← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.128

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.128 Arrest- Rolnummer: 128/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-11-25 Raadplegingen: 322 - laatst gezien 2026-06-19 01:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de strafuitvoeringsrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Strafrechtspleging - Strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (SUO) - Inbeslagneming - Eigendommen van een malafide derde - Begrip Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 128/2024 van 14 november 2024 Rolnummer : 8161 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de strafuitvoeringsrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 januari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 februari 2024, heeft de strafuitvoeringsrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 464/1 en 464/30 W.Sv., de artikelen 12 en 14 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en artikel 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, in de interpretatie dat zij zouden toelaten dat een persoon, aan wie door een later veroordeelde beklaagde een onroerend goed overgedragen wordt voor/lopende een opsporingsonderzoek en/of gerechtelijk onderzoek, na een definitieve uitspraak op strafgebied als ‘ malafide derde ’ in de zin van voormelde wetsartikelen beschouwd wordt, met de omstandigheid dat deze derde zelf ook mee vervolgd werd in de strafprocedure, waarin beklaagde veroordeeld werd, maar zelf niet veroordeeld werd ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Robin », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie te Gent; 2 - de nv « Immo-Salmon », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie van Antwerpen, en door Mr. Omar Souidi, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv « Redwood », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 juni 2015 heeft het Hof van Beroep te Gent de nv « Immo-Salmon », de nv « Robin » en de nv « Redwood » vrijgesproken van een aantal tenlasteleggingen die onder meer verband hielden met witwasactiviteiten. Het Hof van Beroep oordeelde dat de strafvordering ten aanzien van die rechtspersonen was vervallen wegens verjaring. Een andere beklaagde werd veroordeeld. Op 7 maart 2023 heeft het openbaar ministerie, overeenkomstig de artikelen 464/30 en 464/33 van het Wetboek van strafvordering, beslag laten leggen op onroerende goederen die door de veroordeelde werden overgedragen aan de nv « Immo-Salmon », de nv « Robin » en de nv « Redwood ». De zaak werd vervolgens aanhangig gemaakt bij het verwijzende rechtscollege, dat de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag A.1.

  1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is. Noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt immers in welk opzicht de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering onbestaanbaar zijn met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij datzelfde Verdrag. 3 A.1.
  2. De verwijzingsbeslissing vermeldt dat de nv « Robin » in het bodemgeschil heeft aangevoerd dat de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering tegenstrijdig zijn. De Ministerraad ziet evenwel niet in op welke wijze zulks verband houdt met de prejudiciële vraag. De Ministerraad betwist overigens dat de voormelde bepalingen tegenstrijdig zijn. De criteria vastgesteld in artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering concretiseren, specifiek wat de inbeslagneming betreft, de algemene criteria met betrekking tot het begrip « malafide derde », vastgesteld in artikel 464/1, § 3, van hetzelfde Wetboek. A.1.
  3. Voorts vermeldt de verwijzingsbeslissing dat de nv « Robin » in het bodemgeschil heeft aangevoerd dat de waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing dienen te zijn wanneer een derde ten aanzien van wie de strafvordering definitief vervallen is verklaard, daarna als malafide derde wordt vervolgd in het kader van een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Die vermelding in de verwijzingsbeslissing laat volgens de Ministerraad evenmin toe te bepalen in welk opzicht de in de prejudiciële vraag vermelde toetsingsnormen zouden zijn geschonden. A.1.
  4. Uit het bovenstaande volgt dat het voor de Ministerraad niet mogelijk is om een concreet inhoudelijk standpunt in te nemen. De Ministerraad benadrukt dat hij, als institutionele partij, enkel over de verwijzingsbeslissing beschikt en geen inzage heeft in de stukken van het bodemgeschil. De toetsingsnormen hebben bovendien een zeer uiteenlopende draagwijdte. De prejudiciële vraag bevat bijgevolg niet de vereiste elementen opdat het Hof uitspraak kan doen, en brengt het contradictoire karakter van de rechtspleging in het gedrang. A.1.
