id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.131 Arrest- Rolnummer: 131/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 315 - laatst gezien 2026-06-17 00:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980, in zoverre het geen alternatieve bewijsmogelijkheden toestaat voor de vereiste om een geldig identiteitsdocument voor te leggen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Vreemdelingenrecht - Gezinshereniging - Ouder van een Belgisch kind - Voorwaarden - Verplichting om een geldig identiteitsdocument voor te leggen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 131/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8072 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 292 387 van 27 juli 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 augustus 2023, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat de ouder van een Belgisch kind ertoe verplicht een geldig identiteitsdocument voor te leggen teneinde het voordeel van de gezinshereniging te genieten, bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, terwijl die vereiste (zonder enige tempering) om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, niet wordt opgelegd aan de andere familieleden van een Belg, noch aan de ouders van een Europees kind of van een kind dat onderdaan is van een derde land ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - G.Z., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Robert en mr. Sarah Janssens, advocaten bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cathy Piront, advocate bij de balie Luik-Hoei, en door mr. Emilie Brousmiche, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 20 mei 2021 dient een persoon die verklaart de Armeense nationaliteit te bezitten, als bloedverwant in opgaande lijn van een Belgische minderjarige, een aanvraag tot gezinshereniging in op grond van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Op 26 september 2022 neemt de Dienst Vreemdelingenzaken, in antwoord op die aanvraag, een beslissing tot weigering van een verblijf van drie maanden, zonder bevel om het grondgebied te verlaten. In die beslissing stelt de Dienst Vreemdelingenzaken vast dat, overeenkomstig de voormelde bepaling, de aanvrager, enerzijds, het bewijs van zijn identiteit en van de afstamming heeft geleverd en, anderzijds, elementen heeft aangebracht die ertoe strekken het bestaan van een gezinscel aan te tonen. De Dienst Vreemdelingenzaken merkt echter op dat artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 de verplichting oplegt om de identiteit te bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument. Het Armeens paspoort van de aanvrager is echter vervallen sinds 27 februari
- De beslissing van 26 september 2022 onderstreept ook dat de aanvrager geen nieuw paspoort kan verkrijgen omdat hij weigert om in Armenië zijn legerdienst te verrichten. De Dienst Vreemdelingenzaken is van mening dat die omstandigheid niet bewijst dat het onmogelijk is om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, aangezien de situatie te wijten is aan het gedrag van de betrokkene zelf. Op 25 oktober 2022 dient voormelde aanvrager bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een annulatieberoep in tegen de beslissing van 26 september
- Bij arrest nr. 292 387 van 27 juli 2023 merkt die Raad op dat artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 niet voorziet in een tempering van de vereiste van een geldig identiteitsdocument. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt overigens vast dat, in het kader van een gezinshereniging, die verplichting enkel geldt voor de bloedverwant in opgaande lijn van een Belgische minderjarige, in tegenstelling tot hetgeen is bepaald voor de andere familieleden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is in dat verband van mening dat de parlementaire voorbereiding van de voormelde bepaling die vereiste niet verantwoordt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houdt bijgevolg de uitspraak aan en stelt, op vraag van de verzoekende partij, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.
- Wat betreft het verschil in behandeling ten aanzien van de andere familieleden van Belgen, stelt de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege dat de vereiste van een geldig identiteitsdocument enkel wordt opgelegd aan de bloedverwanten in opgaande lijn van een Belgische minderjarige, zonder te worden uitgebreid tot echtgenoten, partners en bloedverwanten in neergaande lijn. Volgens haar is dat verschil in behandeling niet verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling, waarin enkel wordt gepreciseerd dat andere procedures in die vereiste voorzien. De verzoekende partij merkt op dat het doel van de wetgever erin bestond de lering uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011 in zake Ruiz Zambrano tegen Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (grote kamer, C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124) op te nemen in de Belgische wetgeving. Dat arrest laat echter geenszins toe te begrijpen waarom de ouders van een Belgisch kind een geldig identiteitsdocument moeten voorleggen. Met die beslissing wordt daarentegen beoogd een verblijfsrecht en een recht op arbeid aan die ouder toe te kennen, teneinde de naleving van de fundamentele rechten van het kind dat burger van de Europese Unie is, te waarborgen. De betwiste maatregel schendt bijgevolg artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), a fortiori wanneer de identiteit van de bloedverwant in opgaande lijn als bewezen wordt beschouwd. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de in het geding zijnde bepaling geen rekening houdt met het hogere belang van het kind, zoals gewaarborgd bij artikel 22bis van de Grondwet. In werkelijkheid getuigt die bepaling van een overdreven formalisme. De verzoekende partij onderstreept dat een Belgische ouder van een buitenlands kind die een gezinshereniging aanvraagt op grond van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, geen geldig paspoort moet voorleggen om een machtiging tot verblijf te verkrijgen. Het hogere belang van het kind is bijgevolg beschermd indien dat kind een onderdaan is van een land dat geen lid is van de Europese Unie, maar is niet beschermd indien dat kind de Belgische nationaliteit heeft. A.1.
