id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.118 Arrest- Rolnummer: 118/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 334 - laatst gezien 2026-06-16 01:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », ingesteld door Geert Lambrechts en anderen. Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Vordering tot schorsing - Vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen - Verplichting tot het gebruik van de elektronische procedure Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 118/2024 van 7 november 2024 Rolnummer : 8150 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », ingesteld door Geert Lambrechts en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 januari 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 2023) ingesteld door Geert Lambrechts, Dirk Bus, Jean de Ghellinck d’Elseghem Vaernewyck, Pascal Malumgré en Jan Creve, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen, en door mr. Stijn Verbist, advocaat bij de balie van Limburg. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled, mr. Sebastiaan De Meue en mr. Junior Geysens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 juni 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de 2 kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 17 juli 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 25 september
- Op de openbare terechtzitting van 25 september 2024 : - zijn verschenen : . mr. Philippe Vande Casteele, voor de verzoekende partijen; . mr. Junior Geysens, tevens loco mr. Nicolas Bonbled en mr. Sebastiaan De Meue, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De verzoekende partijen voeren aan dat zij van een afdoende belang doen blijken bij hun beroep tot vernietiging. De bestreden bepaling raakt de advocaten rechtstreeks en ongunstig, daar zij het hen moeilijker maakt om een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij de Raad van State in te stellen. Dit staaft reeds het belang van de eerste en de vierde verzoekende partij, die optreden als advocaat in administratieve kortgedingprocedures voor de Raad van State. Tevens toont dit het belang aan van de andere verzoekende partijen, daar die partijen reeds partij zijn geweest in een procedure voor de Raad van State waarbij zij werden vertegenwoordigd door een advocaat, zoals de advocaat van de verzoekende partijen in de voorliggende procedure, die zijn kantoor heeft in een gebied met een gebrekkige internetinfrastructuur. A.1.
- Volgens de Ministerraad tonen de verzoekende partijen niet aan dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling, zodat zij geen belang hebben bij hun beroep tot vernietiging. Met betrekking tot de tweede, derde en vijfde verzoekende partij merkt de Ministerraad op dat de bestreden bepaling niet op hen van toepassing is, daar zij geen advocaat zijn. Daarnaast verwijzen alle verzoekende partijen ter ondersteuning van hun belang naar de internetaansluitingsmoeilijkheden van het kantoor van hun advocaat. Nochtans betekent het loutere feit dat er voor dat kantoor een minder snelle internetverbinding beschikbaar is, niet dat het onmogelijk zou zijn om de elektronische procedure te gebruiken. Ten slotte, ten aanzien van de eerste en de vierde verzoekende partij, bemoeilijkt het loutere feit dat zij een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen elektronisch moeten indienen niet de uitoefening van hun functie. 3 Ten gronde A.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 17, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals vervangen door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 ». Zij leiden een enig middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet, de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de algemene rechtsbeginselen van toegang tot een rechter en van behoorlijke rechtsbedeling, het recht van de vrije keuze van een advocaat en de vrijheid van ondernemen, de algemene beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en redelijkheid, de vrije keuze van woonplaats en kantoorplaats en artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.
- Volgens de Ministerraad zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, schendt, zodat het middel onontvankelijk is in zoverre het de schending van die bepaling inroept. De aanvullende toelichting die de verzoekende partijen daarover in hun memorie van antwoord hebben opgenomen, is niet tijdig. A.3.
- De verzoekende partijen voeren in hun memorie van antwoord aan dat de vrijheid van ondernemen van een advocaat inhoudt dat hij zijn beroep naar eigen inzichten kan uitoefenen en dat die vrijheid wordt beperkt door de verplichting om processtukken elektronisch in te dienen, zodat het middel ontvankelijk is in zoverre het de schending van die vrijheid inroept. A.4.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de door de bestreden bepaling ingevoerde verplichting tot de elektronische indiening en behandeling van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de partijen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat, afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter. De doelstelling van de wetgever om tijdverlies door postbestellingen tijdens een administratief kort geding te vermijden, staat volgens hen niet in redelijk verband met de bestreden maatregel. Bovendien bevat de bestreden bepaling een aantal onduidelijkheden. Zo is niet bepaald wat er met de vordering tot schorsing of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen moet gebeuren als die niet elektronisch werd ingediend en ook niet wat er met het verzoek tot nietigverklaring moet gebeuren wanneer het samen met een vordering tot schorsing per aangetekende post werd ingediend. Evenmin is bepaald op welke wijze een verzoek tot nietigverklaring moet worden behandeld dat per aangetekende post werd ingediend en waarbij nadien een vordering tot schorsing elektronisch werd ingediend. De bestreden bepaling schendt voorts het evenredigheidsbeginsel, in zoverre zij tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen enkel nog door middel van hun advocaat stukken kunnen neerleggen. A.4.
