id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.121 Arrest- Rolnummer: 121/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-06-16 04:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 « houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen » en de bijlage bij hetzelfde koninklijk besluit, zoals zij werden gewijzigd bij de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen wegens COVID-19 », bekrachtigd bij artikel 27, § 1, van de wet van 24 december 2020, in zoverre zij de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte onderwerpen aan twee tijdsvoorwaarden, namelijk dat de beroepsactiviteit in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 werd uitgeoefend en dat de ziekte in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 werd vastgesteld) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 27 van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door het Arbeidshof te Bergen. COVID-19-pandemie - Erkenning van COVID-19 als beroepsziekte - Werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten - Tijdsvoorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 121/2024 van 14 november 2024 Rolnummer : 8081 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 27 van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door het Arbeidshof te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 19 september 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 september 2023, heeft het Arbeidshof te Bergen een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 4 oktober 2023 als volgt geherformuleerd werd : « Schendt het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 ʽ tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen wegens COVID-19 ʼ, bekrachtigd bij artikel 27 van de wet van 24 december 2020 ʽ tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) ʼ, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het daarin vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre de erkenning van de beroepsziekte met code 1.404.04 beperkt is : 2 - tot de werknemers die in de periode van 18 maart tot en met 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, zonder rekening te houden met het verhoogde risico dat die werknemers liepen vóór 18 maart 2020; - en dat voor zover het optreden van de ziekte is vastgesteld in de periode van 20 maart tot en met 31 mei 2020, op basis van een incubatietijd die veranderlijk is en die niet wetenschappelijk kan worden geverifieerd ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas en mr. Ambre Vranckx, advocates bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege werkt als kassier-aanvuller bij de bv « Quarad », een franchisenemer van de keten « Delhaize ». Vanaf 16 maart 2020 is zij arbeidsongeschikt na COVID-19 te hebben opgelopen. Zij is opgenomen in het ziekenhuis van 23 maart 2020 tot 12 mei 2020 en verblijft op intensieve zorg tot 5 mei 2020. Zij dient een vergoedingsaanvraag in bij het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s (hierna : Fedris) voor een besmetting met COVID-19. Die aanvraag wordt geweigerd. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt tegen de weigeringsbeslissing van Fedris een beroep in bij de Arbeidsrechtbank Henegouwen, afdeling La Louvière, die het beroep verwerpt. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt vervolgens tegen dat vonnis hoger beroep in voor het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden van de beroepsziekte « code 1.404.04 » ingevoerd bij het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende de vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen wegens COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020), zoals bekrachtigd bij artikel 27 van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 24 december 2020). De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft niet gewerkt tussen 18 maart 2020 en 17 mei 2020, daar zij arbeidsongeschikt was vanaf 16 maart 2020. Het verwijzende rechtscollege merkt overigens op dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarde van de blootstelling aan het risico, noch aan de voorwaarde van het oorzakelijk verband, die zijn vereist voor een aandoening die niet op de Belgische lijst 3 van beroepsziekten voorkomt. Op vraag van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege en na te hebben verwezen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het ontwerpbesluit dat aan de oorsprong ligt van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor het oplossen van het geschil. Enerzijds, indien het verschil in behandeling tussen de werknemers in cruciale sectoren en essentiële diensten en de werknemers in andere sectoren, in verband met de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte tijdens de door de in het geding zijnde bepaling bedoelde periode, discriminerend zou worden geacht, dan zou dat geen enkele invloed hebben op de oplossing van het bodemgeschil. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft immers tussen 18 maart 2020 en 17 mei 2020 geen enkele beroepsactiviteit uitgeoefend in cruciale sectoren of essentiële diensten, noch in een andere sector. Anderzijds zou een vaststelling van ongrondwettigheid aanleiding geven tot de niet-toepassing van het bij de in het geding zijnde bepaling vastgelegde stelsel op de zaak ten gronde, zodat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege zou moeten aantonen dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte die niet op de Belgische lijst van beroepsziekten voorkomt. Zoals het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld, voldoet de verzoekende partij echter niet aan die voorwaarden. A.2. De Ministerraad doet in ondergeschikte orde gelden dat het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020, zoals bekrachtigd bij artikel 27 van de wet van 24 december 2020, bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De Ministerraad voert aan dat, met de prejudiciële vraag, het Hof wordt verzocht