- Wat betreft het verschil in behandeling ten aanzien van de andere categorieën van vreemdelingen, merkt de verzoekende partij op dat, in tegenstelling tot de in het geding zijnde bepaling, de artikelen 9bis, 10, 40 en 40bis van de wet van 15 december 1980 niet verplichten om een geldig identiteitsdocument voor te leggen. Ten eerste biedt artikel 40bis een burger van de Europese Unie die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en die een gezinshereniging met zijn familieleden wenst te verkrijgen, de mogelijkheid om met andere middelen dan een geldig identiteitsdocument aan te tonen dat hij dat recht geniet. Die regeling volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 « inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten » (hierna : de richtlijn 73/148/EEG), in het bijzonder uit zijn arresten van 25 juli 2002 in zake BRAX tegen Belgische Staat (C-459/99, ECLI:EU:C:2002:461) en van 17 februari 2005 in zake Salah Oulane tegen Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (C-215/03,ECLI:EU:C:2005:95). Ten tweede vereist artikel 10 van de wet van 15 december 1980 ook niet dat een geldig paspoort wordt voorgelegd, overeenkomstig de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 « inzake het recht op gezinshereniging » (hierna : de richtlijn 2003/86/EG). Ten derde vereist artikel 9bis, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, wat humanitaire regularisaties betreft, dat een identiteitsdocument wordt voorgelegd, zonder dat evenwel wordt vereist dat dat document geldig is. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt dat in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling enkel wordt gepreciseerd dat is beslist om familieleden van Belgen minder gunstig te behandelen dan familieleden van andere burgers van de Europese Unie, zonder uit te leggen waarom slechts bepaalde familieleden van Belgen nadeliger worden behandeld, noch waarom de voorwaarden voor gezinshereniging in het geval van een Belgisch minderjarig kind strenger zijn dan die voor gezinshereniging tussen onderdanen van derde landen, noch waarom de verplichting voor een Belgisch kind om het vereiste identiteitsbewijs te leveren strenger is dan de verplichting voor een onderdaan van een derde land die om de gunst van een humanitaire regularisatie verzoekt. Volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege past de in het geding zijnde bepaling de beginselen van het Unierecht niet toe zoals zij voortvloeien uit artikel 20 van het VWEU, uit de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » (hierna : de richtlijn 2004/38/EG), die de richtlijn 73/148/EEG heeft vervangen, en uit de richtlijn 2003/86/EG. De verschillen in behandeling ten aanzien van de andere familieleden van Belgen en ten aanzien van de familieleden 4 van onderdanen van derde Staten zijn bijgevolg discriminerend, temeer daar de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt het hogere belang van het kind te beschermen. Hetzelfde geldt voor het verschil in behandeling dat volgt uit het stelsel van artikel 9bis van de wet van 15 december
- Dat stelsel vormt een gunst en geen werkelijk verblijfsrecht voor de als vluchteling erkende kinderen, waarvan de gemachtigde ouders gebruikmaken. In dat verband wordt de ouder van een Belgisch kind wiens paspoort vervallen is, minder goed behandeld dan diegene die de in artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 bedoelde gunst geniet, hetgeen discriminerend is. A.1.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, voert de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat de vraag wel degelijk ontvankelijk is, aangezien zij de elementen bevat die nodig zijn om de beoogde categorieën van personen te identificeren en omdat de toepasselijke wettelijke bepalingen uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijken. De Ministerraad heeft bovendien de inhoud van de vraag, waarop hij heeft geantwoord, goed begrepen. De verzoekende partij preciseert dat het vervallen paspoort niet het enige identiteitsdocument was dat werd voorgelegd ter staving van haar aanvraag van 20 mei 2021, daar zij eveneens haar vertaalde en gelegaliseerde geboorteakte en een attest van de ambassade van Armenië heeft bezorgd. Het Hof dient zich dus uit te spreken over de gehele voorwaarde voor het bewijzen van haar identiteit door middel van een geldig identiteitsdocument, zonder zich te beperken tot de vraag of het voorgelegde identiteitsdocument vervallen is. Ten gronde stelt de verzoekende partij dat de Ministerraad de zaken onvolledig weergeeft. Hoewel alle personen die behoren tot de verschillende in de prejudiciële vraag beoogde categorieën in beginsel een identiteitsdocument moeten voorleggen, geniet immers enkel de bloedverwant in opgaande lijn van een Belgisch kind in dat verband geen enkele tempering, zoals wordt beklemtoond in de motieven van de verwijzingsbeslissing. A.1.