- De Ministerraad is van mening dat het eerste onderdeel niet gegrond is. Hij wijst erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Xavier Lucas t. Frankrijk van 9 juni 2022 (ECLI:CE:ECHR:2022:0609JUD001556720) heeft geoordeeld dat het verplicht gebruik van een elektronisch platform voor de indiening van een rechtsvordering, wanneer de verzoeker wordt bijgestaan door een advocaat, verenigbaar is met het recht op toegang tot de rechter. Volgens de Ministerraad geldt dat oordeel ook voor de bestreden bepaling. Ten eerste streeft de bestreden bepaling een legitieme doelstelling van algemeen belang na, namelijk het vermijden van tijdverlies in een procedure waar het auditoraat en de staatsraden uiterst snel dienen op te treden. Hij wijst in dat verband erop dat de bestreden bepaling voorziet in de mogelijkheid om een procedurekalender op te leggen die voorziet in zeer korte termijnen. De Ministerraad is voorts van mening dat de bestreden bepaling evenredig is ten aanzien van die doelstelling. De verplichting tot elektronische procesvoering is voorzienbaar, zij is enkel van toepassing op de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en ingeval de verzoeker wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, en de bestaande regelgeving houdt rekening met de situatie van een tijdelijke onbeschikbaarheid van de informaticamiddelen van de betrokken partij. Volgens de Ministerraad is er van enige onzekerheid geen sprake. Wanneer de vordering tot schorsing of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, in weerwil van de bestreden bepaling, niet elektronisch wordt ingediend, zal zij niet worden behandeld door de Raad van State en zal die laatste derhalve ook geen uitspraak doen. De door de verzoekende partijen geformuleerde kritiek tegen de omstandigheid dat ook de navolgende annulatieprocedure elektronisch zal worden behandeld, is onontvankelijk, aangezien die kritiek gericht is tegen artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State », waarvoor het Hof niet bevoegd is. Minstens kan die kritiek niet tot de onevenredigheid van de bestreden bepaling leiden, aangezien, zoals werd vermeld, de bestaande regelgeving rekening houdt met de situatie van een tijdelijke onbeschikbaarheid 4 van de informaticamiddelen van de betrokken partij. Ten slotte benadrukt de Ministerraad dat de advocaat zijn cliënt uitdrukkelijk kan machtigen om stukken in te dienen. A.5.
- De verzoekende partijen voeren in een tweede onderdeel de schending aan van artikel 160 van de Grondwet en van de beginselen van rechtspleging, rechtszekerheid en behoorlijke rechtsbedeling, doordat de wetgever heeft nagelaten om de essentiële beginselen van de procedure vast te leggen. Zij verwijzen in dat verband naar de in A.4.1 weergegeven onduidelijkheden in de bestreden bepaling. A.5.
- De Ministerraad is van mening dat het tweede onderdeel niet gegrond is. Hij benadrukt dat de bestreden bepaling beantwoordt aan de vereisten van artikel 160 van de Grondwet. Door bij wet te bepalen dat het gebruik van de elektronische procedure voor het administratief kort geding verplicht is, heeft de wetgever een essentiële regel van de rechtspleging vastgesteld. De vaststelling van de precieze modaliteiten van de elektronische procedure kon de wetgever daarentegen overlaten aan de Koning. A.6.
- De verzoekende partijen leiden een derde onderdeel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het recht op vrije keuze van een advocaat, doordat de verplichting tot elektronische procesvoering eveneens geldt voor advocaten die een kantoor hebben in gebieden met een gebrekkige internetinfrastructuur. Nochtans volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het opleggen van een verplicht gebruik van een elektronische procedure ondergeschikt is aan de beschikbaarheid van de noodzakelijke infrastructuur. Daardoor schendt de bestreden bepaling ook het recht van de advocaat op vrije keuze van woonplaats, daar hij verplicht zal zijn om zijn kantoor te verplaatsen naar een gebied dat wel digitaal toegankelijk is. A.6.
