id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.125 Arrest- Rolnummer: 125/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 297 - laatst gezien 2026-06-18 16:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 maart 2001 « tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen », gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Sociale bijstand - Inkomensgarantie voor ouderen - Verhoogd basisbedrag - Feitelijke samenwoning zonder economisch voordeel Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 125/2024 van 14 november 2024 Rolnummer : 8121 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 maart 2001 « tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen », gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 7 december 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 december 2023, heeft het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 maart 2001 op de inkomensgarantie voor ouderen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het personen die zich in een ogenschijnlijk identieke of vergelijkbare situatie bevinden, op een verschillende manier behandelt, te weten enerzijds gerechtigden op een inkomensgarantie voor ouderen die hun gemeenschappelijke woning delen met een persoon met wie de aanvrager niet gehuwd is noch wettelijk samenwoont, wiens ‘ samenwoning ’ voor hen geen economisch voordeel kan opleveren en waarbij een verhoogd bedrag kan toegekend worden en anderzijds de gerechtigden op een inkomensgarantie voor ouderen die hun gemeenschappelijke woning delen met een persoon met wie ze gehuwd zijn of wettelijk mee samenwonen wiens ‘ samenwoning ’ voor hen geen economisch voordeel kan opleveren en toch maar het basisbedrag toegekend krijgen ? ». Memories zijn ingediend door : 2 - M.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Dirk Geens, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De appellant voor het verwijzende rechtscollege geniet sinds 1 april 2012 een inkomensgarantie voor ouderen. Initieel ontving hij van de Federale Pensioendienst, de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege, het verhoogde basisbedrag omdat hij zijn hoofdverblijfplaats niet met een of meer personen deelde. Bij beslissing van 7 augustus 2013 heeft de Federale Pensioendienst met ingang vanaf 1 januari 2013 de inkomensgarantie een eerste keer teruggebracht tot het basisbedrag aangezien hij had vastgesteld dat de appellant sinds 5 december 2012 samenwoonde met S.A. Vanaf 1 november 2013 verkreeg de appellant echter opnieuw het verhoogde basisbedrag aangezien hij had aangetoond dat S.A. het bevel had gekregen om het grondgebied te verlaten en verbleef in een centrum van de Dienst Vreemdelingenzaken. Bij beslissing van 21 september 2021 heeft de Federale Pensioendienst de inkomensgarantie van de appellant voor een tweede keer teruggebracht tot het basisbedrag, met ingang van 1 februari
- Ditmaal was de aanleiding van de beslissing het huwelijk tussen de appellant en S.A., die geen verblijfsrecht heeft maar ingeschreven is in het wachtregister op hetzelfde adres als de appellant. De appellant heeft tegen die beslissing van 21 september 2021 beroep aangetekend bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Die laatste heeft bij vonnis van 5 juli 2022, nadat zij eerder op 31 maart 2022 een tussenvonnis had uitgesproken, de vordering van de appellant ongegrond verklaard. Op 8 augustus 2022 heeft de appellant tegen beide vonnissen hoger beroep aangetekend bij het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Bij arrest van 7 december 2023 heeft het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, geoordeeld dat een ambtshalve onderzoek en herziening van de inkomensgarantie mogelijk is naar aanleiding van een huwelijk, en dat de appellant geen voordeel haalt uit het samenwonen met zijn echtgenote aangezien zij geen inkomsten of bestaansmiddelen heeft. Vooraleer verder uitspraak te doen, acht het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het noodzakelijk om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- De Ministerraad werpt op dat de zaak moet worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, daar het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Het bodemgeschil is namelijk zonder voorwerp geworden doordat de Federale Pensioendienst bij beslissing van 9 februari 2024 de appellant opnieuw het verhoogde basisbedrag heeft toegekend, met ingang van 1 februari 2021, zijnde de datum vanaf welke de bestreden beslissing van 21 september 2021 uitwerking had. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 maart 2001 « tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen » (hierna : de wet van 22 maart 2001). Artikel 6 van de wet van 22 maart 2001, in de versie zoals van toepassing voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « §
- Het bedrag van de inkomensgarantie beloopt ten hoogste 6.765,89 euro per jaar. Onverminderd de toepassing van afdeling 2 van dit hoofdstuk wordt dit bedrag toegekend aan de betrokkene die aan de in artikelen 3 en 17 bedoelde leeftijdsvoorwaarden voldoet en dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met één of meerdere andere personen. Worden geacht dezelfde hoofdverblijfplaats te delen, de aanvrager en elke andere persoon die gewoonlijk met hem op dezelfde plaats verblijft. Het gewoonlijk verblijf blijkt uit de inschrijving in de bevolkingsregisters van de gemeente waar de verblijfplaats is gevestigd. §
- Op het in paragraaf 1 bedoelde bedrag wordt de coëfficiënt 1,50 toegepast voor de gerechtigde die dezelfde hoofdverblijfplaats niet met één of meerdere personen deelt en die aan de in artikelen 3 en 17 bedoelde leeftijdsvoorwaarden voldoet. De volgende personen worden niet geacht dezelfde hoofdverblijfplaats te delen met de aanvrager, ondanks het feit dat zij in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven op het adres van de aanvrager : 1° de minderjarige kinderen; 2° de meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten; 4 3° de personen die in hetzelfde rusthuis of hetzelfde rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis als de aanvrager zijn opgenomen; 4° de bloed- of aanverwanten in de rechte neergaande of opgaande lijn en hun wettelijk samenwonende. §
