← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.135

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.135 Arrest- Rolnummer: 135/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 321 - laatst gezien 2026-06-14 19:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, in zoverre het een persoon die de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt toen hij door een handicap werd getroffen en die vóór die leeftijd geen eerste aanvraag voor een tegemoetkoming heeft gedaan, uitsluit van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening in de zin van de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, hoewel het bestaan van de handicap niet wordt betwist en de nood aan het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening rechtstreeks het gevolg is van die handicap) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Neufchâteau. Personen met een handicap - Waals Gewest - Individuele integratiehulp - Dienstverstrekkingen - Uitsluiting - Persoon die de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt toen hij door een handicap werd getroffen en die vóór die leeftijd geen eerste aanvraag voor een tegemoetkoming heeft gedaan Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 135/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8098 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Neufchâteau. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 november 2023, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Neufchâteau, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 15 van het op 3 mei 1996 herziene Europees Sociaal Handvest en de artikelen 19 en 26 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen te New York op 16 [lees : 13] december 2006, in zoverre die wetsbepaling de personen die vóór de leeftijd van 65 jaar door een handicap worden getroffen, maar die vóór die leeftijd geen aanvraag om tegemoetkoming bij het AVIQ hebben ingediend, uitsluit van de ‘ dienstverstrekkingen ’ vervat in het begrip ‘ individuele integratiehulp ’ (in de zin van artikel 784 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid), terwijl de personen die vóór de leeftijd van 65 jaar door een handicap worden getroffen en die vóór die leeftijd een aanvraag om tegemoetkoming bij het AVIQ hebben ingediend, de tegemoetkoming van die instelling voor die ‘ dienstverstrekkingen ’ kunnen genieten ? ». Op 22 november 2023 hebben de rechters Emmanuelle Bribosia en Sabine de Bethune, verslaggeefster ter vervanging van rechter-verslaggeefster Joséphine Moerman, wettig 2 verhinderd, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de « Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles » (AViQ), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Laurence Gaj en mr. Vincent Delfosse, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, mr. Cécile Jadot en mr. Elvira Barbé, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 januari 2024 heeft het Hof beslist de zaak overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten. Memories zijn ingediend door : - de « Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles » (AViQ); - de Waalse Regering. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L.K., die is getroffen door een progressieve supranucleaire verlamming, dient bij het « Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles » (hierna : het AViQ) een aanvraag in voor de toekenning van een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening en van diverse hulpmiddelen en dienstverstrekkingen. Bij beslissing van 18 april 2023 willigt het AViQ de aanvraag voor hulpmiddelen en dienstverstrekkingen in, maar weigert het een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening toe te kennen om reden dat de aanvrager ouder was dan 65 jaar op het tijdstip van zijn aanvraag en omdat hij voordien nooit een tegemoetkoming had verkregen. L.K. dient voor het verwijzende rechtscollege een bezwaar in tegen de voormelde beslissing. Dat stelt vast dat het Hof, bij zijn arrest nr. 29/2022 van 24 februari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.029), heeft verklaard dat artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid discriminerend was in zoverre het een niet- verantwoord verschil in behandeling deed ontstaan tussen een persoon die vóór de leeftijd van 65 jaar door een 3 handicap is getroffen maar die vóór die leeftijd geen aanvraag voor een tegemoetkoming heeft ingediend en een persoon die ook vóór de leeftijd van 65 jaar door een handicap is getroffen maar die vóór die leeftijd een eerste aanvraag voor een tegemoetkoming heeft ingediend. Het verwijzende rechtscollege oordeelt dat, aangezien het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening een dienstverstrekking vormt in de zin van artikel 784 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag moet worden gesteld. III. In rechte -A- A.1.

