← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.130

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.130 Arrest- Rolnummer: 130/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 363 - laatst gezien 2026-06-18 17:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. Geen schending (artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008)
  2. Geen schending (artikelen 39, 40 en 50 van hetzelfde decreet, in zoverre zij een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, niet toestaan een zaak aanhangig te maken bij de stakingsrechter, in het kader van een vrijwillige tussenkomst dan wel in dat van een derdenverzet, om voor hem een discriminatie aan te vechten, ter ondersteuning of in de plaats van degene die discrimineert)
  3. De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Discriminatie - Stakingsvordering - Vrijwillige tussenkomst - Derdenverzet - Rechtspersonen die een collectief belang verdedigen - Ontvankelijkheidsvoorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 130/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8058 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij beschikking van 14 november 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 juli 2023, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Zijn de artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie in overeenstemming met de artikelen 35, 127 en volgende van de Grondwet die betrekking hebben op de ‘ gemeenschapsbevoegdheden ’, alsook met de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre zij de bevoegdheid van een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, om ‘ in rechte op te treden in de geschillen waartoe dit decreet aanleiding kan geven ’ beperken, niet alleen wanneer hij een rechtsvordering instelt als eiser voor de stakingsrechter, maar ook wanneer hij voor die rechter vrijwillig tussenkomt of derdenverzet instelt, waardoor aldus wordt afgeweken van de artikelen 17, 18 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek ? 2) Zijn de artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie in overeenstemming met de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet, in samenhang 2 gelezen met artikel 6 (recht op een eerlijk proces) en artikel 13 (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij : - een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept ertoe verplichten de instemming te verkrijgen van het slachtoffer van een discriminatie – die, naar gelang van het geval, is aangevoerd of vastgesteld in het kader van een stakingsvordering – om die discriminatie voor de stakingsrechter te kunnen aanvechten ? of - ertoe leiden een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept te verbieden een zaak aanhangig te maken bij de stakingsrechter, in het kader van een vrijwillige tussenkomst dan wel in dat van een derdenverzet, om voor hem een discriminatie aan te vechten die is aangevoerd of vastgesteld in het kader van een stakingsvordering ? 3) Zijn de artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie, in samenhang gelezen met de artikelen 17, 18, 1044, 1122, 1128, 1129 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek, in overeenstemming met de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van rechtszekerheid alsook met artikel 6 (recht op een eerlijk proces) en artikel 13 (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij een persoon die zich op een persoonlijk belang beroept, toestaan derdenverzet in te stellen of vrijwillig tussen te komen voor de stakingsrechter, aan de zijde van het slachtoffer van een discriminatie – die, naar gelang van het geval, is aangevoerd of vastgesteld – dan wel aan de zijde van degene die discrimineert ? ». Memories zijn ingediend door : - de stad Brussel, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marc Uyttendaele en mr. Eva Lippens, advocaten bij de balie te Brussel; - het Interfederaal Gelijkekansencentrum (Unia), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Véronique van der Plancke, mr. Germain Haumont en mr. Jean-François Van Drooghenbroeck, advocaten bij de balie te Brussel; - de vzw « Ilya Prigogine », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier, advocaat bij de balie te Brussel; - de vzw « Centre d’Action Laïque », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Saba Parsa, advocate bij de balie Waals-Brabant; - Manuel Gigot, Isabelle Loutte, Anne Van Langenhoven, Roland Bourgeois, Ahmed Meksem, Annick Michel, Florence Pendeville, Samia Cherifi, Pierre-Jean Delvoye, Fabian Radoux, Didier Benoit, Jean-Louis Claes, Valérie Hanozet, Abdellah Idrissi Serghini, Kristel Bosko, Philippe Van Jeun, Bernard Fontaine, Marie-Claire Hoebanx, Mélanie Raczek, Anne Baccu, Muriel Renier, Philippe Van Mollekot, Dominique G. M. Salomez, Jean-Christophe Cavenaile, Mohamed El Battiui, Sébastien Delsanne, Gregory Pouchkine, Dominique Brossard, Marie-Catherine Deldicque, Isabel Bureau, Marie-Jeanne Stallaert, Mauranne Detre, Sabine Croquet, Isabelle Gerard, Virginie François, Stéphane De Maght, 3 Pierre Clemens, Cécile Demaret, Charles Huygens, Martine De Roeck-Gunther, Philippe Langenaken, Gisèle Dineur, Jacqueline Rosoux, Robert Wens, Catherine Bovy, Anne Beckers, Michelle De Vos, Marianne Van Steenbrugghe, Mina Goldfinger, Anne Linet, Anne Lahousse, Danièle Brown-Ketels, Lucien Michel, Paule Kestemont, Martine Willekens, Renée Thielemans, Myriam Baghdikian, Dominique Daems, Andrée Bogaerts, Hélène Schidlowsky, Chantal Carpentier en Michel Delers, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Dominique Grisay, advocaat bij de balie te Brussel. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum (Unia) heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De « Haute École Francisco Ferrer » (hierna : de hogeschool) is een instelling voor hoger onderwijs, waarvan de stad Brussel de inrichtende macht is. Krachtens het studiereglement van de hogeschool is het voor de studenten verboden om uiterlijke tekenen van een geloofs- of levensovertuiging te dragen. Bij een verzoekschrift van 3 november 2017 hebben meerdere personen bij de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zitting houdende in kort geding, een stakingsvordering ingesteld tegen de stad Brussel, met toepassing van artikel 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie » (hierna : het decreet van 12 december 2008). De eisende partijen zijn studenten die zijn ingeschreven of zich wensen in te schrijven aan de hogeschool en die als moslima’s een hoofddoek wensen te dragen. Zij voeren aan dat het in het studiereglement van de hogeschool vervatte verbod discriminerend is. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum (hierna : Unia) heeft, met de instemming van de eisende partijen, een vrijwillige tussenkomst ingesteld ter ondersteuning van die vordering. De Rechtbank heeft aan het Hof een prejudiciële vraag gesteld over artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 1994 « houdende bepaling van de neutraliteit van het Gemeenschapsonderwijs », waarop het Hof heeft geantwoord bij zijn arrest nr. 81/2020 van 4 juni 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.081). Bij een vonnis van 24 november 2021 heeft de Rechtbank de voor haar ingestelde stakingsvordering gegrond verklaard en de stad Brussel bevolen om een einde te maken aan de vastgestelde discriminatie. De stad Brussel heeft in het vonnis berust en heeft dus geen hoger beroep ingesteld. De vzw « Observatoire des fondamentalismes à Bruxelles », de vzw « Ilya Prigogine », voormalige en huidige gastprofessoren en personeelsleden van de hogeschool en een eredirecteur uit het onderwijs van de stad Brussel, Manuel Gigot en anderen, hebben op 11 maart 2022 beroepen in derdenverzet ingesteld tegen het vonnis van 24 november 2021 voor de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De vzw « Centre 4 d’Action Laïque » is vrijwillig tussengekomen in het kader van het door de vzw « Ilya Prigogine » ingestelde derdenverzet. Die Rechtbank heeft bij beschikkingen van 30 maart en 13 april 2022 de zaken verwezen naar de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel merkt op dat Manuel Gigot en anderen en de vzw « Ilya Prigogine » zich op een persoonlijk belang beroepen ter ondersteuning van hun derdenverzet. Volgens de Rechtbank verbiedt geen enkele bepaling van het decreet van 12 december 2008 uitdrukkelijk dat een persoon die zich op een persoonlijk belang beroept, deelneemt aan geschil dat reeds bij de stakingsrechter aanhangig is op grond van het gemeen recht van de rechtspleging, ongeacht of die persoon het slachtoffer van discriminatie beweert te zijn dan wel het belang betwist van de persoon die zegt het slachtoffer te zijn. De Rechtbank vraagt zich niettemin af of die toepassing van het gemeen recht op de stakingsvordering de partijen bij de oorspronkelijke vordering niet blootstelt aan een blijvende rechtsonzekerheid. Tegen een op artikel 43 van het decreet van 12 december 2008 gesteunde beslissing tot nietigverklaring kan op grond van artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek derdenverzet worden ingesteld door elke derde die beschikt over de hoedanigheid en het belang vereist bij het decreet van 12 december 2008 of bij het Gerechtelijk Wetboek, al naargelang van het geval, zonder enige andere tijdsbeperking dan de dertigjarige verjaring waarin artikel 1128 van hetzelfde Wetboek voorziet. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft echter geoordeeld dat de mogelijkheid om definitieve vonnissen voortdurend opnieuw in het geding te brengen het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, gelezen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel, schendt. De Rechtbank merkt op dat de vzw « Observatoire des fondamentalismes à Bruxelles » en de vzw « Centre d’Action Laïque » zich op een collectief belang beroepen ter ondersteuning van respectievelijk hun derdenverzet en hun vrijwillige tussenkomst, zodat de ontvankelijkheid ervan onderworpen is aan het decreet van 12 december
  4. Geen van beide vzw’s heeft de instemming verkregen van een slachtoffer van de in het vonnis van 24 november 2021 vastgestelde discriminatie, terwijl die instemming vereist is bij artikel 40 van het voormelde decreet. De vzw « Observatoire des fondamentalismes à Bruxelles » voldoet bovendien niet aan de vereiste dat zij op de datum van de feiten sedert ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid moet genieten. Daaruit volgt dat, krachtens de artikelen 39, 40 en 50 van hetzelfde decreet, de vorderingen van de vzw’s onontvankelijk zouden moeten worden verklaard. In die context en ten dele op verzoek van de vzw « Ilya Prigogine » stelt de Rechtbank aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft A.
  5. De vzw « Ilya Prigogine » voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen moeten worden geïnterpreteerd in die zin dat zij een specifieke procedure regelen waarbij het slachtoffer van discriminatie een stakingsvordering kan instellen als eisende partij, zonder dat die bepalingen andere rechtsmiddelen regelen, waaronder de mogelijkheid voor elke door de beslissing benadeelde rechtzoekende om derdenverzet in te stellen met toepassing van het Gerechtelijk Wetboek. Indien de bepaling zou worden geïnterpreteerd zoals de verwerende partijen op derdenverzet dat doen, dan zou de stad Brussel geen hoger beroep kunnen instellen tegen de beslissing waarbij zij wordt veroordeeld, aangezien zij niet over de bijzondere hoedanigheid beschikt waarin het decreet van 12 december 2008 voorziet, hetgeen een in rechte moeilijk toelaatbare verbreking van de gelijkheid onder rechtzoekenden met zich zou meebrengen. Een dergelijke interpretatie zou bovendien de bevoegdheidverdelende regels schenden, aangezien de decreetgever van de Franse Gemeenschap niet bevoegd is om het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen, noch om de toegang van rechtzoekenden tot een federaal rechtscollege te beperken. A.
  6. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de stad Brussel voeren aan dat de Franse Gemeenschap niet bevoegd is om de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek te beperken of te wijzigen. De organisatie van de 5 hoven en rechtbanken en het bepalen van de gerechtelijke procedure zijn immers een federale bevoegdheid. De in het geding zijnde bepalingen, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, schenden bijgevolg de in de prejudiciële vraag bedoelde referentienormen. A.3.
  7. Unia voert aan dat de gemeenschappen bevoegd zijn om uitvoering te geven aan het niet- discriminatierecht inzake onderwijs. De Franse Gemeenschap vermocht de in het geding zijnde bepalingen aan te nemen in het kader van haar impliciete bevoegdheden (artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen), aangezien die bepalingen specifieke procedureregels vaststellen voor geschillen met betrekking tot discriminatie. Volgens Unia volgt de noodzaak van de in het geding zijnde bepalingen rechtstreeks uit de antidiscriminatierichtlijnen. Die bepalingen zijn immers het noodzakelijke corollarium van de uitvoering van de Europese vereisten inzake discriminatiebestrijding in de gemeenschapsbevoegdheden. Om lacunes in de in België geboden bescherming tegen discriminatie te voorkomen, was het noodzakelijk dat de deelentiteiten de specifieke door de federale wetgever vastgestelde procedureregels in hun eigen wetgeving overnamen. Zodoende beperken de deelentiteiten zich tot de uitvoering van de Europese vereisten ter bescherming van de slachtoffers van discriminatie. De aangelegenheid leent zich vervolgens tot een gedifferentieerde behandeling. Het Hof heeft immers de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aanvaard om de in een huurovereenkomst ingevoegde arbitragebedingen te regelen (arrest nr. 156/2020 van 26 november 2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.156). Het is overigens mogelijk om, inzake derdenverzet, verschillende regels in te voeren voor bepaalde soorten geschillen. De maatregel heeft ten slotte een marginale weerslag op de federale bevoegdheid. De Franse Gemeenschap heeft immers de procedureregels van de federale antidiscriminatiewetten nauwgezet overgenomen, en de in het geding zijnde maatregel is enkel van toepassing op discriminatiegeschillen die zich voordoen binnen de bevoegdheidsgebieden van de Franse Gemeenschap. A.3.
