
  26. In de memorie van toelichting bij artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO wordt ook gepreciseerd dat het onder de huidige wetgeving mogelijk blijft om een afwijking van het gewestplan te verkrijgen teneinde windturbines in landbouwgebied in te planten buiten de voorwaarden waarin die bepaling voorziet : « Paragraaf 2 [van artikel D.II.36 van het WRO] groepeert activiteiten die geen landbouwactiviteiten zijn, noch activiteiten die een landbouwactiviteit aanvullen of diversifiëren. Het tweede lid van paragraaf 2 voorziet specifiek in de mogelijkheid om een of meer windturbines in te planten langs hoofdverkeersinfrastructuren. Het artikel stelt de beginselen voor het toestaan van windturbines in landbouwgebied vast. De Regering wordt gemachtigd om het begrip ‘ nabijheid met de hoofdverkeersinfrastructuren ’ te verduidelijken. Die bepaling heeft tot doel de inplanting van windturbines langs die infrastructuren te privilegiëren, waaruit evenwel niet mag worden afgeleid dat er geen windturbineprojecten mogen worden ontwikkeld buiten die gebieden. Artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, en tweede lid, brengt immers de handelingen en werken in verband met hernieuwbare energie expliciet onder in de categorie van de bouwwerken en uitrustingen van openbaar of gemeenschapsnut wegens hun doel van algemeen belang. In die hoedanigheid kunnen zij in overeenstemming met de voorschriften van het gewestplan worden ingeplant in de gebieden die daarvoor zijn bestemd en tegelijk de afwijkingen genieten waarin artikel D.IV.12 [lees : D.IV.11] voorziet, met inachtneming van de criteria van het referentiekader dat de Regering heeft aangenomen » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 307/1, p. 30). B.4.
  27. Hoewel de voormelde memorie van toelichting verwijst naar de « afwijkingen [van het gewestplan] waarin artikel D.IV.12 [van het WRO] voorziet », lijkt in werkelijkheid evenwel artikel D.IV.11 van het WRO te moeten worden beoogd. Die bepaling voorziet immers in het volgende : « Naast de in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.10 bedoelde afwijkingen [kunnen] de in artikel D.IV.22, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 7°, 10° en 11°, en in artikel D.IV.25 bedoelde vergunning en de vergunning betreffende de bouwwerken en uitrustingen bestemd voor de activiteiten van algemeen belang of het stedenbouwkundig attest nr.
  28. afgegeven worden door van het gewestplan af te wijken ». Artikel D.IV.22, eerste lid, van het WRO, waarnaar artikel D.IV.11 van hetzelfde Wetboek verwijst, beoogt de vergunningen die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op : « […] 11 2° handelingen en werken van openbaar nut, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering; […] 7° op handelingen en werken betreffende de bouwwerken of uitrustingen bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang zoals volgt : […] k) in verband met hernieuwbare energie wegens hun doel van algemeen belang; […] ». Wat betreft de handelingen en werken betreffende bouwwerken met een doel van algemeen belang die verband houden met hernieuwbare energie, preciseert het tweede lid van dezelfde bepaling : « De handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 7°, k) zijn degene die betrekking hebben op de productie van energie die voor de gemeenschap is bestemd, namelijk de energie die zonder privé-verbruik in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwarmingsnet bedient, en degene die betrekking hebben op de installatie, de aansluiting, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van : 1° een veld van fotovoltaïsche zonnepanelen; 2° een windturbine of een windturbinepark; 3° een hydro-elektrische centrale; 4° een eenheid voor de energievalorisering van de biomassa; 5° een eenheid voor de energievalorisering van de aardwarmte ». Met toepassing van artikel D.IV.11 van het WRO kan dus een van het gewestplan afwijkende vergunning worden verkregen, met het oog op de inplanting van een windturbineproject. B.4.
  29. In de memorie van toelichting bij artikel D.IV.11 van het WRO wordt voorts gepreciseerd : « Het gaat om het mechanisme dat een afdruk is van het huidige artikel 127, § 3, van het WWROSP, dat van toepassing is op bepaalde vergunningen bedoeld in artikel 127, §
  30. Er wordt niettemin bepaald om opnieuw het woord ‘ dérogation ’ te gebruiken, in plaats van het 12 begrip ‘ écart ’ dat in het kader van deze hervorming is voorbehouden voor documenten van informatieve aard » (ibid., p. 44). In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt eveneens benadrukt : « windturbines oprichten in landbouwgebied, middels een afwijking, zal moeilijker zijn in zoverre de Regering de industriezones en de directe omgeving van het structurerend net heeft geprivilegieerd » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 307/338, p. 34). Ten gronde B.