  1. Het AViQ brengt in herinnering dat het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, zoals bedoeld in de aanvraag die het voorwerp uitmaakt van het bezwaar voor het verwijzende rechtscollege, wordt geregeld in de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, en geen dienstverstrekking vormt die valt onder de « individuele integratiehulp » bedoeld in artikel 784 van hetzelfde Wetboek. Artikel 787 van dat Wetboek werd gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 16 november 2023 « tot wijziging van artikel 787 bij het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid » als gevolg van het voormelde arrest van het Hof nr. 29/2022, en die wijziging geldt niet voor het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening. Volgens de artikelen 798 en 799 van het Wetboek dient de erin geregelde bijstandsverlening om de onbekwaamheden van de rechthebbende die aan zijn deficiënties te wijten zijn te compenseren, meer bepaald door het financieren van de diensten verstrekt door een of meer persoonlijke assistenten, terwijl het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening dient om de financiële tenlasteneming van al die kosten voor persoonlijke bijstandsverlening of van een gedeelte ervan te dekken. Rekening houdend met die overwegingen vraagt het AViQ dat het Hof de prejudiciële vraag zou herformuleren, met toepassing van artikel 27 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, door de woorden « van de ‘ dienstverstrekkingen ’ vervat in het begrip ‘ individuele integratiehulp ’ (in de zin van artikel 784 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid) » te vervangen door « van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, zoals omschreven en geregeld bij de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid ». A.1.
  2. Het AViQ is van mening dat het Hof reeds op de als zodanig geherformuleerde prejudiciële vraag heeft geantwoord, in zijn voormelde arrest nr. 29/
  3. Het Hof heeft immers erop gewezen dat er zowel een wettelijke regeling voor personen met een handicap als een regeling voor hulp aan personen met een handicap van 65 jaar en ouder bestond. Wat evenwel de individuele integratiehulp voor de aankoop van hulpmiddelen betreft, heeft het Hof evenwel vastgesteld dat er geen dergelijke symmetrie bestond en heeft het bijgevolg de ongrondwettigheid vastgesteld. Voor de andere types van tegemoetkoming, waaronder het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, bestaat zulk een discriminatie echter niet gelet op de co-existentie van de wettelijke regelingen. De redenering van het Hof is bijgevolg a contrario toepasbaar op de in casu gestelde prejudiciële vraag, die enkel een ontkennend antwoord kan krijgen. A.2.
  4. De Waalse Regering brengt eveneens in herinnering dat het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening wordt geregeld in de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, en dient om de kosten met betrekking tot de in artikel 800 van hetzelfde Wetboek omschreven prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening te dekken. In tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege beweert, is het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening niet vervat in het begrip « dienstverstrekkingen », dat zelf vervat is in het begrip « individuele integratiehulp ». De Waalse Regering verzoekt het Hof dus om de prejudiciële vraag te herformuleren rekening houdend met dat element. A.2.
  5. De Waalse Regering is van oordeel dat het niet aan het Hof staat te beoordelen of een socialezekerheidsstelsel al dan niet rechtvaardig is. Zij voert aan dat de in het geding zijnde maatregel hoe dan ook voldoende is verantwoord. Ten eerste is het criterium van onderscheid objectief, aangezien het erin bestaat vóór de leeftijd van 65 jaar een eerste aanvraag voor een tegemoetkoming bij het AViQ te hebben ingediend. De pertinentie ervan moet worden beoordeeld in het licht van het doel van de maatregel, namelijk het door een handicap veroorzaakte verlies aan zelfredzaamheid onderscheiden van het door veroudering veroorzaakte verlies aan zelfredzaamheid, waarvoor twee verschillende regelingen gelden. Met het criterium van de aanvraag kan dat 4 onderscheid goed worden gemaakt, en de afdeling wetgeving van de Raad van State had op dat punt overigens geen enkele opmerking geformuleerd. Tot slot stelt de Waalse Regering dat de maatregel, rekening houdend met de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever ter zake, daadwerkelijk evenredig is met het nagestreefde doel om een cumulatie van kosten voor tegemoetkomingen en problemen bij de beoordeling van de aard van een handicap te voorkomen, alsook om te vermijden dat andere vormen van discriminatie ontstaan. Daarnaast voert de Waalse Regering aan dat de redenering die zij uiteenzet, in overeenstemming is met het voormelde arrest nr. 29/2022, waarbij het belang wordt erkend van de co-existentie van wettelijke stelsels, alsook met de arresten nrs. 18/2001 van 14 februari 2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.018) en 51/2001 van 18 april 2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.051). Hoewel personen die geen aanvraag voor een tegemoetkoming hebben ingediend vóór de leeftijd van 65 jaar niet in aanmerking komen voor een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, kunnen zij echter het voordeel van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (hierna : de THAB) genieten overeenkomstig het decreet van 1 oktober 2020 « betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en houdende wijziging van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid ». Dat laatste decreet, dat in het voormelde eerste arrest buiten toepassing was gelaten omdat de feiten dateerden van vóór de inwerkingtreding ervan, kan te dezen door het Hof in aanmerking worden genomen. Die tegemoetkomingen hebben volgens de Waalse Regering precies tot doel een handicap ontstaan na de pensioenleeftijd te compenseren. Daarnaast geeft zij aan dat de inkomensgrenzen van de THAB hoger zijn dan die welke zijn bepaald voor personen met een handicap jonger dan 65 jaar. Tot slot beklemtoont de Waalse Regering dat het bestaan van de THAB impliceert dat de beoogde personen niet worden uitgesloten van de bescherming die door de internationale verdragen inzake handicap wordt verleend. -B- B.1.