- Volgens de Ministerraad is het niet duidelijk wat de verzoekende partijen precies bedoelen met gebieden met een gebrekkige digitale infrastructuur, zodat het onduidelijk is welke twee situaties met elkaar worden vergeleken. Het derde onderdeel is dan ook reeds om die reden niet gegrond. In elk geval is de infrastructurele connectiviteit in heel België zeer hoog, zodat de wetgever redelijkerwijze ervan mocht uitgaan dat alle advocaten in België beschikken over een internettoegang die hen toelaat om het elektronisch platform voor de Raad van State te gebruiken. Bovendien zijn er geen bijzonder technische eisen om van het platform gebruik te kunnen maken. Ten slotte is het derde onderdeel niet gegrond in zoverre het de schending inroept van artikel 12 van de Grondwet en artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien de bestreden bepaling het recht op vrije woonplaatskeuze op geen enkele wijze beperkt. A.7.
- De verzoekende partijen voeren in een vierde onderdeel aan dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling in het leven roept onder verzoekers van een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen voor de Raad van State naargelang zij al dan niet worden bijgestaan door een advocaat. Volgens hen bestaat voor dat verschil in behandeling geen redelijke verantwoording, daar een verzoekende partij, zelfs als zij wordt bijgestaan door een advocaat, ervoor kan kiezen om zelf in te staan voor de indiening van de vordering of om keuze van woonplaats bij haar te doen in plaats van bij haar advocaat. De verzoekende partijen wijzen erop dat e-mail een onveilig en onzeker medium is, wat des te meer het geval is wanneer het wordt gebruikt in gebieden waar de internetinfrastructuur onvoldoende is. Het door de Ministerraad aangehaalde arrest van het Hof nr. 49/2015 van 30 april 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.049) leidt niet tot een andere conclusie, aangezien het Hof de in dat arrest bestreden bepaling grondwettig heeft verklaard omdat zij voorzag in een regularisatieprocedure, terwijl de met het voorliggende beroep bestreden bepaling daarin niet voorziet. A.7.
- De Ministerraad merkt op dat het Hof in zijn voormelde arrest nr. 49/2015 reeds een gelijkaardige grief heeft verworpen. Het verschil in behandeling is objectief en pertinent ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk het versnellen en vergemakkelijken van de administratieve kortgedingprocedure, zodat de strakke timing van die procedure in acht kan worden genomen. Uit het in A.4.2 vermelde arrest Xavier Lucas t. Frankrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het verschil in behandeling ook evenredig is. 5 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.
- Het beroep strekt tot de vernietiging van artikel 17, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), zoals vervangen door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » (hierna : de wet van 11 juli 2023). Artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft betrekking op de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen voor de Raad van State. Het tweede lid van die bepaling, zoals vervangen door de bestreden bepaling, luidt : « De vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt elektronisch ingediend en behandeld, in ieder geval wanneer de partijen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn als bedoeld in artikel 14, § 1 ». B.2.
- De bestreden bepaling past binnen een ruimere hervorming van de Raad van State. Naast een uitbreiding van het personeelskader van de afdeling wetgeving en van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die werd doorgevoerd bij de wet van 6 september 2022 « tot wijziging van artikel 69 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », omvat die hervorming ook een inhoudelijk deel, dat door de wet van 11 juli 2023 wordt gerealiseerd. Dat deel voorziet onder meer in een hervorming van de procedures bij de Raad van State om de doorlooptijd te verkorten en de rechtszekerheid te bevorderen (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3220/001, p. 4). De parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 2023 vermeldt met betrekking tot de hervorming van de procedure tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen, waaronder de bestreden regeling : «
- De wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State hebben als doel de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. Een zaak die spoedeisend is, zal in ieder geval met een schorsingsarrest afgehandeld zijn binnen een termijn van drie maanden en sneller indien dat nodig blijkt.
- Twee kernmaatregelen moeten toelaten dit doel te bereiken. 6 Enerzijds is er een uniformering van de bestaande ‘ gewone ’ schorsingsprocedure en de procedure ‘ bij uiterst dringende noodzakelijkheid ’ (‘ UDN ’), waarbij de ‘ UDN ’ procedures de uitzondering moeten blijven. Anderzijds wordt aan de Raad van State door middel van een procedurekalender een instrument verschaft om op maat van de concrete spoedeisendheid op actieve wijze de procedure aan te sturen en aldus te waken over de behandeling ervan op korte termijn. [...]
- Wanneer de auditeur een geschreven verslag opstelt, zal dit verslag ook voorafgaand aan en uiterlijk vijf werkdagen vóór de reeds bij beschikking vastgestelde zitting aan de partijen moeten worden betekend. [...] [...] Maar zelfs als er minder schorsingsprocedures moeten worden gevoerd dankzij de vlottere doorlooptijd van de annulatieprocedure, zullen enkele flankerende maatregelen nodig zijn om de strakke timing in acht te kunnen nemen.
