id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.122 Arrest- Rolnummer: 122/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 785 - laatst gezien 2026-06-18 16:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikelen 14/1, 14/2, § 1, en 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 14/1 tot 14/4 van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid », zoals ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 « tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociale bescherming - Aanvullende pensioenen - Aangesloten werknemers - Onderscheid tussen arbeiders en bedienden - Open discriminatieverbod - Ontstentenis van rechtsmiddelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 122/2024 van 14 november 2024 Rolnummer : 8093 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 14/1 tot 14/4 van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid », zoals ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 « tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 16 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 oktober 2023, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden de artikelen 14/1 tot 14/4 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, zoals in die wet ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, alsook het standstill-beginsel vervat in die laatste bepaling, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij, vanaf de inwerkingtreding ervan, de werknemer die een pensioentoezegging geniet die een discriminatie op grond van het onderscheid arbeider/bediende inhoudt, niet meer toelaten die discriminatie te 2 betwisten, ook niet in rechte, hetgeen een aanzienlijke achteruitgang teweegbrengt in de rechten van de werknemer die een dergelijke pensioentoezegging geniet ? ». « Schenden de artikelen 14/1 tot 14/4 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, zoals in die wet ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de werknemer die een pensioentoezegging geniet die een discriminatie op grond van het onderscheid arbeider/bediende inhoudt, beletten die discriminatie te betwisten, terwijl de begunstigde van een aanvullende pensioentoezegging die een discriminatie op grond van een ander criterium inhoudt, die discriminatie wel kan betwisten en herstel kan verkrijgen, waardoor personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden zonder verantwoording verschillend worden behandeld ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Mohamed Mouhsine, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François Neven, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas en mr. Ambre Vranckx, advocates bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De appellant voor het Arbeidshof te Brussel was gedurende 43 jaar in dienst bij de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (hierna : de MIVB) als arbeider. Hij werd op 1 juni 2015 op rust gesteld en geniet een aanvullend pensioen ten laste van de nv « Ethias ». Hij daagt die laatste voor het Arbeidshof te Brussel naar aanleiding van het bedrag van dat pensioen. Het Arbeidshof merkt op dat een verschil in behandeling bestaat tussen de voormalige arbeiders en de voormalige bedienden van de MIVB wat betreft het in aanmerking nemen van de eindejaarspremie 3 (dertiende maand) in de berekening van de aanvullende pensioenrente bepaald bij het reglement van de door de MIVB aangegane groepsverzekering ten voordele van haar personeelsleden. Het is evenwel van oordeel dat het de toetsing van de grondwettigheid van dat verschil in behandeling niet nader kan uitvoeren, aangezien dat verschil is ingevoerd bij het voormelde reglement vóór 1 januari 2015 en dus geïmmuniseerd is door de artikelen 14/1 en 14/3 van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : de wet van 28 april 2003), ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 « tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen » (hierna : de wet van 5 mei 2014). Op verzoek van de appellant stelt het Arbeidshof aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de context en de in het geding zijnde bepalingen A.1.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege herinnert aan de arresten van het Hof nr. 56/93 (ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.056) en nr. 125/2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.125) en beklemtoont dat het Hof van oordeel is dat het voortbestaan van onderscheiden tussen arbeiders en bedienden een manifeste ongrondwettigheid is. Hij is van mening dat enkel het Hof de bevoegdheid heeft om het voortbestaan van een ongrondwettigheid tijdelijk toe te staan en merkt op dat, telkens wanneer het Hof ertoe werd gebracht zich uit te spreken over een wetsbepaling die het in het geding zijnde onderscheid liet voortbestaan na de datum van 8 juli 2013, het de manifeste ongrondwettigheid van het onderscheid heeft vastgesteld, met handhaving van de gevolgen, naargelang van het geval, tot de inwerkingtreding van de wet van 26 december 2013 « betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen », die de ongrondwettigheid heeft gecorrigeerd, of tot de inwerkingtreding van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109, die de ongrondwettigheid van het vroegere artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 « betreffende de arbeidsovereenkomsten » heeft doen verdwijnen. Hij vermeldt in dat verband de arresten nrs. 187/2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.187), 116/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.116), 10/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.010), 86/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.086) en 36/2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.036). Hij verwijst ook naar het arrest nr. 101/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.101). A.1.
- Hij is van mening dat de wet van 5 mei 2014, waarbij de artikelen 14/1 tot 14/4 in de wet van 28 april 2003 werden ingevoegd, beoogt de voormelde rechtspraak van het Hof terzijde te schuiven. Hij doet gelden dat de wetgever, met de artikelen 14/1, 14/2, § 1, en 14/3, § 1, de gevolgen van de discriminaties ten aanzien van de periodes van tewerkstelling vóór 1 januari 2015 immuniseert en de gevolgen van de op 1 januari 2015 bestaande discriminerende bepalingen gedurende tien jaar handhaaft, waarbij die termijn vervolgens naar vijftien jaar werd gebracht. Hij is van mening dat de wetgever, door dat te doen, zich een bevoegdheid heeft toegekend die enkel het Grondwettelijk Hof toekomt. Hij voegt eraan toe dat de termijn waarin de wetgever heeft voorzien niet in verhouding staat tot de door het Hof in de voormelde arresten toegekende termijnen voor de handhaving van de gevolgen van de discriminerende bepalingen. A.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege zet uiteen dat het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden met betrekking tot de berekening van het bedrag van de referentiebezoldiging die in aanmerking wordt genomen om het aanvullend pensioen te bepalen, niet te verwaarlozen gevolgen heeft. Zo voert hij aan dat, wat hem betreft, indien de berekening zou worden gemaakt waarbij dat verschil in behandeling wordt geneutraliseerd, hij een bedrag zou krijgen dat overeenstemt met meer dan het dubbele van hetgeen hij krijgt met toepassing van de bepaling die het door hem bekritiseerde verschil in behandeling bevat. A.3.