  6. Artikel 275 van het decretale gedeelte van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, dat werd aangenomen op 29 september 2011 (hierna : het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid), zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 3 december 2015 « betreffende het ‘ Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles ’ (Waals agentschap voor gezondheid, sociale bescherming, handicap en gezinnen) », bepaalt : « §
  7. Onverminderd de specifieke bepalingen vermeld in het decreet II van 22 juli 1993 betreffende de overheveling van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie kunnen de gehandicapte personen die de leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt hebben de dag waarop ze hun eerste aanvraag om tegemoetkoming indienen, voor de dienstverleningen in aanmerking komen. Bovendien moeten de begunstigden aan de volgende voorwaarden voldoen : - woonachtig zijn op het grondgebied van het Franse taalgebied of, in het kader van een samenwerkingsakkoord, op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Belg, staatloos, erkende vluchteling, arbeider of kind van een arbeider uit een lidstaat van de Europese Unie zijn. 5 De personen die de nationaliteitsvoorwaarden niet vervullen, komen echter in aanmerking voor de dienstverleningen voor zover ze kunnen bewijzen dat ze 5 jaar lang regelmatig en onafgebroken in België hebben gewoond alvorens hun aanvraag om tussenkomst in te dienen. De regelmatige en onafgebroken verblijftijd wordt niet geëist voor de echtgenoot/echtgenote of de kinderen ten laste van een persoon die het bewijs levert van de vereiste verblijftijd. §
  8. De Regering kan de toepassing van dit boek onder de door haar gestelde voorwaarden uitbreiden tot andere gehandicapte personen dan die vermeld in §
  9. §
  10. Onder voorbehoud van het tweede lid [van] § 1, wijken de door de Waalse Gewestraad goedgekeurde samenwerkingsakkoorden af van de in § 1 en § 2 van dit artikel vermelde bepalingen. §
  11. Onder voorbehoud van wederkerigheid en in het kader van een samenwerkingsakkoord draagt de Regering de kosten voor de plaatsing, de sociale en professionele integratie van gehandicapte personen die overeenkomstig de door de Franse Gemeenschapscommissie bepaalde reglementering in instellingen van de franstalige regio opgevangen worden. §
  12. De voorwaarden en de modaliteiten voor de opvang, de huisvesting en de sociale en professionele integratie van gehandicapte personen die onder andere deelgebieden ressorteren, zijn in samenwerkingsakkoorden vastgelegd ». De prejudiciële vraag heeft specifiek betrekking op paragraaf 1, eerste lid, van de voormelde bepaling. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die paragraaf. B.1.
