← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.134

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.134 Arrest- Rolnummer: 134/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 295 - laatst gezien 2026-06-18 16:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 8, 11, § 2, tweede lid, en 15, § 2, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde. Bestuursrecht - Gebruik van de talen in bestuurszaken - Faciliteitengemeenten - Taalgrensgemeenten - Bestuurlijke verplichtingen - Gemeenten uit het Malmedyse - Taal van de mededelingen voor het publiek - Randgemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode - Personeelsleden - Vereiste elementaire kennis van de Franse taal Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 134/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8097 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 8, 11, § 2, tweede lid, en 15, § 2, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 24 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 oktober 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden de artikelen 8 en 11 § 2 lid 2 van de Bestuurstaalwet het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, opgenomen in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 van de Grondwet, voor zover het de stad Ronse kwalificeert als taalgrensgemeente en aan dezelfde bestuurlijke verplichtingen onderwerpt als bepaalde andere faciliteitengemeenten, waar het aantal Franstalige inwoners dat nog een beroep wenst te doen op taalfaciliteiten in de Stad Ronse zou zijn afgenomen of substantieel lager ligt dan in andere faciliteitengemeenten, terwijl in de aangehaalde wettelijke bepalingen niet wordt verwezen naar een objectief en vaststelbaar criterium dat toelaat na te gaan of er nog sprake is van een vergelijkbare categorie van gemeenten en de gelijke behandeling redelijk verantwoord is ? Schenden de artikelen 8 en 11, § 2, lid 2 van de Bestuurstaalwet het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, opgenomen in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 van de Grondwet, voor zover die bepalingen een verplichting inhouden 2 voor de stad Ronse om de berichten en mededelingen voor het publiek ook op te stellen in het Frans, terwijl in de gemeenten uit het Malmedyse, de opmaak van berichten en mededelingen voor het publiek in de desbetreffende landstaal afhankelijk maakt van een beslissing van de gemeenteraad, terwijl in de aangehaalde wettelijke bepalingen niet wordt verwezen naar een objectief en vaststelbaar criterium dat toelaat na te gaan of er al dan niet sprake is van een vergelijkbare categorie van gemeenten en de verschillende behandeling redelijk verantwoord is ? Schenden de artikelen 8 en 15, § 2 van de Bestuurstaalwet het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, opgenomen in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 van de Grondwet, voor zover die bepalingen een elementaire kennis van de Franse taal vereisen van alle personeelsleden van de stad Ronse die in contact komen met het publiek, terwijl art. 31 Bestuurstaalwet in de gemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode, enkel vereist dat de gemeentelijke diensten zodanig worden georganiseerd dat zonder moeite kan worden voldaan aan de taalfaciliteiten, terwijl in de aangehaalde wettelijke bepalingen niet wordt verwezen naar een objectief en vaststelbaar criterium dat toelaat na te gaan of er al dan niet sprake is van een vergelijkbare categorie van gemeenten en de verschillende behandeling redelijk verantwoord is ? ». Memories zijn ingediend door : - de feitelijke vereniging « Ronse Tweetalig – Renaix bilingue », Patrick Vanovertveldt, Marc Delouvroy, Philippe Torcque, Erik Van Der Eedt en Marianna Vanlaeken, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Hans Van de Cauter, advocaat bij de balie te Brussel; - de stad Ronse, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Laure Proost en mr. Cedric Jenart, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nathanaëlle Kiekens, mr. Lieselotte Schellekens en mr. Natan Vermeersch, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, mr. Marc Verdussen, mr. Cécile Jadot en mr. Félicien Denis, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier, advocaat bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de stad Ronse, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen; - de Vlaamse Regering; - de Waalse Regering. 3 Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil De stad Ronse, een taalgrensgemeente in de zin van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet), wordt gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, door de feitelijke vereniging « Ronse tweetalig – Renaix bilingue » en door 5 natuurlijke personen die lid zijn van de feitelijke vereniging. De vordering van de feitelijke vereniging werd evenwel door het verwijzende rechtscollege onontvankelijk verklaard. De eisende partijen in het bodemgeschil voeren aan dat het bestuur van de stad Ronse weigert om straatnaamborden, aanwijzingsborden en officiële opschriften in beide landstalen weer te geven, terwijl de stad daartoe, overeenkomstig de Bestuurstaalwet, verplicht is. Hun standpunt vindt steun in de adviezen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, die werden uitgebracht naar aanleiding van de concrete situaties die door de eisende partijen werden aangekaart. Het verwijzende rechtscollege stelt dat er verschillende categorieën van faciliteitengemeenten bestaan, waarbij sommige gemeenten de vrijheid krijgen om zelf te oordelen of een bericht naar de minderheidstaal moet worden vertaald, zoals de gemeenten in het Malmedyse, terwijl andere gemeenten naar eigen inzichten de gemeentelijke diensten mogen organiseren zodat « zonder moeite » aan de taalfaciliteiten kan worden voldaan (artikel 31 van de Bestuurstaalwet). De stad Ronse heeft evenwel geen keuze. Het verwijzende rechtscollege meent dat er geen objectief en vaststelbaar criterium voor handen lijkt te zijn op basis waarvan dat onderscheid wordt gemaakt, terwijl er voor de stad Ronse klaarblijkelijk een veel lagere vraag is naar de toepassing van de taalfaciliteiten. Dat houdt de vraag in naar de redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling van ogenschijnlijk gelijke situaties, enerzijds, en de gelijke behandeling van verschillende situaties, anderzijds. Het verwijzende rechtscollege beklemtoont dat de grondwettelijk geregelde indeling in taalgebieden niet ter discussie wordt gesteld, maar enkel de pertinentie en de proportionaliteit van de faciliteiten zoals die van toepassing zijn in de stad Ronse. Ook wordt niet het verondersteld uitdovend karakter van de faciliteiten, noch de vraag naar een nieuwe talentelling opgeworpen. De vraag moet enkel gesteld worden of er objectieve criteria zijn die moeten toelaten de relevantie van bepaalde demografische gegevens in rekening te brengen bij het bepalen van de noodzaak en proportionaliteit van de faciliteitenregeling zoals die heden van toepassing is voor de stad Ronse. Het verwijzende rechtscollege stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1.