- De Ministerraad zet uiteen dat de aanvullende pensioenstelsels integraal deel uitmaken van het bevoegdheidsdomein van de sociale partners. Hij geeft aan dat de aanvullende pensioenstelsels zijn gebaseerd op een verzekeringsstelsel, zodat elke inrichter, of het nu gaat om een werkgever of een sectorale inrichter, ertoe 4 gebonden is de uitvoering van de pensioentoezegging toe te vertrouwen aan een pensioeninstelling, ofwel door een groepsverzekering aan te gaan, ofwel door deel te nemen in een voorzorgsinstelling. A.3.
- Hij doet gelden dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden vaak voorkwam op het vlak van aanvullende pensioenen en dat die sector zich verschillend heeft ontwikkeld naargelang van de statuten. Hij merkt op dat, in tegenstelling tot hetgeen gold in het arbeidsrecht in strikte zin, het onderscheid tussen arbeiders en bedienden in de pensioentoezeggingen niet voortvloeit uit de wet zelf, maar uit de keuze van de inrichter van de pensioenregeling. Hij geeft aan dat, bij de aanneming van de wet van 28 april 2003, nog steeds algemene eensgezindheid erover was dat de afbakening van de categorieën van aangeslotenen op basis van het statuut van arbeider of bediende aanvaardbaar was. Langzamerhand rees er echter twijfel, zodat de sociale partners, op 10 februari 2014, een akkoord hebben gesloten over de geleidelijke afschaffing van de verschillen in behandeling tussen arbeiders en bedienden op het vlak van de aanvullende pensioenen. De in het geding zijnde bepalingen vloeien rechtstreeks voort uit dat akkoord. A.3.
- De Ministerraad zet uiteen dat vier redenen de progressiviteit van de bij de in het geding zijnde bepalingen toegepaste aanpak verantwoorden : de rechtszekerheid, de noodzaak grote financiële kosten te vermijden, het behoud van de doelstellingen van de wet van 28 april 2003 en de toekenning van een termijn die voor de sociale partners volstaat om, in overleg, te komen tot de afschaffing van het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden. A.4.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege betwist de voorstelling van de Ministerraad. Hij is van mening dat de wet van 5 mei 2014, los van de daarin vermelde doelstellingen, op het vlak van de aanvullende pensioenen, de gevolgen van een verschil in behandeling waarvan de ongrondwettigheid manifest was sinds het voormelde arrest van het Hof nr. 125/2011, beoogt te handhaven. Hij is van mening dat het onjuist is te beweren dat het in het geding zijnde verschil in behandeling enkel voortvloeit uit de keuze van de pensioeninrichter, want ieder verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden vloeit voert uit de wet op de arbeidsovereenkomsten en is dus ongrondwettig, op zijn minst sinds dat arrest. Hij voegt eraan toe dat het feit dat de wet van 5 mei 2014 is aangenomen na een unaniem advies van de Nationale Arbeidsraad geen waarborg vormt voor de grondwettigheid van de hervormingen die zij bevat. A.4.
- Wat de doelstellingen van de wet van 5 mei 2014 betreft, merkt hij op dat de eventuele rechtsonzekerheid het gevolg is van de lange termijn die de sociale partners en de pensioeninstellingen nodig hebben gehad om een geleidelijke harmonisering van de toepasselijke voorwaarden op gang te brengen, en van de traagheid van de wetgever. Hij doet gelden dat de verantwoordingen die zijn gebaseerd op de andere onderstreepte doelstellingen geen rekening houden met de lange termijn die reeds sinds 1993 was verstreken. Rekening houdend met die termijn ziet hij niet in waarom de sociale partners in 2014 nog over een termijn van tien tot vijftien jaar moesten beschikken om de harmonisering tot een goed einde te brengen. A.
- De Ministerraad benadrukt dat het Hof, in zijn voormelde arrest nr. 56/93, heeft onderstreept dat het proces voor het wegwerken van een onderscheid dat dusdanig in het sociaal recht verankerd is, niet anders dan geleidelijk kon zijn. Hij herinnert eraan dat het Hof, in het voormelde arrest nr. 125/2011, heeft beslist de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven. Hij beklemtoont dat alle door de appellant voor het verwijzende rechtscollege vermelde arresten de kwestie van het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden inzake ontslag betroffen en merkt op dat de verschillen die zijn gebaseerd op hetzelfde criterium inzake aanvullende pensioenen door het Hof nooit discriminerend werden bevonden. Hij herinnert ten slotte eraan dat de thans onderzochte zaak enkel betrekking heeft op de geldigheid van een overgangsregeling en niet op de geldigheid van het verschil in behandeling tussen bedienden en arbeiders. A.