  13. De in het geding zijnde bepaling neemt de tekst over van artikel 16 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 april 1995 « betreffende de integratie van gehandicapte personen ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Enkel in artikel 16 wordt gepreciseerd dat de opening van het recht eindigt op 65 jaar uiteraard zonder dat de persoon met een handicap zijn rechten op die leeftijd verliest en zonder te verhinderen dat bijzondere bepalingen worden vastgelegd voor bijzondere diensten » (Parl. St., Waals Parlement, 1993-1994, nr. 266/22, p. 21). Met betrekking tot een amendement, dat uiteindelijk werd verworpen, vermeldt de parlementaire voorbereiding het specifieke criterium van de leeftijd : « Dit amendement strekt ertoe de bewoordingen ‘ die de leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt hebben de dag waarop ze hun eerste aanvraag voor een tegemoetkoming indienen, ’ te schrappen. De auteur van het amendement begrijpt die beperking niet, terwijl een persoon die 6 op 65 jaar gehandicapt wordt, begeleiding moet kunnen genieten die des te noodzakelijker blijkt te zijn daar zijn handicap laat optreedt. De minister heeft zich eveneens vragen gesteld bij die leeftijdsbeperking; die regel is nochtans in heel wat wetgevingen terug te vinden. In casu betreft het niet de personen die reeds vóór de leeftijd van 65 jaar gehandicapt waren, maar die welke gehandicapt worden na 65 jaar. De moeilijkheid is het al dan niet verbonden zijn van de handicap met de factor ‘ ouder worden ’. Paragraaf 2 van de nieuwe voorgestelde tekst (‘ De Regering kan de toepassing van dit decreet onder de door haar gestelde voorwaarden uitbreiden tot andere gehandicapte personen dan die vermeld in paragraaf 1 ’) maakt het mogelijk rekening te houden met die specifieke gevallen » (Parl. St., Waals Parlement, 1993-1994, nr. 266/22, p. 39). B.2.
  14. Aan het Hof wordt een prejudiciële vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest en met de artikelen 19 en 26 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen te New York op 13 december 2006, in zoverre die decretale bepaling de personen die vóór de leeftijd van 65 jaar door een handicap worden getroffen maar die vóór die leeftijd geen aanvraag voor een tegemoetkoming bij het « Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles » (hierna : het AViQ) hebben ingediend, uitsluit van de « dienstverstrekkingen » vervat in het begrip « individuele integratiehulp » (in de zin van artikel 784 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid), terwijl de personen die vóór de leeftijd van 65 jaar door een handicap worden getroffen en die vóór die leeftijd een aanvraag voor een tegemoetkoming bij het AViQ hebben ingediend, de tegemoetkoming van die instelling voor diezelfde dienstverstrekkingen kunnen genieten. B.2.
  15. De Waalse Regering en het AViQ verzoeken om een herformulering van de prejudiciële vraag doordat het uitgangspunt ervan verkeerd zou zijn. B.2.
  16. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het geding zijnde tegemoetkoming waarvan de toekenning is geweigerd door het AViQ, een « budget inzake persoonlijke bijstandsverlening » is. Dat budget wordt geregeld in de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid. Dat laatste maakt bijgevolg, zoals bevestigd bij artikel 800, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, geen deel uit van de « dienstverstrekkingen » die vervat zijn in het begrip « individuele integratiehulp » in de zin 7 van artikel 784 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, in tegenstelling tot wat in de prejudiciële vraag is vermeld. Er dient bijgevolg ervan te worden uitgegaan dat aan het Hof wordt gevraagd of artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid bestaanbaar is met de opgesomde referentienormen in zoverre het personen met een handicap die is ontstaan vóór de leeftijd van 65 jaar die echter vóór die leeftijd geen aanvraag voor een tegemoetkoming hebben ingediend bij het AViQ, niet de mogelijkheid biedt om een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening in de zin van de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid toegekend te krijgen, in tegenstelling tot de personen met een handicap die is ontstaan vóór de leeftijd van 65 jaar, die een dergelijke aanvraag tijdig hebben ingediend. Het Hof beantwoordt de vraag in die zin. Uit de door de partijen bij het Hof ingediende memories blijkt dat zij ten aanzien van de aldus geherformuleerde vraag een dienstig verweer hebben kunnen voeren. B.2.
  17. Uit de feiten van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bestaan van de handicap uit hoofde van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege alsook de datum waarop die zich voordeed niet worden betwist, en dat de nood aan het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening rechtstreeks verband houdt met die handicap. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.
  18. De artikelen 797 tot 800 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid betreffende het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening bepalen : « Art.