- Wat betreft de ouder van een kind dat onderdaan is van een derde land, preciseert de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege dat artikel 10, § 1, 7°, van de wet van 15 december 1980 niet vereist dat een geldig identiteitsdocument wordt voorgelegd. Zij geeft toe dat artikel 26/1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : het koninklijk besluit van 8 oktober 1981) vereist dat een geldig paspoort wordt voorgelegd, maar merkt op dat die vereiste enkel betrekking heeft op de als vluchteling erkende vreemdeling die zijn aanvraag tot gezinshereniging vanop het Belgische grondgebied indient op grond van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 3°, van de wet van 15 december 1980, en niet op de andere categorieën van ouders van kinderen die onderdaan zijn van een derde Staat. Volgens de verzoekende partij is artikel 36/1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 overigens in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de richtlijn 2003/86/EG. Daaruit volgt dat de vereiste om een geldig paspoort voor te leggen, zonder tempering, verboden is bij artikel 5, lid 2, van die richtlijn. Wat betreft de in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 bedoelde ouder van een kind dat burger van de Europese Unie is, merkt de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege op dat artikel 47 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, dat uitvoering geeft aan artikel 41 van de wet van 15 december 1980, toestaat dat het recht op gezinshereniging wordt toegekend op basis van een ongeldig paspoort of van enig ander bewijs van identiteit en nationaliteit. Die tempering vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de richtlijn 74/138/EEG en de richtlijn 2004/38/EG. Wat de andere familieleden van Belgen betreft, voert de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege ten slotte aan dat artikel 40ter, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980 geen geldig identiteitsdocument vereist. A.2.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, aangezien noch de bewoordingen ervan, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing toelaten de te vergelijken categorieën van personen op toereikende wijze vast te stellen. Volgens de Ministerraad identificeert het verwijzende rechtscollege immers niet voldoende nauwkeurig welke onderdanen van derde landen in de vraag worden beoogd, noch welke normatieve bepaling op hen van toepassing is. De exceptie van niet-ontvankelijkheid moet op zijn minst worden ingewilligd wat die categorie van personen betreft. A.2.
- De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat de prejudiciële vraag enigszins moet worden geherformuleerd om « de ouders van een Europees kind of van een kind dat onderdaan is van een derde land » te beogen. Hij voert ten gronde aan dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien zij op een onjuist uitgangspunt berust. De ouders van een Belgisch minderjarig kind zijn immers, in het kader van een gezinshereniging, niet de enige categorie van familieleden die een geldig identiteitsbewijs moeten voorleggen om een gezinshereniging te genieten. In werkelijkheid moeten alle in de prejudiciële vraag beoogde categorieën een dergelijk bewijs voorleggen, hoewel de precieze aard ervan kan verschillen. De Ministerraad beklemtoont dat de vraag enkel betrekking heeft op de geldigheidsvereiste van het gevraagde identiteitsdocument, en niet op andere aspecten van de gezinshereniging. 5 De Ministerraad onderstreept dat de in artikel 40bis, § 2, 5°, van de wet van 15 december 1980 beoogde ouders van Europese kinderen een geldig identiteitsdocument moeten voorleggen, krachtens artikel 41, § 1, of artikel 41, § 2, van de wet van 15 december 1980, naargelang de ouder zelf al dan niet een burger van de Unie is. Wat de onderdanen van derde Staten betreft, wordt die vereiste herhaald in artikel 52, § 2, van het koninklijk besluit van 8 oktober
- Wat de andere familieleden van een Belg betreft, verwijst artikel 40ter, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 naar artikel 41 van de wet van 15 december
- Wat ten slotte de in artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van de wet van 15 december 1980 bedoelde ouder van een onderdaan van een derde land betreft, vereist artikel 26/1, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 dat een geldig paspoort wordt voorgelegd indien hij zich in buitengewone omstandigheden bevindt die hem verhinderen terug te keren naar zijn land om het vereiste visum te vragen, evenals een bewijs van zijn identiteit. De andere gevallen waarin die ouder een aanvraag tot gezinshereniging indient vanuit België, verwijzen naar gevallen waarin de aanvrager reeds is geregulariseerd en dus reeds de voorwaarde betreffende het bewijs van zijn identiteit heeft vervuld. A.2.
