← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.126

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.126 Arrest- Rolnummer: 126/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 442 - laatst gezien 2026-06-18 20:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Vernietiging (artikel 2, 3°,

  1. d)en e), van de wet van 11 juli 2023) 2. Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.12.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 11 juli 2023 « betreffende het vervoer van waterstof door middel van leidingen », ingesteld door de Vlaamse Regering. Energie - Vervoer van waterstof per pijpleiding - Bevoegdheidverdelende regels - Gewestelijke bevoegdheden - Openbare gasdistributie - Bescherming van het leefmilieu Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 126/2024 van 14 november 2024 Rolnummer : 8126 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 11 juli 2023 « betreffende het vervoer van waterstof door middel van leidingen », ingesteld door de Vlaamse Regering. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 december 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 december 2023, heeft de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frederik Vandendriessche, mr. Pieterjan Claeys en mr. Natan Vermeersch, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 11 juli 2023 « betreffende het vervoer van waterstof door middel van leidingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 juli 2023, tweede editie). Memories zijn ingediend door : - de nv « Fluxys hydrogen », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Barteld Schutyser, mr. Bart Martel en mr. Quinten Jacobs, advocaten bij de balie te Brussel; - de nv « Hydrowal », de nv « Air Liquide Industries Belgium » en de nv « L’Air Liquide Belge », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Damien Verhoeven en mr. Vincent Verbelen, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Valérie De Schepper en mr. Jean-François De Bock, advocaten bij de balie te Brussel. 2 De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv « Fluxys hydrogen »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.1. De Ministerraad voert aan dat geen van de middelen betrekking heeft op de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023 « betreffende het vervoer van waterstof door middel van leidingen » (hierna : de wet van 11 juli 2023). De Vlaamse Regering zet niet uiteen welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, door die bepalingen zijn geschonden. In zoverre de Vlaamse Regering eveneens de vernietiging vordert van die bepalingen, is het beroep tot vernietiging bijgevolg onontvankelijk, aldus de Ministerraad. A.1.2. Volgens de Vlaamse Regering is het beroep wel degelijk ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023. In het derde middel voert de Vlaamse Regering immers aan dat de definitie van het begrip « bestaand waterstofnet », zoals vastgesteld in artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Die definitie wordt gebruikt in de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023 en bepaalt bijgevolg het toepassingsgebied van die bepalingen. Aldus zijn de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023 met dezelfde bevoegdheidsoverschrijding aangetast als artikel 2, 15°, van die wet. Ten aanzien van de tussenkomsten A.2.1. De nv « Fluxys hydrogen » is van mening dat zij doet blijken van een belang om tussen te komen in de onderhavige zaak. Zij heeft zich immers kandidaat gesteld om als waterstofvervoersnetbeheerder in de zin van de wet van 11 juli 2023 te worden aangewezen. A.2.2. De Ministerraad wijst erop dat de nv « Fluxys hydrogen », bij het ministerieel besluit van 26 april 2024 « tot aanwijzing van de waterstofvervoersnetbeheerder », is aangewezen als waterstofvervoersnetbeheerder. 3 A.3. De nv « Hydrowal », de nv « Air Liquide Industries Belgium » en de nv « L’Air Liquide Belge » zijn eveneens van mening dat zij doen blijken van een belang bij hun tussenkomst. Zij maken deel uit van dezelfde multinationale groep van ondernemingen, die industriële gassen, waaronder waterstof, produceert en levert. In België beschikt de groep over ongeveer 600 kilometer aan waterstofpijpleidingen, die zijn verbonden met Frankrijk en Nederland en worden gebruikt om industriële klanten te bevoorraden. Meer bepaald is de nv « Hydrowal » de eigenaar van de infrastructuur voor het vervoer van waterstof in België, en gebruikt de nv « Air Liquide Industries Belgium » die infrastructuur voor de levering van waterstof. De nv « L’Air Liquide Belge » is actief in bepaalde ontwikkelingsprojecten inzake industriële gassen, waaronder projecten met betrekking tot pijpleidingen voor waterstof. De nv « Hydrowal », de nv « Air Liquide Industries Belgium » en de nv « L’Air Liquide Belge » benadrukken dat er in het Vlaamse Gewest een decreet inzake de distributie van waterstof in voorbereiding is. Het is niet uitgesloten dat de waterstofleidingen waarover zij beschikken, zowel aan de wet van 11 juli 2023 als aan de toekomstige Vlaamse regeling zullen zijn onderworpen. In zoverre de beide regelingen cumulatief van toepassing zouden zijn, zonder onderlinge coördinatie, zou zulks tot operationele problemen kunnen leiden. Ten gronde A.4.1. Vooraleer in te gaan op de afzonderlijke middelen, zet de Ministerraad zijn algemeen standpunt uiteen met betrekking tot de relevante bevoegdheidverdelende regels. A.4.2. Volgens de Ministerraad past de wet van 11 juli 2023 integraal binnen de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De Ministerraad benadrukt dat het waterstofvervoersnet bedoeld in de wet van 11 juli 2023 in geen geval uitdrukkelijk is bestemd om eindafnemers te bedienen. Elke energie-infrastructuur heeft evenwel als doelstelling een energiedrager van de plaats van productie tot bij de eindafnemer te brengen. Een dergelijke doelstelling kan op zich niet volstaan opdat de federale overheid niet langer bevoegd zou zijn. Het is van belang voor een goede marktwerking dat uniforme regels gelden voor het volledige waterstofvervoersnet, des te meer gelet op de specifieke technische vereisten met betrekking tot het vervoer van grote volumes van waterstof, onder meer wat de druk van de leidingen betreft. Een vervoersnet is niet afgestemd op de behoeften van de eindafnemers. Het is precies op dat punt dat een vervoersnet zich onderscheidt van een distributienet, dat wel rekening houdt met de behoeften van de eindafnemers. Het arrest van het Hof nr. 98/2013 van 9 juli 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.098), waarnaar de Vlaamse Regering verwijst en dat uitgaat van de vraag of het net al dan niet hoofdzakelijk tot doel heeft eindafnemers te bedienen, dient volgens de Ministerraad in die zin te worden begrepen. Om te bepalen of een net al dan niet bestemd is om eindafnemers te bedienen, dient een concrete beoordeling te worden gemaakt van de technische kenmerken van de betrokken infrastructuur. Er moet bijgevolg worden nagegaan of het net al dan niet uitdrukkelijk is gericht op de behoeften van de eindafnemers, bijvoorbeeld doordat de druk van de leidingen wordt verlaagd zodat eindafnemers eenvoudiger en goedkoper waterstof kunnen afnemen. Een distributienet is immers een fijnmazig netwerk met een lage druk, zoals ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2232/5, p. 320). De karakteristieken van de distributienetten zijn per definitie afgestemd op de behoeften van de meerderheid van de gebruikers in een bepaalde regio. Voor het vervoer van gas zijn daarentegen een hoge druk en brede pijpleidingen noodzakelijk, hetgeen toelaat grote volumes te verplaatsen over lange afstanden. Zulks kan ook als gevolg hebben dat bepaalde eindafnemers, in het bijzonder grote eindafnemers die behoefte hebben aan een hoge druk en grote volumes, rechtstreeks dienen aan te sluiten op het vervoersnet, zodat de kosten van het distributienet binnen de perken blijven. Het standpunt van de Vlaamse Regering komt erop neer dat, zodra er een eindafnemer is aangesloten op een net, het om een distributienet gaat. Uit het bovenstaande blijkt dat een dergelijk standpunt leidt tot een uitholling van de federale bevoegdheden, hetgeen niet in overeenstemming is met de bedoeling van de bijzondere wetgever en eveneens onwerkbaar zou zijn in de praktijk. De Ministerraad merkt daarnaast op dat de waterstofmarkt nog in ontwikkeling is. Zulks verklaart dat de wet van 11 juli 2023 in de eerste plaats een aantal principes en krachtlijnen vaststelt, onder meer met betrekking tot de rol van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG) als regulerende instantie, principes en krachtlijnen die nog een concrete uitwerking vereisen. Tot slot benadrukt de Ministerraad dat, overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, het vervoer van energie zich onderscheidt van de distributie ervan door zijn technisch en economisch ondeelbaar karakter. Zulks heeft als gevolg dat de ontwikkeling van het vervoersnet prioritair is ten 4 aanzien van de ontwikkeling van de distributienetten, die slechts een aanvullende rol hebben. Bovendien begrenst het technische en ondeelbare karakter van het vervoer van energie de ontwikkeling van de distributienetten, wat hun omvang en functie betreft. Een distributienet met een groot marktaandeel zou in werkelijkheid immers ook een vervoersfunctie kunnen vervullen, hetgeen niet overeenstemt met de bedoeling van de bijzondere wetgever. A.4.3. In ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat de wet van 11 juli 2023 een bevoegdheidsrechtelijke grondslag vindt in verschillende andere federale bevoegdheden dan de bevoegdheid inzake het vervoer van energie. De Ministerraad wijst erop dat de wet van 11 juli 2023 noodzakelijk is om de competitiviteit van het land op de internationale energiemarkt te herstellen, alsook om de onafhankelijkheid te waarborgen wat de energiebevoorrading betreft. Bovendien draagt de federale waterstofstrategie bij aan de transitie naar een klimaatneutraal energiesysteem. Allereerst zet de Ministerraad uiteen dat de federale overheid niet alleen bevoegd is voor de in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgesomde aangelegenheden, namelijk « de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven ». De federale overheid is, op grond van haar residuaire bevoegdheid, ook bevoegd voor de nationale aspecten van energie. Zo kan de federale overheid de grote lijnen van het nationaal energiebeleid bepalen, alsook de regels vaststellen met betrekking tot de marktwerking op de groothandelsmarkten voor energie. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering voorhoudt, is de lijst van de federale bevoegdheden, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, bijgevolg niet exhaustief. De wet van 11 juli 2023 beoogt een gelijk speelveld te creëren inzake waterstof en is cruciaal voor een goede marktwerking. Een vervoersnet vormt, zowel op technisch als op economisch vlak, een ondeelbaar geheel, waar uniforme regels dienen te gelden voor alle marktspelers. Die wet komt bovendien de onafhankelijkheid van het land op het vlak van energiebevoorrading ten goede. Volgens de Ministerraad past de wet van 11 juli 2023 daarnaast ook binnen de federale bevoegdheid inzake mededingingsrecht, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De wet van 11 juli 2023 beoogt immers de toegang tot de waterstofinfrastructuur te waarborgen onder transparante en niet-discriminerende voorwaarden, en de vorming van monopolies te vermijden. Maatregelen die de concurrentie tussen de marktdeelnemers waarborgen, vinden een grondslag in de federale bevoegdheid inzake mededingingsrecht, ongeacht of er sprake is van een controle ex ante of ex post. A.4.4. In uiterst ondergeschikte orde beroept de Ministerraad zich op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het regelgevende kader waarin de wet van 11 juli 2023 voorziet, is noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie. Daarnaast gaat het, gelet op de fysieke verschillen tussen distributie- en vervoersnetten, om een aangelegenheid die zich leent tot een gedifferentieerde regeling. Tot slot is de weerslag op de gewestelijke bevoegdheden beperkt, aangezien de federale overheid uitsluitend het vervoer van waterstof heeft geregeld. A.5.1. De nv « Hydrowal », de nv « Air Liquide Industries Belgium » en de nv « L’Air Liquide Belge » zetten uiteen dat zij zowel het federale als het Vlaamse beleid inzake waterstof respecteren. Zij zien geen reden om een standpunt in te nemen over de gegrondheid van de middelen. Evenwel zijn zij, in tegenstelling tot de Ministerraad en de Vlaamse Regering, van mening dat waterstof geen energiebron is, maar een grondstof. Waterstof wordt in België in de eerste plaats gebruikt voor de vervaardiging van andere producten door middel van bepaalde chemische reacties. De verwijzing naar de bevoegdheden inzake het energiebeleid, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, is dus niet relevant. A.5.2. De Vlaamse Regering erkent dat waterstof ook als grondstof wordt gebruikt voor verschillende industriële toepassingen. Dat neemt niet weg dat waterstof eveneens wordt gebruikt als bron of vorm van energie, en dat een dergelijk gebruik van waterstof in de toekomst alleen maar zal toenemen in het kader van de energietransitie. De bevoegdheden inzake het energiebeleid zijn bijgevolg wel degelijk van toepassing. A.5.3. De Ministerraad is eveneens van mening dat de bevoegdheden inzake het energiebeleid van toepassing zijn op waterstof. Hij benadrukt dat waterstof tal van toepassingen kent als energiedrager, en dat de wet van 11 juli 2023 in het bijzonder die toepassingen regelt. Het is onmogelijk, en minstens onwerkbaar in de praktijk, om de regelgeving met betrekking tot waterstof op te delen naargelang van het gebruik van waterstof als grondstof dan wel als energiedrager. 