  1. De Waalse Gewestregering werpt op dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de drie prejudiciële vragen. De Grondwetgever heeft, in het kader van de totstandkoming van artikel 129 van de Grondwet, de door de wetgever gemaakte keuzes op het vlak van de taalfaciliteiten immuun gemaakt voor een grondwetscontrole. De bekrachtiging van de Grondwetgever van die door de wetgever gemaakte keuzes voorkomt dat de grondwettigheid ervan nog in twijfel kan worden getrokken. Hoewel de bijzondere wetgever die keuzes kan wijzigen, is het Hof enkel bevoegd om kennis te nemen van de lijst van de faciliteitengemeenten die destijds werd opgenomen in de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet), zonder dat het hierop enige controle kan uitoefenen. A.1.
  2. De Vlaamse Regering meent dat de stelling van de Waalse Gewestregering niet kan worden gevolgd, daar dat standpunt neerkomt op de miskenning van het beginsel dat de wet niet onschendbaar is. Krachtens artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om wettelijke bepalingen te toetsen aan de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. De in het geding zijnde bepalingen zijn onbetwistbaar wettelijke bepalingen. De enige nuancering van de principiële bevoegdheid van het Hof bestaat erin dat het Hof zich onbevoegd verklaart om zich uit te spreken over een middel dat ertoe zou leiden een door de Grondwetgever gemaakte keuze te beoordelen. De ongelijke behandeling berust dan op een keuze van de Grondwetgever, hetgeen tot gevolg heeft dat het Hof die keuze niet aan de Grondwet kan toetsen. In die zin wordt de door de wetgever gemaakte en door de Grondwetgever bekrachtigde keuze « geïmmuniseerd ». De Vlaamse Regering meent dat te dezen de Grondwetgever geen keuze van de wetgever zou hebben kunnen « bekrachtigen » en « immuniseren tegen elke rechterlijke controle », zonder die keuze als dusdanig ook te « constitutionaliseren ». Geen enkele (grond)wettelijke regel, geen enkele doctrine of geen enkel beginsel voorziet in een dergelijke « immunisering » zonder « constitutionalisering ». Hoewel de Grondwetgever in 1970 de taalgebieden, de daarmee verbonden taalgrens en het territorialiteitsbeginsel grondwettelijk heeft verankerd, heeft hij op geen enkele manier de lijst van de faciliteitengemeenten, die werd opgenomen in de Bestuurstaalwet, bekrachtigd, noch heeft hij met de opname van de stad Ronse als taalgrensgemeente ingestemd. Uit de loutere omstandigheid dat er een zekere band bestaat tussen het vaststellen van de taalgrens, die nadien in de Grondwet werd verankerd, en het vaststellen van de faciliteitengemeenten die zijn opgenomen in de Bestuurstaalwet, volgt niet dat de in de Bestuurstaalwet opgenomen lijst van faciliteitengemeenten zelf een grondwettelijke kracht zou hebben. De Grondwetgever heeft enkel de bijzondere wetgever gemachtigd om, zo nodig, de lijst van faciliteitengemeenten te wijzigen. Van een « immunisering » zou enkel sprake kunnen zijn indien de lijst van faciliteitengemeenten in de tekst zelf van de Grondwet zou zijn opgenomen. A.1.
  3. De stad Ronse, als verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, meent dat er geen « grondwettelijke verankering » van de bestuurstaalwetgeving is, die ertoe zou leiden dat de bevoegdheid van het Hof om de prejudiciële vragen te beantwoorden in twijfel wordt getrokken. Het loutere feit dat artikel 129, § 2, van de Grondwet een bevoegdheidsregel verwoordt met betrekking tot het wijzigen van de regelgeving inzake taalfaciliteiten, betekent niet dat de Grondwetgever de regeling zelf heeft « geratificeerd » of « gebetonneerd » om die zodoende te onttrekken aan de grondwettigheidstoets. De Grondwet regelt louter het mechanisme van de wijziging van de wetgeving en stelt dat dit dient te gebeuren door middel van een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, derde lid, van de Grondwet. Uit een nauwe band tussen een grondwetsartikel en een wet kan niet worden afgeleid dat de bepalingen van die wet zelf een grondwettelijke kracht hebben, wanneer het grondwetsartikel zich beperkt tot het organiseren van de wijze waarop de wet moet worden gewijzigd. Tevens merkt de stad Ronse op dat de bekommernis van de Waalse Gewestregering dat « elk element van dit systeem » zou helpen om het gevonden evenwicht te behouden en een communautaire vrede te garanderen waardoor onmogelijk in een van die elementen wijzigingen kunnen worden aangebracht zonder het hele systeem te verstoren, niet pertinent en niet correct is. Het sleutelen aan een van de elementen die deel uitmaken van regelgeving die uit institutionele afspraken bestaat, zal niet tot gevolg hebben dat het hele systeem wordt verstoord. 5 Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het behoud van afspraken in het licht van het « consociationalisme » nog steeds onderworpen moet kunnen worden aan de toetsing aan de individuele grondrechten. Ten gronde Standpunt van de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege A.
  4. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege menen dat de stad Ronse, verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, de faciliteitenregeling ondergraaft, terwijl de stad onbevoegd is om de taalwetgeving aan te passen. De taalkundige minderheden in België worden niet alleen beschermd door de regeling van de faciliteitengemeenten in de Bestuurstaalwet, maar ook door de Grondwet. Zo bepaalt artikel 129, § 2, van de Grondwet dat enkel de Belgische Staat bevoegd is om het gebruik van talen in bestuurszaken te regelen dat in de faciliteitengemeenten geldt. De argumentatie van de stad Ronse is politiek geïnspireerd en mist elke juridische en feitelijke grondslag, waardoor geen prejudiciële vragen dienden te worden gesteld aan het Hof. Standpunt van de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege A.3.