  31. Met de prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO bestaanbaar is met artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en met de standstill-verplichting die inherent is aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, in zoverre die bepaling, mits aan twee voorwaarden is voldaan, de installatie van windturbines in een gebied dat op het gewestplan is erkend als landbouwgebied mogelijk maakt zonder af te wijken van het gewestplan, terwijl, onder de gelding van het WWROSP, de inplanting van windturbines in landbouwgebied in principe verboden was en een afwijking van het gewestplan vereiste, met inachtneming van de voorwaarden waarin artikel 127, § 3, van het WWROSP voorzag. B.6.
  32. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : […] 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; […] ». B.6.
  33. Niet elke maatregel inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening heeft ipso facto een weerslag op het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu in de zin van artikel 23, 13 derde lid, 4°, van de Grondwet. Te dezen kan evenwel worden aangenomen dat de in het geding zijnde bepaling, die de bestemming van landbouwgebied op het gewestplan regelt en die zodoende belangrijke gevolgen kan hebben voor de openbare ruimte, een draagwijdte heeft die minstens ten dele binnen het toepassingsgebied van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet valt. B.6.
  34. Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. B.6.
  35. De standstill-verplichting kan echter niet zo worden begrepen dat zij de decreetgever, in het kader van zijn bevoegdheden, zou verbieden wijzigingen aan te brengen in het stelsel van de ruimtelijke plannen van aanleg en van de stedenbouwkundige vergunningen. Zij verbiedt hem om maatregelen te nemen die, zonder redelijke verantwoording, een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van het in artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet gewaarborgde recht, maar zij ontzegt hem niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze wordt gewaarborgd. B.7.
  36. Uit artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO volgt dat een of meer windturbines kunnen worden geïnstalleerd in een gebied dat op het gewestplan is ingekleurd als landbouwgebied terwijl, onder de gelding van het WWROSP, een dergelijke inplanting enkel mogelijk was via een afwijking van het gewestplan. Op zich volstaat die overweging niet om een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu vast te stellen. Het Hof dient te onderzoeken of de huidige voorwaarden waaraan de inplanting van windturbines in landbouwgebied moet voldoen, aanzienlijk soepeler te zijn dan die waaraan de bij artikel 127, § 3, van het WWROSP toegestane afwijking van het gewestplan moest voldoen. B.7.
  37. Artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO, dat ten uitvoer is gelegd bij artikel R.II.36-2 van hetzelfde Wetboek, bepaalt dat windturbines moeten worden ingeplant op maximum 1 500 meter van de as van de hoofdverkeersinfrastructuren of van de grens van een bedrijfsruimte, op voorwaarde dat de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar wordt aangetast. Daaruit volgt dat in principe enkel op bepaalde delen van een landbouwgebied, in casu die welke grenzen aan het structurerend verkeersnet of aan een bedrijfsruimte, 14 windturbines mogen worden opgericht, terwijl een afwijking die was verkregen op grond van artikel 127, § 3, van het WWROSP het mogelijk maakte om windturbines op eender welke locatie binnen een landbouwgebied in te planten. B.7.
  38. De mogelijkheid om windturbines in te planten in landbouwgebied op het gewestplan zonder af te wijken van dat gewestplan, lag reeds vast bij artikel D.II.32 van het decreet van 24 april 2014, dat nooit in werking is getreden. Die bepaling voorzag evenwel niet in een beperking ten aanzien van de delen van landbouwgebieden waarop windturbines konden worden opgericht. In zijn inleidende uiteenzetting geeft de minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening, Mobiliteit, Vervoer en Dierenwelzijn aan, wat artikel D.II.36 van het WRO betreft : « Het decreet van 24 april maakte de inplanting van windturbines in landbouwgebied mogelijk, met het risico dat de gebiedsbestemming werd aangetast. Wij hebben een andere keuze gemaakt. Het ontworpen Wetboek voorziet erin dat windturbines in landbouwgebied enkel kunnen worden ingeplant nabij het structurerend net. Het voorziet daarentegen niet meer in een procedure van afwijking van het gewestplan voor windturbines in bedrijfsruimten, in de industriezones. Het omgekeerde is logischer : zoveel mogelijk windturbines plaatsen waar zij het leefmilieu het minst aantasten » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 307/338, p. 5). B.7.
  39. Bij zijn keuze om de inplanting van windturbines in de directe omgeving van het structurerend net te bevorderen, heeft de decreetgever zich dus laten leiden door zijn streven om de milieueffecten ervan te beperken. B.8.
  40. Zoals in B.4.1 en B.4.2 is vermeld, blijft het niettemin mogelijk, krachtens artikel D.IV.11 van het WRO, om in afwijking van het gewestplan een vergunning voor het inplanten van windturbines te verkrijgen en dus om windturbines in landbouwgebied te installeren buiten de gebieden die daartoe bestemd zijn krachtens artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO. B.8.