  8. Wat in het bijzonder de interpretatie en de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen betreft, preciseert Unia dat het in artikel 39 van het decreet van 12 december 2008 bedoelde recht om in rechte op te treden een algemene uitdrukking is voor eender welke vorm van rechtsvordering (hoofdvordering, tussenkomst, beroep). De regeling waarbij een vordering aan bepaalde personen wordt voorbehouden, geldt bijgevolg ook voor de rechtsmiddelen. De tekst is duidelijk en zou niet anders kunnen worden begrepen dan dat hij van toepassing is op het derdenverzet. Unia beklemtoont dat de mogelijkheid voor andere personen dan het slachtoffer om een stakingsvordering in te stellen uitsluitend tot doel heeft het slachtoffer te beschermen, overeenkomstig de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ». De beperking van de ontvankelijkheid van buitengewone rechtsmiddelen volgt daarentegen uit vaststaande grondbeginselen van het gerechtelijk recht. Wanneer een stakingsvordering is voorbehouden aan bepaalde verzoekers (de zogenoemde « toegewezen vordering »), kunnen enkel de personen die partij kunnen zijn bij de oorspronkelijke vordering – als eisende partij of verwerende partij – aldus derdenverzet instellen. Het Hof van Cassatie heeft dit recent aanvaard met betrekking tot de procedure tot machtiging van een bewindvoerder over de goederen om voor rekening van de beschermde persoon een handeling te stellen (Cass., 12 februari 2021, C.20.0207.N). De onontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst van de vzw « Centre d’Action Laïque » vloeit voort uit het toegewezen karakter van de vordering waarop zij zogenaamd geënt is, evenals uit de onontvankelijkheid van het derdenverzet zelf. In de context van de bestrijding van discriminatie streven de voormelde beginselen van gerechtelijk recht voor het overige een essentieel doel van rechtszekerheid na ten aanzien van de slachtoffers. De bevoegdheidsoverschrijding is bijgevolg niet alleen noodzakelijk maar ook evenredig met het op Belgisch en Europees niveau nagestreefde doel om de slachtoffers van discriminatie te beschermen, alsook met de regels inzake de ontvankelijkheid van een derdenverzet ingesteld tegen een vonnis dat op een toegewezen stakingsvordering is gewezen. Unia preciseert ten slotte dat de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 1122 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek niet wijzigen. Het feit dat buitengewone rechtsmiddelen slechts in beperkte mate ontvankelijk zijn ten aanzien van een beslissing gewezen op een toegewezen vordering, vloeit voort uit het gemeen gerechtelijk recht. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft A.
  9. De vzw « Ilya Prigogine » voert aan dat de bepalingen van het decreet van 12 december 2008 enkel van toepassing zijn op het instellen van een rechtsvordering voor rekening van een persoon die meent te zijn 6 gediscrimineerd, maar dat zij geenszins inhouden dat andere personen of instellingen niet in de zaak of later in de procedure zouden kunnen tussenkomen, bijvoorbeeld door derdenverzet in te stellen, teneinde hun standpunt te doen gelden en hun belangen te verdedigen, en om de ontstentenis van elke vorm van discriminatie te laten vaststellen. Die bepalingen anders interpreteren, zou op onverantwoorde en onevenredige wijze afbreuk doen aan het recht op toegang tot een rechter, gelet op het door de decreetgever nagestreefde doel. Het is begrijpelijk dat een persoon die meent te zijn gediscrimineerd, op juridisch vlak moet kunnen worden ondersteund door verenigingen met dat statutaire doel. Er kan daarentegen niet worden verantwoord dat het voor een instelling die andere opvattingen van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou willen verdedigen, onmogelijk wordt gemaakt om tussen te komen teneinde haar belangen te vrijwaren. De vzw « Ilya Prigogine » voert aan dat, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, de in het geding zijnde bepalingen een onverantwoord en onevenredig verschil in behandeling doen ontstaan tussen de verenigingen die niet dezelfde opvatting van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verdedigen, daar de enen, die de opvatting van de persoon die meent te zijn gediscrimineerd zouden delen, vrij in de zaak kunnen tussenkomen om hun standpunt te verdedigen, terwijl dat voor de anderen, die niet hetzelfde standpunt zouden delen, niet mogelijk zou zijn. A.
  10. De vzw « Centre d’Action Laïque » voert aan dat het decreet van 12 december 2008 een lex specialis is die het mogelijk maakt snel beslissingen te verkrijgen die een einde maken aan discriminatie, ter uitvoering van artikel 7 van de richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 « houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming ». Krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek blijft voor het overige het gemeen recht van toepassing. Uit de artikelen 39 en 40 van het decreet van 12 december 2008 blijkt volgens de vzw « Centre d’Action Laïque » dat het vorderingsrecht van de mensenrechtenverenigingen aanleiding kan geven tot twee verschillende situaties : die waarin afbreuk wordt gedaan aan hetgeen de vereniging statutair nastreeft en die waarin het verzoekschrift betrekking heeft op discriminatie van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. Enkel in dat laatste geval is de instemming van het slachtoffer vereist. De vzw « Centre d’Action Laïque » voert aan dat de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen door het verwijzende rechtscollege in strijd is met de tekst van het decreet en de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen schendt. Indien het Hof die interpretatie zou volgen, dient een adviesverzoek te worden gericht aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, verbieden om een zaak aanhangig te maken bij de stakingsrechter in het kader van een vrijwillige tussenkomst of derdenverzet, teneinde een discriminatie aan te vechten, komt neer op een weigering van toegang tot de rechter. In het kader van de inachtneming van de rechten van verdediging dienen echter de derden die niet door de rechter werden gehoord daar zij geen partij in het geding zijn, over een rechtsmiddel te beschikken om de beslissing te betwisten. Aangezien geen enkele bepaling van de artikelen 39 en 40 van het decreet van 12 december 2008 voorziet in rechtsmiddelen voor derden, blijven de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek onverkort van toepassing en kunnen die derden derdenverzet instellen tegen de beslissing die hen benadeelt. Het Hof van Cassatie heeft bevestigd dat eenieder die niet in de zaak is tussengekomen, derdenverzet kan instellen tegen de door een burgerlijk rechtscollege gewezen beslissing die zijn rechten kan aantasten. A.
  11. De stad Brussel zet een argumentatie uiteen die analoog is aan die van de vzw « Ilya Prigogine » en de vzw « Centre d’Action Laïque », wat betreft de interpretatie en de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen. Een andere interpretatie zou leiden tot een schending van het recht op een eerlijk proces en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, gewaarborgd bij de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het eerste deel van de prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord, terwijl het tweede deel ontkennend dient te worden beantwoord. A.7.