- In antwoord op de door de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege uiteengezette argumenten merkt de Ministerraad op dat de prejudiciële vraag geen betrekking heeft op de categorie van personen die is bedoeld in artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, aangezien zij enkel betrekking heeft op situaties van gezinshereniging. Artikel 9bis laat een vreemdeling enkel in buitengewone omstandigheden toe een aanvraag voor machtiging tot verblijf in te dienen vanop het Belgische grondgebied. Volgens de Ministerraad toont de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege hoe dan ook niet aan dat de door die bepaling bedoelde vreemdeling tot een categorie behoort die vergelijkbaar is met die van de ouder van een Belgisch kind, zoals bedoeld in de in het geding zijnde bepaling. De Ministerraad voegt eraan toe dat in de situatie van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege geen enkel element van vreemdelingschap aanwezig is dat onder het toepassingsgebied van de bepalingen van het Unierecht valt. Zoals wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zijn die bepalingen bijgevolg niet van toepassing, aangezien de aanvraag die ten grondslag ligt aan de thans onderzochte prejudiciële vraag een aanvraag tot gezinshereniging is van een onderdaan van een derde Staat met een familielid dat onderdaan is van een lidstaat en dat zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend. De Ministerraad merkt nog op dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen, met inbegrip van beslissingen tot weigering van verblijf ten aanzien van familieleden van een burger van de Europese Unie, die de burgers van de Europese Unie het daadwerkelijke genot van de belangrijkste aan hun status ontleende rechten ontzeggen. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege toont evenwel niet aan dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 26 september 2022 haar minderjarige kind daadwerkelijk verplicht om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, waardoor het daadwerkelijke genot van bepaalde rechten hem aldus wordt ontzegd. De Ministerraad stelt bovendien dat artikel 22 van de Grondwet geen subjectief recht op verblijf creëert en dat het toelaat dat de wet het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven beperkt. Hij voert ten slotte aan dat, hoewel het hogere belang van het kind de eerste overweging is, het evenwel geen absoluut karakter heeft. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). B.1.
- Zoals vervangen bij artikel 18 van de wet van 4 mei 2016 « houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van 6 bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » en zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 11 van de wet van 10 maart 2024 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen inzake het recht op gezinshereniging », bepaalt artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 : « De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie : [...] 2° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, mits het de vader en moeder van een minderjarige Belg betreft die hun identiteit bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument en zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen ». B.1.
- Artikel 40bis, § 2, van de wet van 15 december 1980 bepaalt : « Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd : 1° de echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap werd gesloten dat beschouwd wordt als zijnde gelijkwaardig met het huwelijk in België, die hem begeleidt of zich bij hem voegt; 2° de partner, die hem begeleidt of zich bij hem voegt, met wie de burger van de Unie overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten. [...] 3° de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven; 4° de bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen; 5° de vader of de moeder van een minderjarige burger van de Europese Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, voor zover de laatstgenoemde te zijnen laste is en hij daadwerkelijk over het hoederecht beschikt. 7 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet, moet beschouwd worden als zijnde gelijkwaardig met een huwelijk in België ». B.2.
- Met toepassing van artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 staat het recht op gezinshereniging open voor de vader en moeder van een minderjarige Belg, op voorwaarde dat zij hun identiteit bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument en dat zij hun kind vergezellen of zich bij hem voegen. B.2.
- Die regeling vloeit voort uit de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging » (hierna : de wet van 8 juli 2011). B.2.
- Aan de oorsprong van de wet van 8 juli 2011 liggen verschillende wetsvoorstellen ten grondslag (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/018, pp. 1 e.v.). Die voorstellen namen vervolgens de vorm aan van een « globaal amendement », namelijk het amendement nr. 147 (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/014), dat de basistekst van die wet is geworden. B.2.
- Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 werd erop gewezen dat in België meer dan 50 % van de afgegeven visa betrekking hebben op gezinshereniging, die de voornaamste bron van legale immigratie vormt. De verschillende wetsvoorstellen bevestigen dat het recht op de bescherming van het gezinsleven een belangrijke maatschappelijke waarde is en dat migratie via gezinshereniging mogelijk moet zijn. Zij beogen evenwel het verlenen van een verblijfsrecht in het kader van gezinshereniging beter te reguleren teneinde de migratiestroom en de migratiedruk te beheersen. Voornamelijk strekken zij ertoe bepaalde misbruiken of gevallen van fraude te voorkomen of te ontmoedigen, bijvoorbeeld op het vlak van schijnhuwelijken, schijnpartnerschappen en schijnadopties. Tevens werd de noodzaak aangevoerd om de voorwaarden voor gezinshereniging bij te sturen teneinde te voorkomen dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid of dat de gezinshereniging in mensonwaardige omstandigheden zou plaatsvinden, bijvoorbeeld door het ontbreken van behoorlijke huisvesting. Ten slotte werd in de parlementaire voorbereiding ook bij herhaling 8 erop gewezen dat de wetgever bij het regelen van de voorwaarden voor gezinshereniging, rekening dient te houden met de verplichtingen die volgen uit het recht van de Europese Unie. B.2.