  19. Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder : 1° rechthebbende : gehandicapte persoon aan wie ‘ AWIPH ’ een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening toekent; 2° persoonlijke assistent : dienstverstrekker die de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening verricht; 3° prestatie inzake persoonlijke bijstandsverlening : prestatie zoals omschreven in artikel 800; 8 4° geïndividualiseerd project van tegemoetkoming : het ontwerp zoals bedoeld in artikel 279, vijfde lid, van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek; 5° prestatie inzake persoonlijke bijstandsverlening : betreft met name de evaluatie met de rechthebbende van zijn behoeften aan persoonlijke bijstandsverlening, de opmaking van het dienstplan, de planning en de coördinatie van de diensten en prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening, de bemiddeling tussen het Agentschap, de persoonlijke assistenten, hun werkgevers en de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordigers, de opvolging van het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming en de formulering van voorstellen tot aanpassing van het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming; 6° GGMMI : het bedrag dat voor werknemers die minstens 21 jaar oud zijn, wordt berekend overeenkomstig artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43, op 2 mei 1988, gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad. Art.
  20. De persoonlijke bijstandsverlening dient om de onbekwaamheden van de rechthebbende die aan zijn deficiënties te wijten zijn te compenseren door hem de gevraagde hulp en bijstand te verlenen in de vorm van financiering van de diensten verstrekt door één of meer persoonlijke assistenten, met het oog op zijn handhaving in zijn gebruikelijk levensmilieu, de organisatie van zijn dagelijks leven en het vergemakkelijken van zijn familiale, sociale of beroepsintegratie. Art.
  21. Het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening bestaat in een trekkingsrecht dat op jaarlijkse basis berekend wordt en aan een gehandicapte persoon toegekend wordt ter dekking van de financiële tenlasteneming van het geheel of van een gedeelte van zijn kosten inzake persoonlijke bijstandsverlening en de coördinatie hiervan. Het gedeelte van het jaarlijkse trekkingsrecht dat niet gebruikt wordt, mag niet naar het volgende jaar overgedragen worden. Art.
  22. Voor zover ze niet deel uitmaken van de tegemoetkomingen die ‘ AWIPH ’ krachtens een andere regelgeving kan verlenen, kunnen de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening de volgende zijn : 1° hulpverlening i.v.m. de activiteiten van het dagelijks leven[;] 2° hulpverlening in het huishouden; 3° hulpverlening i.v.m. de sociale en vrijetijdsactiviteiten; 4° hulpverlening i.v.m. de beroepsactiviteiten, behalve productieactiviteiten; 5° hulpverlening i.v.m. de verplaatsingen in het raam van de activiteiten van het dagelijks leven; 6° de coördinatie van het geïndividualiseerd project van tegemoetkoming. 9 De volgende prestaties worden niet gedekt door het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, alsook de eventuele financiële tegemoetkoming betreffende die prestaties die voor rekening van de rechthebbende gelaten wordt : 1° de individuele integratiehulp zoals bepaald bij de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk; 2° de behandelingen, medische of paramedische examens of therapieën, al dan niet terugbetaald, al dan niet genomenclatureerd door het RIZIV, of niet erkend; 3° de pedagogische en didactische bijstand tijdens de studies; 4° de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening aan minderjarigen, niet in verband met deficiënties maar met leeftijd ». B.4.
  23. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
  24. Artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest bepaalt : « Recht van mindervaliden op zelfstandigheid, sociale integratie en deelname aan de samenleving Teneinde de mindervaliden, ongeacht hun leeftijd, de aard en de oorzaak van hun handicap, de onbelemmerde uitoefening van hun recht op zelfstandigheid, sociale integratie en deelname aan de samenleving te waarborgen, verbinden de Partijen zich ertoe :
  25. de nodige maatregelen te nemen om aan de mindervaliden een voorlichting, onderwijs en een beroepsopleiding te verschaffen in het kader van het gemeen recht telkens zulks mogelijk is of als dat niet kan via gespecialiseerde openbare of privé-instellingen;
  26. hun toegang tot het arbeidsproces te bevorderen door toedoen van iedere maatregel waarmee de werkgevers ertoe kunnen worden aangezet mindervaliden in dienst te nemen en te behouden in het normale arbeidsmilieu en de arbeidsomstandigheden aan de behoeften van de betrokkenen aan te passen of, wanneer dit onmogelijk is omwille van de handicap, door het creëren van beschutte arbeidsplaatsen naargelang van de aard van ongeschiktheid. Die maatregelen kunnen in voorkomend geval het terugvallen op gespecialiseerde bemiddelings- en begeleidingsdiensten rechtvaardigen; 10
  27. hun volledige integratie en deelname aan het sociale leven te bevorderen, inzonderheid door maatregelen, met inbegrip van technische bijstand, die tot doel hebben de hinderpalen uit de weg te ruimen die de communicatie en de mobiliteit in de weg staan en hen in staat te stellen gebruik te maken van vervoersmiddelen en in aanmerking te komen voor huisvesting, culturele activiteiten en andere vrijetijdsbesteding ». B.4.
