← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.117

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.117 Arrest- Rolnummer: 117/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 397 - laatst gezien 2026-06-18 13:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre het tot gevolg kan hebben dat, in geval van veinzing, de verjaringstermijn die van toepassing is op de vorderingen tot nietigverklaring die zijn gericht tegen de tegenbrief, verstrijkt vooraleer de belanghebbende derde kennis van het bestaan ervan heeft of redelijkerwijze kennis ervan kon hebben) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Verjaringstermijn - Aanvang - Persoonlijke rechtsvorderingen - Vorderingen op grond van een onrechtmatige daad Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 117/2024 van 7 november 2024 Rolnummer : 8101 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 30 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 november 2023, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 2262bis, § 1, eerste lid, en 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2251 van het oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet, in voorkomend geval zelf in samenhang gelezen met artikel 6 van het EVRM, doordat zij het beginsel van gelijkheid tussen de rechtsonderhorigen en het recht op toegang tot een rechter niet in acht zouden nemen, in zoverre de in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het [oud] Burgerlijk Wetboek vervatte tienjarige verjaringstermijn in die zin wordt geïnterpreteerd dat hij een aanvang neemt vanaf het ontstaan van de vordering, ongeacht of men kennis heeft van die vordering en/of van de objectieve elementen die een redelijke grondslag ervoor kunnen vormen (met name de stukken die een partij in haar bezit heeft zonder ze spontaan over te leggen), terwijl de verjaringstermijn van een vordering op grond van een onrechtmatige daad, bedoeld in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het [oud] Burgerlijk Wetboek, pas een aanvang neemt vanaf het ogenblik dat het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - hertog Léopold d’Arenberg en prins Etienne d’Arenberg, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Yves Van Wallendael, advocaat bij de balie te Brussel; - prins Charles-Louis d’Arenberg, markiezin Fiametta Margherita Frescobaldi Franceschi Marini, de vennootschap naar recht van de Britse Maagdeneilanden « Coburg Financial Limited », de nv « Forelux » en de bv « Agribra », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Malherbe, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 30 april 2000 ondertekent prins Antoine-Guillaume d’Arenberg met zijn neef, prins Charles-Louis d’Arenberg, een onderhandse overeenkomst luidens welke de eerstgenoemde aan laatstgenoemde alle aandelen van de naamloze vennootschap naar Liechtensteins recht « Lechet AG » verkoopt. Die laatste houdt aandelen van de (vroegere) nv « Forelux », die later zal worden gesplitst in een (nieuwe) nv « Forelux » en in een bv « Agribra », al dan niet in trust (die kwestie moet nog worden beslecht door verschillende Zwitserse rechtscolleges). Op 14 september 2001 schrijft prins Antoine-Guillaume d'Arenberg een brief waarin hij aangeeft dat hij de verkoopprijs voor de aandelen heeft ontvangen, prijs die prins Charles-Louis d'Arenberg beweert nooit te hebben betaald; het zou dus gaan om schuldkwijtschelding. Op 2 september 2009 overlijdt prins Antoine-Guillaume d’Arenberg zonder nakomelingen. Zijn broer, hertog Jean-Englebert d’Arenberg, is een van zijn erfgenamen. Hij overlijdt op zijn beurt op 15 augustus

  1. Twee van zijn zonen, hertog Léopold d’Arenberg en prins Étienne d’Arenberg, die bovendien broers van prins Charles-Louis d’Arenberg zijn, worden aangewezen als testamentuitvoerders. Op 31 augustus 2022 maken hertog Léopold d’Arenberg en prins Étienne d’Arenberg, in het kader van hun opdracht als testamentuitvoerders van hun vader, een zaak aanhangig bij de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen, en betwisten zij de verkoop van de aandelen die op 30 april 2000 ten gunste van hun broer heeft plaatsgevonden. Volgens hen moet die verkoop als een schenking worden aangemerkt, en zij vorderen de nietigverklaring ervan voor het verwijzende rechtscollege. Hun vordering strekt in fine ertoe dat de aandelen van de (nieuwe) nv « Forelux » en van de bv « Agribra » worden teruggegeven aan de nalatenschap van hun vader. De verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege, onder wie in de eerste plaats prins Charles-Louis d’Arenberg, zijn van mening dat een dergelijke vordering tot nietigverklaring van een schenking 3 verjaard is, krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege beperkt zijn saisine tot de kwestie van de nietigverklaring van een schenking, los van de vraag of met de in het geding zijnde verkoop in werkelijkheid een schenking werd geveinsd. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de vordering tot nietigverklaring van de eventuele schenking hoe dan ook verjaard is, met toepassing van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Het beslist ambtshalve om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
  2. In hoofdorde doen de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege gelden dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, hetzij omdat het uitgangspunt ervan verkeerd is, hetzij omdat zij niet nuttig is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. A.1.2.