  12. Unia doet gelden dat het Hof zich reeds tweemaal heeft uitgesproken over de vereiste van instemming van het slachtoffer, waaraan de rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, is onderworpen en die vervat is in de federale antidiscriminatiewetten. Het Hof heeft het bekritiseerde verschil in behandeling geldig verklaard in zijn arresten nrs. 39/2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.039) en 157/2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.157). De effectieve rechterlijke bescherming van slachtoffers van discriminatie, die zich vaak in een kwetsbare situatie bevinden, houdt in dat instellingen en verenigingen, mits een aantal voorwaarden in acht worden genomen, namens en voor rekening – en dus noodzakelijkerwijs ter ondersteuning – van die slachtoffers kunnen tussenkomen in het kader van een stakingsvordering. De door de Europese richtlijnen opgelegde instemming van het slachtoffer laat toe de evenredigheid van het verschil in behandeling te waarborgen. 7 Het is immers van belang dat discriminaties niet worden vervolgd tegen de wil van de slachtoffers, zelfs onder het voorwendsel die laatsten te beschermen of een alternatieve opvatting van hun bescherming te bevorderen. Volgens Unia volgt het feit dat belangenverenigingen niet kunnen tussenkomen ter ondersteuning van de vermeende of bewezen daders van discriminatie – en zodoende ten nadele van hun vermeende of bewezen slachtoffers – uit het evenwicht dat tot stand werd gebracht door de federale wetgever en de wetgevers van de deelentiteiten onder impuls van het Europees recht. Er dient in dat verband te worden benadrukt dat de (vermeende) daders van discriminatie niet worden gekenmerkt door een specifieke kwetsbaarheid, in tegenstelling tot de slachtoffers. Die onmogelijkheid streeft eveneens een doel van rechtszekerheid na voor de slachtoffers van discriminatie, des te meer wanneer die beperking wordt bekeken in het licht van de potentiële gevolgen van een derdenverzet dat zonder beperking openstaat voor de personen die partij kunnen zijn bij de oorspronkelijke stakingsvordering. Er wordt aangenomen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat een geschil tot in het oneindige wordt voortgezet. Het is volledig in strijd met de geest van de Europese richtlijnen dat een persoon zou kunnen optreden in plaats van de dader van een discriminatie en tegen diens wil. De belangenverenigingen willen te dezen echter tussenkomen in een procedure die is afgesloten, terwijl de verwerende partij - de stad Brussel - ervoor heeft gekozen het gewezen vonnis niet aan te vechten. Volgens Unia dient geen adviesverzoek te worden gericht aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aangezien de voorgestelde verzoeken betrekking hebben op de interpretatie van de beginselen van het Belgisch gerechtelijk recht, in voorkomend geval gelezen in het licht van het recht dat voortvloeit uit het Verdrag. A.7.
  13. Unia beklemtoont dat de vzw « Ilya Prigogine » de aanspraken die ten grondslag liggen aan haar derdenverzet, zou kunnen doen gelden in het kader van een stakingsvordering die rechtstreeks tegen Unia zou worden gericht, wegens haar eigen studiereglement, met een mogelijkheid tot hoger beroep. De in het geding zijnde regels strekken te dezen enkel ertoe de slachtoffers van discriminatie te behoeden voor een situatie die zich in casu voor het verwijzende rechtscollege aandient, namelijk dat een ideologisch debat, dat de persoonlijke situatie van de slachtoffers overstijgt, a posteriori en in tegengestelde zin wordt geënt op hun succesvolle stakingsvordering. Wat de derde prejudiciële vraag betreft A.8.
  14. Manuel Gigot en anderen voeren aan dat de redenering van het verwijzende rechtscollege op twee manieren kan worden begrepen. Enerzijds kan worden besloten dat de in het geding zijnde bepalingen geen betrekking hebben op natuurlijke personen en dat de ontvankelijkheid van hun vordering te dezen dus niet in het geding is. De prejudiciële vraag is dus niet nuttig voor het oplossen van het geschil. Anderzijds kan ook worden begrepen dat die bepalingen betrekking hebben op de betrokken verzoekers in derdenverzet, in welk geval de prejudiciële vraag niet adequaat is verwoord. De vraag dient dus te worden geherformuleerd in die zin dat zij betrekking heeft op de grondwettigheid van artikel 50 van het decreet van 12 december 2008, in zoverre het enkel een lijst van bepaalde personen (hoofdzakelijk samengesteld uit personen die het slachtoffer zijn van discriminatie of verenigingen die hen begeleiden) toestaat om in rechte op te treden en in zoverre het elke mogelijkheid voor een derde (rechtspersoon of natuurlijke persoon) beperkt om vrijwillig tussen te komen in een procedure betreffende een discriminatie of om een vonnis aan te vechten dat afbreuk zou doen aan zijn rechten. A.8.
  15. Volgens Manuel Gigot en anderen schendt artikel 50 van het decreet van 12 december 2008, in die zin geïnterpreteerd dat het voor natuurlijke personen die nochtans de hoedanigheid en een persoonlijk belang ertoe hebben, onmogelijk is om in rechte op te treden om reden dat zij niet in de lijst zijn opgenomen als slachtoffer (of begeleider van een slachtoffer) van discriminatie, de artikelen 11 en 144 van de Grondwet, evenals de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Manuel Gigot en anderen doen gelden dat het recht om in rechte op te treden, als absoluut recht, elke burger toelaat om tussen te komen voor de bevoegde nationale rechtscolleges wanneer een maatregel hem rechtstreeks en ongunstig raakt. Het recht op toegang tot een rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die vereisten mogen dat recht echter niet in die mate beperken dat de kern ervan wordt aangetast. De opgelegde beperkingen moeten overigens een legitiem doel nastreven en evenredig zijn met het nagestreefde doel. Volgens Manuel Gigot en anderen doet artikel 50 van het decreet van 12 december 2008, in de voormelde interpretatie, een onverantwoord en onevenredig verschil in behandeling ontstaan tussen de eisers en de personen die wensen op te komen tegen de bepalingen van een vonnis betreffende een discriminatie. Die personen hebben 8 geen toegang tot de rechter, aangezien zij niet in de lijst zijn opgenomen of zeker niet de instemming van het vermeende slachtoffer van discriminatie hebben gekregen. Het doel van het voormelde decreet om het recht van gediscrimineerde personen te versterken, mag niet leiden tot een beperking van de toegang tot de rechter van eenieder die een vonnis waarbij zijn rechten mogelijk worden aangetast, wil aanvechten. De personen die, zoals te dezen, geen zaak aanhangig kunnen maken bij de bevoegde rechtscolleges, worden blootgesteld aan rechtsonzekerheid. De grondslag zelf van het derdenverzet is echter een persoon die niet behoorlijk is opgeroepen, in staat te stellen om een rechtsmiddel aan te wenden wanneer de beslissing zijn rechten aantast. Daaruit volgt dat artikel 50 van het decreet van 12 december 2008 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het elke derde de mogelijkheid biedt om tussen te komen wanneer een vonnis hem benadeelt, krachtens artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek. A.