5 A.5.4. De nv « Fluxys hydrogen » sluit zich aan bij het standpunt van de Vlaamse Regering en de Ministerraad dat de bevoegdheidsverdeling inzake energiebeleid relevant is om te bepalen welke overheid bevoegd is om het vervoer van waterstof door leidingen te regelen. Waterstof wordt vandaag reeds veelvuldig als een energiedrager gebruikt, bijvoorbeeld als brandstof voor voertuigen, ter vervanging van aardgas bij warmteproductie op hoge temperatuur, voor de opslag van wind- en zonne-energie en voor de opwekking van elektriciteit via brandstofcellen. Bovendien zal de vraag naar waterstof als energiedrager in de nabije toekomst sterk stijgen. De omstandigheid dat waterstof eveneens als een grondstof wordt gebruikt in bepaalde chemische processen, doet aan die vaststellingen geen afbreuk. De productie en het gebruik van « grondstoffen » vormt als dusdanig geen aangelegenheid die de bijzondere wetgever uitdrukkelijk aan een bepaalde overheid heeft toegewezen. Uit verschillende bepalingen en het algemene opzet van de wet van 11 juli 2023 blijkt duidelijk dat die wet de aangelegenheid « energie » betreft, aldus de nv « Fluxys hydrogen ». Wat betreft het eerste middel A.6.1. Het eerste middel is gericht tegen artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie bevat van het begrip « waterstofvervoer ». De Vlaamse Regering zet uiteen dat die definitie bepalend is voor het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023, aangezien die wet « enkel van toepassing [is] op waterstof-vervoersinstallaties » (artikel 3 van de wet van 11 juli 2023). Volgens de Vlaamse Regering is artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 niet in overeenstemming met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Die bepaling kent aan de gewesten de bevoegdheid toe met betrekking tot de openbare gasdistributie. Die bevoegdheid omvat de netten die zijn bestemd om eindafnemers van gas te bedienen. De gewestelijke bevoegdheid is niet beperkt tot de openbare distributie van aardgas, maar geldt ook voor andere vormen van gas, zoals waterstof. De Vlaamse Regering doet daarnaast gelden dat de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, betrekking heeft op de infrastructuur die louter is bestemd voor het transporteren van gas, zonder bediening van eindafnemers, ook al is het niet uitgesloten dat het vervoersnet in uitzonderlijke gevallen wordt gebruikt om bepaalde eindafnemers te bedienen. Die federale bevoegdheid geldt eveneens voor waterstof, aldus de Vlaamse Regering. A.6.2. Ten eerste is het volgens de Vlaamse Regering niet in overeenstemming met de voormelde bevoegdheidverdelende regels dat, overeenkomstig artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, de hoogst toelaatbare werkdruk van de pijpleidingen meer dan 16 bar dient te bedragen opdat er sprake is van waterstofvervoer. Het enige doorslaggevende criterium om het onderscheid te maken tussen het vervoer en de distributie van gas, betreft de vraag of het net al dan niet hoofdzakelijk tot doel heeft eindafnemers te bedienen, zoals ook blijkt uit het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013. Daarentegen zijn criteria inzake grootte of druk bevoegdheidsrechtelijk niet relevant. Alle netten die tot doel hebben om eindafnemers te bedienen, vallen onder de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zelfs al zouden deze bestaan uit pijpleidingen met een werkdruk van meer dan 16 bar. Evenmin is het van belang of het gaat om de bediening van huishoudelijke afnemers dan wel van industriële grootafnemers. Het is juist dat distributienetten in de praktijk vaak een lagere werkdruk hebben dan vervoersnetten, maar dat is niet noodzakelijk het geval. Het is niet ondenkbaar dat een leiding met een werkdruk van 16 bar of meer bestemd is om eindafnemers te bedienen. Hoogstens kan de werkdruk een indicatief criterium vormen, aldus de Vlaamse Regering. Het argument van de Ministerraad dat elke energie-infrastructuur als doel heeft een energiedrager van de plaats van productie tot bij de eindafnemer te brengen, gaat volgens de Vlaamse Regering voorbij aan het onderscheid tussen de vervoers- en de distributienetten. De vervoersnetten hebben in de eerste plaats als doel om de distributienetten te bedienen, en het zijn die laatste netten die rechtstreeks de eindafnemer bedienen. De Vlaamse Regering erkent dat een vervoersnet incidenteel eindafnemers kan bedienen. Zulks kan echter niet de hoofdzakelijke bestemming zijn van een vervoersnet. In zoverre de Ministerraad verwijst naar het koninklijk besluit van 28 juni 1971 « betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen » (hierna : het koninklijk besluit van 28 juni 1971), verliest hij volgens de Vlaamse Regering uit het oog dat dat koninklijk besluit, dat dateert van vóór de bevoegdheidsoverdrachten inzake energiebeleid aan de gewesten, integraal betrekking heeft op de distributie, en niet op het vervoer van gas. Dat koninklijk besluit ondersteunt 6 bijgevolg het standpunt van de Vlaamse Regering dat de werkdruk bevoegdheidsrechtelijk niet relevant is, aangezien daarin wordt erkend dat ook gasdistributieleidingen een hoge werkdruk kunnen hebben. De Vlaamse Regering is voorts van mening dat het onjuist is dat het drukcriterium in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, zoals de Ministerraad aanvoert, slechts een bijkomende beperking vormt van de draagwijdte van het begrip « waterstofvervoer », maar op zich geen beperking inhoudt van de gewestelijke bevoegdheid inzake waterstofdistributie. Uit de samenlezing van het drukcriterium met de overige constitutieve bestanddelen van het begrip « waterstofvervoer », volgt immers dat netten met een distributiefunctie die een werkdruk van 16 bar of meer hebben, onder het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023 vallen. De toepassing van een dergelijk drukcriterium creëert bovendien een juridisch vacuüm, in het bijzonder wat betreft de leidingen met een werkdruk lager dan 16 bar die geen distributiefunctie hebben. Tot slot is volgens de Vlaamse Regering ook het fijnmazige karakter van het net niet relevant om het onderscheid te maken tussen vervoers- en distributienetten. Zulks kan niet worden afgeleid uit de door de Ministerraad aangehaalde parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming. Die parlementaire voorbereiding betreft slechts een uitspraak van een individuele senator, maar vertolkt niet de wil van de bijzondere wetgever. Bovendien werd in het kader van de Zesde Staatshervorming, wat het energiebeleid betreft, louter de bevoegdheid inzake de distributienettarieven overgedragen aan de gewesten. A.6.3. Ten tweede dient de activiteit een van de in artikel 2, 3°,
  2. a)tot e), van de wet van 11 juli 2023 bedoelde doeleinden na te streven opdat er, in zoverre er eveneens is voldaan aan het voormelde drukcriterium, sprake is van waterstofvervoer. Volgens de Vlaamse Regering zijn verschillende van die doeleinden niet in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels inzake energiebeleid. Allereerst gaat het om het vervoer « naar de grote eindafnemers, inclusief de aansluiting ervan » (artikel 2, 3°, c), van de wet van 11 juli 2023). Het bedienen van eindafnemers behoort evenwel tot de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Hoewel het niet uitgesloten is dat in bepaalde gevallen grote eindafnemers rechtstreeks aansluiten op het vervoersnet, kan het volgens de Vlaamse Regering niet om een doorslaggevend criterium gaan. Een net met een werkdruk van 16 bar of meer waarop een of meerdere grote eindafnemers zijn aangesloten, is niet per definitie een vervoersnet. Het is mogelijk dat op datzelfde net ook een significant aantal kleine of middelgrote eindafnemers is aangesloten, waardoor dat net alsnog een distributiefunctie heeft. Voorts gaat het om het vervoer « van de grote waterstofproductie-eenheden, inclusief de aansluiting ervan » (artikel 2, 3°, d), van de wet van 11 juli 2023). Om te bepalen of er sprake is van een vervoers- dan wel van een distributienet, is het evenwel niet relevant of er op dat net al dan niet een grote waterstofproductie-eenheid is aangesloten. De omstandigheid dat de federale overheid, overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, bevoegd is voor de productie-installaties die op significante wijze kunnen bijdragen aan de bevoorradingszekerheid van het land, betekent niet dat de federale overheid automatisch bevoegd is met betrekking tot het net waarop een dergelijke installatie is aangesloten. Het is mogelijk dat een grote productie-installatie is aangesloten op een distributienet en tegelijkertijd bijdraagt aan de energiebevoorrading van het land. De Vlaamse Regering benadrukt dat de federale bevoegdheid inzake de productie van energie samenhangt met de noodzaak om de bevoorradingszekerheid van het land te waarborgen, zoals onder meer blijkt uit het arrest van het Hof nr. 8/2016 van 21 januari 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.008, B.25) en uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State (RvSt, advies nr. 57.057/3 van 6 maart 2015, punt 2.3; advies nr. 72.956/3 van 28 februari 2023, punt 3.3). Kleine en middelgrote productie-installaties, die geen significante bijdrage kunnen leveren aan de bevoorradingszekerheid, vallen bijgevolg onder de gewestelijke bevoegdheden inzake « de gewestelijke aspecten van de energie », die op niet-exhaustieve wijze worden opgesomd in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De federale bevoegdheid inzake de productie van energie wordt daarenboven ook beperkt door de gewestelijke bevoegdheid inzake de nieuwe energiebronnen, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De afdeling wetgeving van de Raad van State is overigens van mening dat het opleggen in federale regelgeving van verplichtingen aan entiteiten die vallen onder de bevoegdheid van de gewesten, in strijd is met het autonomiebeginsel en in beginsel het sluiten van een samenwerkingsakkoord vereist (RvSt, advies nr. 74.610/3 van 9 november 2023, punt 21). Het is bijgevolg onjuist ervan uit te gaan dat, wat de productie van energie betreft, de grootte van de betrokken installatie niet relevant is. 7 Ten slotte gaat het om het vervoer « van en naar de grote waterstofopslagfaciliteiten, inclusief de aansluiting ervan » (artikel 2, 3°, e), van de wet van 11 juli 2023). Om te bepalen of er sprake is van een vervoers- dan wel van een distributienet, is het volgens de Vlaamse Regering evenmin relevant of er op dat net al dan niet een grote waterstofopslagfaciliteit is aangesloten. A.6.4. De Vlaamse Regering meent dat de Ministerraad zich in ondergeschikte orde niet kan beroepen op de bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht. De Vlaamse Regering wijst erop dat de opsomming van de federale bevoegdheden inzake energiebeleid in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een exhaustief karakter heeft, gelet op het feit dat die opsomming wordt voorafgegaan door de woorden « te weten ». De residuaire bevoegdheid van de federale overheid inzake energie is bijgevolg zeer beperkt. In elk geval kan de vermeende federale bevoegdheid inzake de nationale aspecten van energie geen afbreuk doen aan de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. Met betrekking tot de federale bevoegdheid inzake mededingingsrecht zet de Vlaamse Regering uiteen dat het mededingingsrecht niet de regulering ex ante van de (energie)markt omvat, maar enkel betrekking heeft op de controle ex post van bepaalde concurrentieverstorende handelingen. De bevoegdheid inzake mededingingsrecht is te dezen bijgevolg niet relevant. A.6.5. Tot slot kan de Ministerraad zich, in uiterst ondergeschikte orde, evenmin beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aldus de Vlaamse Regering. De Ministerraad zet niet uiteen in welk opzicht het noodzakelijk is voor de uitoefening van de federale bevoegdheden om in het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023, die beoogt het waterstofvervoer te regelen, ook aspecten van waterstofdistributie op te nemen. De Ministerraad toont ook niet aan dat zulks slechts een marginale weerslag heeft op de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden. A.7.1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de definitie van het begrip « waterstofvervoer » in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, past binnen de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, zijn de definities van de wet van 11 juli 2023 « waar mogelijk […] afgestemd op de overeenkomstige begrippen in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen […] en in de door de Europese Commissie voorgestelde ontwerpen van Richtlijn en Verordening die het ‘ Hydrogen and Decarbonized Gas Markets Package ’ vormen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3077/001, p. 12). De bijzondere wetgever heeft met betrekking tot het onderscheid tussen gasvervoer en -distributie zelf verwezen naar artikel 1 van de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen » (hierna : de Gaswet) (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 12). De Ministerraad vervolgt dat het begrip « waterstofvervoer » wordt gedefinieerd door middel van twee cumulatieve voorwaarden. Ten eerste vereist artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 dat het betrokken net vooral bestaat uit pijpleidingen waarvan de hoogst toelaatbare werkdruk meer dan 16 bar bedraagt. Het gaat dus om hogedrukpijpleidingen. Het koninklijk besluit van 28 juni 1971 hanteert, met betrekking tot aardgas, een hoogst toelaatbare bedrijfsdruk van 14,71 bar als ondergrens opdat er sprake is van hogedrukleidingen. Met betrekking tot waterstof heeft de wetgever evenwel geopteerd voor een hoogst toelaatbare bedrijfsdruk van 16 bar als ondergrens, onder meer omdat dat ook binnen de Europese Unie de standaardwaarde is (Parl. St., Kamer, 2022- 2023, DOC 55-3077/001, p. 13). Het gaat niet om een onderscheidend of doorslaggevend criterium, maar om een theoretische ondergrens die overeenstemt met de praktijk, waarbij het vervoer van grote volumes waterstof over lange afstanden optimaal dient te kunnen verlopen. Een dergelijk criterium is louter indicatief. Het vormt een bijkomende beperking van de definitie van het begrip « waterstofvervoer » en dus van het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023. Dat criterium heeft bijgevolg geen invloed op het begrip « waterstofdistributie » of op de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden inzake de openbare gasdistributie. De Ministerraad betwist niet dat ook pijpleidingen met een hoge druk een distributiefunctie kunnen hebben. Zulke pijpleidingen vallen echter niet onder het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023. Evenmin is het relevant dat het bestreden drukcriterium, zoals de Vlaamse Regering aanvoert, een juridisch vacuüm zou creëren. De wet van 11 juli 2023 beoogt immers niet alle aangelegenheden te regelen die onder de federale bevoegdheden inzake waterstof vallen. Ook uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt overigens dat het drukniveau indicatief kan zijn om 8 te bepalen of er sprake is van een vervoers- of een distributienet (RvSt, advies nr. 71.998/VR/3 van 12 oktober 2022, punt 6). Ten tweede dient de vervoersactiviteit een van de in artikel 2, 3°,