- Om tijdverlies door postbestellingen te vermijden, wordt bepaald dat een schorsingsprocedure verloopt met toepassing van de in artikel 85bis van het algemeen procedurereglement geregelde elektronische procedure. Aan iedere partij die betrokken is bij een schorsingsprocedure, hetzij als verzoekende partij, hetzij als tussenkomende partij, en die zich daarbij laat bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, wordt voortaan de verplichting opgelegd om de procedurestukken (bijvoorbeeld : het verzoekschrift tot schorsing, het verzoekschrift tot tussenkomst, de overtuigingsstukken die bij deze verzoekschriften gevoegd zijn) elektronisch in te dienen. Voor de verwerende partij geldt die verplichting tot het gebruik van de elektronische procesvoering eveneens, zelfs in het geval zij ervoor opteert om geen beroep te doen op een advocaat. Deze verplichting is ingegeven door de bijzonder korte termijn waarover het auditoraat en de Raad voortaan beschikken om over deze vorderingen uitspraak te doen. Het zal ertoe bijdragen dat de neerlegging van een stuk en elke kennisgeving onmiddellijk raadpleegbaar worden en zal de uitwisseling ervan tussen partijen, net als met de griffie, de Raad en het auditoraat vergemakkelijken, zodat de tijd die gepaard gaat met de tussenkomst van de postdiensten sterk gereduceerd kan worden. Hierbij mag erop gewezen worden dat artikel 85bis, § 14, van het algemeen procedurereglement rekening houdt met de mogelijkheid dat de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar is. Dat het voor de voormelde partijen als een verplichting wordt gesteld, betekent uiteraard niet dat partijen die niet onder deze omschrijving vallen (bijvoorbeeld de verzoekende of tussenkomende partijen die niet door een advocaat worden bijgestaan of vertegenwoordigd) niet eveneens voor de elektronische procesvoering kunnen opteren. Ook zij hebben er belang bij om te kiezen voor de e-procedure, daar zij op die manier sneller kennis kunnen nemen van alle mededelingen met betrekking tot de zaak. Het volstaat te wijzen op de korte termijn tussen de neerlegging van het auditoraatsverslag en de openbare terechtzitting (5 werkdagen). In een recent arrest van 9 juni 2022 (Lucas v. Frankrijk) heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens onder meer geoordeeld dat het niet onrealistisch [noch] onredelijk was het 7 gebruik van een dergelijke elektronische dienst op te leggen aan de beoefenaars van een juridisch beroep die sedert lange tijd in ruime mate gebruikmaken van de informaticatechnologie » (ibid., pp. 9 en 14-16). B.2.
- De elektronische procedure bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd ingevoerd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2014 « tot wijziging van het regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, met het oog op de invoering van de elektronische rechtspleging » (hierna : het koninklijk besluit van 13 januari 2014). Dat besluit heeft daartoe een artikel 85bis ingevoegd in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » (hierna : het besluit van de Regent van 23 augustus 1948). Die bepaling, die ook van toepassing is op het administratief kort geding, voorziet, met ingang van 1 februari 2014, in een elektronische uitwisseling van processtukken alsook van kennisgevingen via een webapplicatiesysteem beheerd door de Raad van State, dat dienst doet als een beveiligd platform. Krachtens artikel 85bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 kan elke partij, ongeacht of zij wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, gebruikmaken van de elektronische procesvoering. Die bepaling voorziet in de mogelijkheid, niet in de verplichting, om de elektronische procedure te gebruiken. De partijen kunnen dus ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van het bestaande systeem van de verzending van de processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen bij ter post aangetekende brief (artikel 84, eerste lid en tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948), maar zodra een partij een processtuk langs elektronische weg heeft ingediend, is de keuze voor die procedure in het kader van de betrokken zaak definitief en kan die partij de overige proceshandelingen alleen nog op die manier stellen (artikel 85bis, § 4, van het voormelde besluit). Artikel 85bis bevat een gedetailleerde regeling inzake het gebruik van de elektronische procedure. Zo moet de gebruiker die toegang wenst te hebben tot dat platform, zich registreren door middel van een elektronische identiteitskaart (§ 3, eerste en tweede lid). De processtukken worden neergelegd door ze in te voeren in het webapplicatiesysteem (§ 7, eerste lid) en de indiener ontvangt een bevestiging van die indiening. Aan de personen die voor de elektronische procedure hebben gekozen, deelt de Raad van State de processtukken, alsook de betekeningen, 8 kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. Zij worden per elektronisch bericht van die neerlegging op de hoogte gebracht (§ 13, eerste en tweede lid). Ten slotte bevat paragraaf 14 van artikel 85bis een regeling voor de gevallen waarin het webapplicatiesysteem of de informaticamiddelen van een partij die gebruikmaakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn. B.2.