  5. Daarnaast wijst de Ministerraad erop dat, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, de partijen in het bodemgeschil het verwijzende rechtscollege eveneens hebben verzocht om aan het Hof een vraag te stellen over een vermeende schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verwijzende rechtscollege heeft evenwel geoordeeld dat een dergelijke prejudiciële vraag niet noodzakelijk was voor de oplossing van het bodemgeschil, en dat zij daarom niet diende te worden gesteld. De Ministerraad benadrukt dat het niet aan de partijen toekomt de omvang van de saisine van het Hof te bepalen. Om dezelfde reden kan het Hof evenmin zijn saisine uitbreiden met een toetsing aan artikel 7, lid 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 4, lid 1, van het Zevende Protocol bij dat Verdrag, artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, waaraan instemming is gegeven bij wet van 18 maart 1993 (hierna : de Overeenkomst van 19 juni 1990). A.1.
  6. Tot slot is het Hof volgens de Ministerraad niet bevoegd om in te gaan op de kritiek van de nv « Redwood » dat de SUO-magistraat het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 15 juni 2022 niet in acht zou nemen. Die kritiek is immers niet gericht tegen de in het geding zijnde bepalingen. A.
  7. De nv « Redwood » betwist dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is. Het is duidelijk dat die vraag peilt naar de grondwettigheid van de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering, in zoverre die bepalingen toelaten dat een persoon aan wie, voorafgaand aan een opsporings- en/of een gerechtelijk onderzoek, een onroerend goed wordt overgedragen door iemand die daarna strafrechtelijk wordt veroordeeld, als een malafide derde wordt beschouwd, hoewel hij in dezelfde strafprocedure wordt vrijgesproken. Het verwijzende rechtscollege wijst in de verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk op de verschillende en zelfs tegenstrijdige omschrijvingen van het begrip « malafide derde » in de voormelde bepalingen. Aldus wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of die bepalingen bestaanbaar zijn met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bevat een soortgelijk wettigheidsbeginsel. De verwijzingsbeslissing zet derhalve duidelijk uiteen waarin de schending van de in de prejudiciële vraag vermelde grondwets- en verdragsbepalingen zou kunnen bestaan. Daarnaast preciseert het verwijzende rechtscollege ook in welk opzicht artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou kunnen zijn geschonden, aldus de nv « Redwood ». Op dat punt refereert de verwijzingsbeslissing immers aan het voormelde standpunt van de nv « Robin ». A.
  8. De nv « Robin » meent eveneens dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is. De prejudiciële vraag en de motieven van de verwijzingsbeslissing laten het Hof toe de omvang van de saisine te bepalen. De Ministerraad gaat in zijn memorie trouwens uitvoerig in op de draagwijdte van zowel de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering als de in de prejudiciële vraag vermelde grondwets- en verdragsbepalingen. 4 A.
  9. Ook de nv « Immo-Salmon » is van mening dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is, om dezelfde redenen als de nv « Redwood » en de nv « Robin ». Ten gronde A.5.
  10. Aangezien noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de verwijzingsbeslissing blijkt in welk opzicht de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering onbestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde toetsingsnormen, beperkt de Ministerraad zijn uiteenzetting ten gronde tot enkele algemene beschouwingen. A.5.
  11. De Ministerraad zet uiteen dat de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgen. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, en in het bijzonder de inbeslagneming in het kader van dat onderzoek, zijn evenwel maatregelen van burgerrechtelijke aard. De artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering voorzien bijgevolg niet in een strafbaarstelling of straf, zodat de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet geschonden kunnen zijn. De Ministerraad wijst in dat verband op de vaste rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat het begrip « straf » in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet een andere betekenis heeft dan in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hoe dan ook vormt een inbeslagneming in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek volgens de Ministerraad geen straf in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Noch de internrechtelijke kwalificatie, noch de overige Engel-criteria laten een dergelijke kwalificatie toe, daar het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek geen punitieve of preventieve doelstelling heeft en geen zwaarwichtige sanctie inhoudt. Uit het feit dat een inbeslagneming slechts mogelijk is bij een derde die wist of moest weten dat het goed hem door de veroordeelde is overgedragen om de strafrechtelijke tenuitvoerlegging te ontlopen, kan geenszins worden afgeleid dat de wetgever die derde beoogt te straffen. A.5.
  12. Wat betreft artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wijst de Ministerraad erop dat het Hof, bij zijn arrest nr. 178/2015 van 17 december 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.178), heeft geoordeeld dat de beslissing tot inbeslagneming in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek een inmenging vormt in het recht op bescherming van de eigendom van de veroordeelde of de benadeelde derde, maar dat er niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan dat recht (B.67 en B.70.5). Voorts heeft het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol niet de draagwijdte die de nv « Redwood » eraan toekent. Vereist is slechts dat een beperking van het eigendomsrecht een basis in het interne recht heeft. De toegankelijkheid en nauwkeurigheid van die basis dient slechts marginaal te worden getoetst en valt geenszins gelijk te stellen met de toetsing aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. A.5.