  3. a)tot e), van de wet van 11 juli 2023 opgesomde doeleinden na te streven. De Ministerraad betwist dat de federale overheid, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, enkel bevoegd is voor de grote productie-eenheden van waterstof. Overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, is de federale overheid exclusief bevoegd voor de productie van energie, zonder onderscheid naargelang van de grootte van de installatie. De toevoeging dat het moet gaan om « grote » eindafnemers, waterstofproductie-eenheden en waterstofopslagfaciliteiten, is louter ingegeven door het feit dat de wetgever het enkel voor dergelijke afnemers en installaties technisch-economisch nuttig heeft geacht dat zij worden aangesloten op het vervoersnet. De vraag of het vervoer van energie de aansluiting van kleine productie-eenheden omvat, staat trouwens los van de vraag welke overheid bevoegd is om de regeling met betrekking tot de kleine productie-eenheden vast te stellen. Met betrekking tot het vervoer naar de grote eindafnemers, inclusief de aansluiting ervan (artikel 2, 3°, c), van de wet van 11 juli 2023), wijst de Ministerraad erop dat die doelstelling uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin een aansluiting op het vervoersnet efficiëntiewinsten kan opleveren, met name wanneer de technische of economische kenmerken van het project zulks rechtvaardigen of wanneer de betrokken eindafnemer in de nabijheid van het waterstofvervoersnet is gevestigd en er in het betrokken gebied geen waterstofdistributienet voorhanden is. Een dergelijke aansluitingsmogelijkheid is noodzakelijk voor een optimale marktwerking, aangezien de technische kenmerken van een distributienet ertoe kunnen leiden dat afnemers met specifieke behoeften daarop niet kunnen aansluiten. Daarenboven bepaalt artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, teneinde tegemoet te komen aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat de betrokken activiteit « steeds het vervoer » dient te betreffen. Overeenkomstig diezelfde bepaling is « de levering zelf » niet in het waterstofvervoer inbegrepen. Evenwel is het, overeenkomstig het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013, niet uitgesloten dat het vervoer van gas ook de levering aan bepaalde eindafnemers omvat. Daaruit volgt dat de levering aan bepaalde eindafnemers niet de uitdrukkelijke bestemming van het waterstofvervoersnet kan zijn. De Ministerraad betwist niet dat, indien in een concreet geval de betrokken activiteit als een vorm van waterstofdistributie dient te worden gekwalificeerd, die activiteit buiten het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023 valt. Er valt bijgevolg niet in te zien waarom de definitie van het begrip « waterstofvervoer », zoals vastgesteld in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, afbreuk doet aan de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, aldus de Ministerraad. A.7.2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de wetgever artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 kon aannemen op basis van zijn bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake mededingingsrecht, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.3. A.7.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de wetgever zich kon beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.4. Wat betreft het tweede middel A.8.1. Het tweede middel is gericht tegen artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie bevat van het begrip « waterstofdistributie ». Volgens de Vlaamse Regering maakt artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023 inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.8.2. De Vlaamse Regering herhaalt dat, overeenkomstig het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013, het enige relevante criterium om het onderscheid te maken tussen het vervoer en de distributie van gas, de vraag betreft of het net al dan niet hoofdzakelijk tot doel heeft eindafnemers te bedienen. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het niet van belang dat dat arrest betrekking had op gesloten industriële en distributienetten. Daarom is het volgens de Vlaamse Regering niet in overeenstemming met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dat er enkel sprake is van waterstofdistributie wanneer de aansluiting van eindafnemers gebeurt « via plaatselijke pijpleidingnetten ». Het al dan niet plaatselijke karakter van de pijpleidingen vormt geen relevant bevoegdheidsrechtelijk criterium. Om dezelfde reden is de Vlaamse Regering van mening dat ook de vereiste dat de eindafnemers zijn « gevestigd op het grondgebied van één of meer bepaalde gemeenten » in strijd is met de bevoegdheidverdelende regels. 9 De Vlaamse Regering betwist de relevantie van de definitie van het begrip « gasdistributie » in artikel 1, 12°, van de Gaswet. Het is juist dat de oorspronkelijke tekst van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 naar die definitie verwees om het begrip « openbare gasdistributie » af te bakenen. De bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen heeft die oorspronkelijke tekst evenwel fundamenteel gewijzigd en in het bijzonder de verwijzing naar de Gaswet geschrapt. Aldus heeft de bijzondere wetgever ervoor gekozen het begrip « openbare gasdistributie » te verruimen, zonder nog te voorzien in beperkende criteria. Het is bijgevolg onjuist dat, zoals de Ministerraad meent, de definitie van « waterstofdistributie » in de wet van 11 juli 2023 niet zou mogen afwijken van die van « gasdistributie » in de Gaswet. A.8.3. De Vlaamse Regering meent dat de Ministerraad zich, in ondergeschikte orde, niet kan beroepen op de federale bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.4. Evenmin kan de Ministerraad zich, in uiterst ondergeschikte orde, beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.5. De Ministerraad zet ook niet concreet uiteen hoe de voormelde bevoegdheden een grondslag vormen om de draagwijdte van het begrip « waterstofdistributie » te beperken, dan wel in welk opzicht een dergelijke beperking noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van de federale bevoegdheden of de weerslag ervan op de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden slechts beperkt zou zijn. A.9.1. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de definitie van het begrip « waterstofdistributie » in artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023 past binnen de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Die definitie is onder meer afgestemd op de definitie van het begrip « gasdistributie » in artikel 1, 12°, van de Gaswet. Die laatste bepaling voorziet eveneens erin dat de levering plaatsvindt via « plaatselijke pijpleidingnetten » en dat de afnemers zijn « gevestigd op het grondgebied van één of meer bepaalde gemeenten ». De bijzondere wetgever heeft zelf het plaatselijke karakter van de gasdistributie benadrukt (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, p. 144) en verwees daarbij naar artikel 1 van de Gaswet (ibid., nr. 516/1, p. 12). Voorts merkt de Ministerraad op dat het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013 betrekking had op de specifieke context van de gesloten industriële en distributienetten. Een gesloten net situeert zich in beginsel uitsluitend binnen een industriële site en heeft dus steeds een plaatselijk karakter. Bijgevolg is het niet omdat het al dan niet plaatselijke karakter in het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013 niet als een doorslaggevend criterium wordt beschouwd, dat een dergelijk criterium meer in het algemeen niet relevant zou zijn om te bepalen of er sprake is van gasdistributie. Bovendien sluit de definitie van waterstofdistributie aan bij het feit dat de distributienetten in de praktijk effectief zijn gericht op de plaatselijke verdeling en niet op het vervoer van waterstof. Ten overvloede merkt de Ministerraad op dat de relevantie van het begrip « waterstofdistributie » in een federale wet beperkt is, aangezien het gaat om een aangelegenheid die tot de gewestelijke bevoegdheden behoort. De definitie van waterstofdistributie is louter bedoeld om het onderscheid met waterstofvervoer te duiden en aldus het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023 zo helder mogelijk af te bakenen. A.9.2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de wetgever artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023 kon aannemen op basis van zijn bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.3. A.9.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de wetgever zich kon beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.4. Wat betreft het derde middel A.10.1. Het derde middel is gericht tegen artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie bevat van het begrip « bestaand waterstofnet ». Volgens de Vlaamse Regering maakt artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023 inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.10.2. De Vlaamse Regering zet uiteen dat de definitie van het begrip « bestaand waterstofnet » bepalend is voor het toepassingsgebied van de bij de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023 ingevoerde regeling inzake het beheer van bestaande waterstofnetten. Die definitie vereist onder meer dat het gaat om een pijpleiding of geheel van pijpleidingen bestemd voor « waterstofvervoer », alsook dat voor die pijpleiding of dat geheel van pijpleidingen reeds de vereiste vervoersvergunningen werden toegekend overeenkomstig de artikelen 3 tot 7 van 10 de Gaswet. Volgens de Vlaamse Regering heeft het begrip « bestaand waterstofnet » aldus ook betrekking op bestaande waterstofdistributienetten. Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt immers dat het begrip « waterstofvervoer », zoals gedefinieerd in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, eveneens aspecten van waterstofdistributie omvat, aldus de Vlaamse Regering. Daarnaast hebben verschillende van de doeleinden vermeld in artikel 2, § 1, van de Gaswet in werkelijkheid betrekking op de distributie en niet op het vervoer van gas, en worden er daardoor in de praktijk ook vervoersvergunningen in de zin van de artikelen 3 tot 7 van de Gaswet toegekend voor leidingen die een distributiefunctie hebben. De Vlaamse Regering herhaalt dat het enige relevante criterium om het onderscheid te maken tussen het vervoer en de distributie van gas, de vraag betreft of het net al dan niet hoofdzakelijk tot doel heeft eindafnemers te bedienen. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de grieven van de Vlaamse Regering overigens niet gericht tegen reeds verleende vervoersvergunningen. A.10.3. De Vlaamse Regering meent dat de Ministerraad zich, in ondergeschikte orde, niet kan beroepen op de federale bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.4. Evenmin kan de Ministerraad zich, in uiterst ondergeschikte orde, beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.5. De Ministerraad zet ook niet concreet uiteen hoe de voormelde bevoegdheden een grondslag vormen om de bestreden definitie aan te nemen, dan wel in welk opzicht die definitie noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van de federale bevoegdheden of de weerslag ervan beperkt zou zijn. A.11.1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de definitie van het begrip « bestaand waterstofnet », zoals vastgesteld in artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, past binnen de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De Ministerraad wijst erop dat de voormelde definitie werd aangepast om tegemoet te komen aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, die van mening was dat uitsluitend de onderdelen van de bestaande waterstofnetten met een vervoersfunctie als een bestaand waterstofnet zouden kunnen worden beschouwd (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3077/001, p. 13). Om die reden werd de verwijzing naar de distributie van waterstof in het voorontwerp van wet weggelaten. Uit de bestreden definitie volgt dat de wet van 11 juli 2023 in elk geval niet van toepassing is in zoverre de pijpleidingen van het bestaand waterstofnet bestemd zijn voor waterstofdistributie. Volgens de Ministerraad worden er reeds gedurende verschillende decennia vervoersvergunningen toegekend voor waterstofleidingen op grond van de Gaswet, zonder dat de gewesten daartegen enig bezwaar hebben geuit. Er kan bijgevolg worden aangenomen dat het om vervoersleidingen gaat. In zoverre het Vlaamse Gewest bekritiseert dat er in het verleden vervoersvergunningen zouden zijn toegekend voor leidingen die in werkelijkheid een distributiefunctie hebben, is de grief onontvankelijk. A.11.2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de wetgever artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023 kon aannemen op basis van zijn bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake mededingingsrecht, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.3. A.11.