- De bestreden bepaling voorziet thans in een verplichting tot het gebruik van de elektronische procedure voor de indiening en de behandeling van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, wanneer de partijen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Die laatste bepaling vermeldt de overheden waarvan de handelingen kunnen worden bestreden bij de Raad van State, namelijk de administratieve overheden alsook, voor zover het gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid, de wetgevende vergaderingen, de rechtscolleges en de Hoge Raad voor de Justitie, of hun organen. De bestreden bepaling treedt in werking op 1 januari 2025, tenzij de Koning een vroegere datum van inwerkingtreding bepaalt (artikel 28, tweede lid, van de wet van 11 juli 2023), en is van toepassing op beroepen en andere vorderingen die bij de Raad van State op de rol werden ingeschreven vanaf die datum (artikel 29, derde lid, van de voormelde wet). Ten aanzien van het belang B.3.
- De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. 9 B.3.
- De eerste en de vierde verzoekende partij oefenen het beroep van advocaat uit en doen derhalve blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van een bepaling die de elektronische verzending van procedurestukken oplegt aan de door een advocaat bijgestane of vertegenwoordigde rechtzoekende. Aangezien het beroep ontvankelijk is wat de eerste en de vierde verzoekende partij betreft, moet het belang van de tweede, de derde en de vijfde verzoekende partij niet worden onderzocht. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het enige middel B.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de vrijheid van ondernemen, gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zou schenden. Zij zetten evenmin uiteen in welk opzicht artikel 23 van de Grondwet zou zijn geschonden. In de mate waarin het enige middel is afgeleid uit een schending van die toetsingsnormen, is het onontvankelijk. Ten gronde B.
- De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet, de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten 10 van de mens, de algemene rechtsbeginselen van toegang tot een rechter en van behoorlijke rechtsbedeling, het recht van de vrije keuze van een advocaat, de algemene beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en redelijkheid, de vrije keuze van woonplaats en kantoorplaats en artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het middel omvat verschillende onderdelen. Wat betreft de verenigbaarheid van de verplichting tot het gebruik van de elektronische procedure voor de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen met de grondrechten en de algemene rechtsbeginselen (eerste, derde en vierde onderdeel) B.6.
- De verzoekende partijen bekritiseren in een eerste onderdeel de invoering van een verplichting tot elektronische indiening van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de partijen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, evenals de onduidelijke gevolgen van die verplichting. In een derde onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de bestreden bepaling met betrekking tot de toepassing van de verplichting tot elektronische procesvoering geen onderscheid maakt naargelang van de kwaliteit van de internetverbinding of -infrastructuur van het gebied waarin de advocaat zijn kantoor heeft. De verzoekende partijen voeren in een vierde onderdeel aan dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling in het leven roept onder partijen bij een vordering tot schorsing of bij een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen voor de Raad van State naargelang zij al dan niet worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat. B.6.
- Het Hof onderzoekt die drie middelonderdelen samen. B.7.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 11 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.7.
- Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt eveneens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden welke in dat Verdrag en zijn aanvullende protocollen zijn vermeld. B.8.
- Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Het recht op toegang tot de rechter wordt eveneens gewaarborgd bij de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel. B.8.
- Het recht op toegang tot de rechter, dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan eenieder moet worden gewaarborgd, vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. Het recht om zich tot een rechter te wenden, heeft bovendien zowel betrekking op het recht om in rechte op te treden als op het recht om zich te verdedigen. De toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat de toegang tot de rechter dermate wordt beperkt dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van een dergelijke beperking met het recht op toegang tot de rechter hangt af van de bijzonderheden 12 van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 36; 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406, § 70; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712, § 64; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, § 58). Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Het recht op toegang tot een rechter « wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Güneş t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2011:0524JUD002739606, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807, § 19; 18 oktober 2016, Miessen t. België, voormeld, § 66). B.8.
- Het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, kan voor de rechtzoekende, teneinde te verschijnen voor een rechtscollege, de bijstand van een raadsman impliceren, wanneer uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de betrokken persoon zijn eigen zaak naar behoren kan verdedigen (EHRM, 9 oktober 1979, Airey t. Ierland, ECLI:CE:ECHR:1979:1009JUD000628973, § 26; 15 februari 2005, Steel en Morris t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2005:0215JUD006841601, §§ 61-63). B.