  13. De Ministerraad vervolgt dat de memorie van toelichting van de wet van 11 februari 2014 « houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) » en van de wet van 11 februari 2014 « houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (II) » (hierna : de wetten van 11 februari 2014) uitvoerig ingaat op de verenigbaarheid van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek met de toepasselijke grondwets- en verdragsbepalingen. Daarbij komen in het bijzonder het wettigheidsbeginsel, de legitieme doelstelling, de evenredigheid, de subsidiariteit en het rechterlijk toezicht aan bod (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, pp. 20-23). A.5.
  14. De Ministerraad benadrukt voorts dat de inbeslagneming van goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, gepaard gaat met voldoende waarborgen. Ten eerste is een dergelijke inbeslagneming enkel mogelijk onder bepaalde voorwaarden (artikel 464/30, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering). Ten tweede geldt er een bijzondere motiveringsplicht ten aanzien van het openbaar ministerie, hetgeen een rechterlijke controle mogelijk maakt (artikel 464/30, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering). Ten derde dient de inbeslagneming bij te dragen tot het bereiken van het doel van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, zoals omschreven in artikel 464/1, § 1, van het Wetboek van strafvordering. Ten vierde staat een beroep open tegen de inbeslagneming bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter, die zowel de wettigheid als de proportionaliteit van 5 de inbeslagneming onderzoekt (artikel 464/36 van het Wetboek van strafvordering). Die rechterlijke controle waarborgt de bescherming van het recht op het ongestoord genot van eigendom van de betrokken derde. A.6.
  15. De nv « Redwood » wijst erop dat het begrip « malafide derde » op een verschillende wijze wordt omschreven in de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering, wat betreft zowel het intentioneel als het materieel element. Artikel 464/1, § 3, vereist dat de derde « wetens en willens » samenspant met de veroordeelde om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van « uitvoerbare veroordelingen ». Artikel 464/30, § 1, laat een inbeslagneming bij een derde toe wanneer de derde « wist of […] redelijkerwijs [moest] weten » dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van « een uitvoerbare of mogelijke » veroordeling. De criteria vastgesteld in artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering hebben een ruimere draagwijdte dan de criteria vastgesteld in artikel 464/1, § 3, van hetzelfde Wetboek. Er is bijgevolg, in tegenstelling tot wat de Ministerraad voorhoudt, geen sprake van een loutere concretisering van de algemene criteria met betrekking tot het begrip « malafide derde ». De redenering van de Ministerraad zou bovendien ertoe kunnen leiden dat een inbeslagneming bij een derde mogelijk is op grond van artikel 464/30 van het Wetboek van strafvordering, terwijl artikel 464/1 van hetzelfde Wetboek, in het algemeen, niet zou toelaten dat ten aanzien van diezelfde derde een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek wordt gevoerd. Aldus is het voor een derde niet duidelijk wanneer hij als malafide dient te worden beschouwd, zodat het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, is geschonden. De nv « Redwood » betwist overigens dat, zoals de Ministerraad aanvoert, de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering geen strafbaarstelling of straf bevatten, en dat de artikelen 12 en 14 van de Grondwet daarom niet van toepassing zijn. A.6.
  16. Die inbeslagneming maakt volgens de nv « Redwood » ook inbreuk op het recht op het ongestoord genot van de eigendom, gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Elke inmenging in het eigendomsrecht dient immers bij een nauwkeurige en voorzienbare wet te worden vastgesteld. Uit hetgeen de nv « Redwood » heeft uiteengezet met betrekking tot het wettigheidsbeginsel in strafzaken, volgt eveneens dat niet is voldaan aan die vereisten van nauwkeurigheid en voorzienbaarheid. Bovendien dient de inmenging in het eigendomsrecht evenredig te zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. Zulks is te dezen niet het geval, aldus de nv « Redwood ». Er bestaat geen billijk evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom, des te meer daar de nv « Redwood » werd vrijgesproken op strafgebied. Het voormelde arrest van het Hof nr. 178/2015 is in dat opzicht niet relevant. De door de Ministerraad aangehaalde overweging B.70.5 van dat arrest heeft immers betrekking op de ontstentenis van een cassatieberoep in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Evenmin kan uit de door de Ministerraad aangehaalde parlementaire voorbereiding van de wetten van 11 februari 2014 worden afgeleid dat de in het geding zijnde inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom bij een nauwkeurige en voorzienbare wet is vastgesteld. A.6.