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de wetgever zich kon beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.4. De Ministerraad zet in het bijzonder uiteen dat het noodzakelijk was om het begrip « bestaand waterstofnet » te definiëren, omdat de voorbije decennia tientallen vervoersvergunningen zijn toegekend voor de bouw en het beheer van waterstofleidingen. Wat betreft het vierde middel A.12.1. Het vierde middel is gericht tegen artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie bevat van het begrip « waterstofopslagfaciliteit ». Volgens de Vlaamse Regering maakt artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023 inbreuk op de gewestelijke bevoegdheden vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.12.2. De Vlaamse Regering zet uiteen dat de bevoegdheid van de federale overheid, overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, beperkt is tot « grote infrastructuren voor de stockering […] van energie », « die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven ». Ook met betrekking tot de opslag van energie is de federale bevoegdheid beperkt tot de installaties die een significante bijdrage kunnen leveren aan de 11 bevoorradingszekerheid. Daarentegen zijn de gewesten, overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet in het algemeen bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie. De opsomming van de gewestelijke bevoegdheden in artikel 6, § 1, VII, eerste lid is, in tegenstelling tot de opsomming van de federale bevoegdheden in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, niet exhaustief. In zoverre de definitie van artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023 niet beperkt is tot de « grote » waterstofopslagfaciliteiten, schendt die bepaling bijgevolg de gewestelijke bevoegdheden inzake energiebeleid. A.12.3. De Vlaamse Regering meent dat de Ministerraad zich, in ondergeschikte orde, niet kan beroepen op de federale bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.4. Evenmin kan de Ministerraad zich, in uiterst ondergeschikte orde, beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.5. De Ministerraad zet ook niet concreet uiteen hoe de voormelde bevoegdheden een grondslag vormen om de bestreden definitie aan te nemen, dan wel in welk opzicht die definitie noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van de federale bevoegdheden of de weerslag ervan op de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden beperkt zou zijn. A.13.1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de definitie van het begrip « waterstofopslagfaciliteit » in artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023, past binnen de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De Ministerraad zet uiteen dat de wet van 11 juli 2023 vooralsnog geen regeling bevat met betrekking tot waterstofopslagfaciliteiten, aangezien de waterstofmarkt op dat vlak nog in ontwikkeling is. Er is bijgevolg ook geen sprake van enige regeling voor de kleine waterstofopslagfaciliteiten die zijn aangesloten op een waterstofdistributienet. A.13.2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de wetgever artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023 kon aannemen op basis van zijn bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.3. A.13.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de wetgever zich kon beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.4. Wat betreft het vijfde middel A.14.1. Het vijfde middel is gericht tegen artikel 5, § 6, van de wet van 11 juli 2023. Volgens de Vlaamse Regering maakt die bepaling inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van de energie, en meer bepaald inzake de openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.14.2. Artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 heeft betrekking op de procedure voor de toekenning van de waterstofvervoersvergunningen bedoeld in artikel 4 van dezelfde wet. Artikel 5, § 5, bepaalt dat de minister, op voorstel van de CREG, kan besluiten tot het verlenen van waterstofvervoersvergunningen voor de uitbreiding van bestaande waterstofnetten, waarbij hij onder meer rekening moet houden met « de verenigbaarheid van de uitzondering met het maatschappelijk belang, beoordeeld overeenkomstig paragraaf 6 ». Artikel 5, § 6, eerste lid, bepaalt dat de CREG bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een dergelijke uitzondering met het maatschappelijk belang onder meer rekening houdt met « het marktaandeel dat door deze leiding zou worden bevoorraad en de mogelijke impact op de tarieven van de waterstofvervoersnetbeheerder » (4°), alsook met « de technische of economische gevolgen en beperkingen voor de netgebruiker, inclusief wat betreft de mogelijkheid tot aansluiting van nieuwe [productie-eenheden] op een bestaand waterstofnet door een beheerder van een bestaand waterstofnet of een verbonden onderneming » (7°). Volgens de Vlaamse Regering impliceert het criterium bedoeld in artikel 5, § 6, eerste lid, 4°, van de wet van 11 juli 2023 dat de waterstofvervoersleiding rechtstreeks de markt kan bevoorraden. In zoverre daaruit volgt dat de federale vergunningsplicht ook geldt ten aanzien van waterstofleidingen met een distributiefunctie, schendt die bepaling de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. Daarnaast maakt het criterium bedoeld in artikel 5, § 6, eerste lid, 7°, geen onderscheid naargelang van de grootte van de nieuwe productie-eenheden. Overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid evenwel uitsluitend bevoegd voor de grootschalige productie van energie, waarbij er sprake dient te zijn van een significante bijdrage tot de energiebevoorrading van het land. In 12 zoverre het bestreden criterium eveneens de mogelijkheid tot aansluiting betreft van kleine nieuwe productie- eenheden, maakt artikel 5, § 6, eerste lid, 7°, bijgevolg inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van energie, aldus de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering betwist ten slotte dat het vijfde middel voorbarig is bij gebrek aan een koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 5, § 5, tweede lid, van de wet van 11 juli 2023, zoals de Ministerraad voorhoudt. De criteria vastgesteld in artikel 5, § 6, van de wet van 11 juli 2023 zijn duidelijk en laten geen ruimte voor interpretatie. Het zijn wel degelijk die criteria zelf die afbreuk doen aan de gewestelijke bevoegdheden. A.15.1. De Ministerraad zet uiteen dat de bestreden bepaling de voorwaarden vaststelt waaronder de bestaande waterstofnetten kunnen worden uitgebreid. Een dergelijke uitbreiding betreft een uitzondering op de regel dat uitsluitend de waterstofvervoersnetbeheerder een waterstofvervoersvergunning kan verkrijgen. De voormelde voorwaarden hebben geen betrekking op de aansluiting op waterstofleidingen met een distributiefunctie, en evenmin wordt aan zulke leidingen een vergunningsplicht opgelegd. Die voorwaarden hebben als doel oneerlijke concurrentie te voorkomen tussen het waterstofvervoersnet van de waterstofvervoersnetbeheerder en de bestaande waterstofnetten, en gelden uitsluitend ten aanzien van waterstofvervoersleidingen. A.15.2. De Ministerraad merkt op dat, overeenkomstig artikel 5, § 5, tweede lid, van de wet van 11 juli 2023, de Koning de procedure bepaalt op grond waarvan de minister kan besluiten tot het verlenen van waterstofvervoersvergunningen voor de uitbreiding van bestaande waterstofnetten. Een dergelijk koninklijk besluit werd vooralsnog niet uitgevaardigd, zodat het ook nog niet duidelijk is op welke wijze de door de Vlaamse Regering bekritiseerde criteria zullen worden toegepast. Die criteria maken als dusdanig geen inbreuk op de gewestelijke bevoegdheden inzake energiebeleid. Een schending van de bevoegdheidverdelende regels zou hoogstens het gevolg kunnen zijn van de uitvoering van de bestreden bepaling. Daaruit volgt dat het vijfde middel voorbarig en dus onontvankelijk is. A.15.3. De Ministerraad vervolgt dat het vijfde middel minstens ongegrond is. Artikel 5, § 6, eerste lid, 4° en 7°, van de wet van 11 juli 2023 maakt geen inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Wat betreft artikel 5, § 6, 4°, van de wet van 11 juli 2023, merkt de Ministerraad op dat de federale overheid zich niet de bevoegdheid wenst toe te eigenen om een vergunningsplicht op te leggen aan netten met een distributiefunctie. De Vlaamse Regering zet niet uiteen in welk opzicht zulks zou voortvloeien uit het feit dat de CREG rekening houdt met het marktaandeel dat door de betrokken leiding zou worden bevoorraad. Volgens de Ministerraad draagt elke waterstofleiding ertoe bij dat finaal waterstof aan een eindafnemer wordt geleverd, al dan niet via een distributienet. Het marktaandeel betreft een relevant criterium om oneerlijke concurrentie te vermijden met het waterstofvervoersnet van de waterstofvervoersnetbeheerder. Het bevoorraden van een bepaald marktaandeel is niet gelijk aan het beleveren van eindafnemers. Wat artikel 5, § 6, 7°, van de wet van 11 juli 2023 betreft, is de Ministerraad van mening dat het standpunt van de Vlaamse Regering steunt op een verkeerde lezing van die bepaling. Het feit dat rekening wordt gehouden met de « technische en economische gevolgen voor de netgebruiker » is logisch in een context waarin een rechtstreekse aansluiting op het waterstofvervoersnet niet is uitgesloten. Een dergelijk criterium sluit aan bij de doelstelling van de wetgever om de uitbreiding van bestaande waterstofnetten op een proportionele wijze te beperken. Artikel 5, § 6, 7°, van de wet van 11 juli 2023 houdt geen beperking in van de mogelijkheid om een productie-eenheid aan te sluiten op een bestaand waterstofnet. Evenmin is het de bedoeling van de federale overheid om de aard van bestaande netten te wijzigen of om bestaande netten met een distributiefunctie te onderwerpen aan een federale vergunningsplicht. Aldus is het ook niet relevant dat artikel 5, § 6, 7°, van de wet van 11 juli 2023 geen onderscheid maakt naargelang van de grootte van de nieuwe productie-eenheden. Daarenboven voorziet artikel 5, § 6, tweede lid, van diezelfde wet erin dat de CREG desgevallend de betrokken gewestelijke regulator betrekt bij het opstellen van het advies. Overeenkomstig artikel 5, § 5, derde lid, van de wet van 11 juli 2023 kan de Koning overigens artikel 5, §§ 5 tot 7, van die wet opheffen, hetgeen een flexibele benadering mogelijk maakt met betrekking tot de uitbreiding van bestaande waterstofnetten. Wat betreft het zesde middel A.16.1. Het zesde middel is gericht tegen artikel 11 van de wet van 11 juli 2023. Volgens de Vlaamse Regering maakt die bepaling inbreuk op de gewestelijke bevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu, 13 zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en inzake de nieuwe energiebronnen en het rationeel energieverbruik, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
  4. f)en h), van dezelfde bijzondere wet. A.16.2. De Vlaamse Regering zet uiteen dat artikel 11 van de wet van 11 juli 2023 de Algemene Directie Energie en de CREG toelaat de kandidaturen van de kandidaat-waterstofvervoersnetbeheerders te beoordelen aan de hand van verschillende criteria, waaronder « de bijdrage aan het Belgisch en Europees energie- en klimaatbeleid, met inbegrip van de inspanningen die worden beoogd om broeikasgasemissies te vermijden » (6°). Het Belgisch klimaatbeleid is evenwel hoofdzakelijk een gewestelijke bevoegdheid, zodat het niet aan de federale overheid toekomt om de bijdrage aan dat beleid als een beoordelingscriterium te hanteren. Hetzelfde geldt in zoverre artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 verwijst naar de bijdrage aan het Belgisch energiebeleid. Daardoor wordt voorbijgegaan aan het feit dat de gewesten bevoegd zijn voor tal van aspecten van het energiebeleid, in het bijzonder de hernieuwbare energie en de energie-efficiëntie. In tegenstelling tot wat de Ministerraad voorhoudt, wordt er niet louter « rekening gehouden » met bepaalde parameters die betrekking hebben op de gewestelijke bevoegdheden, maar komt het aan de Algemene Directie Energie en de CREG toe een beoordeling te maken van de bijdrage van de kandidaten aan het Belgisch en Europees energie- en klimaatbeleid. Het is de federale overheid niet toegelaten te beoordelen of het gewestelijke beleid wordt nageleefd. Evenmin kan het bestreden criterium worden beschouwd als een accessorium van de federale bevoegdheid inzake vervoer van energie, zoals de Ministerraad betoogt. De Vlaamse Regering betwist ten slotte dat het zesde middel voorbarig is, zoals de Ministerraad voorhoudt. Het is wel degelijk artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 zelf dat inbreuk maakt op de gewestelijke bevoegdheden, ongeacht de concrete toepassing die daarvan zal worden gemaakt door de Algemene Directie Energie en de CREG. Het is daarnaast niet mogelijk om, zoals de Ministerraad suggereert, het bestreden criterium op een grondwetsconforme wijze te interpreteren, gelet op de duidelijke bewoordingen ervan. Dat geldt des te meer daar er in de artikelen 5, § 6, 6°, en 13, 12°, van de wet van 11 juli 2023 sprake is van respectievelijk het « federaal en Europees » en het « Belgische federale en Europese » energiebeleid, in plaats van, zoals in artikel 11, 6°, van diezelfde wet, « het Belgisch en Europees » energie- en klimaatbeleid. A.16.3. De Vlaamse Regering meent dat de Ministerraad zich, in ondergeschikte orde, niet kan beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.5. De Ministerraad zet niet concreet uiteen waarom het aannemen van het bestreden criterium, in zijn huidige vorm, noodzakelijk is voor de uitoefening van de federale bevoegdheden. Evenmin toont de Ministerraad aan dat de weerslag daarvan