id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.120 Arrest- Rolnummer: 120/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-06-17 07:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen D.VIII.22 tot D.VIII.27 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, vervat in artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling », gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Stedenbouwkundige vergunningen - Procedure voor de toekenning - Inspraak - Bekendmaking van de beslissingen - Ontbreken van een verplichting om de bezwaarindieners in kennis te stellen van de stedenbouwkundige vergunning - Beroepstermijn - Aanvangspunt Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2015 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements Grondwettelijk Hof Arrest nr. 120/2024 van 14 november 2024 Rolnummer : 8038 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen D.VIII.22 tot D.VIII.27 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ontwikkeling, vervat in artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 256.790 van 15 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 juni 2023, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen D.VIII.22 tot D.VIII.27 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (WRO), die deel uitmaken van hoofdstuk V ‘ Bekendmaking betreffende de beslissing ’ van titel I ‘ Inspraak ’ van boek VIII ‘ Inspraak en evaluatie van de gevolgen van de plannen en programma's ’, in zoverre zij niet voorzien in de kennisgeving van de beslissing tot toekenning of tot weigering van een stedenbouwkundige vergunning aan diegenen die in het kader van een openbaar onderzoek of de aankondiging van een project bezwaar hebben ingediend, terwijl artikel 343 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (WWROSP) het gemeentebestuur verplichtte tot een dergelijke kennisgeving - zodat, wanneer in de akte of de kennisgeving ervan het bestaan van de beroepen en de beroepstermijnen, alsook de in acht te nemen vormvoorschriften niet waren vermeld, de geadresseerde, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, 2 gecoördineerd op 12 januari 1973, een uitstel genoot, met vier maanden, van de aanvang van de beroepstermijn -, artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 9 van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden ? ». Memories zijn ingediend door : - Pierre Schillewaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sacha Gruber, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv « Serbi », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Delnoy en mr. Alexandre Pirson, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bénédicte Hendrickx, advocate bij de balie te Brussel. De nv « Serbi » heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 9 mei 2018 dient de nv « Serbi » een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van de afbraak van een woning en van de constructie van een gebouw met negentien appartementen en een handelszaak. Het openbaar onderzoek loopt van 11 tot 25 juni 2018. Pierre Schillewaert dient een bezwaar in in het kader van dat openbaar onderzoek. Op 18 oktober 2018 brengt de gemachtigde ambtenaar van het Waalse Gewest een gunstig advies uit over het project. Op 22 oktober 2018 reikt de gemeente Stavelot de stedenbouwkundige vergunning uit. 3 Op 25 oktober 2018 neemt Pierre Schillewaert de kennisgeving van de stedenbouwkundige vergunning, waarin het advies van de gemachtigde ambtenaar integraal is overgenomen, in ontvangst. Die kennisgeving vermeldt noch het bestaan van de rechtsmiddelen, noch de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen. Op 8 maart 2019 stelt Pierre Schillewaert voor de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van de voormelde stedenbouwkundige vergunning en van het voormelde advies van de gemachtigde ambtenaar. De Raad van State oordeelt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring niet tijdig is. Hij is van oordeel dat de beroepstermijn van 60 dagen is ingegaan op de dag na de ontvangst van de kennisgeving van de bestreden akten. Hij oordeelt daarnaast dat de verzoeker zich niet kan beroepen op artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), dat bepaalt dat, wanneer de bestreden akte de rechtsmiddelen en de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen niet vermeldt, de beroepstermijn van 60 dagen pas een aanvang neemt vier maanden nadat de akte aan de betrokkene ter kennis werd gebracht. Die bepaling geldt immers enkel voor de administratieve akten waarvan verplicht kennisgeving moet worden gedaan aan de adressaat ervan. De Raad van State stelt bijgevolg, op verzoek van Pierre Schillewaert en van de auditeur, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1. De Waalse Regering merkt op dat het verwijzende rechtscollege het Hof verzoekt om een vergelijking te maken tussen het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu zoals dat voortvloeide uit artikel 343 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium (hierna : het WWROSP) en hetwelk voortvloeit uit de artikelen D.VIII.22 tot D.VIII.27 van het Wetboek van ruimtelijke