  17. Tot slot meent de nv « Redwood » dat ook artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is geschonden. Uit die verdragsbepaling volgt immers dat elke definitieve rechterlijke uitspraak dient te worden nageleefd. De nv « Redwood » is van mening dat het beslag dat in het bodemgeschil op haar goederen is gelegd, een strafsanctie is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, gelet op de aard en de ernst van die maatregel. A.7.
  18. De nv « Robin » zet uiteen dat de artikelen 464/1, §§ 1 en 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering het begrip « malafide derde » op een wezenlijk verschillende en tegenstrijdige wijze invullen, wat betreft zowel de fase van de strafprocedure waarin de beklaagde en/of de veroordeelde zich dient te bevinden, als de wijze van deelneming door de betrokken derde. Zij betwist dat, zoals de Ministerraad voorhoudt, de criteria vastgesteld in artikel 464/30, § 1, een loutere concretisering vormen van de criteria vastgesteld in artikel 464/1, §
  19. Die bepalingen laten het openbaar ministerie toe op grond van vage en algemene motieven een rechtspersoon, die onroerende goederen heeft verkregen vóór en/of tijdens een opsporings- of gerechtelijk onderzoek en dus voorafgaand aan de strafrechtelijke veroordeling, maar die zelf is vrijgesproken op strafgebied, te beschouwen als een malafide derde. In het bijzonder laten de woorden « mogelijke veroordeling » in artikel 464/30, § 1, toe dat er beslag wordt gelegd op onroerende goederen die de derde ruime tijd vóór de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek heeft verkregen. Daarnaast vereist artikel 464/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering dat de derde « wetens en willens » heeft gehandeld, terwijl artikel 464/30, § 1, van hetzelfde Wetboek vereist dat de derde « wist of [...] redelijkerwijs [moest] weten » dat het goed hem was overgedragen met het oogmerk het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare of mogelijke veroordeling. Aldus vereist artikel 464/1, § 3, een 6 specifiek opzet, terwijl artikel 464/30, § 1, slechts een potentiële kennis vereist. Bijgevolg is het voor een derde volstrekt onduidelijk en onvoorzienbaar welke gedragingen aanleiding zouden kunnen geven tot een inbeslagneming. Daaruit volgt dat de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering onbestaanbaar zijn met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.7.
  20. Om dezelfde redenen zijn de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering eveneens in strijd met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aldus de nv « Robin ». Uit die grondwets- en verdragsbepalingen vloeit immers voort dat de inbeslagneming een voldoende toegankelijke, precieze en voorzienbare wettelijke grondslag dient te hebben. In zoverre ook de goederen van een derde die definitief werd vrijgesproken, op strafgebied vatbaar zijn voor beslag, wordt er bovendien op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom van die derde. A.7.
  21. De nv « Robin » meent dat ook het recht op een eerlijk proces van de betrokken derde, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is geschonden in zoverre het openbaar ministerie ervoor kan kiezen geen strafvervolging in te stellen, maar zich te beperken tot een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Daardoor geniet de derde niet de noodzakelijke strafrechtelijke waarborgen, zoals het recht op een dubbele aanleg. Eveneens wordt het vermoeden van onschuld van de betrokken derde geschonden. Bovendien laat artikel 464/30 van het Wetboek van strafvordering toe de vrijspraak van de derde op strafgebied te omzeilen, zodat die bepaling ook in strijd is met het beginsel non bis in idem, zoals eveneens gewaarborgd bij artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni
  22. De nv « Robin » is van mening dat de voormelde bepalingen en beginselen door het Hof in aanmerking kunnen worden genomen bij de toetsing aan de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, en dat er dus geen sprake is van een wijziging van de draagwijdte van de prejudiciële vraag. De verwijzing, door de Ministerraad, naar de overwegingen B.10 en B.11 van het voormelde arrest van het Hof nr. 178/2015, is ten slotte niet relevant. Te dezen is immers niet de situatie van de veroordeelde in het geding, maar wel die van de derde die definitief werd vrijgesproken op strafgebied. A.8.