  41. In zoverre het de voorwaarden voor de afwijking regelt, dient artikel D.IV.11 van het WRO op restrictieve wijze te worden geïnterpreteerd en moet de toepassing ervan behoorlijk worden gemotiveerd, ook al heeft de decreetgever niet uitdrukkelijk bepaald dat de afwijking slechts bij wijze van uitzondering kan worden toegestaan (in die zin, zie GwH, nr. 127/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.127, B.8; nr. 94/2016, ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.094, B.8.5, tweede alinea; nr. 87/2007, ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.087, B.9.3, tweede alinea, in fine). 15 De motivering van de toepassing van de afwijking waarin artikel D.IV.11 van het WRO voorziet, dient in elk geval betrekking te hebben op het feit dat « de afwijking niet gemakshalve [wordt] toegekend maar nadat de mogelijkheid werd onderzocht om de regel toe te passen wat het beginsel ervan betreft en na te hebben besloten dat zij wegens technische en juridische vereisten noodzakelijk [is] voor de optimale verwezenlijking van het project » (RvSt, 23 februari 2021, arrest nr. 249.884, ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.884). B.8.
  42. Het is juist dat die overweging ook geldt voor artikel 127, § 3, van het WWROSP. Onder de gelding van het WWROSP moest de administratie die een vergunning uitreikte in afwijking van het gewestplan, haar beslissing om de inplanting van windturbines in landbouwgebied toe te staan, motiveren door te verantwoorden dat het ging om werken van openbaar nut in de zin van artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 7° en 8°, van het WWROSP, en dat het project de krachtlijnen van het landschap eerbiedigde, structureerde of herschikte. Aangezien de decreetgever de gebieden op het gewestplan waarin windturbineprojecten in principe kunnen worden ingeplant in het WRO expliciet heeft vastgelegd, is het evenwel niet onredelijk ervan uit te gaan dat het uitzonderlijker is om een afwijking van het gewestplan te verkrijgen voor de installatie van windturbines in een ander gebied of in landbouwgebied voorbij de bij artikel D.II.36-2 vastgelegde grens van 1 500 meter. Algemene overwegingen met betrekking tot het goede windpotentieel van landbouwgebied kunnen immers niet volstaan om een afwijking te verantwoorden; ook de afstand van meer dan 1 500 meter ten opzichte van het structurerend net of een bedrijfsruimte moet worden verantwoord. Het referentiekader voor de inplanting van windturbines in het Waalse Gewest, goedgekeurd door de Waalse Regering op 21 februari 2013, alsook de omzendbrief van de Waalse Regering van 25 januari 2024 « betreffende het referentiekader voor windturbines » bepalen bovendien beide dat windturbineprojecten binnen de krachtlijnen van het landschap moeten passen. B.8.
  43. Uit het voorgaande en uit de in B.3.3 en in B.4.3 geciteerde parlementaire voorbereiding volgt dat de afwijking van het gewestplan die is toegestaan bij artikel D.IV.11 van het WRO in die zin moet worden geïnterpreteerd dat zij moet beantwoorden aan strengere voorwaarden en aan een strengere motiveringsvereiste dan de afwijking die was toegestaan bij artikel 127, § 3, van het WWROSP, en die formeel gezien niet meer het uitzonderlijke karakter had dat inherent is aan het begrip « afwijking ». 16 B.
  44. Voor het overige blijft het uitreiken van vergunningen voor de inplanting van windturbines ingekaderd door andere wettelijke en reglementaire bepalingen, waaronder boek I van het Waalse Milieuwetboek, het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 « betreffende de milieuvergunning » of de wet van 12 juli 1973 « op het natuurbehoud », en de sectorale voorwaarden. Die bepalingen werden bij de bekritiseerde hervorming niet gewijzigd en blijven van toepassing. B.
  45. De achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu die wordt veroorzaakt door artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO, in de veronderstelling dat die is aangetoond, is niet aanzienlijk. B.
  46. Bovendien blijkt uit de besprekingen binnen de commissie voor Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Transport dat artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het WRO past in het kader van een streven naar een doel inzake de productie van hernieuwbare energie (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 307/338, p. 28), dat past in het kader van de algemene beleidsdoelstelling inzake duurzame ontwikkeling die de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, volgens artikel 7bis van de Grondwet, moeten nastreven bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden. De inplanting van windturbines op het grondgebied van het Waalse Gewest draagt dus bij aan de verwezenlijking van een doel van duurzame ontwikkeling die de bescherming van het leefmilieu bevordert. B.
  47. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met de standstill-verplichting die vervat is in artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel D.II.36, § 2, tweede lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling schendt artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 oktober
  48. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.111 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.087 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.094 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.142 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.127 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.884 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.285 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.233 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.235 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.236 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.237 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.048 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.495 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.