- Ten slotte verbiedt het rechtszekerheidsbeginsel de wetgever om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtssubjecten om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.10.
- De bestreden bepaling voorziet in een verplichting tot de elektronische indiening en behandeling van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige 13 maatregelen wanneer de partijen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De voormelde verplichting is op duidelijke wijze opgenomen in de bestreden bepaling. B.10.
- Hoewel de bestreden bepaling niet uitdrukkelijk een gevolg koppelt aan het niet- naleven van die verplichting, moet, met de Ministerraad, worden aangenomen dat de wijze van indiening van procedurestukken een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, zodat een vordering die niet elektronisch wordt ingediend, in beginsel niet op de rol zal worden ingeschreven en derhalve onontvankelijk is. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de bestreden bepaling op dat punt onduidelijk is, is hun grief derhalve niet gegrond. B.10.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het onduidelijk is wat de gevolgen zijn van de elektronische indiening van een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen voor de wijze waarop andere, navolgende, proceshandelingen moeten worden ingediend en behandeld, volgt uit artikel 85bis, § 4, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 dat hun grief niet gegrond is. Voor het overige is het Hof niet bevoegd om een bepaling van een reglementair besluit te toetsen. B.
- Uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling is ingegeven door de korte termijnen die de wet van 11 juli 2023 toekent aan het auditoraat en de Raad om over de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen uitspraak te doen. Zo moet in geval van een gewone vordering tot schorsing het schriftelijk verslag uiterlijk vijf werkdagen voor de terechtzitting worden meegedeeld aan de staatsraad-verslaggever en aan de partijen (artikel 17, § 4, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023) en moet het arrest uiterlijk binnen tien werkdagen na de terechtzitting worden uitgesproken (artikel 17, § 4, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023). In geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet het arrest uiterlijk binnen vijf werkdagen na de terechtzitting worden uitgesproken (artikel 17, § 5, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023). De bestreden bepaling beoogt dus, bovenop andere maatregelen, zoals de invoering van een procedurekalender met korte termijnen voor de partijen (artikel 17, § 4, eerste lid, en artikel 17, 14 § 5, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023), bij te dragen aan een versnelling en een vereenvoudiging van de kortgedingprocedure en, onrechtstreeks, van de annulatieprocedure voor de Raad van State. De bestreden maatregel streeft derhalve een legitieme doelstelling van algemeen belang na (EHRM, 9 juni 2022, Xavier Lucas t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2022:0609JUD001556720, § 46; 16 februari 2021, Stichting Landgoed Steenbergen e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2021:0216JUD001973217, § 50) en is ook geschikt ten aanzien van die doelstelling, aangezien de aanwending van de elektronische procedure het auditoraat en de Raad van State toelaat om onmiddellijk de stukken te raadplegen en het onderzoek aan te vatten. Bovendien laat het gebruik van de elektronische procedure ook de betrokken advocaat toe om sneller kennis te nemen van de proceshandelingen en de andere mededelingen die met betrekking tot de zaak worden verricht. B.12.
- Artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen door de bestreden bepaling, heeft tot gevolg dat alleen de partij die wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, is onderworpen aan de verplichting tot elektronische indiening en behandeling van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. B.12.