  3. Allereerst voeren de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege aan dat het uitgangspunt van de prejudiciële vraag verkeerd is. Het verwijzende rechtscollege lijkt immers te oordelen dat de verjaringstermijn van een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid pas een aanvang neemt vanaf het ogenblik waarop de benadeelde kennisneemt van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, met toepassing van het tweede lid van artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek. Het derde lid van dezelfde bepaling voorziet evenwel in een andere verjaringstermijn voor dezelfde vorderingen, die een aanvang neemt op de dag waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. In zoverre het beweert dat « de verjaringstermijn van een vordering op grond van een onrechtmatige daad, bedoeld in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het [oud] Burgerlijk Wetboek, pas een aanvang neemt vanaf het ogenblik dat het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon », begaat het verwijzende rechtscollege een vergissing in rechte, aangezien er eveneens, in alle gevallen, een verjaringstermijn van een vordering op grond van een onrechtmatige daad een aanvang neemt op het ogenblik waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet. Dienaangaande verwijzen de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege naar het arrest van het Hof nr. 179/2015 van 17 december 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.179). A.1.2.
  4. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege betwisten de bewering volgens welke de lering van het voormelde arrest nr. 179/2015 te dezen kan worden overgenomen. Zij zijn van mening dat de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag nauwkeuriger is dan die welke was gesteld in het kader van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het voormelde arrest. Zij betwisten bovendien dat het uitgangspunt van de prejudiciële vraag verkeerd is. De keuze van het verwijzende rechtscollege om artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek niet op te nemen in de prejudiciële vraag, vloeit voort uit zijn bedoeling om aan het Hof een vraag te stellen over het ogenblik waarop de verjaringstermijn een aanvang neemt, en niet over de duur van die termijn. A.1.3.
  5. Vervolgens zijn de verwerende partijen van mening dat de vraag niet nuttig is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. Volgens hen dient de regeling van de verjaring van persoonlijke rechtsvorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid immers in haar geheel in ogenschouw te worden genomen, met andere woorden door rekening te houden met artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de vordering twintig jaar nadat het schadeverwekkende feit zich heeft voorgedaan, hoe dan ook verjaard is. Indien het Hof besluit dat de aangevoerde discriminatie bestaat, dan zou het verwijzende rechtscollege de regeling van de buitencontractuele persoonlijke rechtsvordering in haar geheel moeten toepassen en dus moeten oordelen dat de vordering tot nietigverklaring van de in het geding zijnde schenking, die uiterlijk op 14 september 2001 heeft plaatsgevonden, hoe dan ook verjaard is. A.1.3.
  6. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn daarentegen van mening dat de vraag onontbeerlijk is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, in zoverre zij zou kunnen leiden tot de schorsing van de verjaringstermijn van de vordering tot nietigverklaring van de schenking zolang de eisende partijen geen kennis hadden van het bestaan van de als verkoop voorgestelde schenking. 4 Bijgevolg houdt de kwestie van het al dan niet verjaarde karakter van de in het geding zijnde vordering voor het verwijzende rechtscollege rechtstreeks verband met het antwoord van het Hof. A.2.