  16. De vzw « Ilya Prigogine » en de stad Brussel verwijzen naar hetgeen zij hebben uiteengezet in antwoord op de eerste en de tweede prejudiciële vraag. A.
  17. De vzw « Centre d’Action Laïque » voert aan dat het rechtssysteem rekening moet houden met een onvermijdelijke spanning tussen rechtszekerheid en de noodzakelijke evolutie van onbevredigende rechtssituaties. De in het geding zijnde bepalingen brengen geen rechtsonzekerheid teweeg, aangezien het te dezen gaat om het recht op toegang tot de rechter. Als de redenering van het verwijzende rechtscollege wordt gevolgd, zouden alle mechanismen van derdenverzet, vrijwillige tussenkomst en zelfs hoger beroep moeten worden veroordeeld. De vzw « Centre d’Action Laïque » verwijst voor het overige naar haar eerdere argumentatie en voert aan dat de derde prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.11.
  18. Unia voert aan dat de derde prejudiciële vraag berust op een kennelijk onjuiste interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen. De stakingsvordering inzake discriminatie is immers, zoals hiervoor is vermeld, een toegewezen vordering, zodat enkel de personen die partij konden zijn bij de oorspronkelijke vordering, derdenverzet kunnen instellen. De daders van de discriminatie kunnen, in het kader van een toegewezen vordering, niet worden gelijkgesteld met alle andere personen die het plan zouden opvatten om de stelling van het slachtoffer te betwisten. De derde prejudiciële vraag behoeft bijgevolg geen antwoord. A.11.
  19. Unia stelt vast dat Manuel Gigot en anderen, in zoverre zij het Hof verzoeken om de derde prejudiciële vraag te herformuleren, in wezen de stelling ondersteunen volgens welke die derde vraag is opgenomen in de eerste twee vragen. De gevraagde herformulering is bijgevolg niet noodzakelijk. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat de partijen de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vragen niet mogen wijzigen of laten wijzigen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  20. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de stakingsvordering ingevoerd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie » (hierna : het decreet van 12 december 2008) en, in het bijzonder, op het feit of bepaalde verenigingen of personen al dan niet partij kunnen worden bij een dergelijke procedure, in het kader van een vrijwillige tussenkomst dan wel in dat van een derdenverzet. 9 B.
  21. De artikelen 39, 40 en 50 van het in het geding zijnde decreet van 12 december 2008 bepalen : « Art.
  22. Wanneer afbreuk wordt gedaan aan de statutaire opdrachten die ze zich tot doel hebben gesteld, kunnen de volgende belangenverenigingen eveneens in rechte optreden in de geschillen waartoe dit decreet aanleiding kan geven : 1° de instellingen van openbaar nut en alle verenigingen die op de datum van de feiten sedert ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid genieten en die zich in hun statuten tot doel hebben gesteld de mensenrechten te verdedigen of discriminatie te bestrijden; 2° de representatieve organisaties in de zin van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; 3° de representatieve vakbondsorganisaties binnen het vakbondsoverlegorgaan aangewezen voor de besturen, diensten of instellingen waarvoor de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet van toepassing is. Art.
  23. Wanneer het slachtoffer van de discriminatie een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is, is de vordering van de organen bedoeld in artikel 37 en van de belangenverenigingen bedoeld in artikel 39 slechts ontvankelijk indien zij bewijzen dat zij handelen met instemming van het slachtoffer ». « Art.
  24. §
  25. Op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie, van de organen bedoeld in artikel 37, van één van de belangenverenigingen bedoeld in artikel 39, van het openbaar ministerie, of, naargelang de aard van de daad, het arbeidsauditoraat, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van deze wet worden overtreden en beveelt hij de staking ervan. §
  26. Op verzoek van het slachtoffer kan de voorzitter van de rechtbank het slachtoffer de forfaitaire schadevergoeding bedoeld in artikel 46, § 2, toekennen. §
  27. De voorzitter van de rechtbank kan bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt, wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder of de lokalen die hem toebehoren, en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder. Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts opgelegd worden indien zij ertoe kunnen bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden. §
  28. De vordering die steunt op § 1, wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. 10 Zij kan worden ingesteld bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de bevoegde rechtbank of bij een ter post aangetekende brief verzonden aan deze griffie. Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift : 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de verzoeker; 3° de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld; 4° het voorwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering. De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waarbij een exemplaar van het verzoekschrift is gevoegd. Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande vervolging wegens dezelfde feiten voor enig ander strafgerecht. Als een vordering tot staking van bij de strafrechter aanhangig gemaakte feiten ingesteld is, wordt over de strafvervolging pas uitspraak gedaan nadat over de vordering tot staking een in kracht van gewijsde getreden beslissing gewezen is. Tijdens de opschorting is de verjaring van de strafvordering geschorst. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgtocht. Het wordt door de griffier van de rechtbank onverwijld meegedeeld aan alle partijen en aan de procureur des Konings. §
  29. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald in de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State ». B.3.
  30. Artikel 39 van het decreet van 12 december 2008 biedt de mogelijkheid aan verschillende erin opgesomde belangenverenigingen om in rechte op te treden in de geschillen waartoe de toepassing van voormeld decreet aanleiding kan geven. Zijn opgenomen onder die belangenverenigingen, de verenigingen die op de datum van de feiten sedert ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid genieten en die zich in hun statuten tot doel hebben gesteld de mensenrechten te verdedigen of discriminatie te bestrijden, wanneer afbreuk wordt gedaan aan de statutaire opdrachten die ze zich tot doel hebben gesteld. 11 B.3.
  31. Krachtens artikel 40 van hetzelfde decreet is echter de vordering van die verenigingen, wanneer het slachtoffer van discriminatie een geïdentificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon is, enkel ontvankelijk indien zij bewijzen dat zij handelen met instemming van het slachtoffer. B.3.