op de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden beperkt is. A.17.1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de Vlaamse Regering niet afdoende uiteenzet op welke wijze artikel 11 van de wet van 11 juli 2023 een inbreuk zou vormen op de gewestelijke bevoegdheden die zij in het middel vermeldt. Het loutere feit dat rekening wordt gehouden met bepaalde parameters die betrekking hebben op de gewestelijke bevoegdheden, betekent niet noodzakelijk dat die bevoegdheden ook worden geschonden. De verplichting om, overeenkomstig artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023, rekening te houden met de bijdrage aan het Belgisch en Europees energie- en klimaatbeleid, vormt een accessorium van de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie. Een dergelijk criterium verhindert de gewesten niet om hun bevoegdheden inzake leefmilieu, inzake de nieuwe energiebronnen en inzake het rationeel energieverbruik uit te oefenen. Uit artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 volgt zelfs niet dat de Algemene Directie Energie en de CREG dienen te beoordelen in welke mate de kandidaat-waterstofvervoersnetbeheerders bijdragen tot het gewestelijk beleid. In dat verband benadrukt de Ministerraad dat het klimaatbeleid verschillende aangelegenheden overkoepelt die zowel tot de federale als tot de gewestelijke bevoegdheden behoren (RvSt, advies nr. 65.404/AV en 65.405/AV van 4 maart 2019, punt 2.1). Ook de federale overheid kan, bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheden, maatregelen nemen met betrekking tot het klimaat. Indien de waterstofvervoersnetbeheerder niet diende te voldoen aan bepaalde vereisten inzake klimaat, zou de energietransitie worden belemmerd. In elk geval zullen de Algemene Directie Energie en de CREG het criterium van artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 op een grondwetsconforme wijze interpreteren. Minstens heeft het zesde middel, om die reden, betrekking op de toepassing van dat criterium en is het dus onontvankelijk. A.17.2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de wetgever artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 kon aannemen op basis van zijn bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.3. A.17.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de wetgever zich kon beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.4. De Ministerraad 14 benadrukt dat artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 slechts een van de criteria betreft voor de aanwijzing van de waterstofvervoersnetbeheerder, zodat de weerslag op de gewestelijke bevoegdheden beperkt blijft. Wat betreft het zevende middel A.18.1. Het zevende middel is gericht tegen artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023. Volgens de Vlaamse Regering maakt die bepaling inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en is zij niet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. A.18.2. Overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 worden de kwaliteitsnormen voor het vervoer van waterstof vastgesteld en goedgekeurd door respectievelijk de waterstofvervoersnetbeheerder en de minister, zonder dat de gewesten daarbij worden betrokken. De Vlaamse Regering betwist niet dat de federale overheid bevoegd is om kwaliteitsnormen vast te stellen voor de netten waarvoor zij bevoegd is. Evenwel zijn ook de gewesten, op grond van hun bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, integraal en exclusief bevoegd voor onder meer de veiligheid en de kwaliteit van de waterstofdistributie, zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft bevestigd (RvSt, advies nr. 49.492/3 van 27 april 2011, punt 6.1). In zoverre artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 geen verplichting bevat om de gewesten te betrekken bij het vaststellen van de kwaliteitsnormen voor het vervoer van waterstof, verhindert die bepaling de gewesten om de waterstofkwaliteit op distributieniveau te regelen, aangezien de waterstofvervoersnetten en de waterstofdistributienetten met elkaar zullen worden verbonden. Daardoor wordt de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie onmogelijk of overdreven moeilijk gemaakt. De omstandigheid dat er, zoals de Ministerraad aanvoert, technische installaties bestaan die de kwaliteit van waterstof kunnen wijzigen op de plaats waar het vervoersnet is verbonden met het distributienet, leidt niet tot een andere conclusie. Volgens de Vlaamse Regering betreft het een buitensporig dure en complexe oplossing, hetgeen precies aantoont dat de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt. De Vlaamse Regering betwist daarnaast dat het middel voorbarig is, zoals de Ministerraad voorhoudt. Het is wel degelijk de bestreden bepaling zelf die de bevoegdheidverdelende regels schendt, in zoverre zij aan de waterstofvervoersnetbeheerder de verplichting oplegt om kwaliteitsnormen op te stellen zonder daarbij de gewesten te betrekken. Het feit dat de gewesten niet moeten worden betrokken bij het vaststellen van de kwaliteitsnormen, volgt overigens ook uit de omstandigheid dat artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 uitdrukkelijk voorziet in een verplichting tot overleg met de in België gevestigde waterstofondernemingen en de beheerders van de waterstofvervoersnetten in de buurlanden. A.18.3. De Vlaamse Regering meent dat de Ministerraad zich, in ondergeschikte orde, niet kan beroepen op de federale bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.4. Evenmin kan de Ministerraad zich, in uiterst ondergeschikte orde, beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.6.5. De Ministerraad zet ook niet concreet uiteen hoe de voormelde bevoegdheden relevant zouden zijn ten aanzien van de kwaliteitsnormen inzake waterstofvervoer, dan wel in welk opzicht het noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van die bevoegdheden om de gewesten niet te betrekken bij het vaststellen van zulke kwaliteitsnormen of de weerslag van de bestreden bepaling op de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden beperkt zou zijn. A.18.4. In de memorie van antwoord voegt de Vlaamse Regering nog toe dat de gewesten ook op grond van artikel 6, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dienen te worden betrokken bij het vaststellen van de federale kwaliteitsnormen voor waterstof. Ook om die reden dient artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 te worden vernietigd. A.19.1. In hoofdorde merkt de Ministerraad op dat de wet van 11 juli 2023 zelf geen kwaliteitsnormen vaststelt. Het bezwaar van de Vlaamse Regering dat er bij de totstandkoming van zulke normen geen overleg wordt gepleegd, is bijgevolg voorbarig. Een dergelijk bezwaar zou hoogstens kunnen worden aangevoerd in het kader van een beroep bij de Raad van State, ingesteld tegen het ministerieel besluit dat de kwaliteitsnormen goedkeurt. Het zevende middel is derhalve onontvankelijk. 15 A.19.2. In ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat de kwaliteitsnormen noodzakelijk zijn voor een veilige uitbating van het waterstofvervoersnet. Het vaststellen van zulke normen is bijgevolg onlosmakelijk verbonden met de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. In elk geval gelden de federale kwaliteitsnormen enkel voor het injecteren en vervoeren van waterstof in het waterstofvervoersnet. Het staat de gewesten vrij om die normen aan te vullen wat betreft de distributie van waterstof, waarbij zij zowel strengere als soepelere normen kunnen toepassen. In dat verband wijst de Ministerraad erop dat er technische installaties bestaan die het mogelijk maken de zuiverheid van waterstof te verhogen. Het staat evenwel niet aan de gewesten om te bepalen welke kosten voor de zuivering van waterstof er moeten worden gemaakt op vervoersniveau. De bestreden bepaling maakt de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie niet onmogelijk of overdreven moeilijk. A.19.3. In nog meer ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de wetgever artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 kon aannemen op basis van zijn bevoegdheden inzake de nationale aspecten van energie en inzake het mededingingsrecht, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.3. A.19.4. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de wetgever zich kon beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om de redenen die zijn uiteengezet in A.4.4. -B- B.1. De Vlaamse Regering vordert de vernietiging van artikel 2, 3°, 4°, 15° en 16°, artikel 5, § 6, 4° en 7°, artikel 11, 6°, en de artikelen 17, 20, 21, 22 en 23 van de wet van 11 juli 2023 « betreffende het vervoer van waterstof door middel van leidingen » (hierna : de wet van 11 juli 2023). De wet van 26 april 2024 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » heeft het opschrift van de bestreden wet aangevuld met de woorden « en betreffende de productie van waterstof in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België ». B.2. Luidens de memorie van toelichting voert de wet van 11 juli 2023 een regelgevend kader in voor het vervoer van waterstof per pijpleiding, hetgeen « een efficiënte ontwikkeling van de Belgische waterstofmarkt en van de vervoersinfrastructuur voor waterstof [zal] bevorderen zodat waterstof aan optimale voorwaarden kan bijdragen aan de energietransitie van de Belgische economie ». Die wet bepaalt onder meer de procedure en de voorwaarden voor de aanwijzing van één waterstofvervoersnetbeheerder voor het Belgische grondgebied, alsook het vergunningskader en het beheerregime waaraan die beheerder is onderworpen. De waterstofnetbeheerder is onder meer verantwoordelijk « voor het opstellen en uitvoeren van een netontwikkelingsplan en investeringsprogramma voor waterstofvervoersinfrastructuur, voor het verschaffen van open en niet-discriminerende toegang tot dit waterstofvervoersnet aan gereguleerde tarieven, en voor het garanderen van de kwaliteit van de waterstof die via dit netwerk wordt getransporteerd ». Daarnaast bepaalt de wet van 11 juli 2023 « het bijzondere 16 regime van toepassing op reeds bestaande waterstofvervoersnetten » (Parl. St., Kamer, 2022- 2023, DOC 55-3077/001, p. 3). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.3.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep onontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023. De Vlaamse Regering zou niet uiteenzetten welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, door die bepalingen zijn geschonden. B.3.2. De Vlaamse Regering voert aan dat het beroep ontvankelijk is, ook in zoverre het is gericht tegen de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023. In het derde middel voert zij immers aan dat de definitie van het begrip « bestaand waterstofnet », zoals vastgesteld in artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. De concrete regeling waarin die definitie wordt gebruikt, is vervat in de artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023. Aangezien de bestreden definitie het toepassingsgebied van die bepalingen vaststelt, zijn zij volgens de Vlaamse Regering met dezelfde bevoegdheidsoverschrijding aangetast en dienen zij eveneens te worden vernietigd. B.3.3. Aangezien de exceptie van onontvankelijkheid verband houdt met de draagwijdte van de bestreden bepalingen, valt het onderzoek ervan samen met dat van de grond van de zaak. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.4. Het eerste middel is gericht tegen artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie van het begrip « waterstofvervoer » vaststelt. Volgens de Vlaamse Regering is die bepaling niet in overeenstemming met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), dat aan de gewesten de bevoegdheid toekent inzake de openbare gasdistributie. 17 B.5.1. Artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : […] 3° waterstofvervoer : het vervoer van waterstof door een net dat vooral bestaat uit pijpleidingen waarvan de hoogst toelaatbare werkdruk meer dan 16 bar bedraagt, maar de levering zelf niet inbegrepen is, en waarbij het steeds het vervoer betreft :
  5. a)van of naar andere landen en de aansluiting van importinfrastructuur;
  6. b)van en naar de waterstofdistributienetten, inclusief de aansluiting ervan;
  7. c)naar de grote eindafnemers, inclusief de aansluiting ervan;
  8. d)van de grote waterstofproductie-eenheden, inclusief de aansluiting ervan;
  9. e)van en naar de grote waterstofopslagfaciliteiten, inclusief de aansluiting ervan ». B.5.2. Opdat er sprake is van waterstofvervoer in de zin van de wet van 11 juli 2023, dient bijgevolg te zijn voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden : « Ten eerste moet de activiteit worden uitgevoerd via een net dat vooral bestaat uit pijpleidingen waarvan de hoogst toelaatbare bedrijfsdruk meer dan 16 bar bedraagt. Ten tweede moet de activiteit bestemd zijn voor een van de in de punten
  10. a)tot en met
  11. e)van de definitie genoemde doeleinden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3077/001, p. 12). B.6.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : « […]
  12. b)De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet; […] ». Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, behoudt evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot de aangelegenheden « die wegens hun technische en economische 18 ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : […]