  7. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van mening dat artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt in zoverre onder de rechtsonderhorigen een verschil in behandeling wordt ingevoerd met betrekking tot het aanvangspunt van de verjaringstermijn van hun persoonlijke rechtsvordering, naargelang hun vordering is gebaseerd op het bestaan van een contract (eerste lid) of op een buitencontractuele fout (tweede lid). Het Hof wordt met andere woorden verzocht om de situatie van de rechtsonderhorigen die zijn verwikkeld in vorderingen op grond van een onrechtmatige daad, die een verjaringstermijn genieten waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat zij zich bewust zijn van de schade, te vergelijken met die van de rechtsonderhorigen die zijn verwikkeld in persoonlijke rechtsvorderingen, die zijn gebonden aan een termijn waarbij geen rekening wordt gehouden met hun individuele situatie. A.2.
  8. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen eveneens gelden dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek blijkt dat de wetgever heeft geprobeerd om de belangen veilig te stellen van personen die geen weet hebben van het bestaan van schade die te wijten is aan een onrechtmatige daad, maar dat hij niet op een dergelijke manier daarmee rekening heeft gehouden ten aanzien van personen die zijn verwikkeld in persoonlijke rechtsvorderingen en die op legitieme wijze geen weet kunnen hebben van het bestaan van een overeenkomst waarbij zij geen partij zijn en die hun schade berokkent. A.2.
  9. Volgens de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege is dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord, in zoverre het onevenredige gevolgen heeft. De erfgenamen of rechthebbenden van een overledene kunnen immers volkomen, en op legitieme wijze, onwetend zijn van het bestaan van een schenking door die overledene, wanneer zij geen partij zijn bij die overeenkomst. Pas indien een van de partijen hen erover informeert of op het ogenblik van de boedelbeschrijving van de nalatenschap kunnen zij het bestaan van de schenking ontdekken, hetgeen zich jaren na het sluiten van die overeenkomst kan voordoen. Daaruit vloeit voort dat hun vordering tot nietigverklaring van de schenking verjaard kan zijn nog vóór zij kennis hebben van het bestaan ervan, hetgeen afbreuk doet aan hun recht op toegang tot de rechter. A.3.
  10. In ondergeschikte orde zijn de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege van mening dat artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie, gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.
  11. Zij zijn van mening dat de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën, namelijk, enerzijds, de personen die houder zijn van een vorderingsrecht op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid en, anderzijds, de personen die houder zijn van een andere persoonlijke rechtsvordering, niet vergelijkbaar zijn. Die twee soorten van vordering verschillen immers wat de aard en de doelstellingen ervan betreft, hetgeen trouwens wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 juni 1998 « tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring » (hierna : de wet van 10 juni 1998), die artikel 2262bis heeft ingevoegd in het oud Burgerlijk Wetboek. De situatie van rechtsonderhorigen die derden zijn bij een overeenkomst, kan evenmin zonder meer worden gelijkgesteld met die van personen die een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld. De eerstgenoemden worden, in tegenstelling tot de laatstgenoemden, immers noch met een wanprestatie, noch met een door een andere persoon verrichte schadeverwekkende handeling geconfronteerd. A.3.
  12. Indien het Hof van oordeel is dat de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen, die de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege bovendien onvoldoende gepreciseerd achten, zich in vergelijkbare situaties bevinden, dan zou moeten worden besloten dat het aangevoerde verschil in behandeling op een objectief criterium (de aard van de vordering) berust en dat het redelijk verantwoord is. Toen hij de wet van 10 juni 1998 heeft aangenomen, had de wetgever immers de bedoeling om de rechtszekerheid te versterken die de persoon geniet die buitencontractueel aansprakelijk wordt gesteld, omwille van het evenwicht tussen de rechten van de persoon die aansprakelijk is voor schade en die van de persoon die het slachtoffer is van die schade. Het verschil in behandeling tussen de houder van een persoonlijke rechtsvordering en de houder van een buitencontractuele vordering berust op de aard van de vordering en wordt verantwoord door de wil om andere verschillen in behandeling te vermijden die problematischer zijn. 5 A.3.