- Op het in paragraaf 1 bedoelde bedrag wordt de coëfficiënt 1,50 toegepast voor de gerechtigde die : 1° dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende terwijl deze laatste in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis is opgenomen en dit tehuis niet als hoofdverblijfplaats heeft en voor zover de gerechtigde die hoofdverblijfplaats niet deelt met één of meerdere andere personen dan een bloed- of aanverwant in rechte neergaande of opgaande lijn en diens wettelijk samenwonende, of minderjarige kinderen of meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten; 2° dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende terwijl deze gerechtigde in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis is opgenomen en dit tehuis niet als hoofdverblijfplaats heeft; 3° dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende terwijl zowel de gerechtigde als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis zijn opgenomen en dit tehuis niet als hoofdverblijfplaats hebben. § 4 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vaststellen onder welke voorwaarden de bepalingen van paragrafen 2 en 3 kunnen worden uitgebreid tot andere categorieën van personen die Hij bepaalt. §
- De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in paragraaf 1 bedoelde bedrag verhogen. §
- Het in paragraaf 1 bedoelde bedrag is gekoppeld aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. §
- Het in paragraaf 1 bedoelde bedrag wordt om de twee jaar aangepast. De Koning stelt hiertoe, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de verhogingscoëfficiënt vast op basis van de beslissing die inzake de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling wordt genomen in uitvoering van hetzij artikel 6, hetzij artikel 7 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen ». 5 Artikel 7 van de wet van 22 maart 2001, in de versie zoals van toepassing voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « §
- De inkomensgarantie kan enkel worden toegekend na onderzoek van de bestaansmiddelen en van de pensioenen. Alle bestaansmiddelen en pensioenen, van welke aard of oorsprong ook, waarover de betrokkene of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, beschikken, komen in aanmerking voor de berekening van de inkomensgarantie, behalve de door de Koning bepaalde uitzonderingen. Voor de persoon die in gemeenschap leeft of de hoofdverblijfplaats deelt met andere personen, andere dan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende, wordt enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen waarover de aanvrager persoonlijk beschikt. Wanneer de betrokkene aan de in artikel 6, § 2, bepaalde voorwaarden voldoet, wordt voor de berekening van de inkomensgarantie enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen waarover hij persoonlijk beschikt. De Koning bepaalt met welke bestaansmiddelen bij het vaststellen van de inkomensgarantie geen rekening wordt gehouden. §
- Het totaal van de in paragraaf 1 bedoelde bestaansmiddelen en de pensioenen wordt, na aftrek van de in de artikelen 8 tot 10 en 12 bedoelde vrijstellingen, gedeeld door het aantal personen wiens bestaansmiddelen en pensioenen overeenkomstig paragraaf 1 in aanmerking worden genomen, de betrokkene inbegrepen. Dit totaal wordt meegedeeld aan de betrokkene. In afwijking van het vorig lid wordt het aantal minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten, voor beiden beperkt tot de eerste graad ten aanzien van betrokkene of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende, en voor zover zij in het bevolkingsregister zijn ingeschreven op het adres van betrokkene, in de deler opgenomen. Kinderen die door een gerechtelijke beslissing geplaatst werden bij de betrokkene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, en waarvoor kinderbijslag wordt genoten en die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven op het adres van de betrokkene, worden eveneens opgenomen in de deler. Het resultaat van deze berekening wordt, na aftrek van de in artikel 11 bedoelde vrijstelling, in mindering gebracht op het in artikel 6, §§ 1, 2, of 3 bedoelde jaarbedrag, naargelang van het geval. §
- De Koning bepaalt onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden het in artikel 6, § 1, vermelde bedrag zonder een nieuw onderzoek naar de bestaansmiddelen naar het in artikel 6, §§ 2 of 3, bedoelde bedrag wordt omgezet. §
- Voor de toepassing van § 1, tweede lid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder ‘ persoon die in gemeenschap leeft ’ moet begrepen worden ». B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of die bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre rechthebbenden op een 6 inkomensgarantie voor ouderen die hun hoofdverblijfplaats delen met een persoon met wie ze feitelijk samenwonen, het verhoogde basisbedrag toegekend krijgen indien het samenwonen geen economisch voordeel oplevert, terwijl rechthebbenden op een inkomensgarantie voor ouderen die hun hoofdverblijfplaats delen met een persoon met wie ze gehuwd zijn of wettelijk samenwonen steeds het basisbedrag toegekend krijgen, ook al levert het samenwonen geen economisch voordeel op. B.
- De Ministerraad voert aan dat het bodemgeschil zonder voorwerp is geworden doordat de Federale Pensioendienst bij beslissing van 9 februari 2024 de appellant voor het verwijzende rechtscollege opnieuw het verhoogde basisbedrag heeft toegekend met ingang van 1 februari 2021, zijnde de datum vanaf welke de bestreden beslissing van 21 september 2021 uitwerking had. Bijgevolg behoeft de prejudiciële vraag volgens hem geen antwoord en moet de zaak worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege. B.4.
- In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.4.
- Het geschil voor het verwijzende rechtscollege heeft betrekking op de betwisting van een beslissing van de Federale Pensioendienst van 21 september 2021 om aan de appellant de inkomensgarantie voor ouderen ten belope van het basisbedrag toe te kennen vanaf 1 februari 2021, wegens zijn huwelijk met een persoon die niet over inkomsten beschikt. Aangezien de Federale Pensioendienst, bij beslissing van 9 februari 2024, op die beslissing is teruggekomen door aan de appellant de inkomensgarantie voor ouderen ten belope van het verhoogde basisbedrag toe te kennen vanaf 1 februari 2021, is een antwoord op de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet nuttig voor de oplossing van het geschil. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 november
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div