de situatie van de werknemers die beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in ondernemingen van de cruciale sectoren en de essentiële diensten vóór 18 maart 2020 of waarvoor het optreden van de ziekte is vastgesteld vóór 20 maart 2020, te vergelijken met de situatie van de werknemers die beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in ondernemingen van de cruciale sectoren en de essentiële diensten in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 en waarvoor het optreden van de ziekte is vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. Volgens de Ministerraad is het onjuist ervan uit te gaan dat de werknemers die beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in de cruciale sectoren en de essentiële diensten vóór 18 maart 2020 een verhoogd risico liepen. Ten eerste waren die werknemers vóór die datum blootgesteld aan hetzelfde risico als de rest van de bevolking. Ten tweede is het wettelijk stelsel voor de erkenning van beroepsziekten steeds gebonden aan « de algemeen aanvaarde medische inzichten ». Uit de algemeen aanvaarde medische inzichten op het ogenblik van de invoering van de code 1.404.04 in de lijst van beroepsziekten blijkt dat de incubatietijd van de ziekte kan variëren van twee tot veertien dagen na blootstelling aan het virus. De vereiste dat de ziekte wordt vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 houdt rekening met de veranderlijke incubatietijd van de ziekte en strekt ertoe zo ruim mogelijk te zijn om alle betrokken werknemers die hun beroepsactiviteit hebben moeten voortzetten tijdens de lockdown-periode, op te nemen. Ten derde zou, aldus de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, een persoon die in contact is geweest met het virus vóór 18 maart 2020 maar met een langere incubatietijd, de erkenning van COVID-19 volgens de lijst van beroepsziekten moeten genieten, in tegenstelling tot een persoon met een kortere incubatietijd. Het is echter mogelijk dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, die arbeidsongeschikt was vanaf 16 maart 2020, een lange incubatietijd heeft gekend. Het staat in elk geval vast dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend tijdens de lockdown-periode van 18 maart 2020 tot 17 mei 2020. De Ministerraad doet gelden dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van werknemers zich niet in vergelijkbare situaties bevinden ten aanzien van het risico om COVID-19 op te lopen. Het begrip « beroepsrisico » houdt in dat de blootstelling aan het risico beduidend groter moet zijn dan de blootstelling van de bevolking in het algemeen. Vóór de algemene lockdown-periode die op 18 maart 2020 aanving, was de hele bevolking, ongeacht de beroepsactiviteit, echter blootgesteld aan hetzelfde risico om de ziekte op te lopen. Het risico bestond in de hele sociale sfeer, zowel op de arbeidsplaats als daarbuiten. Er werd geen enkel onderscheid 4 gemaakt tussen de activiteit van werknemers in sectoren en diensten die later als « cruciaal » en « essentieel » werden gekwalificeerd, en de andere beroepsactiviteiten. Die sectoren en diensten bevonden zich in exact dezelfde situatie als de andere sectoren en diensten. Vanaf 18 maart 2020 hebben de cruciale sectoren en de essentiële diensten echter hun activiteiten moeten voortzetten, terwijl de rest van de bevolking in lockdown was. Vanaf dat ogenblik waren de werknemers van die sectoren blootgesteld aan een verhoogd risico, aangezien zij verplicht waren om zich naar hun arbeidsplaats te begeven en om te worden blootgesteld aan mogelijk talrijke sociale contacten. Het moeten uitoefenen van een beroepsactiviteit in contact met andere personen zonder te kunnen telewerken en zonder dat social distancing kon worden gewaarborgd, heeft wel degelijk een specifiek risico op besmetting met zich meegebracht dat niet bestond voor de rest van de bevolking tijdens de lockdown-periode. Een uitbreiding naar de periode vóór 18 maart 2020 van de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte voor de cruciale sectoren en de essentiële diensten zou een onverantwoord verschil in behandeling met zich meebrengen ten koste van de werknemers van de andere sectoren, die zich gedurende die periode in een situatie bevonden die identiek was aan die van de werknemers van cruciale sectoren en essentiële diensten. Volgens de Ministerraad is het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord. Allereerst berust het op een objectief criterium, namelijk : (
- i)het uitoefenen van beroepsactiviteiten tijdens een bepaalde periode (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020), (
- ii)in ondernemingen van cruciale sectoren en essentiële diensten (opgenomen in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken ») en (iii) het feit dat het optreden van de ziekte moet worden vastgesteld tijdens een bepaalde periode (van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020). De periode gedurende welke beroepsactiviteiten dienden te worden uitgeoefend, werd bepaald onder verwijzing naar de lockdown-periode van de bevolking. De periode gedurende welke de ziekte moet worden vastgesteld, werd bepaald onder verwijzing naar de incubatietijd van de ziekte zoals die wetenschappelijk werd aangenomen op het ogenblik van de invoering van de code 1.404.04. De in het geding zijnde maatregel streeft vervolgens een legitiem doel na, namelijk de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte mogelijk maken voor werknemers in ondernemingen van de cruciale sectoren en de essentiële diensten die hun beroepsactiviteiten hebben moeten voortzetten zonder te kunnen telewerken en zonder zich te kunnen houden aan de regels van social distancing tijdens de lockdown-periode. De in het geding zijnde maatregel is overigens relevant, daar die het mogelijk maakt die doelstelling te bereiken. Er bestaat tot slot een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangevoerde middelen en het nagestreefde doel. Ten