- De Ministerraad is van mening dat het onderwerp van de prejudiciële vragen dient te worden beperkt tot de toetsing van de artikelen 14/1 en 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003, die als enige van toepassing zijn op het geschil voor het verwijzende rechtscollege. A.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege verzet zich niet ertegen dat het onderwerp van de prejudiciële vragen wordt beperkt, maar is van mening dat, op zijn minst, ook artikel 14/2, § 1, dient te worden inbegrepen, want die bepaling bevestigt a contrario dat de discriminaties blijven voortbestaan tijdens de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2024, datum die reeds naar 31 december 2029 is verschoven. 5 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.8.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat de in het geding zijnde bepalingen de rechten van slachtoffers van discriminatie zowel op procedureel als op substantieel vlak beperken. Wat het procedurele aspect betreft, staan de in het geding zijnde bepalingen eraan in de weg dat de arbeider die het slachtoffer is van een discriminatie die is opgenomen in het pensioenplan dat krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst op hem van toepassing is, een daadwerkelijk beroep voor de arbeidsgerechten instelt om die discriminatie te laten corrigeren door de afstemming van de situatie van de arbeiders op die van de bedienden te verkrijgen. A.8.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege herinnert eraan dat, gelet op het vergoedende karakter ervan, de aanvullende pensioenen deel uitmaken van de door artikel 23 van de Grondwet gedekte sociale rechten. Hij is van mening dat de in het geding zijnde bepalingen, door enige rechtsvordering om een einde te maken aan de manifeste ongrondwettigheid van het sectorale pensioenplan dat is vervat in een collectieve arbeidsovereenkomst onmogelijk te maken, een aanzienlijke achteruitgang veroorzaken van de procedurele rechten van de arbeiders die het slachtoffer zijn van een discriminatie die is gebaseerd op een criterium dat door het Hof als manifest ongrondwettig is gekwalificeerd. Hij ziet niet in in welk opzicht het algemeen belang zou kunnen vereisen dat de pensioeninstellingen, die hoofdzakelijk private marktdeelnemers zijn, gedurende een erg lange periode worden behoed voor beroepen van burgers die de correctie van een manifeste ongrondwettigheid willen verkrijgen. Bovendien is de bewering dat het algemeen belang de schrapping van de mogelijkheid van rechtsvorderingen vereist om een uiteenlopende rechtspraak te vermijden, niet bestaanbaar met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch met het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. A.8.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont ten slotte dat de in het geding zijnde bepalingen onevenredige gevolgen hebben omdat de immunisering die zij invoeren, in bepaalde gevallen onbeperkt is en in andere gevallen erg lang is, maar ook omdat die algemeen is en geen enkele uitzondering omvat. Hij merkt in dat verband met name op dat rekening ermee had kunnen worden gehouden dat, wanneer het verschil in behandeling is veroorzaakt door een enkele beslisser, bevoegd voor de twee categorieën van werknemers, het veel makkelijker te corrigeren is dan wanneer het door verschillende beslissers wordt gecreëerd, die dus moeten overleggen om het te laten verdwijnen. A.9.
- De Ministerraad is van mening dat de vraag beoogt om, onder de werknemers die een aanvullende pensioentoezegging genieten, de categorie van werknemers die na 19 mei 2014 met pensioen zijn gegaan en de categorie van werknemers die vóór die datum met pensioen zijn gegaan te vergelijken. Hij is van mening dat die categorieën van personen zich niet in vergelijkbare situaties bevinden vanuit het oogpunt van het onderscheid tussen arbeiders en bedienden in de aanvullende pensioenstelsels omdat vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen geen enkel uitdrukkelijk verbod op een verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden in die aangelegenheid bestond. Hij leidt daaruit af dat niets waarborgt dat een arbeider die vóór 19 mei 2014 met pensioen is gegaan in het gelijk zou zijn gesteld door een verschil in behandeling gebaseerd op het onderscheid tussen arbeiders en bedienden aan te klagen. A.9.
- In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Hij merkt op dat de datum van 19 mei 2014 een objectief criterium is. Hij is van mening dat de door het verschil in behandeling nagestreefde doelstellingen, vermeld in A.3.3, legitiem zijn. Hij voert aan dat de progressiviteit van de in het geding zijnde maatregel pertinent is om die doelstellingen te bereiken en dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. A.9.
- Wat de naleving van artikel 23 van de Grondwet betreft, doet de Ministerraad in hoofdorde gelden dat de in het geding zijnde bepalingen geen aanzienlijke achteruitgang vormen in vergelijking met het vroegere beschermingsniveau. Hij herinnert eraan dat het vóór de inwerkingtreding van die bepalingen geenszins uitdrukkelijk verboden was een verschil in behandeling in te voeren dat steunt op het onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Een dergelijk verbod bestaat daarentegen sinds de inwerkingtreding van die bepalingen, zodat zij een vooruitgang vormen in het beschermingsniveau van de werknemers of, op zijn minst, een einde maken aan de onzekerheid die heerste over de aanvaardbaarheid van dat onderscheid in de aanvullende pensioenstelsels. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de in het geding zijnde bepalingen doelstellingen van algemeen belang nastreven. A.10.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege preciseert dat de eerste prejudiciële vraag de situatie van een werknemer betreft die, wegens zijn hoedanigheid van arbeider, een lager aanvullend pensioenbedrag krijgt 6 dan hetwelk hij zou krijgen indien hij bediende was, waarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang zijn recht op het aanvullend pensioen vóór of na 19 mei 2014 wordt geopend. In het eerste geval kan hij de discriminatie waarvan hij het voorwerp uitmaakt, betwisten, terwijl in het tweede geval de bepalingen van de wet van 5 mei 2014 eraan in de weg staan dat hij die discriminatie betwist. A.10.
- Wat artikel 23 van de Grondwet betreft, beklemtoont de appellant voor het verwijzende rechtscollege het gebrek aan legitimiteit van de bij de wet van 5 mei 2014 nagestreefde doelstelling en de ontstentenis van een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. A.