  5. Aangaande de eerste prejudiciële vraag voert de stad Ronse aan dat de gelijke behandeling van de verschillende faciliteitengemeenten niet in redelijkheid te verantwoorden is. Aan de stad Ronse worden grotendeels dezelfde zwaarwegende inhoudelijke verplichtingen opgelegd als aan andere faciliteitengemeenten, terwijl de vraag naar Franstalige taalfaciliteiten in de stad Ronse beduidend lager ligt dan in bepaalde andere faciliteitengemeenten, zoals Voeren. De objectieve, demografische omstandigheden in een taalgrensgemeente zoals de stad Ronse, zijn fundamenteel verschillend van de omstandigheden in Voeren, maar de opgelegde verplichtingen zijn dezelfde. De huidige demografische omstandigheden in de stad Ronse zorgen ervoor dat de stad slechts in juridische zin een faciliteitengemeente is, waar dezelfde regeling geldt als in de andere faciliteitengemeenten, maar waarvoor elke pertinentie ontbreekt, en enkel schade toebrengt aan de stad Ronse. De stad Ronse meent dat er geen objectief, pertinent en vaststelbaar criterium van onderscheid is, omdat in de parlementaire voorbereiding niet wordt verduidelijkt wat de beslissende factor was om bepaalde gemeenten als faciliteitengemeenten in te delen. Zo worden de talentellingen vermeld, alsook de studies, verslagen en vaststellingen van het « Centrum van Onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke, politieke en rechtskundige vraagstukken in de Vlaamse en Waalse gewesten » (hierna : Centrum Harmel), maar ook de debatten, besprekingen en compromissen in het federaal parlement. Indien het Hof zou oordelen dat de keuzes van de wetgever wel steunen op een objectief, pertinent en vaststelbaar criterium van onderscheid, dan meent de stad Ronse dat het criterium het criterium van « taalkundige werkelijkheid » moet zijn geweest. De taalfaciliteiten zijn immers ontstaan uit een probleem van bestuurstaal. Indien wordt geoordeeld dat het toegelaten is om de « werkelijke toestanden » ook na te gaan aan de hand van beschikbare gegevens, dan wordt niet manifest afbreuk gedaan aan de keuze van de wetgever. Er kan niet worden aangenomen dat de toenmalige wetgever, noch het Centrum Harmel, de bedoeling had om taalfaciliteiten toe te kennen aan steden of gemeenten waar geen manifeste minderheid aanwezig was die een beroep op de taalfaciliteiten zou willen doen. De stad Ronse meent dat de enige grondwetsconforme interpretatie die is waarbij de taalkundige werkelijkheid het objectief criterium is waaraan moet worden getoetst, en dat het het Hof toegelaten moet zijn om die taalkundige werkelijkheid te beoordelen op basis van beschikbare objectieve, pertinente en vaststelbare gegevens, die het Hof de mogelijkheid geven om een vergelijking te maken tussen de taalgrensgemeenten en te beoordelen of de gelijke behandeling op heden nog steeds redelijk verantwoord is. De taalkundige werkelijkheid kan worden aangetoond aan de hand van de zeer weinige aanvragen die de stad Ronse ontvangt voor Franstalige officiële documenten. Wat de proportionaliteitstoets betreft, merkt de stad Ronse op dat de taalkundige werkelijkheid minstens een zwaarwichtig element is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de onredelijkheid van de aan haar opgelegde verplichtingen. Er anders over oordelen, zou tot gevolg hebben dat geen nuttige beoordeling kan worden gemaakt van de evenredigheid van de verplichtingen die op de stad Ronse rusten. Het is immers 6 schadelijk om de taalfaciliteiten, die een bijkomende last, kost en verplichting betekenen, in stand te houden indien de vraag hiernaar manifest verwaarloosbaar is. Als besluit stelt de stad Ronse dat de taalkundige werkelijkheid op basis van officiële, objectieve en vaststelbare gegevens moet kunnen worden nagegaan en dat die taalkundige werkelijkheid daarna moet dienen om de proportionaliteit van de verplichtingen te beoordelen. A.3.
  6. Aangaande de tweede prejudiciële vraag voert de stad Ronse aan dat de stad Ronse en de gemeenten uit het Malmedyse zich in een feitelijk vergelijkbare situatie bevinden, terwijl de gemeenteraad van de gemeenten uit het Malmedyse kan kiezen of de berichten, mededelingen en formulieren bestemd voor het publiek ook in het Duits zullen worden opgesteld, naast het verplichte Frans, terwijl die keuze niet bestaat voor de stad Ronse. Tot op heden heeft geen enkele gemeente uit het Malmedyse een dergelijke beslissing genomen, wat betekent dat de gemeenteraad ervoor heeft gekozen om die taalfaciliteiten niet te verlenen. In feite bevinden de stad Ronse en de gemeenten uit het Malmedyse zich in dezelfde situatie, daar beide categorieën van gemeenten menen dat er zeer weinig vraag is naar de taalfaciliteiten. Het verschil in behandeling bestaat evenwel erin dat in de stad Ronse een absolute verplichting geldt om de berichten en mededelingen voor het publiek ook op te stellen in het Frans, terwijl in de gemeenten uit het Malmedyse de opmaak van berichten en mededelingen voor het publiek in de desbetreffende landstaal afhankelijk wordt gemaakt van een beslissing van de gemeenteraad, die hierbij rekening houdt met de specifieke vraag hiernaar. De stad Ronse meent dat er geen objectief, pertinent en vaststelbaar criterium van onderscheid is. Nergens wordt duidelijk gemaakt waarom de wetgever voor de stad Ronse niet eveneens heeft gekozen voor de regeling van de gemeenten uit het Malmedyse. Nochtans werd die regeling wel voorgesteld door het Centrum Harmel. Net zoals bij de eerste prejudiciële vraag meent de stad Ronse dat, indien het Hof zou oordelen dat de keuzes van de wetgever wel steunen op een objectief, pertinent en vaststelbaar criterium van onderscheid, dat criterium het criterium van « taalkundige werkelijkheid » moet zijn geweest. Er kan niet worden aangenomen dat de toenmalige wetgever, noch het Centrum Harmel, de bedoeling had om taalfaciliteiten toe te kennen aan steden of gemeenten waar geen manifeste minderheid aanwezig was die een beroep op de taalfaciliteiten zou willen doen. Wat de proportionaliteitstoets betreft, herhaalt de stad Ronse dat de taalkundige werkelijkheid minstens een zwaarwichtig element is waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling van de onredelijkheid van de aan haar opgelegde verplichtingen. A.3.