  13. De verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege brengen in herinnering dat een verjaringstermijn op zich niet in strijd is met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie, zoals het wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en dat daarmee legitieme doelstellingen van rechtszekerheid worden nagestreefd. Er moet een afweging worden gemaakt tussen die rechtszekerheid en het recht op toegang tot een rechterlijke instantie. Noch de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch die van het Hof tonen te dezen aan dat de in het geding zijnde bepaling het niet mogelijk maakt dat evenwicht te bereiken, of dat die bepaling onevenredige gevolgen zou hebben. A.3.
  14. Ten slotte doen de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege gelden dat de recente wijziging, bij artikel 5.60 van het Burgerlijk Wetboek, van de regels inzake het verjaren van een vordering tot nietigverklaring geen enkele weerslag heeft op hun argumentatie. A.
  15. In uiterst ondergeschikte orde verzoeken de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege om, indien artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek in strijd wordt geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de gevolgen van die bepaling te handhaven, minstens tot de inwerkingtreding van artikel 5.60 van het Burgerlijk Wetboek, zijnde op 1 januari
  16. A.5.
  17. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag moet worden beperkt tot de situatie van personen die geen kennis hebben van de objectieve elementen (zoals de stukken die een partij in haar bezit heeft zonder ze spontaan over te leggen) waardoor zij eerst het bestaan van een (in voorkomend geval vermomde) schenking kunnen inzien, die nietig is naar vorm en inhoud, en vervolgens de nietigverklaring ervan kunnen vorderen, vooraleer hun vorderingsrecht verjaard is. A.5.
  18. Voor het overige gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  19. Artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan ». B.2.
  20. Artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 « tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring ». Met die wet beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het arrest van het Hof nr. 25/95 van 21 maart 1995 (ECLI:BE:GHCC:1995:ARR.025). Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar was met het 6 beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat het de burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf onderwierp aan een verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de andere buitencontractuele fouten krachtens de toenmalige versie van artikel 2262 van het oud Burgerlijk Wetboek pas na dertig jaar verjaarden. B.2.
  21. Ingevolge dat arrest heeft de wetgever beslist dat niet alleen de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid diende te worden verholpen, maar dat tevens de verjaringstermijn voor alle persoonlijke rechtsvorderingen, die op dat ogenblik dertig jaar bedroeg, diende te worden ingekort (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1087/1, pp. 2-3). Daarbij werd benadrukt dat er diende te worden voorzien in een absolute verjaringstermijn die begint te lopen op de dag waarop de schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet, zelfs indien de schade pas later blijkt, omdat de aansprakelijke en zijn verzekeraar niet al te lang mogen worden blootgesteld aan rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (ibid., pp. 2-3). B.2.
  22. De absolute verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen is tien jaar (artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op die waarop de vordering ontstaat. De absolute verjaringstermijn voor rechtsvorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid is daarentegen twintig jaar (artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Die termijn begint te lopen vanaf de dag volgend op het ogenblik van het schadeverwekkende feit. Alleen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid is, binnen de absolute verjaringstermijn, voorzien in een kortere relatieve verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Dat die relatieve verjaringstermijn niet werd uitgebreid naar de andere persoonlijke rechtsvorderingen, is in de parlementaire voorbereiding verklaard als volgt : « Het toepassen van de thans voorziene verkorte termijn op grond van het criterium ‘ kennis van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon ’ op alle contractuele vorderingen heeft in veel gevallen geen zin. Men kent daar doorgaans de identiteit van zijn contractspartij (‘ dader ’) die de contractuele fout heeft begaan. Voor andere 7 vorderingen dan deze tot schadevergoeding moeten de aanvangspunten per type contractuele vordering bepaald worden, eerder dan te stellen ‘ vanaf kennis van de schade ’ (zie NBW). Tenzij het hele verjaringssysteem van het Belgisch recht wordt herwerkt, wat, zoals gezegd, thans niet opportuun wordt geacht, leek het voldoende en gepast om binnen de groep van persoonlijke vorderingen (2262bis van het Burgerlijk Wetboek) de vorderingen tot schadevergoeding gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid te onderwerpen aan de dubbele verjaringstermijn van 5 en 10 jaar [lees : 20 jaar in de uiteindelijk aangenomen wet], terwijl alle andere persoonlijke vorderingen verjaren door een unieke absolute termijn van 10 jaar (zie bespreking van artikel 5) » (ibid., p. 6). B.