  23. De nv « Immo-Salmon » wijst erop dat de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering een groot aantal definities bevatten van het begrip « malafide derde ». De wetgever heeft nagelaten de draagwijdte van dat begrip op een duidelijke wijze af te bakenen, zoals ook werd opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding van de wetten van 11 februari 2014 (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-2934/003, pp. 7 en 9). Zulks laat het openbaar ministerie toe om, zoals in het bodemgeschil, beslag te leggen op diverse onroerende goederen die toebehoren aan een derde, ook al werden die goederen geruime tijd vóór de aanvang van de strafprocedure aan hem overgedragen. Bijgevolg zijn de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. A.8.
  24. Volgens de nv « Immo-Salmon » beroept het openbaar ministerie zich in het bodemgeschil op artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering om strafrechtelijke uitspraken met kracht van gewijsde naast zich neer te leggen, hetgeen in strijd is met het vermoeden van onschuld, gewaarborgd bij artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In het bodemgeschil wordt de nv « Immo-Salmon » in werkelijkheid verweten te hebben meegewerkt aan het bedrieglijk onvermogen van de veroordeelde persoon, zonder dat zij wordt vervolgd voor een inbreuk op artikel 490bis van het Strafwetboek. Aldus worden haar verschillende waarborgen ontzegd, die in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek niet van toepassing zijn, zoals eveneens werd opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding van de wetten van 11 februari 2014 (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2934/001, pp. 16-17, en 2013-2014, DOC 53-2934/003, p. 9). Daardoor wordt afbreuk gedaan aan het recht op toegang tot de rechter en is bijgevolg ook artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geschonden. A.8.
  25. Tot slot geeft de omstandigheid dat beslag kan worden gelegd op de onroerende goederen van de nv « Immo-Salmon », hoewel zij niet strafrechtelijk werd veroordeeld, aanleiding tot een schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De inbeslagneming in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek vormt immers een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom, terwijl er geen sprake is van een voldoende nauwkeurige en voorzienbare definitie van het begrip « malafide derde ». De verwijzing, door de Ministerraad, naar de overwegingen B.67 en B.70.5 van het voormelde arrest van het Hof nr. 178/2015 is in dat opzicht niet relevant. Die overwegingen hebben immers betrekking op de rechtsmiddelen in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. 7 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
  26. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de inbeslagneming, in het kader van een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, van goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, maar aan een derde. B.2.
  27. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, ook « SUO » genoemd, werd ingevoerd bij de wet van 11 februari 2014 « houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) » en de wet van 11 februari 2014 « houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (II) ». Het gaat om het geheel van handelingen dat strekt tot de opsporing, de identificatie en de inbeslagneming van het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een geldboete, een bijzondere verbeurdverklaring of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd (artikel 464/1, § 1, van het Wetboek van strafvordering). Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek betreft, enerzijds, het verzamelen van inlichtingen over de vermogenssituatie van de veroordeelde en van de derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen en, anderzijds, de inbeslagneming van de dragers die deze informatie bevatten en van de vermogensbestanddelen waarop de veroordeling kan worden uitgevoerd (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2934/001 en DOC 53-2935/001, pp. 8-10). Een bijzonder vermogensonderzoek was volgens de wetgever in de eerste plaats vereist omdat er geen afdoende wettelijke instrumenten waren om effectief en efficiënt op te treden tegen een veroordeelde die zich insolvabel maakt door eigendommen over te hevelen naar familieleden, naar patrimoniale vennootschappen of naar het buitenland. In de tweede plaats achtte de wetgever de wettelijke basis voor het gebruik van dwangmiddelen door politiediensten en door het openbaar ministerie in de fase van de strafuitvoering, die een inmenging vormen in het recht op eerbiediging van het privéleven, in het recht op de 8 onschendbaarheid van de woning of in het eigendomsrecht van de veroordeelde of van derden, onvoldoende duidelijk (ibid., pp. 7-8). B.2.
  28. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek wordt gevoerd door en onder de leiding en het gezag van het openbaar ministerie. De magistraat van het openbaar ministerie die het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek voert, wordt de « SUO-magistraat » genoemd, en waakt over de wettigheid van de uitvoeringshandelingen (artikel 464/1, § 2, van het Wetboek van strafvordering). Het onderzoek heeft een subsidiair karakter. Het kan pas worden geopend nadat de wanbetaling is vastgesteld door het openbaar ministerie, dat bevoegd is voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling, of door de ambtenaar van de FOD Financiën, die bevoegd is voor de inning en de invordering van die schulden (ibid., pp. 8-10 en 13). B.3.