  7. Aangaande de derde prejudiciële vraag meent de stad Ronse dat een elementaire kennis van de tweede landstaal door alle personeelsleden van de stad Ronse die in contact komen met het publiek, niet meer verantwoord is, gelet op de hedendaagse demografische realiteit en de vastgestelde vraag naar de taalfaciliteiten in de stad. De stad Ronse en de gemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode zijn alle gemeenten die behoren tot het Nederlandstalig taalgebied en die door de wetgever zijn aangewezen als taalfaciliteitengemeenten. Het verschil in behandeling tussen die faciliteitengemeenten bestaat erin dat de personeelsleden van de stad Ronse die in contact komen met het publiek een elementaire kennis van het Frans moeten hebben, terwijl in de gemeenten Wezembeek- Oppem en Sint-Genesius-Rode enkel wordt vereist dat de gemeentelijke diensten zodanig worden georganiseerd dat zonder moeite kan worden voldaan aan de taalfaciliteiten. De stad Ronse meent dat er geen objectief, pertinent en vaststelbaar criterium van onderscheid is. Nergens wordt duidelijk gemaakt waarom de wetgever voor de stad Ronse niet eveneens heeft gekozen voor de regeling van de gemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode. De keuze die aan die gemeenten wordt gegeven, betekent dat die gemeenten zeggenschap hebben over de invulling van de taalfaciliteiten, in tegenstelling tot de stad Ronse. Net zoals bij de eerste en tweede prejudiciële vraag merkt de stad Ronse op dat, indien het Hof zou oordelen dat de keuzes van de wetgever wel steunen op een objectief, pertinent en vaststelbaar criterium van onderscheid, dat criterium het criterium van « taalkundige werkelijkheid » moet zijn geweest. De enige grondwetsconforme interpretatie is die waarbij de taalkundige werkelijkheid het objectief criterium is waaraan moet worden getoetst, en aan het Hof moet het toegelaten zijn om die taalkundige werkelijkheid te beoordelen op basis van beschikbare objectieve, pertinente en vaststelbare gegevens. 7 Wat de proportionaliteitstoets betreft, herhaalt de stad Ronse dat de taalkundige werkelijkheid minstens een zwaarwichtig element is waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling van de onredelijkheid van de aan haar opgelegde verplichtingen. A.4.
  8. De stad Ronse voert aan dat, in tegenstelling tot wat de Waalse Gewestregering en de Franse Gemeenschapsregering stellen, de omstandigheid dat de in het geding zijnde bepalingen deel zouden uitmaken van een geheel van regelgeving dat een evenwicht tussen de gemeenschappen nastreeft, niet inhoudt dat een onverantwoorde ongelijkheid eeuwig ongewijzigd moet blijven, vooral wanneer de wetgeving strijdig is met de Grondwet. Uiteraard moet het respect voor grondrechten gezien worden als een grondbeginsel in de Belgische rechtsorde. Ook in het arrest nr. 73/2003 van 26 mei 2003 (ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.073) heeft het Hof bevestigd dat het behouden van politieke afspraken geen vrijgeleide kan zijn om een schending van grondrechten te verantwoorden. A.4.
  9. Aangaande de tweede prejudiciële vraag, merkt de stad Ronse op dat, in tegenstelling tot wat de Waalse Gewestregering voorhoudt, het loutere feit dat er sprake is van een andere taalgroep met een andere culturele achtergrond niet voldoende is om te besluiten dat de faciliteitengemeenten niet vergelijkbaar zouden zijn. Een omgekeerde conclusie zou in de Belgische context nauwelijks discriminatietoetsingen toelaten. De stad Ronse stelt ook vast dat de rechten van de Franstalige minderheid in de stad Ronse omvangrijker zijn dan die van de Duitstalige minderheid in de gemeenten uit het Malmedyse. De vraag kan worden gesteld of de regeling, die aan de stad Ronse een absolute verplichting oplegt, louter voortvloeit uit het feit dat de taalkundige minderheid, die te dezen beschermd moet worden, een Franstalige taalkundige minderheid is. A.4.
  10. Als laatste punt in haar memorie van antwoord stelt de stad Ronse voor om advies te vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat zij meent dat er in de verschillende gevallen die zij heeft omschreven sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die als analoge grondrechten moeten worden gelezen conform artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 8 van hetzelfde Verdrag. Standpunt van de Waalse Gewestregering A.5.
  11. Wat betreft de eerste prejudiciële vraag, merkt de Waalse Gewestregering vooreerst op dat de stad Ronse zich wel bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van de andere taalgrensgemeenten. De door de wetgever nagestreefde doelstellingen zijn het bewaren van een duurzame communautaire vrede en de bescherming van de minderheden door het bereiken van een juiste balans. Om dat te bereiken, heeft de wetgever vier categorieën van taalfaciliteitengemeenten opgericht, waaronder de taalgrensgemeenten. Die taalgrensgemeenten zijn aangewezen rekening houdend met verschillende criteria die zijn vastgesteld door de wetgever en voortvloeiend uit zijn beoordelingsvrijheid. Gemeenten die geografisch dicht bij elkaar liggen, worden op dezelfde manier behandeld. De eerste prejudiciële vraag zou het Hof verplichten rekening te houden met het effectieve gebruik van de taalfaciliteiten in de taalgrensgemeenten, waarbij een verminderd gebruik van de faciliteiten in een bepaalde gemeente tot gevolg zou moeten hebben dat die gemeente de mogelijkheid krijgt om de taalfaciliteiten niet na te leven. Een dergelijke redenering kan niet worden gevolgd. Integendeel, het afschaffen van de volkstelling bevestigt de stelling dat geen rekening meer moet worden gehouden met het aantal anderstalige inwoners dat gebruikmaakt van de faciliteiten. Voor zover het Hof zou oordelen dat de stad Ronse voldoende verschilt van de andere taalgrensgemeenten, meent de Waalse Gewestregering dat de gelijke behandeling berust op een objectief en pertinent criterium. Aangaande de proportionaliteit merkt de Waalse Gewestregering op dat het systeem van taalfaciliteiten voor de taalgrensgemeenten en dus ook voor de stad Ronse niet in abstracto en afzonderlijk kan worden beoordeeld. Alle taalfaciliteiten vormen een ondeelbaar systeem en zijn het resultaat van wetgevend werk en van verschillende complexe politieke akkoorden die gesloten werden tussen de twee grote gemeenschappen van het land. Elk element in de taalfaciliteiten ondersteunt het systeem waardoor het evenwicht kan behouden blijven en garandeert een duurzame communautaire vrede. Het is, volgens de Waalse Gewestregering, niet mogelijk een van die elementen ter discussie te stellen, zonder de algemene balans te verstoren. Het behoud van de communautaire vrede verantwoordt ook waarom er verschillende systemen van taalfaciliteiten zijn voor de verschillende gemeenten. 8 Derhalve is de gelijke behandeling van de stad Ronse met de andere taalgrensgemeenten proportioneel en moet de eerste prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. A.5.