eerste heeft de door de in het geding zijnde bepaling ingevoerde code 1.404.04 de bewijslast van de blootstelling aan het beroepsrisico verlicht voor de werknemers van cruciale sectoren en essentiële diensten die beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend tijdens de lockdown-periode, zonder het stelsel van de beroepsziekteverzekering te wijzigen. Ten tweede is de onder de code 1.404.04 bepaalde incubatieperiode wetenschappelijk onderbouwd op basis van de medische inzichten die op het ogenblik van de invoering van die code algemeen aanvaard waren. Ten derde, aangezien het onmogelijk is om de exacte datum waarop het virus is opgelopen en de exacte incubatietijd van de ziekte nauwkeurig te bepalen, heeft de wetgever noodzakelijkerwijs gebruik moeten maken van categorieën die de verscheidenheid aan toestanden « slechts met de grootst mogelijke waarschijnlijkheid rekening houdend met de omstandigheden » opvangen. De enkele gevallen van werknemers die het virus vóór 18 maart 2020 zouden hebben opgelopen, maar bij wie de ziekte zich slechts na 20 maart 2020 zou hebben geuit, volstaan niet om aan te tonen dat de onder de code 1.404.04 vastgestelde data onevenredig zijn. Ten vierde is de code 1.404.04 er gekomen op vraag van de sociale gesprekspartners uit bepaalde cruciale sectoren en essentiële diensten, na raadpleging van het beheerscomité voor de beroepsziekten van Fedris en rekening houdend met de beslissingen van de Nationale Veiligheidsraad. Ten vijfde is de voorafgaande raadpleging van de wetenschappelijke raad van Fedris niet verplicht krachtens artikel 30 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970. Een dergelijke raadpleging zou de invoering van de bij de in het geding zijnde bepaling vastgelegde regeling meerdere maanden hebben vertraagd, hetgeen de pertinentie ervan in het gedrang zou hebben gebracht. Ten zesde is de bij de in het geding zijnde bepaling vastgelegde regeling uitzonderlijk en tijdelijk : zij heeft betrekking op een beperkte periode van twee maanden. Ten zevende heeft de prejudiciële vraag geen betrekking op de pertinentie en de evenredigheid van de algemene lockdown, noch op de pertinentie van de begin- en einddata van die lockdown. Ten achtste is de erkenning van de beroepsziekte COVID-19 nog steeds mogelijk in het open systeem. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet voldoet aan de voorwaarde voor de blootstelling aan het beroepsrisico in kader van dat systeem. Ten negende werd de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet elke schadeloosstelling ontzegd na haar ziekte. Zij kon 5 de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen genieten in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Zij kon eveneens tal van andere maatregelen genieten die zijn ingevoerd in het kader van de coronaviruscrisis. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen wegens COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020), zoals bekrachtigd bij artikel 27, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 24 december 2020). B.2.1. Het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 is genomen krachtens de delegatie vervat in de artikelen 2, eerste lid, en 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 27 maart 2020). Die wet is aangenomen in het kader van het beheer van de gezondheidscrisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie. B.2.2. Teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, kon de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad (artikel 2, eerste lid), aanpassingen doorvoeren in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht, met het oog op de bescherming van de werknemers en van de bevolking, de goede organisatie van de ondernemingen en de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land en de continuïteit van de kritieke sectoren (artikel 5, § 1, 5°). 6 B.2.3. Die bijzonderemachtenbesluiten konden de geldende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt (artikel 5, § 2). De bijzonderemachtenbesluiten moesten worden bekrachtigd binnen een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding ervan, zo niet werden zij geacht nooit uitwerking te hebben gehad (artikel 7, tweede en derde lid). De bijzondere machten zijn vervallen op 30 juni 2020 (artikel 7, eerste lid). B.3.1. Het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 strekt ertoe tijdelijk « een uitzonderingsregeling in te stellen om de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte mogelijk te maken voor werknemers in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten die hun beroepsactiviteiten hebben moeten voortzetten zonder te kunnen telewerken en zonder zich te kunnen houden aan de regels van social distancing » (verslag aan de Koning dat voorafgaat aan dat koninklijk besluit). Daartoe voegt artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 in artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 « houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen » (hierna : het koninklijk besluit van 28 maart 1969), een nieuw codenummer « 1.404.04 » in om de betrokken werknemers te kunnen dekken « in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 [...], voor zover [...] de ziekte wordt vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ». Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 voegt in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 maart 1969 de blootstellingscriteria voor die nieuwe code in. Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 verklaart de artikelen 36, tweede lid, en 52, vierde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 (hierna : de gecoördineerde wetten), buiten toepassing in het kader van de erkenning van die nieuwe code. Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 bepaalt dat datzelfde koninklijk besluit in werking treedt op 18 maart 2020. 