- Een dergelijk onderscheid berust op een criterium dat objectief en relevant is ten opzichte van het nagestreefde doel. De specifieke opdracht van vertegenwoordiging in rechte van een advocaat, alsook zijn deontologische en beroepsmatige verplichtingen kunnen verantwoorden dat van hem wordt geëist dat hij, in het kader van de bijstand die hij aan zijn cliënt verleent, voor de indiening van processtukken gebruikmaakt van een systeem van elektronische procesvoering; een systeem waarmee hij overigens, zoals werd vermeld in B.2.2, al geruime tijd vertrouwd is (EHRM, 9 juni 2022, Xavier Lucas t. Frankrijk, voormeld, § 51; 16 februari 2021, Stichting Landgoed Steenbergen e.a. t. Nederland, voormeld, § 52). 15 In zijn hoedanigheid van helper van het gerecht is de advocaat bovendien een beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de wetgever kan vermoeden dat hij het gepaste informaticamateriaal bezit om zijn processtukken via het webapplicatiesysteem van de Raad van State in te dienen. De verzoekende partijen voeren aan dat advocaten die hun kantoor hebben in gebieden met een lagere internetsnelheid of een minder performante internetinfrastructuur, worden verhinderd om gebruik te maken van het webapplicatiesysteem van de Raad van State. Die kritiek, die eigenlijk niet zozeer gericht is tegen de bestreden bepaling, als wel tegen de toepassing van artikel 85bis, § 3, eerste en tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, overtuigt alleszins niet. Zo vermeldt het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 13 januari 2014 dat het vereiste van de registratie door middel van een elektronische identiteitskaart (artikel 85bis, § 3, eerste en tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948) « in essentie [...] hierop neer[komt] dat men moet beschikken over een computer, een breedbandinternettoegang, een e-mailadres en een kaartlezer voor identiteitskaarten » (Belgisch Staatsblad, 16 januari 2014, p. 2995). Krachtens artikel 85bis, § 7, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 moet de indiener de op de website van de Raad van State weergegeven aanduidingen volgen en het processtuk en de eventuele bijlagen toevoegen, « in een van de formaten die de website vermeldt ». In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 13 januari 2014 wordt bij dat vereiste vermeld dat « de [website] [zo] is ontworpen dat hij de gebruikelijke formaten van tekstverwerking aanvaardt, alsook het pdf-formaat » (ibid., p. 2997). De stukken die niet gemakkelijk in een van deze formaten converteerbaar zijn, worden bij ter post aangetekende brief verstuurd binnen drie werkdagen na de neerlegging van het verzoekschrift (artikel 85bis, § 7, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948). De omstandigheid dat er, naar de verzoekende partijen aanvoeren, op sommige plaatsen in België sprake is van een lagere internetsnelheid of een minder performante internetinfrastructuur, verhindert dus niet dat er gebruik kan worden gemaakt van het webapplicatiesysteem van de Raad van State. B.13.
- Door te voorzien in een verplichting tot elektronische indiening en behandeling van de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen en 16 door die verplichting alleen op te leggen aan de partij die wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, doet de bestreden bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen. Naar het voorbeeld van de andere vormvereisten waaraan de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen moet voldoen, zoals onder meer bepaald in de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 en artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 « tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State », kan de bestreden verplichting het voorwerp uitmaken van een regularisatieprocedure, bepaald in artikel 3bis van hetzelfde besluit : de verzoekende partij beschikt over de mogelijkheid om de eventuele onregelmatigheid bij de elektronische indiening van het verzoekschrift te regulariseren binnen vijftien dagen na ontvangst van het schrijven waarin de hoofdgriffier haar verzoekt haar verzoekschrift te regulariseren. Daarnaast bevat artikel 85bis, § 14, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, zoals werd vermeld in B.2.2 en zoals ook werd aangehaald in de in B.2.1 weergegeven parlementaire voorbereiding, een uitdrukkelijke regeling ingeval het webapplicatiesysteem van de Raad van State of de informaticamiddelen van een partij die gebruikmaakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn. Indien de website voor elektronische procesvoering van de Raad van State tijdelijk gedurende meer dan een uur onbeschikbaar is, wordt elke termijn die vervalt op de dag dat die onbeschikbaarheid zich voordoet, van rechtswege verlengd tot het verstrijken van de werkdag volgend op de dag waarop een einde is gekomen aan de onbeschikbaarheid (§ 14, eerste lid). Wanneer de informaticamiddelen van een partij die gebruikmaakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn, kan elk stuk per aangetekende post of per elektronisch bericht naar de Raad van State worden verstuurd, waarbij melding wordt gemaakt van de onbeschikbaarheid. De partij bij het geding voert de inhoud van de zending in op de website zodra dat mogelijk is (§ 14, derde lid). Voorts kan aan de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de vordering of het processtuk worden ontkomen door het bestaan van toeval of overmacht aan te tonen. De terechtzitting die wordt gehouden of waartoe de betrokken advocaat kan verzoeken, biedt de betrokken advocaat de gelegenheid om aan te tonen dat hij zich in een van de voormelde gevallen bevindt. 17 Ten slotte is er, zoals werd vermeld in B.2.3, voorzien in een uitgestelde inwerkingtreding van de bestreden bepaling, zodat de advocaten de mogelijkheid wordt geboden om zich aan de bestreden verplichting aan te passen. B.13.
- De verplichting tot elektronische indiening en behandeling van vorderingen tot schorsing en tot het opleggen van voorlopige maatregelen voor de door een advocaat bijgestane of vertegenwoordigde partij doet bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en aan het recht op toegang tot de rechter. B.
- De toetsing van de bestreden bepaling aan het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel evenals aan de bij artikel 12, eerste lid, van de Grondwet en artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde vrijheid van de persoon om zijn woon- en verblijfplaats te kiezen, nog daargelaten de vraag of de verplichting voor een advocaat om processtukken elektronisch in te dienen een inmenging in die vrijheid vormt, leidt niet tot een andere conclusie. B.