  29. Artikel 464/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Het SUO wordt gevoerd ten aanzien van de veroordeelde dader, hierna ‘ de veroordeelde ’ genoemd, en de derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen, hierna ‘ de malafide derde ’ genoemd ». B.3.
  30. De woorden « hierna ‘ de malafide derde ’ genoemd » werden in artikel 464/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken ». Artikel 11 van die wet heeft in verschillende andere bepalingen van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, de woorden « in artikel 464/1, § 3 bedoelde derde », « derde in de zin van artikel 464/1, § 3 » en « derde bedoeld in artikel 464/1, § 3 » vervangen door de woorden « malafide derde ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Artikel 464/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat het SUO ook is gericht tegen ‘ derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen ’. In de praktijk gebruiken de SUO-magistraten de verkorte term ‘ malafide derde ’. Bepaalde parlementsleden gebruikten deze terminologie al tijdens de bespreking van de SUO-wet. Deze term komt ook voor in de omzendbrief nr. 14/2014 van het College van procureurs-generaal over de SUO-wet. Om de leesbaarheid en de toepassing van de SUO-wet in de rechtspraktijk te faciliteren is het aangewezen om de verkorte term ‘ malafide derde ’ te bevestigen in de tekst 9 van artikel 464/1, § 3, Sv. De term ‘ malafide derde ’ voegt inhoudelijk niets toe aan de omschrijving van de derde in voormelde wetsbepaling. Alle verwijzingen in de bepalingen van de SUO-wet naar de ‘ derde bedoeld in artikel 464/1, § 3 ’ worden vervangen door de term ‘ malafide derde ’ » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2175/001, p. 8). B.4.
  31. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en gemotiveerde beslissing, alle inbeslagnemingen verrichten of laten verrichten die kunnen bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, van het Wetboek van strafvordering omschreven doel van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (artikel 464/29, § 1, van het Wetboek van strafvordering). Zijn vatbaar voor inbeslagneming : « 1° alle goederen, zowel roerende als onroerende, lichamelijke als onlichamelijke, in het vermogen van de veroordeelde, waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd; 2° alle informatiedragers, in origineel of in kopie, die zich bevinden bij de veroordeelde of derden en inlichtingen bevatten over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en over de samenstelling en de vindplaats van zijn vermogen » (artikel 464/29, § 2, van het Wetboek van strafvordering). B.4.
  32. Artikel 464/30 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « §
  33. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de in artikel 464/29, § 2, 1º, bedoelde goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, onder de volgende voorwaarden : 1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de veroordeelde het goed heeft overgedragen, zelfs voor het in kracht van gewijsde gaan van de veroordeling, aan de derde met het kennelijke doel de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten te verhinderen, of aanzienlijk te bemoeilijken; 2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare of mogelijke veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten. In zijn beslissing vermeldt de magistraat de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde het goed wil onttrekken aan de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten alsook de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid en die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming. 10 §
  34. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen ». B.4.
  35. De SUO-magistraat kan eveneens de onroerende goederen in beslag laten nemen die een zaak vormen in de zin van artikel 464/29, § 2, 1°, van het Wetboek van strafvordering (artikel 464/33, § 1, van het Wetboek van strafvordering). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.
  36. Met de prejudiciële vraag verzoekt het verwijzende rechtscollege het Hof zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering, met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol). B.
  37. Uit de prejudiciële vraag en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat die vraag specifiek de voorwaarden betreft waaronder, in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, beslag kan worden gelegd op goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, maar aan een derde. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering. B.7.
  38. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling evenwel een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. B.7.
  39. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op een eerlijk proces, en het recht op toegang tot de rechter in het bijzonder. Te dezen kan 11 niet worden aangenomen dat de waarborgen geformuleerd in die verdragsbepaling een draagwijdte hebben die analoog is aan die van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, die het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgen. Wat dat beginsel betreft, heeft artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en niet artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op toegang tot de rechter wordt gewaarborgd door artikel 13, en niet door de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. B.7.