  13. c)de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie; […] ». B.6.2. Door aan de gewesten de bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van energie over te dragen, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend om de regels uit te vaardigen die aan die aangelegenheid eigen zijn, en zulks onverminderd hun beroep, in voorkomend geval, op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.6.3. Wat betreft de samenhang tussen de aan de gewesten toegekende bevoegdheden en die welke aan de federale overheid zijn voorbehouden, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uiteengezet : « Wat het energiebeleid betreft zijn de Gewesten bevoegd voor de ‘ gewestelijke aspecten van het energiebeleid ’ en in ieder geval voor de opgesomde aangelegenheden van het eerste lid van artikel 6, § 1, VII, behalve voor de aangelegenheden waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven en die limitatief en volledig worden opgesomd na de woorden : ‘ te weten ’. De nationale overheid is bevoegd voor de voormelde uitzonderingen evenals voor de niet-gewestelijke aspecten van het energiebeleid » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 405/2, p. 111). Aldus heeft de bijzondere wetgever het energiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de gasdistributie aan de gewesten is toevertrouwd, terwijl het (niet-plaatselijk) vervoer van energie tot de bevoegdheid van de federale wetgever is blijven behoren. B.7.1. De nv « Hydrowal », de nv « Air Liquide Industries Belgium » en de nv « L’Air Liquide Belge », die in de procedure tussenkomen, voeren aan dat waterstof in de eerste plaats als een grondstof en niet als een energiebron dient te worden beschouwd. Artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat de bevoegdheidsverdeling regelt met betrekking tot het energiebeleid, zou daarom niet relevant zijn om de bevoegde overheid te bepalen. B.7.2. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, kan waterstof worden beschouwd als een vorm van energie, of althans minstens als een energiedrager (RvSt, advies nr. 71.998/VR/3 van 12 oktober 2022, punt 4). Uit de memorie van toelichting van de 19 wet van 11 juli 2023 blijkt daarnaast dat die wet de ontwikkeling van waterstof als energiedrager beoogt te ondersteunen, teneinde bij te dragen aan de energietransitie (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3077/001, p. 4). Daaruit volgt dat de wet van 11 juli 2023 een aangelegenheid regelt die betrekking heeft op het energiebeleid, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De omstandigheid dat waterstof, zoals de tussenkomende partijen aanvoeren, in de praktijk eveneens wordt gebruikt als een grondstof in bepaalde industriële processen, leidt niet tot een andere conclusie. B.8.1. Volgens de Vlaamse Regering heeft de definitie van het begrip « waterstofvervoer », zoals vastgesteld in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, als gevolg dat die wet eveneens van toepassing is op bepaalde aangelegenheden die als distributie van waterstof dienen te worden beschouwd. Aldus zou er inbreuk worden gemaakt op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. B.8.2. Een definitie brengt op zich geen rechtsgevolgen teweeg. Evenwel dienen de bepalingen die gebruikmaken van de bestreden definitie in overeenstemming te zijn met de bevoegdheidverdelende regels. Of er van een schending van die regels sprake is, kan bijgevolg slechts blijken uit het onderzoek van de concrete regeling waarin het betrokken begrip is opgenomen. B.8.3. De bevoegdheid van de gewesten met betrekking tot de openbare gasdistributie belet niet elk normerend optreden door de federale overheid ten aanzien van sommige aspecten van de distributie van waterstof. Een dergelijke federale regeling kan in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels indien zij bijvoorbeeld past binnen de federale bevoegdheid voor het vervoer van gas, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken, het handelsrecht of het vennootschapsrecht. B.8.4. Zoals de Vlaamse Regering aanvoert, is de definitie van het begrip « waterstofvervoer » bepalend voor het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023. Die wet is immers « van toepassing op waterstof-vervoersinstallaties » (artikel 3 van de wet van 11 juli 2023), waarbij « waterstofvervoersinstallatie » wordt gedefinieerd als « alle waterstofvervoersleidingen, met inbegrip van de bestaande waterstofnetten, gebouwen, machines en accessoire inrichtingen », en « waterstofvervoersleiding » als « elke pijpleiding die bestemd is voor het vervoer van waterstof » (artikel 2, 11° en 12°, van dezelfde wet). Het 20 Hof dient bijgevolg na te gaan of de wetgever, door de bestreden definitie aan te nemen en aldus het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023 af te bakenen, inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheidverdelende regels. B.9.1. In het advies over het voorontwerp dat tot de wet van 11 juli 2023 heeft geleid, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat « de definitie van het begrip ‘ waterstofvervoer ’ in artikel 2, 3°, van het voorontwerp verder moet worden ingeperkt om in overeenstemming te zijn met de bevoegdheidsverdelende regels, zodat duidelijk is dat de ontworpen regeling enkel betrekking heeft op het vervoer en niet op de distributie van waterstof » (RvSt, advies nr. 71.998/VR/3 van 12 oktober 2022, punt 6). Artikel 2, 3°, van het voorontwerp definieerde het begrip « waterstofvervoer » als : « de werkzaamheid die erin bestaat, door een net dat vooral bestaat uit pijpleidingen waarvan de hoogst toelaatbare bedrijfsdruk meer dan 16 bar bedraagt, de levering zelf niet inbegrepen,
  14. a)waterstof door te voeren van of naar andere landen en de aansluiting van importinfrastructuur;
  15. b)waterstofdistributienetten aan te sluiten om deze netten te bevoorraden of door deze te worden bevoorraad;
  16. c)grote eindafnemers rechtstreeks aan te sluiten en te bevoorraden;
  17. d)waterstofproductie-eenheden en grote opslageenheden aan te sluiten » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3077/001, p. 31). B.9.2. Blijkens de memorie van toelichting van de wet van 11 juli 2023 werd, teneinde tegemoet te komen aan de voormelde opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State, « gepreciseerd dat deze definitie uitsluitend betrekking heeft op de activiteit van het ‘ vervoer van waterstof ’ » (ibid., p. 12). Aldus werden, in de aanhef van artikel 2, 3°, de woorden « de werkzaamheid die erin bestaat » vervangen door de woorden « het vervoer van waterstof ». Eveneens werd het zinsdeel « , en waarbij het steeds het vervoer betreft » ingevoegd. Die precisering wijzigt evenwel niets aan de constitutieve bestanddelen van de definitie van het begrip « waterstofvervoer », namelijk de vereisten dat, enerzijds, het net vooral dient te 21 bestaan uit pijpleidingen waarvan de hoogst toelaatbare werkdruk meer dan 16 bar bedraagt en, anderzijds, de betrokken activiteit een van de in artikel 2, 3°,
  18. a)tot e), vermelde doelstellingen dient na te streven. B.10.1. Ten eerste maakt de wetgever volgens de Vlaamse Regering inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, door in de aanhef van artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 te bepalen dat, opdat er sprake is van waterstofvervoer, het net vooral dient te bestaan uit pijpleidingen waarvan de hoogst toelaatbare werkdruk meer dan 16 bar bedraagt. De Vlaamse Regering stelt dat het onderscheid tussen het vervoer en de distributie van gas niet kan worden gemaakt op basis van de werkdruk van de pijpleidingen. B.10.2. Onder openbare gasdistributie moet worden verstaan, zo blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988, « de werkzaamheid die tot doel heeft gas door middel van leidingen, te leveren aan verbruikers gevestigd op het grondgebied van een bepaalde gemeente of op het grondgebied van verschillende aan elkaar palende gemeenten die met het oog op de levering van gas onderling een overeenkomst hebben gesloten, met uitzondering van de gasleveringen waarvoor houders van een vergunning of van een toelating voor gasvervoer, krachtens deze wet toelating hebben » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, p. 144). B.10.3. Zoals de Vlaamse Regering aanvoert, dient, om het onderscheid te maken tussen het vervoer en de distributie van gas, rekening te worden gehouden met de bestemming van de betrokken netactiviteit. Wanneer de netactiviteit is bestemd om eindafnemers te bedienen, valt zij onder de openbare gasdistributie, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en niet onder het vervoer van gas, zonder levering, dat krachtens artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de voormelde bijzondere wet tot de bevoegdheid van de federale overheid is blijven behoren. Het is daarbij niet van belang of het om huishoudelijke of niet-huishoudelijke eindafnemers gaat (zie ook het arrest van het Hof nr. 98/2013 van 9 juli 2013, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.098, B.11.3, en RvSt, advies nr. 71.998/VR/3 van 12 oktober 2022, punt 6). Daaruit volgt dat de grootte of de werkdruk van de infrastructuur niet als een bevoegdheidverdelend criterium in aanmerking kan worden genomen. 22 B.10.4. Opdat er sprake is van waterstofvervoer in de zin van de wet van 11 juli 2023, is het evenwel ook vereist dat een van de doeleinden vermeld in artikel 2, 3°,
  19. a)tot e), van die wet wordt nagestreefd. Het feit dat de bestreden definitie erin voorziet dat de hoogst toelaatbare werkdruk van de pijpleidingen meer dan 16 bar dient te bedragen, kan hoogstens tot een beperking van het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 2023 leiden, in zoverre de netten die vooral bestaan uit pijpleidingen met een hoogst toelaatbare werkdruk minder of gelijk aan 16 bar, van het toepassingsgebied van die wet worden uitgesloten. Zulks heeft echter niet als gevolg dat de wet van 11 juli 2023 een aangelegenheid regelt die tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. Uit artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 volgt niet dat de waterstofnetten met een distributiefunctie onder het toepassingsgebied van die wet vallen, louter omdat de pijpleidingen ervan een hoogst toelaatbare werkdruk van meer dan 16 bar hebben. In die mate beperkt artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 bijgevolg niet de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De omstandigheid dat het voormelde drukcriterium, zoals de Vlaamse Regering aanvoert, aanleiding zou geven tot een juridisch vacuüm, in zoverre er geen regeling zou gelden voor netten met een vervoersfunctie die vooral bestaan uit pijpleidingen met een hoogst toelaatbare werkdruk minder of gelijk aan 16 bar, leidt evenmin tot de conclusie dat artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023 niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. B.11. Ten tweede bekritiseert de Vlaamse Regering verschillende van de in artikel 2, 3°,
  20. a)tot e), van de wet van 11 juli 2023 bedoelde doeleinden, die de betrokken werkzaamheid dient na te streven opdat er sprake kan zijn van waterstofvervoer. B.12.1. Allereerst gaat het om het vervoer « naar de grote eindafnemers, inclusief de aansluiting ervan » (artikel 2, 3°, c), van de wet van 11 juli 2023). De memorie van toelichting van de wet van 11 juli 2023 vermeldt daaromtrent : « Deze definitie vermeldt specifiek de mogelijkheid om grote eindafnemers aan te sluiten op het waterstofvervoersnet met het oog op de efficiëntiewinst die een dergelijke aansluiting 23 kan opleveren, met name wanneer de technische of economische aspecten van het betrokken project zulks rechtvaardigen, of wanneer de betrokken afnemer in de nabijheid van het waterstofvervoersnet is gevestigd en er in dat gebied geen waterstofdistributienet is gepland. Gezien de vroege ontwikkelingsfase van de waterstofmarkt kan de Commissie, geval per geval en in overleg met de betrokken gewestelijke regulatoren, beoordelen of een aansluiting op het waterstofvervoersnet gerechtvaardigd is » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3077/001, p. 13). B.12.2. Zoals is vermeld in B.10.3, valt de netactiviteit die ertoe is bestemd eindafnemers te bedienen, onder de gewestelijke bevoegdheid inzake de openbare gasdistributie, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en is het daarbij niet van belang of het om huishoudelijke of niet-huishoudelijke eindafnemers gaat. B.12.3. Evenwel kan, zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 98/2013 (B.11.3), worden aangenomen dat het « vervoer » van gas de levering aan bepaalde eindafnemers niet uitsluit en dat die activiteit van het vervoersnet geen distributienet maakt. Uit de in B.12.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding volgt dat artikel 2, 3°, c), van de wet van 11 juli 2023 zo dient te worden geïnterpreteerd dat het vervoer « naar de grote eindafnemers, inclusief de aansluiting ervan » een bijkomstig karakter moet hebben, en in het bijzonder uitsluitend de mogelijkheid betreft « om grote eindafnemers aan te sluiten op het waterstofvervoersnet met het oog op de efficiëntiewinst die een dergelijke aansluiting kan opleveren, met name wanneer de technische of economische aspecten van het betrokken project zulks rechtvaardigen, of wanneer de betrokken afnemer in de nabijheid van het waterstofvervoersnet is gevestigd en er in dat gebied geen waterstofdistributienet is gepland ». In die interpretatie past artikel 2, 3°, c), van de wet van 11 juli 2023 binnen het kader van de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, en maakt die bepaling geen inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. B.13.1. Vervolgens bekritiseert de Vlaamse Regering dat het vervoer « van de grote waterstofproductie-eenheden, inclusief de aansluiting ervan », alsook het vervoer « van en naar de grote waterstofopslagfaciliteiten, inclusief de aansluiting ervan », als waterstofvervoer worden gekwalificeerd (artikel 2, 3°,
  21. d)en e), van de wet van 11 juli 2023). 24 B.13.2. Artikel 2, 3°,
  22. d)en e), van de wet van 11 juli 2023 heeft als gevolg dat een waterstofdistributienet, dat uitdrukkelijk is bestemd om eindafnemers te bedienen van waterstof, om de loutere reden dat daarop een grote waterstofproductie-eenheid of waterstofopslagfaciliteit is aangesloten, zou kunnen worden aangemerkt als « waterstofvervoer » indien het bovendien voldoet aan het voormelde drukcriterium, en dus onder het toepassingsgebied van die wet zou kunnen vallen. Zoals de Vlaamse Regering aanvoert, en door de Ministerraad niet wordt betwist, lijkt het niet te zijn uitgesloten dat een - zelfs grote - waterstofproductie-eenheid of waterstofopslagfaciliteit rechtstreeks op een distributienet zou worden aangesloten. Artikel 2, 3°,