7 B.3.2. In het verslag aan de Koning van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 wordt uiteengezet : « Het koninklijk besluit waarvan wij de eer hebben aan uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft als doel, op basis van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), dringende maatregelen te nemen voor de werknemers in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten die hun beroepsactiviteiten hebben voortgezet zonder zich te kunnen houden aan de regels van social distancing of zonder te kunnen telewerken in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020. De toename van sociale contacten verhoogt het risico op besmetting, gezien de wijze van overbrenging van het virus. Daarom heeft de regering gekozen voor een lockdown van de bevolking en een aantal daarmee samenhangende maatregelen, zoals de sluiting van arbeidsplaatsen waar de regels van social distancing niet kunnen worden nageleefd, de sluiting van bepaalde handelszaken, maximaal gebruik van telewerk of het verbod op bepaalde evenementen. Deze maatregelen hebben tot doel de sociale interacties te verminderen om het risico op besmetting zoveel mogelijk te beperken. Telewerk en social distancing zijn evenwel niet in alle sectoren mogelijk. Dit is met name het geval in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, waar de voortzetting van de activiteiten werd toegestaan, ondanks het verhoogde risico op besmetting wegens voortzetting van deze activiteiten. Deze bedrijven zijn opgenomen in een bijlage bij het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. Het ministerieel besluit en de bijlage werden regelmatig aangepast aan de beslissingen van de Nationale Veiligheidsraad met betrekking tot de sectoren die hun activiteiten mogen voortzetten of hervatten. Werknemers die in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten zijn blijven werken zonder zich te kunnen houden aan de regels van social distancing, liepen dus een groter risico op COVID-19. De huidige wetgeving inzake beroepsziekten staat echter niet toe om alle werknemers te dekken in geval van besmetting met COVID-19. Enkel personeel dat zich bezighoudt met preventie, zorg, thuiszorg of laboratoriumwerk en andere beroepsactiviteiten in verzorgingsinstellingen waar een verhoogd infectierisico bestaat, kunnen erkend worden als lijdend aan een beroepsziekte (onder de code 1.404.03). De Minister van Sociale Zaken heeft het Beheerscomité voor de beroepsziekten van Fedris dan ook gevraagd na te gaan of de lijst van de personen die in aanmerking kunnen komen voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte na blootstelling aan COVID-19, kan worden uitgebreid en onder welke voorwaarden. De minister van Ambtenarenzaken heeft ook gevraagd om rekening te houden met personen die in de publieke sector werkzaam zijn. Het Beheerscomité heeft dit bekeken en mogelijke uitbreidingen voorgesteld. Dit besluit heeft dus tot doel tijdelijk, in het kader van de bij voornoemde wet van 27 maart 2020 toegekende bijzondere machten, een uitzonderingsregeling in te stellen om de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte mogelijk te maken voor werknemers in bedrijven van de 8 cruciale sectoren en de essentiële diensten die hun beroepsactiviteiten hebben moeten voortzetten zonder te kunnen telewerken en zonder zich te kunnen houden aan de regels van social distancing. Het uitoefenen van een beroepsactiviteit in contact met andere mensen zonder dat social distancing kan worden gewaarborgd, brengt een specifiek risico op besmetting met zich mee. Dit risico bestaat niet voor de bevolking in het algemeen tijdens de lockdownperiode waarbij de sociale contacten tot een minimum worden beperkt, en evenmin voor werknemers die hun werk via telewerk of met inachtneming van de regels van social distancing verrichten. Dit specifieke risico blijft bestaan zolang de algemene bevolking geen interpersoonlijke contacten heeft buiten die onder hetzelfde dak. Aangezien vanaf 18 mei 2020 fase 2 van de exitstrategie ingaat, kan iedereen vanaf dan weer sociaal contact hebben. Vanaf 18 mei 2020 zal het dus niet meer mogelijk zijn aan te nemen dat de uitoefening van de in dit ontwerp bedoelde activiteiten leidt tot blootstelling aan COVID-19 die aanzienlijk hoger is dan die van de bevolking in het algemeen, of zelfs inherent is aan de uitgeoefende activiteit. Daarom is de bij dit besluit ingevoerde dekking voor beroepsziekten beperkt in de tijd en bedoeld voor werknemers die in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, voor zover de ziekte wordt vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. De data 20 maart 2020 en 31 mei 2020 werden gekozen omdat ze de thans wetenschappelijk aanvaarde incubatietijd van de ziekte weerspiegelen, d.w.z. tussen 2 en 14 dagen na blootstelling aan het virus. Concreet betekent dit dat er niet meer dan 14 dagen mogen verstrijken tussen de datum van de laatste daadwerkelijke werkdag buitenshuis (d.w.z. niet telewerken) en het optreden van de ziekte. Wat betreft het bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden van blootstelling aan beroepsrisico's zoals geformuleerd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 maart 1969, kan dit met alle wettelijke middelen worden aangebracht. Fedris zal, als socialezekerheidsinstelling, meewerken aan de bewijslast, zoals bij elk verzoek om erkenning van een beroepsziekte, door aan de aanvrager aan te geven welk bewijs van hem wordt verwacht, wanneer het verzoek niet meteen kan worden ingewilligd. Fedris is namelijk gewoon om dossiers te onderzoeken waarbij de zeer concrete activiteiten op het werkveld van de werknemers in rekening dienen te worden gebracht. Met betrekking tot het bewijs dat het onmogelijk is om een afstand van 1,5 meter aan te houden in de contacten met andere mensen, zal Fedris op basis van een reeks aanwijzingen, afhankelijk van de aard van de activiteit, kunnen beoordelen in hoeverre de vastgestelde voorzorgsmaatregelen waarschijnlijk niet tot op de letter kunnen worden