  12. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voert de Waalse Gewestregering aan dat de stad Ronse en de gemeenten uit het Malmedyse zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. Het doel van de wetgever is immers meervoudig. Enerzijds is het de bedoeling om op duurzame wijze de communautaire vrede te bewaren, en anderzijds beschermen de faciliteiten de taalkundige minderheden in de verschillende gemeenten. Het is niet mogelijk de stad Ronse, die zich situeert tussen de Nederlandstalige regio en de Franstalige regio, te vergelijken met de gemeenten uit het Malmedyse die zich situeren in de Franstalige regio en dichtbij de Duitstalige regio. De verschillende systemen van taalfaciliteiten worden verantwoord door de inherente complexiteit in het taalgebruik. Voor zover het Hof zou oordelen dat de stad Ronse wel kan worden vergeleken met de gemeenten uit het Malmedyse, meent de Waalse Gewestregering dat het criterium van onderscheid objectief en pertinent is. Elke categorie van de taalfaciliteitengemeenten beschikt over eigen politieke, historische, sociale, culturele en taalkundige bijzonderheden, die een verschillende behandeling verantwoorden. Aangaande de proportionaliteit meent de Waalse Gewestregering dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de keuze van de Grondwetgever, hetgeen niet tot de controlebevoegdheid van het Hof behoort. Het bewaren van de communautaire vrede rechtvaardigt de noodzaak om verschillende systemen van taalfaciliteiten toe te passen op verschillende categorieën van taalfaciliteitengemeenten, waarbij de wetgever tevens een beoordelingsvrijheid heeft. A.5.
  13. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, meent de Waalse Gewestregering dat het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium op basis waarvan het mogelijk is te oordelen dat de te vergelijken categorieën van gemeenten verschillend zijn en dat dit verschil in behandeling redelijk verantwoord is. A.
  14. In haar memorie van antwoord merkt de Waalse Gewestregering op dat het feit dat de taalkundige realiteit onderworpen is aan een evolutie, aantoont waarom de wetgever ervoor heeft gekozen de regeling van de faciliteiten op een duidelijke manier te kwalificeren. Het komt alleen toe aan de bijzondere wetgever om het regime van de taalfaciliteiten al dan niet te wijzigen en eventueel te beëindigen. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.
  15. De Franse Gemeenschapsregering stelt vast dat elke wijziging aan het regime van de taalfaciliteiten voortvloeit uit de exclusieve bevoegdheid van de bijzondere wetgever, die overeenstemt met de duidelijke bedoeling van de Grondwet om dat regime « te betonneren », teneinde een duurzame « communautaire vrede » te verzekeren in een materie die lange tijd voor vele conflicten heeft gezorgd tussen de Vlaamse en Franse Gemeenschap. Het Hof heeft reeds de mogelijkheid gehad zich uit te spreken over de Pacificatiewet van 9 augustus 1988 bij zijn arrest nr. 18/90 van 23 mei 1990 (ECLI:BE:GHCC:1990:ARR.018). De Franse Gemeenschapsregering meent dat die rechtspraak nog steeds van toepassing is en dat de taalfaciliteiten moeten gelden ongeacht de demografische evolutie. Meer in het bijzonder is het argument van de « plaatselijke demografische evolutie » betwistbaar. Enerzijds is het moeilijk om rekening te houden met statistieken betreffende het gebruik van taalfaciliteiten waarvan de bronnen en de objectiviteit in twijfel kunnen worden getrokken. Anderzijds geeft een dergelijke werkwijze een bonus aan de gemeenten die nalaten de taalfaciliteiten na te leven. De Franse Gemeenschapsregering verwijst tevens naar het vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 juni 2019 waarbij de Rechtbank de vraag van de stad Ronse om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, heeft afgewezen. De Franse Gemeenschapsregering meent dat de redenen om geen vragen aan het Hof te stellen, ook in de onderhavige zaak zouden moeten gelden. Standpunt van de Ministerraad A.
  16. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. 9 Standpunt van de Vlaamse Regering A.9.
  17. De Vlaamse Regering benadrukt allereerst dat de prejudiciële vragen de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen enkel in het geding brengen in zoverre zij betrekking hebben op de stad Ronse. A.9.
  18. Volgens de Vlaamse Regering steunen de drie prejudiciële vragen telkens op de premisse dat de wetgever niet zou verwijzen naar een « objectief en vaststelbaar criterium dat toelaat na te gaan of er al dan niet sprake is van een vergelijkbare categorie van gemeenten en de verschillende behandeling redelijk verantwoord is ». Het verwijzende rechtscollege lijkt te suggereren dat er op de wetgever een formele motiveringsplicht zou rusten om, als het ware anticipatief, bij het aannemen van een formele wet de grondwettigheid van de regeling te verantwoorden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt uit de loutere omstandigheid dat een motief niet tot uitdrukking werd gebracht tijdens de parlementaire voorbereiding echter geenszins dat dat motief naderhand niet meer voor het Hof zou mogen worden aangewend. A.9.