- De Ministerraad herinnert eraan dat de pensioeninstellingen, ook al zijn die hoofdzakelijk private marktdeelnemers, een opdracht van algemeen belang uitoefenen, zodat de in het geding zijnde bepalingen de leefbaarheid beogen te vrijwaren van aanvullende pensioenstelsels voor alle burgers die hebben bijgedragen voor hun aanvullend pensioen. Ten slotte merkt hij op dat het niet pertinent is het feit in aanmerking te nemen dat er een dan wel meerdere beslissers zijn, want dat komt erop neer nieuwe verschillen in behandeling naargelang van de sectoren in te voeren. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.12.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege zet uiteen dat de vraag ertoe strekt de werknemers die het slachtoffer zijn van een discriminatie tussen arbeiders en bedienden in het aanvullende pensioenstelsel dat op hen van toepassing is, en de werknemers die het slachtoffer zijn van een ander verschil in behandeling in dezelfde context, te vergelijken, in zoverre de werknemers van de eerste categorie de discriminatie waarvan zij het voorwerp uitmaken niet kunnen aanklagen, terwijl de werknemers van de tweede categorie dat wel kunnen. A.12.
- Hij is van mening dat, door gedurende een periode van tien jaar, die vervolgens naar vijftien jaar is gebracht, verschillen in behandeling die het Hof meermaals ongrondwettig heeft verklaard, te immuniseren, de wetgever een doelstelling nastreeft die niet legitiem is. Ten overvloede doet hij gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op geen enkele objectieve en redelijke verantwoording steunt. Hij is in dat opzicht van mening dat, rekening houdend met het zeer beperkte aantal betwistingen inzake aanvullend pensioen sinds de geldigheid van het criterium van onderscheid tussen arbeiders en bedienden ter discussie staat, de vrees voor een massale toename van de gerechtelijke beroepen niet redelijk was. Hij voegt eraan toe dat de eventuele rechtsonzekerheid haar oorsprong vindt in de omstandigheid dat de wetgever, de pensioeninstellingen en de sociale partners sinds het voormelde arrest van het Hof nr. 56/93 geen enkel initiatief hebben genomen om de stelsels geleidelijk te harmoniseren. Ten slotte ziet hij niet in hoe de doelstelling van de democratisering van de aanvullende pensioenen niet tegelijk met de geleidelijke gelijkschakeling van de aanvullende pensioenen van arbeiders met die van de bedienden kon worden nagestreefd, temeer daar die democratisering merkbaar is sinds het begin van de jaren 2000, ofwel nadat het criterium van onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet langer als pertinent werd beschouwd. A.13.
- De Ministerraad betwist niet dat, in een bepaald aantal situaties, kan worden beschouwd dat het recht op een pensioen binnen het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol) valt, maar hij is van mening dat dat niet betekent dat elke wetswijziging van het pensioenstelsel ipso facto een inmenging in het eigendomsrecht vormt. Meer in het bijzonder doet hij gelden dat artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol geen recht om eigendom te verwerven of een recht op pensioen vastlegt, maar dat het het recht op het ongestoord genot van een reeds verkregen pensioen waarborgt. A.13.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van werknemers zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien het criterium van onderscheid tussen arbeiders en bedienden een volledig andere geschiedenis heeft dan overige criteria van onderscheid, zoals het criterium van het gender. In ondergeschikte orde doet hij gelden dat het verschil in behandeling en de inmenging in het eigendomsrecht verantwoord zijn door de bij de in het geding zijnde bepalingen nagestreefde doelstellingen. A.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege vraagt dat het Hof, indien het oordeelt dat het zijn vaststelling van schending gepaard moet laten gaan met een handhaving van de gevolgen, hem het voordeel van een « tegenexceptie » toekent ten voordele van de personen die, vóór het arrest, reeds een rechtsvordering hadden ingesteld. 7 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.
- Artikel 14, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : de wet van 28 april 2003) verbiedt elke vorm van discriminatie tussen werknemers, aangeslotenen en begunstigden inzake aanvullende pensioenen. Het eerste lid van dat artikel bepaalt : « Elke vorm van discriminatie tussen werknemers, aangeslotenen en begunstigden is verboden. Discriminatie is een verschil in behandeling van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden dat niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde doelstelling, het objectief karakter, de gevolgen van het verschil in behandeling en het feit dat dit verschil in behandeling niet onevenredig mag zijn ten opzichte van het beoogde geoorloofde doel ». Die bepaling bevat geen lijst van verboden criteria van onderscheid en bevat dus een open discriminatieverbod. B.1.
- De prejudiciële vragen beogen de artikelen 14/1 tot 14/4 van de wet van 28 april
- Uit de motivering van het arrest waarin vragen worden gesteld aan het Hof en uit de uiteenzettingen van de partijen blijkt evenwel dat enkel de artikelen 14/1, 14/2, § 1, en 14/3, § 1, van die wet in het geding zijn. B.1.
- Zoals het van toepassing is op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, bepaalt artikel 14/1 van de wet van 28 april 2003 : « Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, maakt geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit voor de tewerkstellingsperiodes die gesitueerd zijn voor 1 januari 2015 ». Zoals het van toepassing is op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, bepaalt artikel 14/2, § 1, van de wet van 28 april 2003 : 8 « Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, is voor werklieden en bedienden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden een discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, voor tewerkstellingsperiodes vanaf 1 januari 2025 ». Zoals het van toepassing is op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, bepaalt artikel 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003 : « Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, maakt geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit voor de tewerkstellingsperiodes tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025, indien het verschil in behandeling in een pensioenstelsel ingevoerd is geweest voor 1 januari
- Het in het eerste lid bedoelde verschil in behandeling maakt voor tewerkstellingsperiodes tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025 geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit op voorwaarde dat de werkgever zich inschrijft in een traject om de verschillen in behandeling tegen ten laatste 1 januari 2025 te beëindigen, rekening houdende met wat zich op dit vlak voordoet in het paritaire comité en/of de paritaire comités en/of in het paritaire subcomité en/of de paritaire subcomités waar hij onder valt ». B.1.