  32. Artikel 50 van het decreet van 12 december 2008 regelt de stakingsvordering. Die vordering moet worden ingesteld door het slachtoffer van de discriminatie, door het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen, door het Interfederaal Gelijkekansencentrum (hierna : Unia), door een in artikel 39 van hetzelfde decreet bedoelde belangenvereniging, door het openbaar ministerie of door het arbeidsauditoraat, voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naargelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel. De vordering moet worden gericht tegen de dader van de vermeende discriminatie. Het rechtscollege waarbij de vordering is ingesteld stelt in voorkomend geval het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van het decreet worden overtreden, en beveelt de staking ervan. De stakingsvordering is een vordering « zoals in kort geding », wat betekent dat zij onderworpen is aan een vereenvoudigde en versnelde procedure. Zij stelt in voorkomend geval het slachtoffer of de vereniging die de vordering heeft ingesteld in staat om van het bevoegde rechtscollege snel een stakingsbevel te verkrijgen bij een beslissing die ten gronde is gewezen en die bij voorraad uitvoerbaar is. B.3.
  33. Artikel 50, § 2, van het decreet van 12 december 2008 is gewijzigd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 mei 2024 « tot wijziging van het decreet van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie », dat op 1 januari 2025 in werking treedt. Die wijziging heeft geen weerslag op het onderzoek van de prejudiciële vragen. B.
  34. De in B.3 vermelde maatregelen voeren verplichtingen uit waarin meerdere Europese richtlijnen voorzien (zie artikel 1 van het decreet van 12 december 2008). Die richtlijnen verplichten de lidstaten om ervoor te zorgen dat eenieder die zich door de niet-naleving van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures voor de naleving van de uit die richtlijnen voortvloeiende 12 verplichtingen en dat bepaalde verenigingen, organisaties of rechtspersonen gerechtelijke of administratieve procedures kunnen aanspannen voor rekening of ter ondersteuning van de klager, met diens toestemming (artikel 7, leden 1 en 2, van de richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 « houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming »; artikel 9, leden 1 en 2, van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep »; artikel 8, leden 1 en 3, van de richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 « houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten »; artikel 17, leden 1 en 2, van de richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 « betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) »). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  35. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de overeenstemming van de in het geding zijnde bepalingen met artikel 35 van de Grondwet, met de artikelen 127 en volgende van de Grondwet betreffende de gemeenschapsbevoegdheden, en met de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in zoverre zij « de bevoegdheid van een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, om ‘ in rechte op te treden in de geschillen waartoe [het decreet van 12 december 2008] aanleiding kan geven ’, beperken, niet alleen wanneer hij [voor de stakingsrechter] een rechtsvordering instelt als eiser [...], maar ook wanneer hij voor die rechter vrijwillig tussenkomt of derdenverzet instelt, waardoor aldus wordt afgeweken van de artikelen 17, 18 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek ». De prejudiciële vraag heeft dus betrekking op de overeenstemming van de in het geding zijnde bepalingen met de bevoegdheidverdelende regels. B.6.
  36. Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepalingen in die zin dat de voorwaarden waaronder een vereniging die zich op een collectief belang beroept, kan optreden in de geschillen waartoe het decreet van 12 december 2008 aanleiding kan geven, van toepassing zijn op zowel het instellen van de stakingsvordering als de vrijwillige 13 tussenkomsten in het kader van een dergelijke stakingsvordering of een derdenverzet tegen een vonnis gewezen op een stakingsvordering. Die interpretatie wordt betwist door de vzw « Ilya Prigogine », de vzw « Centre d’Action Laïque » en de stad Brussel, die aanvoeren dat de in het geding zijnde bepalingen in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij niet verhinderen dat iedere rechtzoekende (met inbegrip van een vereniging die een collectief belang verdedigt) die is benadeeld door een op een stakingsvordering gewezen beslissing, daartegen derdenverzet kan instellen, met toepassing van artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek, en zonder met name de instemming van het slachtoffer van de discriminatie te moeten verkrijgen. B.6.
  37. Het komt in de regel aan het verwijzende rechtscollege toe de bepalingen die het toepasselijk acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk onjuiste lezing. De artikelen 39 en 40 van het decreet van 12 december 2008, in zoverre zij de mogelijkheid voor bepaalde belangenverenigingen om « in rechte op te treden » in de geschillen waartoe voormeld decreet aanleiding kan geven aan verschillende voorwaarden koppelen, kunnen redelijkerwijs in die zin worden geïnterpreteerd dat zij niet alleen van toepassing zijn op het instellen van een rechtsvordering, maar ook op het instellen van een tussenkomst of het aanwenden van een rechtsmiddel. Het Hof antwoordt op de prejudiciële vragen in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, daar die niet kennelijk onjuist is. B.
  38. De artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek regelen de voorwaarden van de rechtsvordering : « Art.
  39. De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. De rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, is eveneens ontvankelijk onder de volgende voorwaarden : 1° het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is van bijzondere aard, onderscheiden van het nastreven van het algemeen belang; 14 2° de rechtspersoon streeft op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel na; 3° de rechtspersoon treedt op in rechte in het kader van dat maatschappelijk doel, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel; 4° de rechtspersoon streeft met zijn rechtsvordering louter een collectief belang na. Art.
  40. Het belang moet een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. De rechtsvordering kan worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen ». Artikel 1122, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek biedt aan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen de mogelijkheid om derdenverzet te doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt, op burgerrechtelijk vlak. B.
  41. Krachtens de artikelen 145 en 146 van de Grondwet is de federale wetgever bevoegd om de bevoegdheden van de rechtscolleges te omschrijven. Het vaststellen van procedureregels voor de rechtscolleges komt eveneens aan hem toe, op grond van zijn residuaire bevoegdheid. B.
  42. In zoverre zij de bevoegdheid beperken van rechtspersonen die een collectief belang verdedigen, om in rechte op te treden in de geschillen waartoe het decreet van 12 december 2008 aanleiding kan geven, en in zoverre zij in het bijzonder bepalen dat een rechtspersoon die een collectief belang verdedigt, op de datum van de feiten ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid moet genieten en dat hij de instemming van het slachtoffer van de discriminatie moet verkrijgen om in die geschillen in rechte op te treden, bevatten de in het geding zijnde bepalingen voorwaarden die afwijken van artikel 17, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en regelen zij een aangelegenheid die tot de federale bevoegdheid behoort. B.
  43. Artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 staat de Franse Gemeenschap echter toe een decreet aan te nemen dat een federale aangelegenheid regelt op voorwaarde dat die bepaling noodzakelijk is voor de uitoefening van haar bevoegdheden, die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en de weerslag van dat decreet op de federale aangelegenheid slechts marginaal is. 15 B.