  19. De drie prejudiciële vragen zijn, volgens de Vlaamse Regering, met elkaar verbonden zodat ze samen worden beantwoord. Het verschil in behandeling, dan wel de gelijke behandeling, berust op een objectief criterium, namelijk het feit of een gemeente met een speciale regeling is begiftigd voor de toepassing van de Bestuurstaalwet in de zin van artikel 8 van de Bestuurstaalwet. Daarnaast streeft de Bestuurstaalwet in het algemeen, en de aangevoerde ongelijke dan wel identieke behandeling in het bijzonder, een legitiem doel na. De Bestuurstaalwet is het resultaat van een institutioneel evenwicht tussen de twee grote taalgemeenschappen in België, dat is ingegeven door de zorg om de communautaire vrede te bewaren. Aan de basis van dat compromis ligt de idee dat de faciliteiten zijn opgevat als een integratiebevorderende maatregel met een uitdovend karakter. Een dergelijke doelstelling kan een ongelijke, dan wel identieke behandeling verantwoorden. De Vlaamse Regering benadrukt dat de Bestuurstaalwet in het algemeen en het statuut van de stad Ronse deel uitmaakt van een ruimere wettelijke regeling, die niet alleen betrekking heeft op de regeling inzake het gebruik van talen in bestuurszaken, maar ook past binnen het vastleggen van de taalgrens en de taalgebieden. Aan een van die elementen van die regeling kan niet worden geraakt zonder aan de hele faciliteitenregeling te raken en zo aan het evenwicht te raken dat tussen de verschillende gemeenschappen en gewesten destijds werd bereikt. Het Hof mag bij zijn beoordeling geen abstractie maken van de ruimere context waarin de in het geding zijnde bepalingen tot stand zijn gekomen. Volgens de Vlaamse Regering is het nastreven van een evenwicht tussen de belangen van de verschillende gemeenschappen teneinde een communautaire pacificatie te verzekeren, een legitiem doel dat een ongelijke dan wel een identieke behandeling kan verantwoorden, voor zover de genomen maatregel hiermee niet onevenredig is. De Vlaamse Regering leest in de verwijzingsbeslissing geen argumenten die erop wijzen dat de aanwijzing van de stad Ronse als taalgrensgemeente als onevenredig zou moeten worden beschouwd in het licht van de met de Bestuurstaalwet nagestreefde doelstelling. De loutere vermelding van « gewijzigde demografische omstandigheden » betekent niet dat de in het geding zijnde regeling onevenredige gevolgen zou hebben. Een louter numeriek criterium kan nooit een geschikt gegeven zijn om te bepalen of een gemeente al dan niet aan een bijzonder taalstatuut moet worden onderworpen. Het gebruik van numerieke gegevens zou neerkomen op het herinvoeren van het systeem van talentellingen, terwijl daar met het vastleggen van de taalgrens en de taalgebieden net uitdrukkelijk werd van afgestapt. Een numeriek criterium zou lijnrecht ingaan tegen de doelstelling van de Bestuurstaalwet en zou zo afbreuk doen aan een essentieel element van het bereikte communautaire evenwicht. Bovendien zou een dergelijk criterium een incentive kunnen geven aan de twee grote taalgemeenschappen om een taalpolitiek te voeren die erop gericht is de minderheid in het andere taalgebied te vergroten, teneinde op die manier het taalkundig statuut van de betrokken gemeenten te doen wijzigen. Een dergelijke politiek zou de communautaire pacificatie niet ten goede komen. A.
  20. In haar memorie van antwoord herhaalt de Vlaamse Regering dat een louter numeriek criterium nooit een geschikt gegeven kan zijn om te bepalen of een gemeente al dan niet aan een bijzonder taalstatuut moet worden onderworpen. Bovendien heeft de toetsing van wettelijke bepalingen aan het gelijkheidsbeginsel inherent een evolutief karakter. Uit de loutere omstandigheid dat een wettelijke regeling op het ogenblik van de totstandkoming ervan in overeenstemming met de Grondwet zou zijn, volgt niet noodzakelijk dat dit nog altijd het geval is. Een ongelijke behandeling kan, wegens gewijzigde omstandigheden, niet langer redelijk verantwoord en dus discriminatoir worden. Toegepast op het bodemgeschil, merkt de Vlaamse Regering op, dat, door het verstrijken van de tijd, taalkundige minderheden die in een ééntalig gebied gevestigd zijn, onafhankelijk van hun werkelijke omvang, 10 voldoende de mogelijkheid hebben gehad om zich de taal van het in beginsel ééntalig gebied eigen te maken en zich te integreren, waardoor het niet langer noodzakelijk is om die minderheid, via taalfaciliteiten, te beschermen. Naast de integratie van anderstalige inwoners kan ook rekening worden gehouden met andere maatschappelijke evoluties. Het komt toe aan het Hof om te oordelen of de in het geding staande regeling redelijkerwijze kan worden beschouwd als niet onevenredig met het door de wetgever nagestreefde doel. De Vlaamse Regering gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. -B- B.
  21. De drie prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 8, 11, § 2, tweede lid, en 15, § 2, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet), die het taalgebruik in de faciliteitengemeenten regelen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op de faciliteiten die van toepassing zijn op de taalgrensgemeenten, en meer bepaald op de taalgrensgemeente Ronse. De prejudiciële vragen strekken ertoe van het Hof te vernemen of de gelijke behandeling van alle faciliteitengemeenten, wat betreft hun bestuurlijke verplichtingen (eerste prejudiciële vraag), het verschil in behandeling van de taalgrensgemeenten en de gemeenten uit het Malmedyse, wat betreft de taal waarin de berichten en mededelingen voor het publiek moeten worden opgemaakt (tweede prejudiciële vraag), en het verschil in behandeling van de taalgrensgemeenten en de randgemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode, wat betreft de vereiste elementaire kennis van de Franse taal door de personeelsleden van de faciliteitengemeente (derde prejudiciële vraag), strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 van de Grondwet. Gelet op hun samenhang onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. B.2.
  22. De Bestuurstaalwet vormt de coördinatie, bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 « houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken », van de wet van 8 november 1962 « tot wijziging van de provincie-, arrondissements- en gemeentegrenzen en tot wijziging van de wet van 28 juni 1932 op het gebruik van de talen in bestuurszaken en van de wet van 14 juli 1932 houdende taalregeling in het lager en in het 11 middelbaar onderwijs » en van de wet van 2 augustus 1963 « op het gebruik van de talen in bestuurszaken ». B.2.
  23. Vervolgens werd, bij de grondwetsherziening van 23 december 1970, artikel 4 in de Grondwet ingeschreven. Artikel 4, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat België « vier taalgebieden [omvat]: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied ». Elke gemeente van België maakt deel uit van een van die taalgebieden. De grenzen van de vier taalgebieden kunnen enkel worden aangepast bij een bijzonderemeerderheidswet. B.2.