- Bij artikel 23 van de wet van 12 december 2021 « tot uitvoering van het sociaal akkoord in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2021-2022 » heeft de wetgever, in de artikelen 14/2, § 1, en 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003, telkens de woorden « 1 januari 2025 » vervangen door de woorden « 1 januari 2030 ». Zo heeft hij de bij de in het geding zijnde bepalingen voorziene vervaltermijnen met vijf jaar verlengd. Die wijziging heeft geen gevolgen voor het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil en hoeft niet in overweging te worden genomen in de antwoorden op de prejudiciële vragen. B.2.
- Uit de motivering van het arrest waarbij vragen aan het Hof worden gesteld, blijkt dat het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat het, om het voorgelegde geschil te beslechten, toepassing moest maken van artikel 4 van het reglement nr. 807, bijgevoegd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 oktober 2006 die gesloten werd binnen het Paritair Subcomité voor het stads- en streekvervoer van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, « betreffende het nieuwe reglement van het extrawettelijke rustpensioen van het type ‘ vaste prestaties ’ ». Die collectieve arbeidsovereenkomst werd verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 november
- 9 B.2.
- Met toepassing van artikel 4 van het voormelde reglement nr. 807 is de formule voor de berekening van het aanvullend rustpensioen dat verschuldigd is op de datum van de opruststelling van de werknemer de volgende : ARP = (70 pct. T - WRP).N/35 Waarbij : - ARP = het aanvullende rustpensioen, - T = de referentiebezoldiging, - WRP = het wettelijk rustpensioen, - N = de duur van de loopbaan, met een maximum van 35 jaar, zoals die begrippen in artikel 4.5 van het reglement nr. 807 zijn gedefinieerd. Voor de arbeiders definieert artikel 4.5 van het reglement nr. 807 de referentiebezoldiging als de som van de volgende elementen : het maandelijks brutosalaris volgens barema vastgelegd vermenigvuldigd met 12, een vaste bijdrage van de dertiende maand, de speciale premie van de sociale programmering en diverse premies. Voor de bedienden omvat de referentiebezoldiging met name de volledige dertiende maand. B.3.
- Het verwijzende rechtscollege meent dat artikel 4 van het reglement nr. 807 van reglementaire aard is. Het oordeelt bovendien dat, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, geen twijfel erover bestaat dat de appellant een verschil in behandeling ondergaat in vergelijking met de werknemers van de MIVB die tot de categorie van de bedienden behoren, aangezien, in tegenstelling tot die laatsten, slechts een vaste bijdrage van de premie van de dertiende maand in aanmerking wordt genomen in de berekeningsformule van de referentiebezoldiging. Het stelt dat, indien het zou oordelen dat dat verschil in behandeling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste 10 Aanvullend Protocol bij het Verdrag voor de rechten de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), het de woorden « een vaste bijdrage » buiten toepassing zou moeten laten met toepassing van artikel 159 van de Grondwet of van artikel 9, punt 1, van de wet van 5 december 1968 « betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ». B.3.
- Het verwijzende rechtscollege is evenwel van oordeel dat het die grondwettigheidstoets niet nader kan uitvoeren, aangezien dat verschil in behandeling door de in het geding zijnde bepalingen wordt « geïmmuniseerd ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 11 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen; 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; [...] ». Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. B.5.
- De aanvullende pensioenen, die de zogenoemde « tweede pensioenpijler » vormen, zijn de aanvulling op een krachtens een wettelijke socialezekerheidsregeling vastgesteld pensioen. De opbouw ervan is gereglementeerd en wordt gestimuleerd door de wetgever, voor wie zij integraal deel uit maken van het Belgische pensioenbeleid. Dientengevolge, hoewel ze stricto sensu niet onder de sociale zekerheid vallen, vloeien zij voort uit de sociale bescherming in ruime zin. Bovendien worden de aanvullende pensioenen opgebouwd aan de hand van premies die, in bepaalde opzichten, aldus kunnen worden beschouwd dat ze, voor de aangesloten werknemer, de vorm van een vergoeding hebben. Bijgevolg kan ervan worden uitgegaan dat de standstill-verplichting vervat in artikel 23, derde lid, 1° en 2°, van de Grondwet inzake billijke vergoeding en inzake sociale zekerheid in acht moet worden genomen door de wetgever wanneer hij wetgevend optreedt inzake aanvullende pensioenen. B.5.
- Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ». 12 B.6.
- Bij de eerste prejudiciële vraag verzoekt het verwijzende rechtscollege het Hof de bestaanbaarheid te onderzoeken van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij, in tegenstelling tot hetgeen het geval was vóór de inwerkingtreding ervan, de werknemer niet meer toelaten het verschil in behandeling te betwisten dat berust op een onderscheid tussen arbeiders en bedienden in de reglementen van aanvullende pensioenen. B.6.
- Indien de eerste prejudiciële vraag zo dient te worden begrepen dat een vergelijking wordt gesuggereerd tussen de situatie van de rechtzoekenden die menen het slachtoffer te zijn van een discriminatie als gevolg van een verschil in behandeling tussen bedienden en arbeiders naargelang hun situatie wordt geregeld bij de wet van 28 april 2003 in de versie ervan van vóór dan wel na de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen, kan zij niet leiden tot de vaststelling van de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Om de naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie na te gaan, is het immers niet pertinent twee wetgevingen te vergelijken die op verschillende momenten van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om een ander doel na te streven dan hetwelk vroeger werd nagestreefd en om bepalingen aan te nemen om dat te verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de wetgever een andere maatregel heeft genomen dan die welke hij vroeger had aangenomen, vormt op zich geen discriminatie. Elke wetswijziging zou immers onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt. B.6.