nageleefd. Een politiepatrouille die een interventie uitvoert, kan bijvoorbeeld moeilijk een afstand van 1,5 m in acht nemen. [...] De hierboven gegeven toelichting over de procedure voor de erkenning van de beroepsziekte enerzijds en het beperkte toepassingsgebied in de tijd anderzijds tonen voldoende aan dat deze beperkingen juist zijn vastgesteld om elke vorm van discriminatie ten opzichte van 9 andere slachtoffers van beroepsziekten tegen te gaan en dat zij bijgevolg volledig in overeenstemming zijn met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie. Tot slot doet de situatie waarmee we te maken hebben gehad vanwege COVID-19 en de beschouwingen die volgden over de dekking van beroepsziekten door het stelsel van de beroepsziekten, ons beseffen dat deze regeling moet worden heroverwogen, of zelfs hervormd, rekening houdend met nieuwe ziekten waarmee we in de toekomst te maken zullen krijgen ». B.3.3. Artikel 27, § 1, van de wet van 24 december 2020 bekrachtigt het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020. Artikel 27, § 2, van dezelfde wet verleent machtiging aan de Koning om artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 en de bijlage ervan, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020, te wijzigen, op te heffen of te vervangen. De wet van 24 december 2020 is in werking getreden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 15 januari 2021 (artikel 34). B.4. Na het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 heeft artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 december 2021 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen » (hierna : het koninklijk besluit van 9 december 2021) in artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit van 28 maart 1969 een nieuw codenummer « 1.404.05 » ingevoegd, teneinde de erkenning van elke door SARS-CoV-2 veroorzaakte ziekte als beroepsziekte mogelijk te maken voor « werknemers die tijdens hun beroepsactiviteiten betrokken waren bij een uitbraak van de besmetting in een onderneming ». Volgens het verslag aan de Koning dat aan het koninklijk besluit van 9 december 2021 voorafgaat, gaat het erom COVID-19 als beroepsziekte te erkennen voor « personen die niet onder het toepassingsgebied van de huidige code 1.404.03 vallen en die betrokken zijn bij een uitbraak van besmettingen in de professionele sfeer » vanaf 18 mei 2020, met andere woorden nadat de periode waarin het mogelijk was om COVID-19 als beroepsziekte te erkennen onder de code 1.404.04, is verstreken. Artikel 2 van hetzelfde besluit heeft in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 maart 1969 de criteria voor blootstelling betreffende de code 1.404.05 ingevoegd, criteria volgens welke het begrip « uitbraak » wordt omschreven. Het koninklijk 10 besluit van 9 december 2021 is met terugwerkende kracht in werking getreden op 18 mei 2020 en heeft opgehouden uitwerking te hebben op 31 december 2021 (artikel 6). B.5. COVID-19 « als gevolg van werkzaamheden op het gebied van ziektepreventie, gezondheidszorg en sociale zorg, en thuiszorg of – in een pandemische context – in sectoren waar zich een uitbraak voordoet bij activiteiten waarvan bewezen is dat ze met een besmettingsrisico gepaard gaan » is overigens opgenomen op de Europese lijst van beroepsziekten (bijlage I bij de aanbeveling (EU) 2022/é7 van de Commissie van 28 november 2022 « betreffende de Europese lijst van beroepsziekten », rubriek nr. 408), waarbij de Europese Unie de lidstaten aanbeveelt om die lijst zo spoedig mogelijk op te nemen in hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de wetenschappelijk erkende beroepsziekten die voor schadeloosstelling in aanmerking kunnen komen en waarvoor preventieve maatregelen moeten worden getroffen (artikel 1, punt 1, van die aanbeveling). Ten gronde B.6. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020, zoals bekrachtigd bij artikel 27, § 1, van de wet van 24 december 2020, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre dat koninklijk besluit de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte onder de code 1.404.04 beperkt « tot de werknemers die in de periode van 18 maart tot en met 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, zonder rekening te houden met het verhoogde risico dat die werknemers liepen vóór 18 maart 2020[,] voor zover [...] de ziekte is vastgesteld in de periode van 20 maart tot en met 31 mei 2020, op basis van een incubatietijd die veranderlijk is en die niet wetenschappelijk kan worden geverifieerd ». B.7. Uit de formulering van de prejudiciële vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege aan het Hof vraagt of het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020, zoals bekrachtigd bij artikel 27, § 1, van de wet van 24 december 2020, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling in het leven roept tussen twee categorieën van werknemers die beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in ondernemingen van de cruciale sectoren en de essentiële diensten bedoeld in de bijlage bij het ministerieel besluit van 23 maart 2020 11 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken » (hierna : de werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten) : enerzijds, diegenen die hebben gewerkt van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 en bij wie COVID-19 is vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 en, anderzijds, diegenen die, zoals de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, hebben gewerkt vóór 18 maart 2020 en bij wie COVID-19 is vastgesteld vóór 20 maart 2020. Enkel de werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten van de eerste categorie genieten een erkenning van de ziekte COVID-19 als beroepsziekte onder de code 1.404.04, met uitsluiting van de werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten van de tweede categorie. Dat verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in het toepassingsgebied ratione temporis van de uitzonderingsregeling die ertoe strekt de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte mogelijk te maken, zoals omschreven in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die bepalingen. B.8.1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 1969, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020, bepaalt : « Geven aanleiding tot schadeloosstelling, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 december 1963 inzake de schadeloosstelling voor en de voorkoming van de beroepsziekten, gewijzigd bij de wet van 24 december 1968, de volgende ziekten : [...] 