  24. Op de eentaligheid van het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied bestaan beperkingen, want sommige gemeenten zijn aan een bijzondere regeling onderworpen, namelijk de randgemeenten (artikel 7 van de Bestuurstaalwet), de taalgrensgemeenten (artikel 8, 3° tot 10°, van de Bestuurstaalwet), de gemeenten uit het Duitse taalgebied (artikel 8, 1°, van de Bestuurstaalwet) en de gemeenten uit het Malmedyse (artikel 8, 2°, van de Bestuurstaalwet). De Bestuurstaalwet heeft niet één systeem van taalfaciliteiten ingevoerd, maar meerdere systemen die kunnen verschillen naargelang de faciliteitengemeente een randgemeente, een taalgrensgemeente, een gemeente uit het Duitse taalgebied of een gemeente uit het Malmedyse is. B.3.
  25. Artikel 7 van de Bestuurstaalwet kwalificeert verscheidene gemeenten in het Nederlandse taalgebied, waaronder de gemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode, als randgemeenten waarvoor een speciale regeling geldt : « De gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem worden begiftigd met een eigen regeling. Met het oog op de toepassing van de volgende bepalingen en inzonderheid die van hoofdstuk IV worden deze gemeenten beschouwd als gemeenten met een speciale regeling. Zij worden hierna ‘ randgemeenten ’ genoemd ». B.3.
  26. Artikel 8 van de Bestuurstaalwet bepaalt : 12 « Ter bescherming van hun minderheden worden met een speciale regeling begiftigd : 1° in het arrondissement Verviers, de gemeenten uit het Duits taalgebied; 2° in het arrondissement Verviers, de gemeenten : Bellevaux-Ligneuville, Bevercé, Faymonville, Malmédy, Robertville en Weismes. Zij worden hierna genoemd ‘ gemeenten uit het Malmedyse ’; 3° in het arrondissement Ieper, de gemeente Mesen; 4° in het arrondissement Kortrijk, de gemeenten : Helkijn en Spiere; 5° in het arrondissement Moeskroen, de gemeenten : Dottenijs, Herseaux, Houthem, Komen, Luingne, Moeskroen, Neerwaasten, Ploegsteert en Waasten; 6° in het arrondissement Oudenaarde, de gemeente Ronse; 7° in het arrondissement Aat, de gemeente [Vloesberg]; 8° in het arrondissement Halle-Vilvoorde, de gemeente Bever; 9° in het arrondissement Zinnik, de gemeenten : Edingen, Lettelingen en Mark; 10° in het arrondissement Tongeren, de gemeenten : Herstappe, Moelingen, Remersdaal, 's-Gravenvoeren, Sint-Martens-Voeren, Sint-Pieters-Voeren en Teuven. De sub 3° tot 10° vermelde gemeenten worden hierna ‘ taalgrensgemeenten ’ genoemd ». B.3.
  27. Artikel 11, § 2, van de Bestuurstaalwet bepaalt : « In de gemeenten van het Duitse taalgebied worden de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Duits en in het Frans gesteld. In de taalgrensgemeenten worden zij gesteld in het Nederlands en in het Frans ». B.3.
  28. Artikel 15, § 2, van de Bestuurstaalwet bepaalt : « In de taalgrensgemeenten worden tot de ambten van gemeentesecretaris, gemeenteontvanger, politiecommissaris, secretaris en ontvanger van de commissie van openbare onderstand alleen toegelaten de kandidaten, die vooraf geslaagd zijn voor een examen 13 over de voldoende kennis van de tweede taal, het Nederlands of het Frans naar gelang van het geval. In de besturen van de gemeenten en van de openbare personen die aan de gemeenten ondergeschikt zijn, mag niemand een ambt bekleden, waarin hij omgang heeft met het publiek, indien hij niet vooraf geslaagd is voor een examen over de elementaire kennis van de tweede taal, het Nederlands of het Frans, naar gelang van het geval. Wordt vrijgesteld van de taalexamens, die in de leden één en twee bedoeld zijn, de kandidaat die, naar luid van zijn diploma of studiegetuigschrift, zijn onderwijs in die taal heeft genoten. Genoemde taalexamens, zomede het eventueel examen over de kennis van de taal van het gebied, geschieden onder het toezicht van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. In de andere plaatselijke diensten dan die van de gemeenten en van de openbare personen die aan de gemeenten ondergeschikt zijn, mag niemand een ambt bekleden, waarin hij omgang heeft met het publiek, indien hij niet een aan het ambt aangepaste, voldoende of elementaire kennis bezit van de tweede taal, het Nederlands of het Frans, naar gelang van het geval. Die kennis wordt vastgesteld aan de hand van een examen ». B.4.
  29. De Waalse Gewestregering werpt op dat het Hof niet bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden. B.4.
  30. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een verschil in behandeling of een identieke behandeling voortvloeiende uit een door de Grondwetgever zelf gemaakte keuze. Hoewel die keuze in beginsel moet blijken uit de tekst van de Grondwet, kan die eveneens voortvloeien uit de economie van de Grondwet in haar geheel, wanneer de combinatie van verschillende grondwetsbepalingen een onbetwistbare keuze van de Grondwetgever kan verduidelijken. B.4.
  31. Artikel 4 van de Grondwet bepaalt : « België omvat vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied. Elke gemeente van het Rijk maakt deel uit van een van deze taalgebieden. De grenzen van de vier taalgebieden kunnen niet worden gewijzigd of gecorrigeerd dan bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover 14 het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt ». Artikel 4 van de Grondwet stelt vast dat België vier taalgebieden omvat en dat de grenzen van die taalgebieden enkel kunnen worden gewijzigd of gecorrigeerd bij een bijzonderemeerderheidswet. Het waarborgt het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied en het Duitse taalgebied. Artikel 129, § 2, van de Grondwet sluit de aangelegenheid van het gebruik van de talen van de bevoegdheid van de decreetgevers van de Franse Gemeenschap en van de Vlaamse Gemeenschap uit voor « de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat ». Voor die gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheden bedoeld in paragraaf 1 enkel verandering worden aangebracht bij een bijzonderemeerderheidswet. Noch artikel 4, noch artikel 129, § 2, van de Grondwet houden een opsomming in van de verschillende faciliteitengemeenten; zij bepalen evenmin waarin de taalfaciliteiten bestaan. B.4.
  32. De in de Bestuurstaalwet opgenomen lijst van faciliteitengemeenten, noch de faciliteiten zelf berusten op een keuze die door de Grondwetgever zelf is gemaakt. Het Hof is bevoegd om de in het geding zijnde artikelen van de Bestuurstaalwet te toetsen aan de Grondwet. B.5.