  23. Artikel 2251 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt ». Ten gronde B.
  24. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2251 van hetzelfde Wetboek, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de tienjarige verjaringstermijn die van toepassing is op persoonlijke rechtsvorderingen, een aanvang neemt vanaf het ontstaan van de vordering, terwijl de verjaringstermijn die van toepassing is op vorderingen op grond van een onrechtmatige daad, krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek pas een aanvang neemt vanaf het ogenblik dat het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. B.
  25. Ofschoon een contractuele en een buitencontractuele rechtsvordering verschillend zijn, bevinden de schuldeisers in een rechtsvordering van contractuele respectievelijk buitencontractuele aard zich in situaties die niet in die mate verschillen dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken wat de verjaringstermijn betreft. Het gaat immers in beide gevallen om personen die worden geconfronteerd met verjaringstermijnen die van toepassing zijn op een door een andere persoon begane wanprestatie respectievelijk schadeverwekkende handeling. 8 B.
  26. Zoals in B.2.3 is vermeld, zijn er twee verjaringstermijnen van toepassing in geval van een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. De eerste termijn van vijf jaar, die in de prejudiciële vraag is vermeld, begint te lopen « vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon » (artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Er dient evenwel rekening te worden gehouden met een tweede termijn, die niet in de prejudiciële vraag is vermeld, volgens welke de vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid in ieder geval verjaart « door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan » (artikel 2262bis, § 1, derde lid). Dientengevolge kan de houder van een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid zich, net zoals de houder van een persoonlijke rechtsvordering van contractuele aard, in een situatie bevinden waarin zijn vordering verjaard is vooraleer hij kennis heeft gehad van het ontstaan van die vordering of van de objectieve elementen die een redelijke grondslag ervoor kunnen vormen. B.
  27. Het Hof dient derhalve te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij tot gevolg heeft dat bepaalde categorieën van persoonlijke rechtsvorderingen verjaren vooraleer de betrokken personen kennis hebben van hun vorderingsrecht. B.
  28. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. 9 B.9.
  29. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert om zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter te laten beoordelen (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802, § 24; 24 februari 2009, L’Erablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 35). De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, ECLI:CE:ECHR:2006:0112JUD002611102, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2010:0722JUD003060407, § 28) of indien zij als gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:0311JUD005206710). B.9.
  30. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht op een eerlijk proces, die elke verjaringsregel kenmerken. De omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn vorderingsrecht uit te oefenen, zoals de termijnen van tien en twintig jaar die respectievelijk in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, en in artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek worden beoogd, is bijgevolg op zichzelf niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  31. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betrekking heeft op de verjaringstermijn van een vordering tot nietigverklaring in de specifieke situatie waarin veinzing wordt aangevoerd. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege vorderen immers de nietigverklaring van een schenking die 10 de tegenbrief van een schijnverkoop zou uitmaken, zonder noch bij de ene, noch bij de andere partij te zijn. Het Hof beperkt zijn onderzoek dus tot de situatie van een derde die een vordering tot nietigverklaring instelt tegen de aangevoerde tegenbrief van een schijnovereenkomst en wiens vordering verjaard was vooraleer hij kennis heeft gehad of redelijkerwijze kennis heeft kunnen hebben van het bestaan van de tegenbrief of van objectieve elementen die een grondslag voor de nietigheid ervan kunnen vormen. Het is in dat verband van belang te preciseren dat de vordering tot geveinsdverklaring onverjaarbaar is. De uitoefening van de rechten die zowel uit het schijncontract als uit de tegenbrief voortvloeien, blijft evenwel onderworpen aan de gemeenrechtelijke regels van de verjaring die ze regelt. Daaruit vloeit voort dat de vordering tot nietigverklaring die vóór de inwerkingtreding van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (zijnde op 1 januari 2023) is ingesteld tegen de tegenbrief, onderworpen blijft aan de absolute verjaringstermijn van tien jaar die van toepassing is op persoonlijke rechtsvorderingen, bedoeld in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, zelfs indien veinzing wordt aangetoond. B.