  40. Aangezien het Hof evenmin wordt verzocht de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is de prejudiciële vraag onontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op die verdragsbepaling. B.8.
  41. Daarnaast voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, omdat het verwijzende rechtscollege niet uiteenzet in welk opzicht de artikelen 464/1 en 464/30 van het Wetboek van strafvordering onbestaanbaar zouden zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde grondwets- en verdragsbepalingen. B.8.
  42. In het bodemgeschil heeft het openbaar ministerie beslag gelegd op onroerende goederen die een strafrechtelijk veroordeelde heeft overgedragen aan derden, die zelf in de voorafgaande strafprocedure werden vrijgesproken. In de verwijzingsbeslissing overweegt het verwijzende rechtscollege dat de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering verschillende definities bevatten met betrekking tot de figuur van de « malafide derde » in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Nog volgens de verwijzingsbeslissing heeft de nv « Robin » in het bodemgeschil aangevoerd dat die bepalingen tegenstrijdig zijn, in zoverre artikel 464/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek kan worden gevoerd ten aanzien van een derde die « wetens en willens » met de veroordeelde samenspant om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de « uitvoerbare » veroordelingen, terwijl artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering, specifiek wat de inbeslagneming betreft, vereist dat de derde « wist of [...] redelijkerwijs [moest] weten » dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de 12 tenuitvoerlegging van een « uitvoerbare of mogelijke » veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten. Het verwijzende rechtscollege heeft vervolgens aan het Hof de door die partij gesuggereerde prejudiciële vraag gesteld. B.8.
  43. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het verwijzende rechtscollege van het Hof wenst te vernemen of de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering grondwettig zijn, wat betreft de vraag of die bepalingen voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn geformuleerd. Uit de door de Ministerraad bij het Hof ingediende memories blijkt overigens dat hij ter zake een dienstig verweer heeft kunnen voeren. B.
  44. De nv « Robin » voert ten slotte aan dat artikel 464/30 van het Wetboek van strafvordering ook in strijd is met het beginsel non bis in idem, zoals eveneens gewaarborgd bij artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, waaraan instemming is gegeven bij wet van 18 maart
  45. De partijen voor het Hof mogen de draagwijdte van een prejudiciële vraag evenwel niet wijzigen of uitbreiden. Het komt immers alleen aan het verwijzende rechtscollege toe te oordelen welke prejudiciële vragen het aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. Het onderzoek van de vraag kan bijgevolg niet worden uitgebreid tot een toetsing van artikel 464/30 van het Wetboek van strafvordering aan het beginsel non bis in idem. Ten gronde Wat betreft het recht op het ongestoord genot van de eigendom B.10.
  46. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». 13 Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.10.
  47. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn vervat in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepalingen, ermee rekening houdt. B.10.
  48. Elke inmenging, door de overheid, in het recht op het ongestoord genot van de eigendom moet worden bepaald door een norm die voldoende nauwkeurig is geformuleerd opdat de betrokkenen, zo nodig met behulp van deskundig advies, de gevolgen die uit een bepaalde handeling kunnen voortvloeien in redelijke mate, gelet op de omstandigheden van de zaak, kunnen voorzien. De vereiste mate van nauwkeurigheid hangt grotendeels af van de inhoud van de maatregel in kwestie, van het domein dat in principe erdoor wordt bestreken en van het aantal en de hoedanigheid van diegenen voor wie hij bestemd is (EHRM, grote kamer, 22 juni 2004, Broniowski t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2004:0622JUD003144396, §§ 136-147; grote kamer, 25 oktober 2012, Vistiņš en Perepjolkins t. Letland, ECLI:CE:ECHR:2012:1025JUD007124301, §§ 95-97; 16 september 2014, Plechkov t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2014:0916JUD000166003, §§ 88-89; grote kamer, 5 september 2017, Fábián t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD007811713, §§ 64-66). B.
  49. De inbeslagneming van bepaalde goederen, in het kader van een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, vormt een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de benadeelde derde. Bijgevolg dient een dergelijke inbeslagneming te worden bepaald door een norm die voldoende nauwkeurig is geformuleerd. B.12.
  50. Zoals is vermeld in B.8.2, is de prejudiciële vraag ingegeven door de vaststelling dat de formulering van de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van 14 strafvordering van elkaar verschilt wat betreft, enerzijds, de wetenschap in hoofde van de betrokken derde en, anderzijds, het al dan niet definitieve karakter van de veroordeling. B.12.