1.404.04 - Elke ziekte veroorzaakt door SARS-CoV-2 bij werknemers die in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten zoals bedoeld in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, voor zover het optreden van de ziekte wordt vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. [...] ». Artikel 1bis van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt : « Voor de beroepsziekten die in de bijlage bij dit besluit worden opgesomd dient de blootstelling aan het beroepsrisico van de ziekte te voldoen aan de aldaar bepaalde criteria ». 12 De bijlage bij hetzelfde koninklijk besluit, zoals het werd aangevuld bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020, bepaalt : « [...] II. Blootstellingscriteria voor de [...] Code 1.404.04 - SARS-CoV-2 Zijn blootgesteld aan het beroepsrisico van de ziekte 1.404.04 : de werknemers die in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten bedoeld in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, voor zover : - de werkomstandigheden of de aard van de uitgeoefende beroepsactiviteiten het geregeld onmogelijk maken om een afstand van 1,5 meter te bewaren in de contacten met andere personen, - er niet meer dan 14 dagen zijn verstreken tussen het optreden van de ziekte en de datum van de laatste daadwerkelijke werkzaamheden van de werknemer buitenshuis, - en er niet meer dan 14 dagen zijn verstreken tussen het optreden van de ziekte en de datum waarop de onderneming waarin de werknemer zijn beroepsactiviteit uitoefende niet meer opgenomen werd in de bijlage bij voornoemd ministerieel besluit van 23 maart 2020. [...] ». B.8.2. Die bepalingen voorzien erin dat de werknemers
(1)die van 18 maart 2020 tot 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in ondernemingen van de cruciale sectoren en de essentiële diensten,
(2)bij wie COVID-19 is vastgesteld tussen 20 maart 2020 en 31 mei 2020 en uiterlijk veertien dagen na « de datum waarop de onderneming waarin de werknemer zijn beroepsactiviteit uitoefende niet meer opgenomen werd in de bijlage bij [het] ministerieel besluit van 23 maart 2020 » en
(3)wier werkomstandigheden of de aard van de uitgeoefende beroepsactiviteiten het geregeld onmogelijk maken om een afstand van 1,5 meter te bewaren in de contacten met andere personen, de erkenning genieten van « elke ziekte veroorzaakt door SARS-CoV-2 » als beroepsziekte onder de code 1.404.
- B.9.
- Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag niet nuttig voor de oplossing van het geschil. 13 B.9.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.9.
- Daar, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad betoogt, een vaststelling van ongrondwettigheid in antwoord op de prejudiciële vraag ertoe zou kunnen leiden dat de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen wordt uitgebreid tot de in B.7 bedoelde tweede categorie van werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, is een antwoord op de prejudiciële vraag niet kennelijk zonder nut voor de oplossing van het geschil. De exceptie wordt verworpen. B.10.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.10.
- In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden aangenomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.11.
- Het op de beroepsziekten van toepassing zijnde stelsel wordt geregeld bij de gecoördineerde wetten. Die bepalen in artikel 1 ervan dat het doel ervan erin bestaat een regeling inzake schadeloosstelling voor dergelijke ziekten te treffen en de voorkoming van die ziekten te bevorderen. 14 B.11.
- Anders dan een arbeidsongeval, dat het gevolg is van een plotse en onvoorziene gebeurtenis, is een beroepsziekte het gevolg van een min of meer langdurige blootstelling aan schadelijke stoffen of omstandigheden. De beroepsziekte ontwikkelt zich na verloop van tijd zodat het tijdstip waarop aangifte ervan moet worden gedaan soms moeilijk vast te stellen is. Beroepsziekten vertonen een evolutief karakter. De lijst van beroepsziekten wordt herhaaldelijk bijgewerkt teneinde rekening te houden met het gebruik van nieuwe producten en het verschijnen van nieuwe risico’s en nieuwe ziekten. De invoeging, in het koninklijk besluit van 28 maart 1969, van de in B.3.1 en B.4 vermelde nieuwe codes 1.404.04 en 1.404.05 met betrekking tot COVID-19 vormt daarvan een illustratie. B.11.
- De bij de gecoördineerde wetten ingevoerde regeling van schadeloosstelling voor een beroepsziekte is tweevoudig. Die wetten bepalen, enerzijds, een lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling, waarbij het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de blootstelling aan het beroepsrisico ervan in dat geval werd vermoed (artikel 30 van de gecoördineerde wetten en koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van die beroepsziekten) (zogenoemd « gesloten » systeem of « lijstsysteem »). Zij regelen, anderzijds, de schadeloosstelling voor ziekten die niet op de lijst voorkomen en die « op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg [zijn] van de beroepsuitoefening », waarbij het bewijs van het oorzakelijk verband in dat geval ten laste valt van het slachtoffer of zijn rechthebbenden (artikel 30bis ingevoegd in de gecoördineerde wetten bij artikel 100 van de wet van 29 december 1990 « houdende sociale bepalingen ») (zogenaamd « open » systeem of systeem « buiten de lijst »). B.11.