- Indien de eerste prejudiciële vraag zo dient te worden begrepen dat een vergelijking wordt gesuggereerd tussen de situatie van de rechtzoekenden die menen het slachtoffer te zijn van een discriminatie als gevolg van een verschil in behandeling tussen bedienden en arbeiders, aan wie een daadwerkelijk beroep waarmee zij die discriminatie door een rechter kunnen laten vaststellen, wordt ontzegd, en de situatie van de rechtzoekenden die het slachtoffer zijn van een andere discriminatie, die wel over een dergelijk beroep beschikken, valt die vraag samen met de tweede prejudiciële vraag. B.7.
- De eerste prejudiciële vraag verzoekt het Hof ook de naleving van de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet te toetsen. Die toetsing 13 veronderstelt de vergelijking van de situatie van eenzelfde categorie van personen, vóór en na de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepalingen. B.7.
- Door te bepalen dat de verschillen in behandeling inzake aanvullende pensioenen die steunen op het onderscheid tussen arbeiders en bedienden, voor een bepaalde periode, geen discriminaties zijn die zijn verboden bij artikel 14 van de wet van 28 april 2003, beletten de in het geding zijnde bepalingen de werknemers die menen het slachtoffer te zijn van een verschil in behandeling dat is gebaseerd op dat criterium, aan te tonen dat het onverantwoord is en dus een discriminatie vormt, terwijl dat vóór de inwerkingtreding ervan wel mogelijk was. Bijgevolg staan de in het geding zijn bepalingen eraan in de weg dat de slachtoffers van een discriminatie op basis van dat criterium het herstel krijgen van de geleden schade, in voorkomend geval na een gerechtelijke procedure. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepalingen leiden tot een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid en van het recht op een billijke verloning van de betrokken werknemers. B.8.
- De in het geding zijnde bepalingen zijn ingevoegd in de wet van 28 april 2003 bij de wet van 5 mei 2014 « tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen » (hierna : de wet van 5 mei 2014). Uit de verantwoording van het amendement dat aan de oorsprong van die bepalingen ligt, blijkt dat die uitvoering geven aan het akkoord dat de sociale partners hebben gesloten over de geleidelijke opheffing, in de aangelegenheid van de aanvullende pensioenen, van de verschillen in behandeling die steunen op het onderscheid tussen arbeiders en bedienden, akkoord dat werd omgezet in het advies van de Nationale Arbeidsraad nr. 1893 van 12 februari 2014 (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3399/002, pp. 13-14). B.8.
- De noodzaak om geleidelijk te handelen, werd door vier motieven verantwoord : « a) De rechtszekerheid Op de eerste plaats moet worden vermeden dat de rechtsorde ernstig zou worden verstoord. Bij gebrek aan een duidelijk wettelijk kader is het immers niet uit te sluiten dat vele werklieden of bedienden een rechtszaak aanhangig zullen maken om aanspraak te maken op een gelijke behandeling inzake aanvullende pensioenen. Afgezien van de vraag of het gerechtelijk apparaat het hoofd kan bieden aan een grote toevloed van gerechtelijke procedures, zullen in ieder geval 14 de inrichters en de pensioeninstellingen veel tijd en energie aan het beheer van al deze gedingen moeten besteden, terwijl die tijd en energie beter kunnen worden gespendeerd aan een blijvende verbetering van de tweede pensioenpijler. Ten slotte is het mogelijk dat de hoven en rechtbanken diametraal tegenover elkaar staande standpunten zullen innemen over bepaalde juridische kwesties, met alle onzekerheid van dien [...]. b) Het vermijden van belangrijke financiële kosten Verder is het een onbetwistbaar feit dat een plotse opheffing van alle verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden de inrichters van aanvullende pensioentoezeggingen in ernstige financiële moeilijkheden kan brengen. De kost die het wegwerken op korte termijn van alle verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden in hun aanvullende pensioenstelsels zou meebrengen, kan immers belangrijk zijn. Door de meerkost als gevolg van een gelijkschakeling van werklieden en bedienden over een tiental jaren uit te spreiden, kan het ontstaan van belangrijke financiële lasten voor de inrichters worden voorkomen. c) Het beschermen van de doelstellingen van de WAP Zoals hierboven reeds aangehaald, was een democratisering van de tweede pensioenpijler één van de doelstellingen van de WAP. Deze ambitie lijkt gerealiseerd te zijn [...] Deze democratisering van de tweede pensioenpijler dreigt echter teloor te gaan als alle verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op een heel korte termijn zouden moeten worden weggewerkt. Door de potentieel belangrijke bijkomende kosten zouden vele inrichters geneigd kunnen zijn om het aanvullend pensioen stop te zetten. d) Het geven van genoeg tijd aan de sociale partners om via collectief overleg de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op te heffen Daarnaast brengt een te abrupte verplichting tot gelijkschakeling van werklieden en bedienden het sociaal overleg en de informatie en consultatie van de werknemers of hun vertegenwoordigers, die essentieel zijn in de materie van de aanvullende pensioenen, in het gedrang. Dergelijke onderhandelingen en besprekingen kunnen geruime tijd in beslag nemen. Daarenboven kan er ook veel tijd naar de uitvoering van alle gemaakte afspraken gaan. De technische complexiteit van de materie is hier niet vreemd aan. Derhalve moet aan de sociale partners, zowel op sectoraal niveau als op ondernemingsniveau, én aan alle andere actoren op het vlak van de aanvullende pensioenen voldoende gelegenheid worden gegeven om zich geleidelijk en ordentelijk aan de nieuwe realiteit aan te passen » (ibid., pp. 19-20). B.8.