  33. Wanneer de wetgever, ter uitvoering van artikel 30 van de Grondwet, het gebruik van de talen regelt voor handelingen van het openbaar gezag, dient hij het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te eerbiedigen. B.5.
  34. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk 15 verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
  35. De Bestuurstaalwet is het resultaat van een « transactioneel » institutioneel compromis dat werd bereikt om « de nationale eenheid [te] verstevigen door een duurzame regeling van de betrekkingen tussen Vlamingen en Walen » (Hand., Kamer, 2 mei 1961, p. 2), hetgeen een legitieme doelstelling is. Een institutioneel evenwicht is bedongen tussen de twee grote taalgemeenschappen van de Belgische Staat, waarbij dat evenwicht is ingegeven door de zorg om de communautaire vrede te bewaren. B.6.
  36. Een andere pijler van de communautaire vrede is de wet van 9 augustus 1988 « tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen ». Over die zogenaamde Pacificatiewet heeft het Hof bij zijn arrest nr. 18/90 van 23 mei 1990 (ECLI:BE:GHCC:1990:ARR.018) geoordeeld : « B.9.
  37. Volgens de auteurs van het ontwerp dat tot de bestreden wet heeft geleid, is het algemeen doel van die wet de pacificatie tussen de gemeenschappen te verzekeren. Dat doel wordt nagestreefd door het uitvaardigen van bepalingen op het vlak van het gemeentebestuur en de verkiezingen die van die aard zijn dat zij het bestuur van de gemeenten met een speciaal taalstatuut vergemakkelijken, tegenstellingen tussen de gemeenschappen vermijden, een harmonieuze deelneming van de taalmeerderheden en -minderheden aan het beheer van de gemeente toelaten en aan bepaalde wensen van taalminderheden tegemoetkomen. B.9.
  38. De in aanmerking genomen formule is een complex geheel van regels die ertoe strekken de ‘ pacificatie ’ te verzekeren in de betrekkingen tussen de Vlaamse en de Franse gemeenschap in hun geheel genomen. Door aan Komen-Waasten dezelfde regels als aan Voeren op te leggen, heeft de wetgever, met het oog op het verwezenlijken van een evenwicht tussen de Gemeenschappen, een [symmetrie] willen tot stand brengen door een gelijke 16 behandeling van een taalgrensgemeente uit het Franse taalgebied en van een taalgrensgemeente uit het Nederlandse taalgebied. Het kan worden aanvaard dat het door de bestreden bepalingen gemaakte onderscheid zijn verantwoording vindt in het nagestreefde doel - de beveiliging van een hoger openbaar belang -, in zoverre althans de genomen maatregelen redelijkerwijze kunnen worden aangezien als niet onevenredig met het door de wetgever nagestreefde doel. De genomen maatregelen zouden met name onevenredig zijn indien het handhaven van een hoger openbaar belang zou worden betracht ten koste van een miskenning van grondbeginselen van de Belgische rechtsorde ». B.6.
  39. Het komt de wetgever toe de noodzakelijke maatregelen te nemen die de « pacificatie » waarborgen in de betrekkingen tussen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, zowel in hun geheel genomen als wat inzonderheid het gebruik van de talen in bestuurszaken in de faciliteitengemeenten betreft. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid. De pacificatiemaatregelen beogen immers het onontbeerlijke evenwicht te verwezenlijken tussen de belangen van de verschillende taalgemeenschappen binnen de Belgische Staat. De door de wetgever gemaakte keuzes vinden een verantwoording in het nagestreefde doel - de beveiliging van een hoger openbaar belang -, in zoverre de genomen maatregelen redelijkerwijze kunnen worden beschouwd als evenredig met het door de wetgever nagestreefde doel. De genomen maatregelen zouden met name onevenredig zijn indien het handhaven van een hoger openbaar belang zou worden betracht ten koste van een miskenning van grondbeginselen van de Belgische rechtsorde. B.
  40. De indeling in taalgebieden vormt een grondbeginsel van de Belgische rechtsorde. Waar de wetgever de principiële eentaligheid van het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied heeft willen matigen, wat het gebruik van de talen in bestuurszaken betreft, vermocht hij gebruik te maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. De gelijke behandeling van de taalgrensgemeenten en de andere faciliteitengemeenten, bedoeld in de eerste prejudiciële vraag, is objectief en redelijk verantwoord. De taalfaciliteitenregelingen die van toepassing zijn op de betrokken gemeenten, zijn redelijk verantwoord door het bestaan van taalminderheden in die gemeenten en zijn pertinent om de in B.6.2 vermelde doelstelling van de wetgever inzake communautaire pacificatie te bereiken. 17 Het verschil in behandeling tussen de taalgrensgemeenten en de gemeenten uit het Malmedyse, bedoeld in de tweede prejudiciële vraag, en het verschil in behandeling tussen de taalgrensgemeenten en de randgemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode, bedoeld in de derde prejudiciële vraag, zijn eveneens redelijk verantwoord. De keuze om een faciliteitenregeling te bepalen voor het gebruik van de talen in bestuurszaken verplicht de wetgever niet om voor alle betrokken gemeenten in een identieke regeling te voorzien. De ingevoerde verschillen zijn onderdeel van het institutioneel evenwicht dat de communautaire vrede beoogt te bewaren. B.
  41. Voor het overige tasten de in het geding zijnde bepalingen het gebruik, door de taalgrensgemeenten, van hun eigen bestuurstaal niet op onevenredige wijze aan; zij hebben niet tot gevolg dat de taalgrens wordt gewijzigd of dat het beginsel van de eentaligheid van het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied wordt aangetast. Het blijkt ten slotte niet dat met de gelijke behandeling van de taalgrensgemeenten en de andere faciliteitengemeenten, enerzijds, en de verschillende behandeling van de categorieën van faciliteitengemeenten, anderzijds, de wetgever de grondbeginselen van de Belgische rechtsorde zou miskennen. B.
  42. De artikelen 8, 11, § 2, tweede lid, en 15, § 2, van de Bestuurstaalwet zijn bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 ervan. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 8, 11, § 2, tweede lid, en 15, § 2, van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 ervan. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november
  43. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.134 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1990:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.