  23. d)en e), van de wet van 11 juli 2023 maakt bijgevolg inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. De omstandigheid dat de federale overheid, krachtens artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, niet alleen bevoegd is inzake het vervoer van energie, maar ook inzake de grote infrastructuren voor de stockering van energie en inzake de productie van energie, leidt niet tot een andere conclusie. B.14. In tegenstelling tot wat de Ministerraad in ondergeschikte orde aanvoert, vindt artikel 2, 3°,
  24. d)en e), van de wet van 11 juli 2023 geen bevoegdheidsrechtelijke grondslag in de residuaire bevoegdheid van de federale overheid. De bevoegdheid inzake openbare gasdistributie is immers uitdrukkelijk toegewezen aan de gewesten. Evenmin kan de Ministerraad zich beroepen op de federale bevoegdheid inzake het mededingingsrecht, bedoeld in artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De omstandigheid dat de wet van 11 juli 2023 de toegang tot de waterstofvervoersinfrastructuur beoogt te waarborgen onder transparante en niet-discriminerende voorwaarden, laat de federale overheid niet toe het wetgevend kader met betrekking tot het beheer van de installaties bestemd voor het vervoer van waterstof uit te breiden tot installaties die onder de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie vallen. Ten slotte toont de Ministerraad niet aan dat artikel 2, 3°,
  25. d)en e), van de wet van 11 juli 2023 noodzakelijk is om de voorbehouden bevoegdheid inzake het vervoer van energie te kunnen uitoefenen. Die bepaling zou bijgevolg ook niet kunnen worden verantwoord door de toepassing van de impliciete bevoegdheden. B.15. In zoverre het is gericht tegen artikel 2, 3°,
  26. d)en e), van de wet van 11 juli 2023, is het eerste middel gegrond. Voor het overige is het niet gegrond, onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.12.3. 25 Wat betreft het tweede middel B.16. Het tweede middel is gericht tegen artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie van het begrip « waterstofdistributie » vaststelt. Volgens de Vlaamse Regering is die bepaling niet in overeenstemming met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat aan de gewesten de bevoegdheid toekent inzake de openbare gasdistributie. B.17. Artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : […] 4° waterstofdistributie : de werkzaamheid die erin bestaat, via plaatselijke pijpleidingnetten, eindafnemers gevestigd op het grondgebied van één of meer bepaalde gemeenten aan te sluiten en met waterstof te bevoorraden, inclusief de aansluiting en de bevoorrading van kleine productie- en opslageenheden, de levering zelf niet inbegrepen ». B.18.1. Zoals is vermeld in B.8.2, brengt een definitie op zich geen rechtsgevolgen teweeg, hetgeen niet wegneemt dat de bepalingen die gebruikmaken van de bestreden definitie in overeenstemming dienen te zijn met de bevoegdheidverdelende regels. Of er van een schending van die regels sprake is, kan bijgevolg slechts blijken uit het onderzoek van de concrete regeling waarin het betrokken begrip is opgenomen. B.18.2. Het middel is uitsluitend gericht tegen artikel 2, 4°, van de wet van 11 juli 2023, en de Vlaamse Regering zet ook voor het overige niet uiteen welke bepalingen van die wet op een dusdanige wijze gebruik zouden maken van het begrip « waterstofdistributie » dat de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie zou worden beperkt. De loutere omstandigheid dat het begrip « waterstofdistributie » in de zin van de wet van 11 juli 2023 op bepaalde punten zou afwijken van het begrip « openbare gasdistributie » in de zin van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, volstaat niet om tot een schending van de bevoegdheidverdelende regels te besluiten. B.19. Het tweede middel is niet gegrond. 26 Wat betreft het derde middel B.20. Het derde middel is gericht tegen artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie van het begrip « bestaand waterstofnet » vaststelt. Volgens de Vlaamse Regering is die bepaling niet in overeenstemming met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat aan de gewesten de bevoegdheid toekent inzake de openbare gasdistributie. B.21. Artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : […] 15° bestaand waterstofnet : een pijpleiding of een geheel van pijpleidingen die met elkaar verbonden zijn en die bestemd zijn voor het waterstofvervoer, die worden beheerd door een waterstofvervoersonderneming die niet de waterstofvervoersnetbeheerder is, en waarvoor de vereiste vervoersvergunningen werden toegekend overeenkomstig artikelen 3 tot 7 van de gaswet, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 4 van deze wet toegelaten uitbreidingen ». B.22. De artikelen 20 tot 23 van de wet van 11 juli 2023 bevatten de regeling met betrekking tot het beheer van bestaande waterstofnetten. Volgens de Vlaamse Regering leidt de bestreden definitie ertoe dat die regeling ook van toepassing kan zijn op bestaande waterstofnetten met een distributiefunctie. Het Hof dient bijgevolg na te gaan of de wetgever, door de bestreden definitie aan te nemen en aldus het toepassingsgebied van de voormelde artikelen 20 tot 23 af te bakenen, de bevoegdheidverdelende regels heeft nageleefd. B.23.1. De « gaswet » waarnaar wordt verwezen in artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, is de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen » (hierna : de Gaswet). Artikel 2, § 1, van de Gaswet bepaalt : « De bouw en de exploitatie van vervoerinstallaties zijn aan de voorschriften van deze wet onderworpen indien deze installaties zijn bestemd of worden gebruikt : 27 1° voor de bevoorrading in gas van distributienetbeheerders; 2° voor één van de hierna vermelde doeleinden :
  27. a)de bevoorrading in gas van eindafnemers van wie de gasafname aan iedere leveringsaansluiting bestendig minimum één miljoen m3 per jaar bedraagt;
  28. b)het vervoer van gas zonder distributie of levering van gas op het Belgisch grondgebied;
  29. c)de bevoorrading van een onderneming in gas waarvan de chemische samenstelling of de fysische eigenschappen (met uitzondering van het stikstofgehalte) verschillen van die van het gas geleverd door de distributieonderneming die de betrokken gemeente bevoorraadt;
  30. d)de bevoorrading in gas van een eindafnemer aan wie de distributienetbeheerder die de betrokken gemeente bevoorraadt, niet een voldoende hoeveelheid gas levert overeenkomstig de algemene voorwaarden van het abonnement of van het bevoorradings- of leveringscontract, inzonderheid binnen de termijn die voor de uitvoering van de leveringen in voornoemde algemene voorwaarden is gesteld;
  31. e)de bevordering van het meest economische verbruik van onvermijdelijke gassen;
  32. f)de bevoorrading in gas van een onderneming in moeilijkheden door middel van tijdelijke installaties en gedurende de tijd die strikt nodig is voor het uitvoeren van de noodzakelijke herstellingen;
  33. g)de verbinding tussen installaties voor gasproductie en de verschillende exploitatiezetels van eenzelfde onderneming;
  34. h)de verbinding tussen productie-, vervoer- of distributie-installaties met het oog op uitwisseling, wederzijdse hulp of een beter benutten van deze installaties;
  35. i)de verbinding tussen gasvelden, tussen gasfabrieken, tussen gasvelden of gasfabrieken en samendrukkings- of ontspanningsstations, tussen samendrukkingsstations, tussen ontspanningsstations of tussen samendrukkings- en ontspanningsstations ». De artikelen 3 tot 7 van de Gaswet vormen afdeling 1 (« Vervoersvergunningen ») van hoofdstuk III (« Bepalingen betreffende de vervoersvergunningen en de beheerders ») van die wet. Artikel 3, eerste lid, bepaalt : « Onverminderd de bepalingen van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas en de bepalingen van hoofdstuk IV van deze wet, zijn de bouw en de exploitatie van elke vervoerinstallatie onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning door de minister ». 28 B.23.2. De Vlaamse Regering voert aan dat verschillende van de doeleinden vermeld in artikel 2, § 1, van de Gaswet in werkelijkheid betrekking hebben op de distributie en niet op het vervoer van gas, en dat er daardoor in de praktijk ook vervoersvergunningen in de zin van de artikelen 3 tot 7 van de Gaswet worden toegekend voor installaties die een distributiefunctie hebben. B.23.3. Te dezen is het niet noodzakelijk te onderzoeken of de Gaswet daadwerkelijk voorziet in een vergunningsplicht ten aanzien van installaties die geen vervoers-, maar een distributiefunctie hebben. Niet alle installaties waarvoor een vervoersvergunning is afgeleverd overeenkomstig artikel 3 van de Gaswet kunnen immers als een bestaand waterstofnet in de zin van de wet van 11 juli 2023 worden beschouwd, aangezien het bestreden artikel 2, 15°, van die wet ook vereist dat de betrokken pijpleidingen « bestemd zijn voor het waterstofvervoer ». Voor het overige volstaat het vast te stellen dat die bepaling verwijst naar vergunningen die worden uitgereikt door de federale overheid, op grond van federale wetgeving. B.24. Rekening houdend met hetgeen in het kader van het eerste middel is geoordeeld over de definitie van het begrip « waterstofvervoer », zoals vervat in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, is het derde middel bijgevolg niet gegrond. Wat betreft het vierde middel B.25. Het vierde middel is gericht tegen artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023, dat de definitie van het begrip « waterstofopslagfaciliteit » vaststelt. Volgens de Vlaamse Regering is die bepaling niet in overeenstemming met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat aan de gewesten de bevoegdheden toekent inzake de gewestelijke aspecten van de energie. B.26. Artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : […] 29 16° waterstofopslagfaciliteit : een faciliteit voor de opslag van waterstof, met inbegrip van het deel van een waterstofterminal dat voor opslag gebruikt wordt, maar met uitsluiting van het deel dat voor productiewerkzaamheden gebruikt wordt, en van faciliteiten die uitsluitend voorbehouden zijn aan waterstofvervoersnetbeheerders in de uitoefening van hun functies ». B.27. Zoals is vermeld in B.6.1, is de federale overheid, overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, bevoegd voor « de grote infrastructuren voor de stockering […] van energie ». Volgens de Vlaamse Regering is die bevoegdheid beperkt tot de opslaginstallaties die een significante bijdrage kunnen leveren aan de bevoorradingszekerheid, en vallen de overige opslaginstallaties onder de gewestelijke bevoegdheden inzake de gewestelijke aspecten van de energie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Daaruit zou volgen dat, in zoverre de definitie vervat in artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023 niet beperkt is tot de « grote » waterstofopslagfaciliteiten, die bepaling niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. B.28.1. Zoals is vermeld in B.8.2 en B.18.1, brengt een definitie op zich geen rechtsgevolgen teweeg, hetgeen niet wegneemt dat de bepalingen die gebruikmaken van de bestreden definitie in overeenstemming dienen te zijn met de bevoegdheidverdelende regels. Of er van een schending van die regels sprake is, kan bijgevolg slechts blijken uit het onderzoek van de concrete regeling waarin het betrokken begrip is opgenomen. B.28.2. Het middel is uitsluitend gericht tegen artikel 2, 16°, van de wet van 11 juli 2023, en de Vlaamse Regering zet ook voor het overige niet uiteen welke bepalingen van die wet op een dusdanige wijze gebruik zouden maken van het begrip « waterstofopslagfaciliteit » dat de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden inzake de gewestelijke aspecten van de energie zou worden beperkt. B.29. Het vierde middel is niet gegrond. Wat betreft het vijfde middel B.30. Het vijfde middel is gericht tegen artikel 5, § 6, eerste lid, 4° en 7°, van de wet van 11 juli 2023. Volgens de Vlaamse Regering is die bepaling niet in overeenstemming met 30 artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat aan de gewesten de bevoegdheden toekent inzake de gewestelijke aspecten van de energie, en in het bijzonder inzake de openbare gasdistributie (b)). B.31. Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 11 juli 2023 is in beginsel een waterstofvervoersvergunning vereist voor de bouw en de exploitatie van elke waterstofvervoersinstallatie. Artikel 5 van dezelfde wet heeft betrekking op de procedure voor de toekenning van zulke vergunningen. In het bijzonder bepaalt artikel 5, § 5, dat de minister, op voorstel van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG), kan besluiten tot het verlenen van waterstofvervoersvergunningen voor de uitbreiding van bestaande waterstofnetten, waarbij hij onder meer rekening moet houden met « de verenigbaarheid van de uitzondering met het maatschappelijk belang, beoordeeld overeenkomstig paragraaf 6 ». B.32.1. Overeenkomstig het bestreden artikel 5, § 6, eerste lid, 4°, van de wet van 11 juli 2023 houdt de CREG, bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de uitbreiding van het bestaand waterstofnet met het maatschappelijk belang, rekening met « het marktaandeel dat door deze leiding zou worden bevoorraad en de mogelijke impact op de tarieven van de waterstofvervoersnetbeheerder ». Volgens de Vlaamse Regering impliceert een dergelijk criterium dat het bestaande waterstofnet rechtstreeks de markt kan bevoorraden. Daaruit zou volgen dat de federale vergunningsplicht ook geldt ten aanzien van waterstofleidingen met een distributiefunctie, en dus dat er inbreuk wordt gemaakt op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. B.32.2. Zoals is vermeld in B.23.3, is het, krachtens de definitie van het begrip « bestaand waterstofnet » in artikel 2, 15°, van de wet van 11 juli 2023, vereist dat de betrokken pijpleidingen « bestemd zijn voor het waterstofvervoer ». Rekening houdend met hetgeen in het kader van het eerste middel is geoordeeld over de definitie van het begrip « waterstofvervoer » in artikel 2, 3°, van de wet van 11 juli 2023, heeft de mogelijkheid om een vergunning toe te kennen voor de uitbreiding van een bestaand waterstofnet, bedoeld in artikel 5, §§ 5 en 6, van die wet, bijgevolg geen betrekking op waterstofleidingen met een distributiefunctie. De wetgever mag erin voorzien dat bij het toekennen van een dergelijke vergunning rekening dient te worden gehouden met het marktaandeel dat door de betrokken 31 leiding zou worden bevoorraad, zonder dat hij daarmee afbreuk doet aan de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie. B.33.1. Overeenkomstig het bestreden artikel 5, § 6, eerste lid, 7°, van de wet van 11 juli 2023, houdt de CREG daarnaast, bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de uitbreiding van het bestaand waterstofnet met het maatschappelijk belang, rekening met « de technische of economische gevolgen en beperkingen voor de netgebruiker, inclusief wat betreft de mogelijkheid tot aansluiting van nieuwe [productie-eenheden] op een bestaand waterstofnet door een beheerder van een bestaand waterstofnet of een verbonden onderneming ». De Vlaamse Regering voert aan dat die bepaling geen onderscheid maakt naargelang van de grootte van de nieuwe productie-eenheden, terwijl de federale overheid, overeenkomstig artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, uitsluitend bevoegd zou zijn voor de grootschalige productie van energie, waarbij er sprake dient te zijn van een significante bijdrage tot de energiebevoorrading van het land. B.33.2. Artikel 5, § 6, eerste lid, 7°, van de wet van 11 juli 2023 regelt niet de bouw of de exploitatie van nieuwe eenheden voor de productie van waterstof, maar bepaalt louter dat rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid tot aansluiting van dergelijke productie-eenheden op een bestaand waterstofnet, na de beoogde uitbreiding van dat net. Gelet op hetgeen is vermeld in B.23.3 en B.32.2, alsook op hetgeen het Hof heeft geoordeeld met betrekking tot het eerste middel, zijn de bestaande waterstofnetten per definitie bestemd voor het vervoer van waterstof. Het bestreden criterium past bijgevolg, ongeacht de aard of de grootte van de betrokken productie-eenheden, binnen de federale bevoegdheid inzake het vervoer van energie, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.34. Het vijfde middel is niet gegrond. Wat betreft het zesde middel B.35. Het zesde middel is gericht tegen artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023. Volgens de Vlaamse Regering maakt die bepaling inbreuk op de gewestelijke bevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van de 32 bijzondere wet van 8 augustus 1980, en inzake de nieuwe energiebronnen en het rationeel energieverbruik, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
  36. f)en h), van dezelfde bijzondere wet. B.36.1. Artikel 11 van de wet van 11 juli 2023 stelt de beoordelingscriteria vast voor de aanwijzing van de waterstofvervoersnetbeheerder : « De Algemene Directie Energie en de Commissie beoordelen de kandidaturen van de kandidaten aan de hand van de volgende criteria : 1° de kwaliteit van het ondernemingsplan met de financiële, technische, materiële en personeelsmiddelen die de aanvrager wil inzetten voor de ontwikkeling van een waterstofvervoersnetwerk dat openstaat voor derden en dat, voor zover technisch haalbaar en economisch verantwoord, de belangrijkste Belgische industriële clusters bedient en met elkaar verbindt, waarbij wordt geanticipeerd op de ontwikkeling van de marktvraag en rekening wordt gehouden met de doelstellingen van het federale waterstofbeleid zoals gepubliceerd op de website van de FOD Economie; 2° de ervaring van de kandidaat met de bouw of het beheer van infrastructuur voor het vervoer van gassen; 3° de ervaring van de kandidaat met het beheer van een net dat openstaat voor derden of, bij gebreke daaraan, de vaardigheden waarvan de kandidaat blijk kan geven met betrekking tot het beheer van een net dat openstaat voor derden; 4° de territoriale dekking, ligging, fijnmazigheid en kenmerken van de vervoerspijpleidingen die eigendom zijn van de kandidaat of waarop de kandidaat een langetermijngebruiksrecht heeft, of waarvan hij aannemelijk maakt of aantoont dit met redelijke waarschijnlijkheid op korte termijn te zullen kunnen verwerven, en die gebruikt kunnen worden voor het vervoer van waterstof, hetzij in hun huidige toestand, hetzij door deze om te bouwen naar waterstofvervoersleidingen; 5° de manier waarop de kandidaat wenst bij te dragen tot het evenwicht en de flexibiliteit van het energiesysteem als geheel, met inbegrip van alle energiedragers; 6° de bijdrage aan het Belgisch en Europees energie- en klimaatbeleid, met inbegrip van de inspanningen die worden beoogd om broeikasgasemissies te vermijden ». B.36.2. Artikel 13, 1°, van de wet van 11 juli 2023 verplicht de waterstofvervoersnetbeheerder ervoor te zorgen « dat hij blijft voldoen aan […] de voorwaarden voor zijn aanwijzing als waterstofvervoersnetbeheerder bedoeld in artikel 11 ». 33 B.37.1. Krachtens artikel 6, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor « de bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder ». B.37.2. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
  37. f)en h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor « de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval » : «
  38. f)De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie; […]
  39. h)Het rationeel energieverbruik ». B.38.1. Op grond van het voormelde artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor de voorkoming en bestrijding van de verschillende vormen van milieuverontreiniging. De gewestwetgever vindt in het 1° van die bepaling de algemene bevoegdheid die hem in staat stelt hetgeen betrekking heeft op de bescherming van het leefmilieu, onder meer van de lucht, tegen verontreiniging en aantasting, te regelen. Die bevoegdheidsgrondslag omvat de bescherming van het klimaat, alsook de bevoegdheid om maatregelen te nemen teneinde de uitstoot van broeikasgassen in de lucht, ongeacht de oorsprong ervan, te verminderen (zie ook het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013, B.19, en het arrest nr. 147/2022 van 10 november 2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.147, B.7.2- B.7.4). B.38.2. De gewesten beschikken daarnaast over verschillende bevoegdheden inzake energiebeleid, in het bijzonder de voormelde bevoegdheden inzake de nieuwe energiebronnen en het rationeel energieverbruik, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
  40. f)en h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.38.3. Het voeren van een klimaatbeleid maakt, in de eerste plaats, deel uit van de gewestelijke bevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu. Daarnaast heeft ook het beleid in andere gewestelijke aangelegenheden, waaronder de voormelde gewestelijke bevoegdheden inzake energiebeleid, op het klimaat betrekking. Zoals de afdeling wetgeving 34 van de Raad van State heeft opgemerkt, heeft evenwel ook de federale overheid « in deze aangelegenheden […] een aantal bevoegdheden behouden », zodat er kan worden aangenomen dat « het klimaatbeleid […] een geheel aan domeinen [overkoepelt] die verspreid liggen over de federale overheid en de gewesten » (RvSt, advies nr. 65.404/AV en 65.405/AV van 4 maart 2019, punt 2.1). B.38.4. Tot slot komt het aan zowel de federale overheid als de gewesten toe om, elk wat betreft de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn, het energie- en klimaatbeleid van de Europese Unie te implementeren in het interne recht. B.39.1. Overeenkomstig het bestreden artikel 11, 6°, van de wet van 11 juli 2023 beoordelen de Algemene Directie Energie en de CREG de kandidaturen van de kandidaat- waterstofbeheerders aan de hand van « de bijdrage aan het Belgisch en Europees energie- en klimaatbeleid, met inbegrip van de inspanningen die worden beoogd om broeikasgasemissies te vermijden ». Uit wat voorafgaat, volgt dat die federale instanties aldus ook een beoordeling dienen te maken van de bijdrage die de kandidaten-waterstofvervoersnetbeheerders leveren aan het beleid dat door de gewesten wordt gevoerd binnen het kader van verschillende van hun exclusieve bevoegdheden. Luidens artikel 13 is de waterstofvervoersnetbeheerder onder meer verplicht ervoor te zorgen dat hij blijft voldoen aan de voorwaarden voor certificering bedoeld in artikel 10 en aan de voorwaarden voor zijn aanwijzing als waterstofvervoersnetbeheerder bedoeld in artikel 11 (1°), en het Belgische federale en Europese energiebeleid te ondersteunen (12°). B.39.2. De omstandigheid dat de Algemene Directie Energie en de CREG de kandidaturen moeten beoordelen rekening houdende met het Europese en het Belgische energie- en klimaatbeleid, met inbegrip van de gewestelijke onderdelen daarvan, zoals dat onder meer is neergelegd in het toepasselijke, geïntegreerde Belgische Nationaal Energie- en Klimaatplan in uitvoering van de verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad », kan in dat verband 35 niet gekwalificeerd worden als een bevoegdheidsoverschrijding. Het vereiste strekt er precies toe te waarborgen dat de beoordeling niet alleen rekening houdt met het Europese en federale beleid, maar ook met het voor die beoordeling desgevallend pertinente beleid van de gewesten, en lijkt daardoor veeleer complementair te zijn aan de gewestelijke beleidsopties dan daarmee tegenstrijdig te zijn. Het geeft aldus uiting aan de wens om de federale loyauteit in acht te nemen overeenkomstig artikel 143, § 1, van de Grondwet. B.40. Rekening houdend met wat is vermeld in B.39.1 en in B.39.2 is het zesde middel niet gegrond. Wat betreft het zevende middel B.41.1. Het zevende middel is gericht tegen artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023. Volgens de Vlaamse Regering maakt die bepaling inbreuk op de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, zoals vastgesteld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en is zij evenmin in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. B.41.2. De Vlaamse Regering voert in haar memorie van antwoord eveneens aan dat artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 niet in overeenstemming is met artikel 6, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het gaat om een nieuw middel, dat krachtens artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof onontvankelijk is. B.42. Artikel 17 van de wet van 11 juli 2023 bepaalt : « De waterstofvervoersnetbeheerder stelt, rekening houdend met Europese normen, kwaliteitsnormen vast voor het vervoer van waterstof door het waterstofvervoersnet, na overleg met de in België gevestigde waterstofondernemingen en de beheerders van de waterstofvervoersnetten in de buurlanden. Deze waterstofkwaliteitsnormen worden door de minister goedgekeurd voordat zij in werking treden. De waterstofvervoersnetbeheerder wordt belast met het toezicht op de naleving van de kwaliteitsnormen door elke waterstofproductie- of -vervoersinstallatie die op het waterstofvervoersnet is aangesloten. In geval van niet-naleving brengt de waterstofvervoersnetbeheerder de minister hiervan op de hoogte. De 36 waterstofvervoersnetbeheerder neemt alle nodige en evenredige maatregelen om de niet- naleving te verhelpen, inclusief deze door de minister opgelegd. In afwijking van het eerste lid kan de waterstofvervoersnetbeheerder de minister verzoeken verschillende kwaliteitsnormen toe te passen op beperkte delen van het net dat hij beheert, op voorwaarde dat dit technisch verantwoord is en de betrokken netgebruikers ermee instemmen. De minister kan hierover de Commissie om een advies vragen om nodeloze marktsegmentatie op grond van verschillende kwaliteitsnormen te vermijden. Indien overeenstemming wordt bereikt, stelt de minister de voorwaarden en de geldigheidsduur van de afwijking vast, rekening houdend met de plaats die deze pijpleidingen in het waterstofvervoersnet innemen, en ziet toe op de naleving ervan ». B.43. De Vlaamse Regering voert aan dat de gewesten, op grond van hun bevoegdheid inzake openbare gasdistributie, bevoegd zijn voor de veiligheid en de kwaliteit van de distributie van waterstof. In zoverre artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 geen verplichting bevat om de gewesten te betrekken bij het vaststellen van de kwaliteitsnormen voor het vervoer van waterstof, maakt die bepaling het volgens de Vlaamse Regering voor de gewesten onmogelijk om de waterstofkwaliteit op distributieniveau te regelen, aangezien de waterstofvervoersnetten en de waterstofdistributienetten met elkaar zullen worden verbonden. Artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 zou daardoor als gevolg hebben dat de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheid inzake openbare gasdistributie onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt, hetgeen eveneens in strijd zou zijn met het beginsel van de federale loyauteit. B.44.1. Het vaststellen van de kwaliteitsnormen voor het vervoer van waterstof door het waterstofvervoersnet valt onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake het vervoer van energie. B.44.2. Niettemin dient de wetgever, zoals is bepaald in artikel 143, § 1, van de Grondwet, bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden de federale loyauteit in acht te nemen. B.44.3. De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. 37 Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.45. Het bestreden artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 juli 2023 stelt niet zelf de kwaliteitsnormen vo

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.