- Wat in het bijzonder de regeling van artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 vermeld : « Deze voorgestelde wijziging van de vreemdelingenwet bepaalt dat Belgen voortaan geen automatisch recht op gezinshereniging meer kunnen uitoefenen met aanverwanten in opgaande lijn (ascendenten). Uiteraard blijft voor hen de mogelijkheid bestaan om door toedoen van artikel 9bis Vw een verblijfsvergunning te bekomen. Het arrest Zambrano stelt echter dat aan ouders van minderjarige Belgen verblijfsrecht moet worden toegekend en een recht op een arbeidsvergunning. Deze rechten moeten dus uitdrukkelijk in de wet staan. Dit subamendement voert bijgevolg het recht in op gezinshereniging door minderjarige Belgische onderdanen met hun ouders. Deze laatsten dienen wel hun identiteit aan te tonen door een identiteitsbewijs; een voorwaarde die andere procedures in het kader van de vreemdelingenwet ook opleggen. De voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen en huisvesting kunnen echter niet worden aangetoond door een minderjarige en daardoor staan ze niet in de bepaling die deze criteria oplegt aan meerderjarige Belgen » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/017, p. 4). B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in zoverre zij het verkrijgen van het voordeel van gezinshereniging afhankelijk maakt van de verplichting voor de ouder van een Belgisch kind om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, zonder tempering, terwijl die vereiste niet wordt opgelegd aan de andere familieleden van een Belg, noch aan de ouders van een Europees kind of van een kind dat onderdaan is van een derde Staat. B.4.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, doordat zij de te vergelijken categorieën van personen niet voldoende nauwkeurig identificeert. B.4.
- Het onderzoek van de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, veronderstelt onder meer de precieze identificatie van de categorieën van personen die het voorwerp uitmaken van een verschillende of een gelijke behandeling. 9 De bewoordingen van de prejudiciële vraag waarin het Hof wordt verzocht een dergelijk onderzoek te verrichten, en minstens de motieven van de verwijzingsbeslissing, moeten dus de elementen bevatten die voor die identificatie nodig zijn. Het staat niet aan het Hof de grondwettigheid te onderzoeken van een verschil in behandeling of van een gelijke behandeling van twee categorieën van personen waarvan het zelf de contouren zou moeten bepalen. B.4.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, identificeert de prejudiciële vraag de categorieën van personen die moeten worden vergeleken met die welke wordt beoogd in de in het geding zijnde bepaling, namelijk de andere familieleden van een Belg, de ouders van een Europees kind en de ouders van een kind dat onderdaan is van een derde Staat. De motieven van de verwijzingsbeslissing geven aan dat die categorieën van personen worden bedoeld in de artikelen 10, 40bis en 40ter, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december
- Uit de memories van de Ministerraad blijkt overigens dat hij de draagwijdte van de prejudiciële vraag heeft begrepen en dat hij op de door de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege uiteengezette argumenten heeft kunnen antwoorden. B.4.
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. B.5.
- De Ministerraad voert bovendien aan dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien zij op een onjuist uitgangspunt berust. Volgens hem dienen alle beoogde categorieën van personen een geldig identiteitsdocument voor te leggen om een gezinshereniging te kunnen genieten. B.5.
- Het staat derhalve aan het Hof de vereiste van het voorleggen van een geldig identiteitsdocument te onderzoeken voor elke in de prejudiciële vraag beoogde categorie van personen. B.5.3.