- De Koning is ertoe gemachtigd de lijst van de beroepsziekten die tot schadeloosstelling aanleiding geven, op te maken, op voorstel van de binnen Fedris opgerichte wetenschappelijke raad (artikelen 16, § 1, 1°, en 30 van de gecoördineerde wetten). Bovendien kan de Koning voor sommige beroepsziekten en voor ziekten in de zin van artikel 30bis van de gecoördineerde wetten blootstellingscriteria vastleggen, op voorstel van het beheerscomité voor de beroepsziekten en na advies van de wetenschappelijke raad (artikel 32, derde lid, ingevoegd in de gecoördineerde wetten bij artikel 38 van de wet van 21 december 1994 « houdende sociale en diverse bepalingen », hierna : de wet van 21 december 1994). 15 B.12.
- De schadeloosstelling voor een beroepsziekte van de lijst of voor een ziekte in de zin van artikel 30bis van de gecoördineerde wetten is verschuldigd wanneer de door die ziekte getroffen persoon « aan het beroepsrisico van deze ziekte blootgesteld geweest is gedurende de ganse periode of een deel van de periode in de loop waarvan hij behoorde tot een der categorieën van personen bedoeld in artikel 2 » (artikel 32, eerste lid, ingevoegd in de gecoördineerde wetten bij artikel 38 van de wet van 21 december 1994). Artikel 2 van de gecoördineerde wetten beoogt met name, in paragraaf 1, 1°, ervan, de werknemers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (de « werknemers, die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders »). Aldus is de schadeloosstelling voor een beroepsziekte van de lijst of voor een ziekte buiten de lijst verschuldigd wanneer het slachtoffer werd blootgesteld aan het beroepsrisico van die ziekte gedurende de gehele of een deel van de periode in de loop waarvan het behoorde tot een van de categorieën van begunstigden van de gecoördineerde wetten, zoals die van de loontrekkenden, zoals dat het geval is voor de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege. B.12.
- Er is een « beroepsrisico » in de zin van de gecoördineerde wetten wanneer « de blootstelling aan de schadelijke invloed inherent is aan de beroepsuitoefening en beduidend groter is dan de blootstelling van de bevolking in het algemeen, en indien deze blootstelling volgens algemeen aanvaarde medische inzichten, in groepen van blootgestelde personen de overwegende oorzaak van de ziekte vormt » (artikel 32, tweede lid, ingevoegd in de gecoördineerde wetten bij artikel 38 van de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij artikel 23, 2°, van de wet van 13 juli 2006 « houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling »). De voorwaarde van de blootstelling aan het beroepsrisico veronderstelt aldus dat vaststaat : (i) dat de blootstelling aan de schadelijke invloed inherent is aan de uitoefening van de beroepsactiviteit, (ii) dat de blootstelling aan de schadelijke invloed aanzienlijk groter is dan die van de bevolking in het algemeen en (iii) dat de blootstelling aan de beoogde schadelijke invloed, volgens algemeen aanvaarde medische inzichten, in groepen van blootgestelde 16 personen de « overwegende oorzaak » van de ziekte vormt waarvan de erkenning als beroepsziekte wordt gevraagd. B.12.
- De Koning kan voor sommige beroepsziekten en na inwinning van het op medische overwegingen gebaseerde advies van de wetenschappelijke raad het recht op schadeloosstelling beperken tot de werknemers van bepaalde industrieën, beroepen of categorieën van ondernemingen (artikel 48 van de gecoördineerde wetten). In de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1963 « betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten » wordt dienaangaande gepreciseerd : « Zo dit ontwerp [ertoe] strekt de schadeloosstelling te veralgemenen dan past het evenwel dat men de Koning in staat stelt het recht op schadeloosstelling te beperken tot de werknemers van bepaalde industrieën of beroepen, wanneer namelijk het [professioneel] karakter van een bepaalde ziekte medisch slechts kan worden erkend zo het slachtoffer in vooraf bepaalde bedrijfstakken werkzaam was of een bepaald beroep uitoefende. Het gaat hier uiteraard om een uitzonderingsmaatregel die slechts aan de hand van medische overwegingen kan worden verantwoord » (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 237, p. 12). Het werk dat wordt verricht in de door de Koning opgesomde bedrijfstakken, beroepen of categorieën van ondernemingen krachtens het voormelde artikel 48 van de gecoördineerde wetten wordt vermoed het slachtoffer aan het beroepsrisico van de betrokken ziekte te hebben blootgesteld, tenzij het tegendeel wordt bewezen (artikel 32, vierde lid, van de gecoördineerde wetten). B.13.