  44. De gemeenschappen zijn bevoegd om een antidiscriminatiebeleid te voeren in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn. De decreetgever kon redelijkerwijs ervan uitgaan dat de invoering van een aan bepaalde personen en verenigingen voorbehouden stakingsvordering noodzakelijk was voor de uitoefening van die bevoegdheid. Zoals in B.4 is vermeld, voorzien diverse Europese richtlijnen in de verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat eenieder die zich door de niet-naleving van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures voor de naleving van de uit die richtlijnen voortvloeiende verplichtingen, en dat bepaalde verenigingen, organisaties of rechtspersonen gerechtelijke of administratieve procedures kunnen aanspannen voor rekening of ter ondersteuning van de klager, met diens toestemming. De federale antidiscriminatiewetgeving sluit echter de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen of van de gewesten vallen, uit van haar toepassingsgebied (artikel 5, § 1, van de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie »; artikel 6, § 1, van de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen »; artikel 5, § 1, van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden »). Een optreden van de decreetgever was dus noodzakelijk om te voldoen aan de Europese verplichtingen binnen het kader van de materiële bevoegdheden van de Franse Gemeenschap. Voor het overige hebben de in het geding zijnde bepalingen, in het kader van een welbepaalde wetgeving die tot de materiële bevoegdheden van de gemeenschappen behoort, slechts betrekking op de mogelijkheid van verenigingen die zich op een collectief belang beroepen om in rechte op te treden. Bovendien voorziet de federale antidiscriminatiewetgeving eveneens in specifieke voorwaarden waaronder zulke verenigingen in rechte kunnen optreden, en heeft de decreetgever zich grotendeels aangesloten bij die federale regeling. Daaruit volgt dat de bij de in het geding zijnde bepalingen geregelde aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat die bepalingen een marginale weerslag hebben op de federale aangelegenheid. B.
  45. De artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van 12 december 2008 zijn in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels. 16 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  46. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « in zoverre zij een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept ertoe verplichten de instemming te verkrijgen van het slachtoffer van een discriminatie [...] om die discriminatie voor de stakingsrechter te kunnen aanvechten », of in zoverre zij ertoe leiden « een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept te verbieden een zaak aanhangig te maken bij de stakingsrechter, in het kader van een vrijwillige tussenkomst dan wel in dat van een derdenverzet, om voor hem een discriminatie aan te vechten », aangezien het hoogst onwaarschijnlijk is dat het slachtoffer daarmee instemt. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen, enerzijds, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre zij tot gevolg zouden hebben dat alle personen die zich op een collectief belang beroepen voor de stakingsrechter op dezelfde manier worden behandeld, terwijl die personen zich niet in vergelijkbare procedurele situaties bevinden, naargelang zij aan de zijde van een slachtoffer van discriminatie of aan de zijde van de dader willen optreden, en, anderzijds, met het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces. B.14.
  47. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.14.
  48. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in 17 wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.15.
  49. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ». Die twee bepalingen waarborgen het recht op toegang tot de bevoegde rechter. B.15.
  50. Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt voor personen van wie de in dat Verdrag vermelde rechten en vrijheden zijn geschonden, een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. B.15.
  51. De artikelen 144 en 145 van de Grondwet regelen de verdeling van de geschillen tussen de gewone rechtscolleges en de administratieve rechtscolleges, naargelang van de burgerlijke of politieke aard van de rechten die het voorwerp van het geschil uitmaken. 18 Uit die bepalingen vloeit voort dat elke betwisting over een burgerlijk recht of een politiek recht voor een rechtscollege moet kunnen worden gebracht. B.
  52. Zoals in B.4 is vermeld, past de invoering van de stakingsvordering in kader van de omzetting van een aantal Europese richtlijnen, die de lidstaten verplichten om ervoor te zorgen dat eenieder die zich door de niet-naleving van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures voor de naleving van de uit die richtlijnen voortvloeiende verplichtingen. Diezelfde richtlijnen verplichten de lidstaten om ervoor te zorgen dat bepaalde verenigingen, « namens of ter ondersteuning van de klager of klaagster met zijn, c.q. haar toestemming met het oog op de naleving van de uit [die richtlijnen] voortvloeiende verplichtingen, gerechtelijke en/of administratieve procedures kunnen aanspannen ». B.
  53. De stakingsvordering is opgevat als een van de doeltreffendste wijzen om discriminatie te bestrijden, in zoverre zij de rechter de mogelijkheid geeft om zeer snel een einde te maken aan het discriminerende gedrag (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-12/15, p. 10, wat betreft de stakingsvordering die was vastgelegd bij de wet van 25 februari 2003 « ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding », waarop de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie » en het decreet van 12 december 2008 zijn geïnspireerd). Zoals in B.3.3 is vermeld, biedt die vordering immers, in voorkomend geval, het slachtoffer dat of de vereniging die de vordering heeft ingesteld, de mogelijkheid om van het bevoegde rechtscollege snel een stakingsbevel te verkrijgen bij een beslissing die ten gronde is gewezen en die bij voorraad uitvoerbaar is. De bevoegdheid van de stakingsrechter is beperkt. Hij beveelt in voorkomend geval de staking van de discriminatie en hij kan het slachtoffer, enkel op diens verzoek, een forfaitaire schadevergoeding toekennen waarvan de voorwaarden en de bedragen wettelijk zijn vastgesteld. De stakingsrechter kan de dader van de discriminatie niet tot de vergoeding van de werkelijk geleden schade veroordelen en hij kan de partijen bijvoorbeeld niet verplichten om een overeenkomst te sluiten. Daarin schuilt de doeltreffendheid van de stakingsvordering (ibid., p. 202). 19 B.
  54. Het vorderingsrecht van bepaalde organisaties en verenigingen strekt ertoe de persoon te helpen die meent te zijn gediscrimineerd en die anders, rekening houdend met de bijzonder kwetsbare situatie waarin hij zich mogelijk bevindt, niet de middelen zou vinden om alleen in rechte op te treden tegen de discriminatie waarvan hij meent het voorwerp uit te maken. De noodzaak voor een rechtspersoon om de instemming van de klager te verkrijgen, strekt in de eerste plaats ertoe te waarborgen dat een procedure niet tegen diens wil wordt ingesteld. Er bestaat een analoge vereiste voor de rechtsvordering van verenigingen in het kader van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden ». In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt vermeld dat het erom gaat « te voorkomen dat tegen de belangen van het slachtoffer in, de rechtbanken tot een forum worden omgevormd, terwijl het slachtoffer zelf geen herstel vraagt » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1979, nr. 214/9, p. 21). Die overwegingen gelden eveneens voor de stakingsvordering inzake discriminatiebestrijding (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-12/15, p. 10). B.