- De in artikel 40ter, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 bedoelde andere familieleden van een Belg zijn, luidens die bepaling, « de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen ». 10 Met toepassing van artikel 40bis, §§ 3 en 4, van de wet van 15 december 1980 genieten de voormelde familieleden een gezinshereniging mits de in artikel 41, §§ 1 en 2, vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen. Wat betreft de familieleden die burger van de Europese Unie zijn, bepaalt artikel 41, § 1, van de wet van 15 december 1980 dat het recht op binnenkomst aan hen wordt toegekend « op voorlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, of indien [zij] op een andere wijze [kunnen] laten vaststellen of bewijzen dat [zij] het recht van vrij verkeer en verblijf [genieten] » (eerste lid), met dien verstande dat « als de burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, [...] de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terugdrijving over te gaan in de gelegenheid [stelt] om binnen redelijke grenzen de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op een andere wijze te laten vaststellen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet » (tweede lid). Wat betreft de familieleden die geen burger van de Europese Unie zijn, bepaalt artikel 41, § 2, van de wet van 15 december 1980 dat het recht op binnenkomst aan hen wordt toegekend « op voorlegging van een geldig paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld » (eerste lid) en dat « het bezit van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie of van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, verstrekt op basis van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, [...] het familielid [vrijstelt] van de verplichting het inreisvisum bedoeld in het eerste lid te verkrijgen » (derde lid), met dien verstande dat « als het familielid van een burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, [...] de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terugdrijving over te gaan, in de gelegenheid [stelt] om binnen redelijke grenzen de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op andere wijze te laten vaststellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet » (vierde lid). 11 B.5.3.
- De in artikel 40bis, § 2, 4° en 5°, van de wet van 15 december 1980 bedoelde ouders van een Europees kind zijn, luidens die bepaling, « de bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen » en « de vader of de moeder van een minderjarige burger van de Europese Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, voor zover de laatstgenoemde te zijnen laste is en hij daadwerkelijk over het hoederecht beschikt ». Met toepassing van artikel 40bis, §§ 3 en 4, van de wet van 15 december 1980, genieten de voormelde ouders van een Europees kind een gezinshereniging mits de bij artikel 41, §§ 1 en 2, van diezelfde wet vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen. B.5.3.
- De in artikel 10, § 1, 7°, van de wet van 15 december 1980 bedoelde ouders van een kind dat onderdaan is van een derde Staat, zijn « de ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of die de subsidiaire bescherming geniet, voor zover zij met hem komen samenleven en op voorwaarde dat hij jonger is dan achttien jaar en het Rijk binnengekomen is zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen ». Wat betreft de in artikel 10, § 1, 7°, van de wet van 15 december 1980 bedoelde ouders van een kind dat onderdaan is van een derde Staat, legt diezelfde wet geen bijzondere voorwaarde op betreffende het voorleggen van een geldig identiteitsdocument. B.5.3.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt ten slotte dat het verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de in artikel 41 van de wet van 15 december 1980 bedoelde alternatieven voor het vereiste om een geldig identiteitsdocument voor te leggen niet van toepassing zijn op de situatie die door de in het geding zijnde bepaling wordt beoogd : « De Raad merkt op dat uit de duidelijke bewoordingen van artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 kan worden afgeleid dat in geen enkele tempering van de vereiste om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, is voorzien. Hij is bovendien van mening dat hij de redenering in het derde onderdeel van het eerste middel van de verzoekende partij niet kan volgen, in zoverre zij uit artikel 41 van de wet van 15 december 1980 in essentie lijkt af te leiden dat de bloedverwant in opgaande lijn van een Belgische minderjarige zijn nationaliteit en identiteit zou moeten kunnen aantonen louter door middel van ‘ enig ander 12 bewijs ’ in de zin van artikel 47, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, om de rechten te kunnen genieten die die hoedanigheid hem zou moeten verlenen. De Raad heeft immers reeds herhaaldelijk uiteengezet dat hij niet van mening is dat artikel 41 van de wet van 15 december 1980, dat de familieleden van een burger van de Unie beoogt, van toepassing zou zijn als het gaat om een ‘ statische ’ Belg, zoals te dezen. Artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 is een lex specialis die in casu van toepassing is, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de verplichting om een geldig identiteitsdocument voor te leggen » (verwijzingsbeslissing, punt 3.3.2, p. 8, eigen vertaling). B.5.
- Onder de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen dienen bijgevolg enkel de vader en de moeder van een Belgische minderjarige daadwerkelijk, krachtens de wet van 15 december 1980, een geldig identiteitsdocument voor te leggen, zonder dat andere bewijsmogelijkheden zijn toegelaten, om een gezinshereniging te kunnen genieten met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd. B.6.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, betreft artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in zoverre het van toepassing is op familieleden van een Belg die zijn recht op vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, een louter interne situatie, waarop het Unierecht in beginsel niet van toepassing is. Zoals in B.2.4 is vermeld, vloeit artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 immers voort uit het streven van de nationale wetgever naar een eerlijk beleid inzake immigratie en streeft het dus een doelstelling na die verschilt van die welke met het Unierecht inzake vrij verkeer wordt nagestreefd, doelstelling die onder meer is omgezet bij artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 wat betreft de gezinshereniging van familieleden van een burger van de Unie (zie, met name, GwH, nrs. 117/2023, 13 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.117, B.7.1 tot B.7.3, 17/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.017, B.8.1, en 167/2013, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.167, B.4.4 tot B.4.6). B.6.