- De bij de in het geding zijnde bepalingen ingevoerde regeling is een uitzonderingsregeling die ertoe strekt de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte mogelijk te maken voor de werknemers die in de ondernemingen van de in de bijlage bij het ministerieel besluit van 23 maart 2020 bedoelde cruciale sectoren en essentiële diensten hebben gewerkt. Die erkenning wordt aan twee tijdsvoorwaarden onderworpen :
(1)de beroepsactiviteiten in de betrokken ondernemingen moeten zijn uitgeoefend in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 en
(2)de ziekte moet zijn vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei
- 17 B.13.
- In verband met die tweevoudige tijdsvoorwaarde heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het ontwerp van koninklijk besluit dat aan de oorsprong ligt van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 opgemerkt : « Het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist dat het gecreëerde onderscheid tussen gevallen die wel en niet onder het toepassingsgebied vallen, op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Er dient te worden opgemerkt dat de ontworpen regeling [...] haar toepasselijkheid in de tijd laat afhangen van bepaalde data, vastgesteld op basis van criteria die als weinig pertinent, laat staan als wetenschappelijk onderbouwd, overkomen. De hieruit voortvloeiende verschillen in behandeling dienen in het licht van het gelijkheidsbeginsel door de stellers van het te nemen besluit te kunnen worden verantwoord. Hierbij zal dienen te worden nagegaan of de voornoemde verschillen in behandeling voldoen aan de voorwaarden inzake doelmatigheid, objectiviteit, pertinentie en evenredigheid om in overeenstemming te kunnen worden geacht met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en verdient het aanbeveling om een afdoende verantwoording op te nemen in het verslag aan de Koning. Het louter omschrijven van het gezondheidsrisico biedt weliswaar enige duiding, maar vormt op zich geen afdoende verantwoording in het licht van het gelijkheidsbeginsel » (RvSt, advies nr. 67.608/1 van 19 juni 2020). B.13.
- De eerste tijdsvoorwaarde werd in het in B.3.2 aangehaalde verslag aan de Koning verantwoord door het feit dat de werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten gedurende de periode waarin de bevolking in lockdown werd geplaatst, van 18 maart 2020 tot 17 mei 2020, een « specifiek risico » op besmetting liepen in vergelijking met de rest van de bevolking en met de werknemers die hun activiteiten « via telewerk of met inachtneming van de regels van social distancing » verrichtten, aangezien de eerstgenoemden hun beroepsactiviteiten hebben moeten voortzetten « zonder te kunnen telewerken en zonder zich te kunnen houden aan de regels van social distancing ». Dat specifieke risico is volgens het verslag aan de Koning blijven bestaan « zolang de algemene bevolking geen interpersoonlijke contacten [had] buiten die onder hetzelfde dak », namelijk tot en met 17 mei
- Vanaf 18 mei 2020, het begin van fase twee van de exitstrategie, « [kon] iedereen vanaf dan weer sociaal contact hebben ». Daaruit volgt dat de activiteiten die door de werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten werden verricht vanaf die datum niet langer een « blootstelling aan COVID-19 die aanzienlijk hoger is dan die van de bevolking in het algemeen, of zelfs inherent is aan de uitgeoefende activiteit » teweegbrachten. 18 De tweede tijdsvoorwaarde werd verantwoord door het feit dat met de « wetenschappelijk aanvaarde » incubatietijd van de ziekte rekening werd gehouden, namelijk twee tot veertien dagen na de blootstelling aan het virus. In het verslag aan de Koning wordt verduidelijkt : « Concreet betekent dit dat er niet meer dan 14 dagen mogen verstrijken tussen de datum van de laatste daadwerkelijke werkdag buitenshuis (d.w.z. niet telewerken) en het optreden van de ziekte ». B.13.
- Die twee tijdsvoorwaarden zijn evenwel niet pertinent in het licht van de noodzaak, die eigen is aan de regeling van schadeloosstelling voor de beroepsziekten, om vast te stellen dat de ziekte werd veroorzaakt door het beroep. Niet alleen tussen 18 maart 2020 en 17 mei 2020, maar ook buiten de periode van de lockdown, waren bepaalde werknemers van de cruciale sectoren en de essentiële diensten in aanzienlijk hogere mate dan de hele bevolking blootgesteld aan het risico om COVID-19 op te lopen. COVID-19 is immers een ziekte waaraan de werknemers van bepaalde sectoren in hogere mate kunnen worden blootgesteld op het werk dan werknemers van andere sectoren. Zulks hangt veeleer af van de aard van de uitgeoefende functie dan van het in aanmerking genomen tijdstip. B.
- Bijgevolg is het in B.7 bedoelde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 « houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen » en de bijlage bij hetzelfde koninklijk besluit, zoals zij werden gewijzigd bij de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 39 van 26 juni 2020 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van beroepsziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling en tot vaststelling van de criteria waaraan de blootstelling aan het beroepsrisico voor sommige van deze ziekten moet voldoen wegens COVID-19 », bekrachtigd bij artikel 27, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte onderwerpen aan twee tijdsvoorwaarden, namelijk dat de beroepsactiviteit in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 werd uitgeoefend en dat de ziekte in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 werd vastgesteld. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 november
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.121 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div