ontwikkeling (hierna : het WRO). Zij doet gelden dat artikel 343 van het WWROSP een reglementaire bepaling is. Die bepaling, zoals zij werd vervangen bij artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 19 maart 1998 « tot bepaling van de aanvragen om stedebouwkundige vergunningen, verkavelingsvergunningen en stedebouwkundige attesten die aan een openbaar onderzoek worden onderworpen en van de voorschriften voor het openbaar onderzoek », werd uiteindelijk opgeheven bij artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 22 december 2016 « tot vorming van het reglementair deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling ». De Waalse Regering is van mening dat, aangezien de verplichting tot kennisgeving van een stedenbouwkundige vergunning uitsluitend volgde uit reglementaire bepalingen en omdat het een besluit van de Waalse Regering is dat die verplichting heeft afgeschaft, de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. A.2. De nv « Serbi », tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege, zet dezelfde argumentatie uiteen. A.3. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat dit laatste het Hof niet verzoekt om zich uit te spreken over de afschaffing van de verplichting tot kennisgeving van een stedenbouwkundige vergunning aan de personen die bezwaren of opmerkingen hebben ingediend in het kader van een openbaar onderzoek of een projectaankondiging (hierna : de bezwaarindieners), waarin artikel 343 van het WWROSP voorzag, maar over de vraag of de decreetgever artikel 23 van de Grondwet heeft geschonden door, bij de aanneming van de artikelen D.VIII.22 tot D.VIII.27 van het WRO, niet te voorzien in een individuele kennisgeving van de beslissingen inzake stedenbouwkundige vergunningen aan de bezwaarindieners in het kader van een openbaar onderzoek, om redenen van administratieve vereenvoudiging, terwijl het WWROSP voordien wel in die kennisgeving voorzag. 4 Ten gronde A.4.1. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de afschaffing van de kennisgeving van een stedenbouwkundige vergunning aan de derden die hebben deelgenomen aan het openbaar onderzoek, duidelijk een aanzienlijke achteruitgang vormt in de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu, aangezien zij zich niet meer kunnen beroepen op artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring tegen een vergunning. A.4.2. Zij is van mening dat die aanzienlijke achteruitgang, die afbreuk doet aan het recht van de betrokken derden op toegang tot de rechter, niet redelijk wordt verantwoord door het doel van vereenvoudiging van de administratieve procedure voor het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen. A.4.3. Zij is van mening dat die afschaffing tot een discriminatie leidt tussen die derden, enerzijds, en de aanvragers en de begunstigden van stedenbouwkundige vergunningen, anderzijds. A.5.1.1. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege doet in hoofdorde gelden dat het feit dat het WRO niet meer voorziet in een verplichting tot kennisgeving van een stedenbouwkundige vergunning aan de bezwaarindieners in het kader van een openbaar onderzoek, geen aanzienlijke achteruitgang van hun recht op toegang tot de Raad van State vormt, aangezien de bezwaarindieners, net zoals elke andere derde bij een stedenbouwkundige vergunning die wordt uitgereikt in het kader van het WRO, over de mogelijkheid beschikken om een beroep tot nietigverklaring in te stellen binnen een termijn van 60 dagen vanaf het ogenblik dat zij volledig en daadwerkelijk van de bestreden akte hebben kennisgenomen. A.5.1.2. Zij voert aan dat die modaliteiten bestaanbaar zijn met artikel 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden waarborgt. A.5.1.3. Zij is eveneens van mening dat het Hof heeft geoordeeld dat artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet discriminerend is in zoverre het enkel voorziet in een verplichte vermelding van de rechtsmiddelen, de vormvoorschriften en de termijnen van beroepen wanneer kennisgeving wordt gedaan van de akte en niet wanneer de akte gewoon ter kennis wordt gebracht van de verzoeker (arrest nr. 71/2010, 23 juni 2010, ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.071). Het Hof heeft geoordeeld dat, aangezien de aanvangspunten voor de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring verschillen en los van elkaar staan, zij elkaar niet wederzijds beïnvloeden. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege leidt daaruit af dat de toepassing van de regels betreffende de kennisneming van een stedenbouwkundige vergunning en niet van de regels betreffende de verplichte kennisgeving de bezwaarindiener niet in een ongunstige situatie plaatst, maar enkel in een andere situatie, waarvoor eigen procedureregels gelden. Bovendien stelt de tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege dat de regel volgens welke de beroepstermijn ingaat vanaf de kennisneming van de stedenbouwkundige vergunning, de rechten van derden, met inbegrip van de bezwaarindieners, adequaat beschermt, en dat om drie redenen. Ten eerste gaat de termijn pas in vanaf de werkelijke kennisneming van de inhoud van de vergunning, wat het recht op toegang tot de rechter meer beschermt dan het vermoeden dat een verplichte kennisgeving met zich meebrengt, die de beroepstermijn onmiddellijk doet ingaan, zelfs wanneer de derde niet daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de vergunning, bijvoorbeeld wanneer hij afwezig is. Ten tweede is de beroepstermijn voor de Raad van State langer dan de termijn van 30 dagen voor het instellen van een administratief beroep voor de deputatie van de provincieraad of voor de Vlaamse Regering, waarover het Hof heeft geoordeeld dat hij het recht van de belanghebbende derden op toegang tot de rechter niet op onevenredige wijze beperkte omdat hij ingaat vanaf de eerste dag na de aanplakking van de milieuvergunning (arrest nr. 149/2014, 9 oktober 2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.149, B.3.4). Ten derde rust de bewijslast van die werkelijke kennisneming, bij ontstentenis van een wettelijke kennisgeving van de bestreden akte, in voorkomend geval op de partij die de niet-ontvankelijkheid van het beroep aanvoert (RvSt, 11 december 2015, nr. é.229, ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.é.229). Bovendien wordt, in geval van gedeeltelijke kennisneming van de bestreden akte of kennisneming van enkel het bestaan ervan, het aanvangspunt van de beroepstermijn verschoven naar het tijdstip waarop de derde alles in het werk heeft gesteld om de te bestrijden akte integraal te raadplegen. A.5.1.4. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat, in de veronderstelling dat de achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op toegang tot de rechter in feite neerkomt op het ontbreken van een verplichting om de rechtsmiddelen te vermelden in spontane kennisgevingen 5 of kennisgevingen op verzoek, die achteruitgang zijn oorsprong niet zou vinden in de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen van het WRO, maar in artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarover geen vraag wordt gesteld aan het Hof en waarover het Hof, bij het voormelde arrest nr. 71/2010, heeft geoordeeld dat het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond. A.5.2. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege doet in ondergeschikte orde gelden dat de aanzienlijke achteruitgang is verantwoord door redenen van algemeen belang. De regeling inzake kennisneming van een vergunning door derden kan worden gerechtvaardigd door het tweevoudige doel om de administratieve last te verlichten van de overheden die de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen die onderworpen zijn aan bijzondere bekendmakingsmaatregelen behandelen, en om de procedurele beroepsregeling die derden bij die vergunningen genieten, te harmoniseren opdat zij duidelijker en leesbaarder wordt. Die verantwoording ligt in het verlengde van de meer algemene rationaliseringsdoelstellingen die door de decreetgever werden nagestreefd bij de aanneming van het WRO, namelijk de doelstellingen inzake leesbaarheid, efficiëntie, vereenvoudiging en versnelling van de administratieve procedures. A.5.3. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat het verschil in behandeling tussen de bezwaarindieners in het kader van een openbaar onderzoek en de begunstigde van een stedenbouwkundige vergunning niet discriminerend is, aangezien die vergunning rechten en plichten schept ten aanzien van de begunstigde en niet ten aanzien van derden, zelfs wanneer die laatsten hebben deelgenomen aan het openbaar onderzoek. Tot slot merkt zij op dat het Hof heeft geoordeeld dat de decretale bepaling die voor de begunstigde van een administratieve vergunning een beroep mogelijk maakt dat zij niet opent voor derden, bestaanbaar was met het gelijkheidsbeginsel (arrest nr. 84/2019, 28 mei 2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.084). Zij is van mening dat moet worden geredeneerd naar analogie met dat arrest alsook met het voormelde arrest nr. 71/2010. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.6. De tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat de gevolgen van de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen moeten worden gehandhaafd aangezien een vaststelling van schending tot gevolg zou kunnen hebben, enerzijds, dat het niet-tijdige beroep van de verzoeker voor de Raad van State, tegen alle verwachtingen in, ontvankelijk wordt verklaard en dat de stedenbouwkundige vergunning van 22 november 2018 nietig wordt verklaard door de Raad van State terwijl die vergunning uitvoerbaar was zodra de op grond van het geldende recht vastgestelde beroepstermijn was verstreken en, anderzijds, meer algemeen, dat de termijnen van beroep tegen stedenbouwkundige vergunningen die in het kader van het WRO zijn uitgereikt na een openbaar onderzoek en die definitief zijn geworden, worden heropend, terwijl die vergunningen in beginsel verworven rechten verlenen aan de begunstigde ervan, met name krachtens artikel D.IV.77 van het WRO. -B– Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen D.VIII.22 tot D.VIII.27 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ontwikkeling (hierna : het WRO), ingevoerd