  32. Er is veinzing wanneer partijen een schijncontract sluiten terwijl zij door een verborgen contract, de tegenbrief, het schijncontract wijzigen of tenietdoen. In een dergelijke situatie is het mogelijk dat de derde bij de contracten het bestaan van de tegenbrief, en a fortiori de elementen die een grondslag voor de nietigheid ervan kunnen vormen, niet kent en niet redelijkerwijze kan kennen. Bijgevolg is het mogelijk dat het recht om de nietigverklaring van de tegenbrief te vorderen, verjaart vooraleer de houder ervan van het bestaan ervan op de hoogte zou kunnen zijn. Zijn onwetendheid, zelfs te goeder trouw, schorst het vorderingsrecht immers niet, aangezien krachtens artikel 2251 van het oud Burgerlijk Wetboek enkel een wettelijk beletsel in aanmerking komt om een verjaringstermijn te stuiten of te schorsen. B.
  33. Hoewel het legitiem is om zo veel mogelijk in geharmoniseerde regels te voorzien voor de verjaring van alle types van persoonlijke rechtsvorderingen, vermag een dergelijke doelstelling niet als gevolg te hebben dat voor een bepaald type van persoonlijke rechtsvorderingen het instellen ervan onmogelijk kan worden gemaakt. 11 Aangezien de uitoefening van de vordering tot nietigverklaring veronderstelt dat de derde kennis heeft van het bestaan van de tegenbrief en van een grond voor de nietigheid ervan, zou een verjaringstermijn die afloopt vooraleer die derde van de voormelde elementen kennis heeft of redelijkerwijze over die kennis zou kunnen beschikken, hem verhinderen een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. Wanneer de derde na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van tien jaar alsnog kennis krijgt van de tegenbrief, is elke vordering bij voorbaat tot mislukken gedoemd. B.
  34. In zoverre het als gevolg kan hebben dat de derde bij een middels een schijncontract geveinsde tegenbrief zijn recht niet kan opeisen, omdat het overeenkomstige recht om de nietigverklaring te vorderen, is verjaard vooraleer hij kennis van die tegenbrief heeft of redelijkerwijze kennis ervan kon hebben, is artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter. Het staat aan het verwijzende rechtscollege na te gaan of de veinzing is aangetoond, of de eisende partijen in het voor dat rechtscollege hangende geschil, in hun hoedanigheid van testamentuitvoerders, derden zijn bij de aangevoerde schenking en, in voorkomend geval, of zij kennis van de tegenbrief hadden of redelijkerwijze kennis ervan dienden te hebben vóór het verstrijken van de verjaringstermijn. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.14.
  35. De verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege vragen dat het Hof, in geval van vaststelling van ongrondwettigheid, de gevolgen van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek zou handhaven, minstens tot de inwerkingtreding van artikel 5.60 van het Burgerlijk Wetboek, op 1 januari
  36. B.14.
  37. Krachtens artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof wijst het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt. 12 B.14.
  38. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring welke die vaststelling voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. B.14.
  39. Rekening houdend met de beperkte draagwijdte van de in B.13 gepreciseerde vaststelling van ongrondwettigheid, dient dat verzoek niet te worden ingewilligd. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het tot gevolg kan hebben dat, in geval van veinzing, de verjaringstermijn die van toepassing is op de vorderingen tot nietigverklaring die zijn gericht tegen de tegenbrief, verstrijkt vooraleer de belanghebbende derde kennis van het bestaan ervan heeft of redelijkerwijze kennis ervan kon hebben. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 november
  40. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.117 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1995:ARR.025 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.179 ECLI:CE:ECHR:2006:0112JUD002611102 ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207 ECLI:CE:ECHR:2010:0722JUD003060407 ECLI:CE:ECHR:2014:0311JUD005206710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.