- Het eerste, derde en vierde onderdeel van het enige middel zijn niet gegrond. Wat betreft het wettigheidsbeginsel (tweede onderdeel) B.
- De verzoekende partijen voeren in een tweede onderdeel de schending aan van artikel 160 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling niet de gevolgen regelt van de verplichting tot elektronische indiening van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Het Hof begrijpt het middelonderdeel in die zin dat het wordt verzocht om de bestreden bepaling te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het in artikel 160, eerste lid, van de Grondwet opgenomen wettigheidsbeginsel. B.
- In zoverre de verzoekende partijen met hun grief aanvoeren dat in de bestreden bepaling niet is bepaald wat er met de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen 18 van voorlopige maatregelen moet gebeuren als het niet op elektronische wijze werd ingediend, volgt uit hetgeen is vermeld in B.10.2 dat de grief steunt op een verkeerd uitgangspunt. Het Hof onderzoekt het middelonderdeel derhalve enkel in zoverre het betrekking heeft op de in B.10.3 vermelde gevolgen. B.
- Zoals reeds werd vermeld, is de bestreden bepaling beperkt tot de invoering van een verplichting tot de elektronische indiening en behandeling van de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de partijen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en wordt voor de wijze waarop die indiening moet gebeuren, verwezen naar het bestaande webapplicatiesysteem beheerd door de Raad van State, zoals geregeld in artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, dat onder meer de gevolgen regelt van de keuze voor de elektronische procedure (§ 4). B.
- Artikel 30, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « De rechtspleging welke in de bij de artikelen 11, 11bis, 12, 13, 14, 14ter, 16, 17, 30/1, 36 en 38 bedoelde gevallen voor de afdeling bestuursrechtspraak dient te worden gevolgd, wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit ». De wetgever heeft derhalve geoordeeld aan de Koning de bevoegdheid te moeten opdragen om de rechtspleging te bepalen welke ten aanzien van de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen dient te worden gevolgd. B.20.
- Artikel 160, eerste lid, van de Grondwet bepaalt : « Er bestaat voor geheel België een Raad van State, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald. De wet kan evenwel aan de Koning de macht toekennen de rechtspleging te regelen overeenkomstig de beginselen die zij vaststelt ». B.20.
- De tweede zin van die bepaling strekt ertoe de bevoegdheidsverdeling te handhaven tussen de wetgever en de uitvoerende macht, zoals zij was bepaald in de 19 gecoördineerde wetten op de Raad van State die van kracht waren op het ogenblik dat, op 29 juni 1993, artikel 160 van de Grondwet werd bekendgemaakt. Hij bevestigt dat het de wetgever toekomt de fundamentele voorschriften van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State te bepalen, en dat het de Koning toekomt een procedureregeling uit te werken (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 831/1, pp. 2-4, en nr. 831/3, p. 3). Bij die grondwetsherziening werd erop gewezen dat de omstandigheid dat, sinds de oprichting van de Raad van State, de rechtspleging door de Koning werd geregeld, geen afbreuk had gedaan aan de rechten van de rechtzoekenden (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 831/3, pp. 4 en 7). De tweede zin van de voormelde grondwetsbepaling heeft betrekking op aangelegenheden die door de Koning mochten worden geregeld krachtens de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals zij destijds van kracht waren (ibid., pp. 5 en 7; Parl. St., Senaat, B.Z. 1991- 1992, nr. 100-48/2°, p. 3). De Grondwetgever heeft bijgevolg de grondwettigheid vastgesteld van de machtiging aan de Koning krachtens welke de vorm van de indiening van de processtukken voor de Raad van State, zoals bepaald in artikel 84 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, zoals het destijds van kracht was, werd aangenomen. B.20.
- Daar de bestreden bepaling eveneens betrekking heeft op de vorm van de indiening van de processtukken voor de Raad van State, volgt daaruit dat het feit dat de bestreden bepaling de in B.10.3 vermelde gevolgen niet regelt, artikel 160, eerste lid, van de Grondwet als rechtsgrond heeft en derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet kan schenden. B.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is niet gegrond. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 november
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.118 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.049 ECLI:CE:ECHR:1979:1009JUD000628973 ECLI:CE:ECHR:2005:0215JUD006841601 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807 ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 ECLI:CE:ECHR:2011:0524JUD002739606 ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 ECLI:CE:ECHR:2021:0216JUD001973217 ECLI:CE:ECHR:2022:0609JUD001556720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div