bij artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 20 juli 2016 « tot opheffing van het decreet van 24 april 2014 tot opheffing van de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, tot opheffing van 6 de artikelen 1 tot 128 en 129quater tot 184 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium en tot vorming van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling ». B.2. Die artikelen maken deel uit van boek VIII van het WRO, dat betrekking heeft op inspraak en evaluatie van de gevolgen van de plannen en programma’s, en in het bijzonder van titel I, die handelt over inspraak. Zij bevatten de regels inzake bekendmaking van de beslissingen. Zij werden gewijzigd bij de artikelen 208 en 209 van het decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2023 « tot wijziging van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling en het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie en tot opheffing van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen », maar die wijziging heeft geen invloed op de onderhavige zaak. De procedure voor de toekenning van stedenbouwkundige vergunningen omvat een fase van inspraak die wordt geregeld bij titel I van boek VIII van het WRO, wanneer die vergunningen zijn onderworpen aan een openbaar onderzoek of een projectaankondiging, met toepassing van artikel D.IV.40 van het WRO, voor zover zij niet onderworpen zijn aan een milieueffectbeoordeling, overeenkomstig de artikelen D.64, § 2, en D.68, §§ 2 en 3, van boek I van het Waalse Milieuwetboek, en artikel D.VIII.1, 4°, van het WRO. B.3. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat de in het geding zijnde stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de regularisatie van de afbraak van een bestaande woning en van de constructie van een gebouw met negentien appartementen en een handelszaak. Dat vastgoedproject is niet onderworpen aan een milieueffectbeoordeling krachtens de artikelen D.64 en D.68 van het Waalse Milieuwetboek. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.4. De in het geding zijnde bepalingen luiden : « Art. D.VIII.22 Het besluit van de Regering tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, het besluit van de Regering tot aanneming van het ontwerp of tot definitieve aanneming van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, 7 de milieuverklaring en het advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het besluit van de Regering tot voorlopige aanneming of tot definitieve aanneming of tot opheffing van de omtrek van de te herontwikkelen locatie, de omtrek voor landschappelijk en milieuherstel of de stedelijke verkavelingsomtrek alsook, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het besluit van de Regering tot aanneming of tot goedkeuring van het onteigeningsplan of tot opheffing van het onteigeningpslan bedoeld in artikel D.VI.3 of de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18, wanneer [het] opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. of wanneer [het] niet van een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. afhangt, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De besluiten van de Regering tot goedkeuring van de aanneming, de herziening of de opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad alsook de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop [worden] bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De beslissing van de gemeenteraad tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, de beslissing van de gemeenteraad tot aanneming, herziening of opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring worden bekendgemaakt overeenkomstig Hoofdstuk III van Titel III van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie. Art. D.VIII.23 In de gevallen bedoeld in de artikelen D.II.49, § 6, en D.II.52, § 4, of bij gebrek aan beslissing van de Regering binnen de voorgeschreven termijnen maakt de Regering het advies waarmee de bevoegde overheid vaststelt dat het plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad geacht wordt goedgekeurd of geweigerd te zijn, in het Belgisch Staatsblad bekend. Art. D.VIII.24 Het plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad en, in voorkomend geval, het onteigeningsplan en de desbetreffende omtrek van voorkoop kunnen worden geraadpleegd op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4. Hun opheffing of uitdoving wordt ook vermeld. Art. D.VIII.25 Het besluit van de Regering tot voorlopige of definitieve aanneming of tot opheffing van een omtrek van een te herontwikkelen locatie of een omtrek voor landschappelijk en milieuherstel en het besluit tot aanneming of tot voorlopige of definitieve goedkeuring van een omtrek van voorkoop worden overgeschreven op het hypotheekkantoor. 8 Het nieuwe besluit vervangt het vorige besluit. Art. D.VIII.26 De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad bedoeld in artikel D.VIII.1, eerste lid, 3°, maakt het voorwerp uit van een bericht dat gedurende twintig dagen op de gebruikelijke aanplakplaatsen aangeplakt wordt in de gemeente(
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.