  51. Artikel 464/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering maakt deel uit van afdeling 1 (« Begrip en algemene beginselen ») van het hoofdstuk met betrekking tot het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Die bepaling bevat een definitie van het begrip « malafide derde », waarnaar wordt verwezen in verschillende andere bepalingen met betrekking tot het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering maakt deel uit van afdeling 4 (« Bevoegdheden van de uitvoeringsorganen ») van hetzelfde hoofdstuk. Die bepaling stelt de specifieke voorwaarden vast waaronder een inbeslagneming bij een derde mogelijk is, zonder te verwijzen naar het begrip « malafide derde », zoals gedefinieerd in artikel 464/1, § 3, van hetzelfde Wetboek. De omstandigheid dat artikel 464/30, § 1, 2°, van het Wetboek van strafvordering vereist dat de derde « wist of redelijkerwijs moest weten » dat het in beslag te nemen goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks werd overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een « uitvoerbare of mogelijke » veroordeling, terwijl er krachtens artikel 464/1, § 3, van dat Wetboek sprake is van een malafide derde wanneer de derde « wetens en willens » met de veroordeelde samenspant om diens vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de « uitvoerbare » veroordelingen, leidt bijgevolg niet tot de conclusie dat die bepalingen niet voldoende nauwkeurig, laat staan tegenstrijdig zijn. B.12.
  52. Ook voor het overige blijkt niet in welk opzicht de verkrijger van een goed niet in redelijke mate zou kunnen voorzien of dat goed al dan niet vatbaar zal zijn voor een inbeslagneming in het kader van een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Dat geldt des te meer daar de inbeslagneming slechts mogelijk is indien de derde wist of redelijkerwijs moest weten dat de overdracht ertoe strekte het goed te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een veroordeling. Aan een tekst met algemene draagwijdte kan niet worden verweten geen preciezere definitie van de vereiste wetenschap te geven. Het staat aan het openbaar ministerie en de strafuitvoeringsrechter die wetenschap te beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering onvoorzienbaar zouden maken, maar door de objectieve bestanddelen van de overdracht in overweging te nemen en met de specifieke omstandigheden van elke zaak rekening te houden. 15 Het feit dat er in artikel 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering niet alleen sprake is van een « uitvoerbare », maar ook van een « mogelijke » veroordeling, leidt niet tot een andere conclusie. Het is denkbaar dat iemand die strafbare feiten heeft gepleegd, probeert te anticiperen op een eventuele latere strafrechtelijke veroordeling, door reeds in een vroeg stadium de goederen over te dragen waarop een dergelijke veroordeling ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. B.12.
  53. Uit de omstandigheid dat, zoals in het bodemgeschil, de benadeelde derde zelf werd vrijgesproken in de voorafgaande strafrechtelijke procedure, volgt ten slotte evenmin dat de inbeslagneming op grond van artikel 464/30 van het Wetboek van strafvordering voor een dergelijke derde een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom zou vormen die niet voldoende voorzienbaar is. De vrijspraak op strafgebied laat die persoon niet toe ervan uit te gaan dat hij in geen geval nog - niet als veroordeelde, maar als derde - bij een navolgend strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek zou kunnen worden betrokken. B.
  54. De artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, zijn bijgevolg bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. Wat betreft het wettigheidsbeginsel in strafzaken B.14.
  55. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.14.
  56. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. 16 Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.15.
  57. De Ministerraad voert aan dat het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, en in het bijzonder de inbeslagneming in het kader van dat onderzoek, van burgerrechtelijke aard zijn, en dat de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet daarom niet van toepassing zijn. B.15.
  58. Te dezen volstaat het evenwel vast te stellen dat, om de redenen uiteengezet in B.12.2 tot B.12.4, de artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering hoe dan ook in overeenstemming zijn met de voorwaarden van duidelijkheid en voorzienbaarheid, waaraan de wetten in strafzaken overeenkomstig het bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel dienen te voldoen. 17 B.
  59. De artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, zijn bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 464/1, § 3, en 464/30, § 1, van het Wetboek van strafvordering schenden niet de artikelen 12, 14 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 november
  60. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.128 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.178 ECLI:CE:ECHR:2004:0622JUD003144396 ECLI:CE:ECHR:2012:1025JUD007124301 ECLI:CE:ECHR:2014:0916JUD000166003 ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD007811713 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.