- Dat neemt niet weg dat het Hof erop moet toezien dat de regels die de wetgever aanneemt wanneer hij ten aanzien van sommige categorieën van vreemdelingen rekening dient te houden met het recht van de Europese Unie, niet ertoe leiden ten aanzien van de familieleden van de eigen onderdanen verschillen in behandeling in het leven te roepen die niet redelijk verantwoord zijn. B.6.
- Wanneer de wetgever de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging regelt die van toepassing zijn op categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, maar waarvan een van de categorieën onder het Unierecht valt, is hij niet verplicht strikt identieke regels in te stellen, gelet op de bij het Unierecht nagestreefde doelstellingen. In het kader van het immigratiebeleid dat tot complexe en ingewikkelde afwegingen noopt en waarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten van het recht van de Europese Unie, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Daarbij dient echter inzonderheid rekening te worden gehouden met het recht op de eerbiediging van het gezinsleven, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.7.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.7.
- De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). 14 De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.7.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens erkent niet het recht van een vreemdeling om in een bepaald land te verblijven. Volgens een vaststaand beginsel van internationaal recht hebben de Staten het recht om, onverminderd de verbintenissen die voor hen voortvloeien uit verdragen, de toegang op hun grondgebied van niet-onderdanen te regelen (EHRM, 28 mei 1985, Abdulaziz, Cabales en Balkandali t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000921480, § 67; 21 oktober 1997, Boujlifa t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1997:1021JUD002540494, § 42; grote kamer, 18 oktober 2006, Üner t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, § 54; 31 juli 2008, Darren Omoregie e.a. t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2008:0731JUD000026507, § 54; grote kamer, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, § 100; grote kamer, 9 juli 2021, M.A. t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718, § 131). Meer in het bijzonder impliceert dat artikel niet dat een Staat de verplichting zou hebben om gezinshereniging op zijn grondgebied toe te laten. Wat de gezinshereniging betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gepreciseerd : « In een zaak die zowel het gezinsleven als immigratie betreft, verschilt de omvang van de verplichting voor de Staat om op zijn grondgebied naasten toe te laten van personen die er verblijven, evenwel naargelang van de bijzondere situatie van de betrokken personen en van het algemeen belang en noopt die tot het zoeken naar een billijk evenwicht tussen de op het spel staande concurrerende belangen. De factoren waarmee in die context rekening moet worden gehouden, zijn de mate waarin het gezinsleven daadwerkelijk wordt belemmerd, de omvang van de banden die de betrokken personen in de in het geding zijnde verdragsluitende Staat hebben, de vraag of er al dan niet onoverkomelijke hindernissen bestaan voor het gezin om in het land van herkomst van de betrokken vreemdeling te wonen, en de vraag of er elementen bestaan die betrekking hebben op de controle van de immigratie » (EHRM, grote kamer, 9 juli 2021, M.A. t. Denemarken, voormeld, § 132; zie eveneens 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, voormeld, § 107; grote kamer, 24 mei 2016, Biao t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010, § 117). B.7.
- De onmogelijkheid om met zijn gezinsleden samen te leven, kan evenwel een inmenging vormen in het recht op de bescherming van het gezinsleven, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Om in overeenstemming te zijn met die bepalingen moet een dergelijke inmenging bij 15 een voldoende nauwkeurige wetsbepaling zijn vastgesteld, beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig zijn met de nagestreefde wettelijke doelstelling. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in dat verband in herinnering brengt dat « de aan de bevoegde nationale autoriteiten gelaten beoordelingsmarge zal verschillen volgens de aard van de in het geding zijnde vraagstukken en de ernst van de op het spel staande belangen » (EHRM, grote kamer, 9 juli 2021, M.A. t. Denemarken, voormeld, § 140) en dat gezinshereniging is onderworpen aan inhoudelijke vereisten (§§ 134 en 135) en aan formele vereisten voor de behandeling van de aanvragen (§§ 137 tot 139), besluit over het algemeen dat de verdragsluitende Staten een positieve verplichting hebben om gezinshereniging toe te staan wanneer verschillende omstandigheden zich cumulatief voordoen (§ 135). B.8.
- Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.8.
- Artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet verplicht om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Bij elke beslissing aangaande een kind dient het hogere belang van dat kind te primeren (EHRM, grote kamer, 26 november 2013, X t. Letland, ECLI:CE:ECHR:2013:1126JUD002785309, § 96). Zonder op zichzelf doorslaggevend te zijn, heeft dat belang zeker een belangrijk gewicht (EHRM, 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, voormeld, § 109). 16 Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. Uit die bijzondere plaats volgt evenwel niet dat met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen geen rekening zou kunnen worden gehouden. B.
- De criteria van onderscheid tussen de in B.3 vermelde categorieën van personen berusten, enerzijds, op de hoedanigheid, wat betreft de herenigde persoon, van bloedverwant in opgaande lijn of van echtgenoot, partner of bloedverwant in neergaande lijn en, anderzijds, op de nationaliteit van de persoon die het recht op gezinshereniging opent. Het gaat om objectieve criteria. B.
- Het Hof moet onderzoeken of, enerzijds, die criteria pertinent zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen en, anderzijds, de in het geding zijnde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en rekening houdt met het belang van het kind. B.
- Zoals in B.2.4 is vermeld, wilde de wetgever, met de wet van 8 juli 2011, de migratiestroom en de migratiedruk beheersen alsook misbruiken of gevallen van fraude voorkomen en ontmoedigen. Hij wilde eveneens vermijden dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arresten nrs. 121/2013 van 26 september 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.121) en 149/2019 van 24 oktober 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.149), heeft de wetgever overigens, door inzake gezinshereniging aan een Belg striktere voorwaarden op te leggen dan aan een niet-Belgische burger, een pertinente maatregel genomen in het licht van de voormelde doelstellingen, daar hij heeft vastgesteld dat het aantal Belgen die een aanvraag tot gezinshereniging kunnen indienen ten voordele van familieleden aanzienlijk is toegenomen, doordat de toegang tot de Belgische nationaliteit is vergemakkelijkt en de meeste gevallen van gezinshereniging betrekking hebben op Belgen die in ons land uit migranten zijn geboren of die Belg zijn geworden. B.12.
- Noch in de in B.2.5 geciteerde parlementaire voorbereiding, noch door de Ministerraad wordt uitgelegd in welk opzicht de door de in het geding zijnde bepaling 17 opgelegde verplichting om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, verantwoord is ten aanzien van de voormelde doelstellingen. In die parlementaire voorbereiding wordt enkel gepreciseerd dat ook andere in de wet van 15 december 1980 bepaalde procedures die voorwaarde zouden opleggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is daarentegen van oordeel dat de voormelde vereiste tot doel heeft « de opgeëiste afstammingsband met het minderjarig kind met zekerheid vast te stellen » (Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, arrest nr. 134 014 van 27 november 2014, punt 4.2, pp. 3 en 4, eigen vertaling). B.12.
- In die context ziet het Hof niet in in welk opzicht de doelstellingen die de wetgever nastreefde bij de aanneming van de wet van 8 juli 2011, de in het geding zijnde maatregel kunnen rechtvaardigen. Die maatregel brengt onevenredige gevolgen met zich mee ten aanzien van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van personen die, zoals de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, hun identiteit en de afstammingsband met andere middelen kunnen aantonen, terwijl andere procedures van de wet van 15 december 1980 voorzien in alternatieven voor de verplichting om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, zowel jegens de andere familieleden van een Belg als jegens de bloedverwanten in opgaande lijn van andere categorieën van kinderen die het recht op gezinshereniging openen. Die afwezigheid van alternatieven laat evenmin toe rekening te houden met het hogere belang van het Belgische kind dat het recht op gezinshereniging opent. B.12.
- Artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 is niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet. De omstandigheid dat een bloedverwant in opgaande lijn van een Belgische minderjarige een aanvraag tot humanitaire regularisatie kan indienen op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, dat niet vereist dat een geldig identiteitsdocument wordt voorgelegd, kan die vaststelling van ongrondwettigheid niet wijzigen, aangezien die regularisatie geen recht is maar, in beginsel, een door de overheid toegekende gunst. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », in zoverre het geen alternatieve bewijsmogelijkheden toestaat voor de vereiste om een geldig identiteitsdocument voor te leggen, schendt de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.131 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.121 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.167 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.017 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.149 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.117 ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000921480 ECLI:CE:ECHR:1997:1021JUD002540494 ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099 ECLI:CE:ECHR:2008:0731JUD000026507 ECLI:CE:ECHR:2013:1126JUD002785309 ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010 ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718 ECLI:EU:C:2002:461 ECLI:EU:C:2005:95 ECLI:EU:C:2011:124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div