- Die geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die steunen op het verschil tussen arbeiders en bedienden wordt verkregen door de combinatie van verschillende aanvullende bepalingen : « In essentie is de inhoud van titel III een combinatie van drie wetgevingstechnieken. Ten eerste wordt er gebruik gemaakt van een overgangsperiode. Ten tweede wordt er gewerkt met 15 een ‘ cut-off date ’ of een afsluitingsdatum : vanaf die datum mag een verschil in behandeling dat berust op een bepaald onderscheid niet meer worden gemaakt. Ten derde kan een verschil in behandeling dat berust op een bepaald onderscheid dat werd gemaakt voor de ‘ cut-off date ’ of de afsluitingsdatum ook nog na die dag gevolgen blijven sorteren, hoewel na die ‘ cut-off date ’ datzelfde verschil in behandeling niet meer mag worden gemaakt. Elk van deze drie technieken is al als een deugdelijke juridische methode aanvaard in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze technieken zijn immers bijzonder geschikt om geleidelijke aanpassingen door te voeren en discriminaties gradueel weg te werken » (ibid., pp. 20-21). B.8.
- Bovendien heeft de wetgever « een ‘ levelling up ’, [...] een snelle toekenning van de betere voordelen aan de groep die tot dan benadeeld was, » uitgesloten aangezien een dergelijk mechanisme zou hebben geleid tot « een belangrijke stijging van de kosten voor aanvullende pensioenen op een zeer korte termijn », hetgeen niet economisch haalbaar leek (ibid., p. 36). Ten slotte was het de bedoeling van de wetgever om in de eerste plaats de sectoren te responsabiliseren die een prominente plaats innemen in het Belgisch sociaal overleg. Hij heeft in dat verband geoordeeld dat de aanvullende pensioenen deel moesten uitmaken van de onderhandelingen over het loon, zodat dat onderwerp « een onderdeel [zou zijn] van onderhandelingen over een totaalpakket waarbij andere loonelementen, andere voordelen en andere aanvullende regelingen van sociale zekerheid in rekening [zouden] worden gebracht » (ibid., p. 42). B.9.
- Aangezien de aanvullende pensioenen worden opgebouwd over een lange duur en de financiering van de prestaties aan de aangeslotenen verband houdt met de stortingen die gedurende de loopbaan worden uitgevoerd, is het redelijk verantwoord dat de wetgever bruuske wijzigingen die tal van werknemers kunnen treffen, voorkomt teneinde het evenwicht van het systeem te bewaren. Dat kenmerk van het systeem kan ook verantwoorden dat de wetgever de weg van het sociaal overleg heeft verkozen voor het geleidelijk verdwijnen van de verschillen in behandeling, aangezien, omwille van de leefbaarheid van het systeem, niet kon worden overwogen om op te leggen dat de voorwaarden die van toepassing zijn op de benadeelde categorie zonder meer worden afgestemd op de voorwaarden die van toepassing zijn op de bevoordeelde categorie. 16 B.9.
- Samengenomen verantwoorden de voormelde elementen redelijkerwijs de in B.7.2 vastgestelde aanzienlijke achteruitgang. Met name de bedoeling om rechtsonzekerheid te vermijden en de noodzaak de kwestie niet op individuele schaal of zelfs niet op die van een onderneming te bekijken, maar wel, telkens wanneer dat mogelijk is, op sectoraal niveau, hetgeen de organisatie van sociale onderhandelingen veronderstelt, verantwoorden dat de wetgever erin heeft voorzien dat het verdwijnen van de verschillen in behandeling gebaseerd op het onderscheid tussen de statuten van arbeiders en bedienden geleidelijk en in overleg gebeurt. B.
- Ten slotte veroorzaken de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen. De door de in het geding zijnde bepalingen beoogde werknemers blijven vrij om alle aspecten van het pensioenreglement dat op hen van toepassing is, te betwisten en om de betwistingen voor een rechtscollege te brengen, met uitzondering van de verschillen in behandeling die gebaseerd zijn op het onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Bovendien zullen de verschillen in behandeling gebaseerd op het criterium van het statuut van arbeider of bediende in andere domeinen ook geleidelijk moeten verdwijnen, zodat alle verschillen tussen de twee statuten gradueel verdwijnen, hetgeen onvermijdelijk aanpassingen met zich meebrengt, nu eens in het voordeel van de enen en dan weer in het voordeel van de anderen. B.
- Wanneer de wetgever van mening is dat een criterium van onderscheid waarop tal van verschillen in behandeling rusten, nu wegens de evolutie van de maatschappij niet meer kan worden verantwoord, maar dat een bruuske verandering met name economische of juridische moeilijkheden zou kunnen veroorzaken, mag en dient hij overgangsmaatregelen te nemen om die moeilijkheden te voorkomen. Het feit dat het Hof, krachtens artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de bevoegdheid heeft om, wanneer het in het kader van een vernietigingsberoep een ongrondwettigheid heeft vastgesteld, om gelijkaardige redenen de gevolgen van vernietigde bepalingen te handhaven, is, in tegenstelling tot wat de appellant voor het verwijzende rechtscollege aanvoert, in die context niet relevant. B.
- De artikelen 14/1, 14/2, § 1, en 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003 zijn bestaanbaar met de standstill-verplichting vervat in artikel 23, derde lid, van de Grondwet. 17 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.14.
- Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, maar voegt te dezen niets toe aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.14.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.14.
- Artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol dient te worden geïnterpreteerd in het licht van de eerste zin van de eerste alinea. De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is enkel verenigbaar met dat recht indien ze redelijk evenredig is met het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt (EHRM, 23 februari 1995, Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1995:0223JUD001537589, § 62; 16 april 2002, S.A. Dangeville t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003667797). B.