  55. De tweede prejudiciële vraag, in zoverre zij ervan uitgaat dat een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, de instemming van de klager moet verkrijgen om « die discriminatie [...] te kunnen aanvechten » (dat wil zeggen aanvechten dat de klager werd gediscrimineerd) voor de stakingsrechter, steunt deels op een verkeerd uitgangspunt. Bij de omzetting van de voormelde richtlijnen heeft de decreetgever de vordering van bepaalde organisaties en verenigingen in het kader van het decreet van 12 december 2008 immers enkel opgevat om de klager te ondersteunen en een einde te maken aan discriminaties wanneer er geen slachtoffer is geïdentificeerd. Het is duidelijk dat de decreetgever niet heeft willen toestaan dat een vereniging met een ander doel zou optreden. B.
  56. Rekening houdend met de doelstelling die wordt nagestreefd met de invoering van een stakingsvordering, namelijk de persoon die het slachtoffer meent te zijn van een discriminatie een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden dat snel een einde kan maken aan de discriminatie indien die wordt aangetoond, en rekening houdend met de bijzonder kwetsbare situatie van de slachtoffers van discriminatie, is het redelijk verantwoord dat, in het kader van een dergelijke stakingsvordering, de betrokken organisaties en verenigingen die een collectief belang nastreven, louter ter ondersteuning van de klager kunnen optreden. 20 Evenzo is het redelijk verantwoord dat rechtspersonen die zich op een collectief belang beroepen, in het kader van een stakingsvordering niet kunnen optreden ter ondersteuning van de vermeende dader van de discriminatie, aangezien die laatste zich a priori niet in een dermate kwetsbare situatie bevindt dat hij zijn daden niet zelf zou kunnen verantwoorden. Toelaten dat die rechtspersonen wel ter ondersteuning van de vermeende dader van de discriminatie kunnen optreden, zou voor het overige ertoe kunnen leiden dat de procedure verandert in een ideologisch debat, dat ver verwijderd is van het beperkte voorwerp van de stakingsvordering en van de belangen van het slachtoffer en van de dader van de aangevochten daad, hetgeen de decreetgever terecht heeft willen voorkomen. B.
  57. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen in het licht van de in B.15 vermelde referentienormen leidt niet tot een andere conclusie. De rechtspersonen die een collectief belang verdedigen, ontlenen uit die bepalingen immers geen recht om voor de stakingsrechter in rechte te treden teneinde dat collectief belang te verdedigen. Noch het verwijzingsvonnis, noch de memories van de partijen laten toe te bepalen welk het recht zou zijn waarop die rechtspersonen zich beroepen en waarvan de betwisting voor de rechter zou moeten kunnen worden gebracht. B.
  58. De artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van 12 december 2008 zijn bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept niet toestaan om een zaak aanhangig te maken bij de stakingsrechter, in het kader van een vrijwillige tussenkomst dan wel in dat van een derdenverzet, om voor hem een discriminatie aan te vechten, ter ondersteuning of in de plaats van de dader van de discriminatie. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
  59. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 17, 18, 1044, 1122, 1128, 1129 en 1131 van het Gerechtelijk Wetboek, met de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met de artikelen 6 en 21 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij « een persoon die zich op een persoonlijk belang beroept, toestaan derdenverzet in te stellen of vrijwillig tussen te komen voor de stakingsrechter, aan de zijde van het slachtoffer van een discriminatie [...] dan wel aan de zijde van degene die discrimineert ». B.24.
  60. Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepalingen in die zin dat zij « een persoon die zich op een persoonlijk belang beroept, toestaan derdenverzet in te stellen of vrijwillig tussen te komen voor de stakingsrechter, aan de zijde van het slachtoffer van een discriminatie - die, naar gelang van het geval, is aangevoerd of vastgesteld - dan wel aan de zijde van degene die discrimineert ». Unia betwist die interpretatie en voert aan dat, aangezien de stakingsvordering een toegewezen vordering is (dat wil zeggen een vordering die is voorbehouden aan bepaalde in het decreet aangewezen personen), enkel de personen die partij konden zijn bij de oorspronkelijke vordering derdenverzet kunnen instellen, dus met uitsluiting van de personen die zich op een persoonlijk belang beroepen en die een stelling verdedigen die tegengesteld is aan die van het slachtoffer van de discriminatie. B.24.
  61. Het komt in de regel aan het verwijzende rechtscollege toe de bepaling die het toepasselijk acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk onjuiste lezing. B.24.
  62. De stakingsvordering is een toegewezen vordering, dat wil zeggen een vordering die is voorbehouden aan bepaalde in het decreet aangewezen personen. Zoals in B.17 is vermeld, heeft de stakingsvordering een beperkt opzet, in zoverre zij ertoe strekt snel een einde te maken aan discriminerend gedrag. Uit de in het geding zijnde bepalingen blijkt impliciet maar zeker dat de personen die zich op een persoonlijk belang beroepen voor de stakingsrechter, zonder evenwel te beweren slachtoffer of dader van het vermeende discriminerende gedrag te zijn, niet de hoedanigheid hebben om een stakingsvordering in te stellen, noch om vrijwillig tussen te komen of derdenverzet in te stellen tegen een vonnis dat de staking van een discriminatie beveelt, zij het voor het overige ter ondersteuning van het slachtoffer of ter ondersteuning van de dader van de discriminatie. 22 Het vonnis gewezen op een stakingsvordering heeft een relatief gezag van gewijsde. Het is niet tegenstelbaar aan personen die daarbij geen partij zijn geweest. Die personen hebben de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen indien zij menen dat een van hun rechten wordt miskend. B.
  63. De derde prejudiciële vraag berust op een kennelijk onjuiste interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen. Zij behoeft bijgevolg geen antwoord. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  64. De artikelen 39, 40 en 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie » schenden artikel 35 van de Grondwet, de artikelen 127 en volgende van de Grondwet die betrekking hebben op de gemeenschapsbevoegdheden, en de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet.
  65. De artikelen 39, 40 en 50 van hetzelfde decreet schenden de artikelen 10, 11, 13, 144 en 145 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet in zoverre zij een rechtspersoon die zich op een collectief belang beroept, niet toestaan een zaak aanhangig te maken bij de stakingsrechter, in het kader van een vrijwillige tussenkomst dan wel in dat van een derdenverzet, om voor hem een discriminatie aan te vechten, ter ondersteuning of in de plaats van degene die discrimineert.
  66. De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november
  67. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.130 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.157 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.039 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.081 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.