- Met de tweede prejudiciële vraag verzoekt het verwijzende rechtscollege het Hof de in het geding zijnde bepalingen te onderzoeken in zoverre zij een verschil in behandeling invoeren onder de werknemers die aangesloten zijn bij een aanvullend pensioenplan en die menen het slachtoffer te zijn van een discriminerend verschil in behandeling, naargelang dat 18 verschil in behandeling dat zij willen betwisten, gebaseerd is op het onderscheid tussen de bedienden en de arbeiders dan wel op elk ander criterium. In het eerste geval wordt hun belet aan te tonen dat het betwiste verschil in behandeling niet verantwoord is en dat het dus een discriminatie vormt, terwijl zij, in het tweede geval, indien het in het geding zijnde verschil in behandeling niet verantwoord is, herstel kunnen krijgen voor de ondergane discriminatie. B.16.
- De Ministerraad is van mening dat de door de prejudiciële vraag vermelde categorieën van werknemers niet vergelijkbaar zijn omdat het criterium van onderscheid tussen de arbeiders en de bedienden kenmerken zou hebben die verschillen van de andere beoogbare criteria van onderscheid. B.16.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Het verschil tussen de door de prejudiciële vraag vermelde criteria van onderscheid kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van het verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. De werknemers op wie de prejudiciële vraag betrekking heeft, menen allen het slachtoffers te zijn van discriminatie, op basis van een criterium waarvan zij de pertinentie in rechte willen betwisten. Zij zijn dus voldoende vergelijkbaar ten aanzien van de maatregel die sommigen onder hen belet om aan te tonen dat het verschil in behandeling dat hen treft onverantwoord is. B.17.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op het type van criterium van onderscheid waarop het verschil in behandeling is gebaseerd dat de aangeslotene bij het aanvullend pensioenplan wil betwisten. Een dergelijk criterium is objectief. B.17.
- De verantwoording van het amendement dat de in het geding zijnde bepalingen heeft ingevoerd in de wet van 28 april 2003 vermeldt met betrekking tot dat criterium van onderscheid : « Het onderscheid tussen [werklieden] en bedienden is in de praktijk wijd verspreid. Het onderscheid is historisch te verklaren en wordt sinds vele decennia toegepast. De arbeidsmarkt, het arbeidsmarktbeleid en het arbeidsrecht zijn er helemaal op gebouwd. De verhoudingen tussen de sociale partners zijn eveneens op dit onderscheid geënt. [...] 19 Het is bijgevolg niet verwonderlijk dat gedurende een hele lange tijd het verschil tussen werklieden en bedienden niet in vraag werd gesteld. Het is evenmin verbazingwekkend dat de hele Belgische sociale wetgeving doordrenkt is van het onderscheid tussen werklieden en bedienden » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3399/002, p. 14). B.18.
- Het criterium van onderscheid gebaseerd op het statuut van arbeider of bediende heeft gedurende vele jaren verschillen in behandeling verantwoord en is in tal van domeinen in het arbeidsrecht en in het sociaal recht doorgedrongen. Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden had des te meer gevolgen omdat het werd weerspiegeld in de vakbondsorganisatie en in de afbakening van de paritaire comités. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 april 2003 werd dat onderscheid inzake aanvullende pensioenen nog als geoorloofd beschouwd, zodat het in tal van pensioenreglementen kon worden aangewend (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1340/001, p. 38). B.18.
- Overwegende dat het in strijd zou zijn met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie om nieuwe verschillen in behandeling in te voeren op basis van dat criterium, heeft het Hof meermaals geoordeeld dat het verantwoord was voorrang te geven aan maatregelen die een geleidelijke toenadering van de statuten beogen veeleer dan een bruuske afschaffing van die beroepscategorieën (arrest nr. 56/93, ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.056; arrest nr. 125/2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.125). B.18.
- In tegenstelling tot andere criteria van onderscheid, waarvan de pertinentie ten aanzien van de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel in ieder geval door de bevoegde rechter dient te worden beoordeeld met toepassing van artikel 14, § 1, van de wet van 28 april 2003, heeft de wetgever, bij de wet van 5 mei 2014, zelf het criterium van onderscheid dat is gebaseerd op het verschil in statuut tussen arbeiders en bedienden ongeoorloofd gemaakt in alle reglementen van aanvullende pensioenen, ongeacht de beoogde maatregel. Daaruit volgt dat het gebruik van dat criterium niet meer kan worden verantwoord in enig reglement met betrekking tot die aangelegenheid. B.
- Rekening houdend met de verschillen tussen de criteria van onderscheid die een grondslag kunnen bieden voor een verschil in behandeling inzake aanvullende pensioenen, vermocht de wetgever te oordelen dat diende te worden voorzien in een voldoende lange termijn om het sociaal overleg toe te laten de verschillen in behandeling die op dat criterium berusten, 20 geleidelijk weg te werken, terwijl een dergelijke geleidelijke werkwijze niet noodzakelijk was voor het gebruik van andere criteria die een grondslag kunnen bieden voor verschillen in behandeling. B.
- Om de in B.10 vermelde redenen hebben de in het geding zijnde bepalingen overigens geen onevenredige gevolgen. B.
- Het in aanmerking nemen van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol leidt niet tot een andere conclusie. B.
- De artikelen 14/1, 14/2, § 1, en 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003 zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 21 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 14/1, 14/2, § 1, en 14/3, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » schenden niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 november
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.122 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.056 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.125 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.187 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.116 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.010 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.086 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.101 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.036 ECLI:CE:ECHR:1995:0223JUD001537589 ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003667797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div