  28. Het voormelde Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, werd op 2 juli 2009 door België geratificeerd. De artikelen 19 en 26 ervan bepalen : « Artikel
  29. Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle uit te oefenen en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat : a) personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrij hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefstructuur; b) personen met een handicap toegang hebben tot een reeks van thuis, residentiële en andere maatschappijondersteunende diensten, waaronder persoonlijke assistentie, noodzakelijk om het wonen en de opname in de maatschappij te ondersteunen en isolatie of uitsluiting uit de maatschappij te voorkomen; c) de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden aan hun behoeften ». « Artikel
  30. Integratie en participatie
  31. De Staten die Partij zijn nemen doeltreffende en passende maatregelen, onder andere via ondersteuning door lotgenoten, om personen met een handicap in staat te stellen de maximaal mogelijke onafhankelijkheid, fysieke, mentale, sociale en beroepsmatige vaardigheden te behouden en volledige opname en participatie in alle aspecten van het leven te bereiken. Daartoe organiseren en versterken de Staten die Partij zijn uitgebreide diensten en programma's op het gebied van integratie en participatie en breiden zij deze uit, met name op het gebied van gezondheid, werkgelegenheid, onderwijs en sociale diensten en wel zodanig dat deze diensten en programma’s : a) in een zo vroeg mogelijk stadium beginnen en gebaseerd zijn op een multidisciplinaire inventarisatie van de behoeften en mogelijkheden van de persoon in kwestie; 11 b) de participatie en opname in de gemeenschap en alle aspecten van de samenleving ondersteunen, vrijwillig zijn en beschikbaar zijn voor personen met een handicap, zo dicht mogelijk bij hun eigen gemeenschappen, ook op het platteland.
  32. De Staten die Partij zijn stimuleren de ontwikkeling van basis- en vervolgtrainingen voor vakspecialisten en personeel dat werkzaam is in de dienstverlening op het vlak van integratie en participatie.
  33. De Staten die Partij zijn stimuleren de beschikbaarheid, kennis en het gebruik van ondersteunende apparaten en technologieën die zijn ontworpen voor personen met een handicap, voor zover zij betrekking hebben op integratie en participatie ». B.5.
  34. Het verschil in behandeling waarover aan het Hof een vraag wordt gesteld, berust op een objectief criterium, namelijk de leeftijd waarop de eerste aanvraag voor een tegemoetkoming voor personen met een handicap wordt ingediend. Indien die aanvraag plaatsvindt vooraleer de aanvrager de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, komt de betrokkene ook na de leeftijd van 65 jaar in aanmerking voor een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening. Indien vóór de leeftijd van 65 jaar geen eerste aanvraag voor een tegemoetkoming werd ingediend, komt de betrokkene niet in aanmerking voor dat budget inzake persoonlijke bijstandsverlening. B.5.
  35. Uit de in B.1.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat, doordat de decreetgever vereist dat de eerste aanvraag voor een tegemoetkoming wordt ingediend vóór de leeftijd van 65 jaar, hij het door een handicap veroorzaakte verlies aan zelfredzaamheid heeft willen onderscheiden van het door veroudering veroorzaakte verlies aan zelfredzaamheid, daar in die beide gevallen verschillende wettelijke regelingen gelden, zijnde de regeling voor personen met een handicap, enerzijds, en de regeling voor ouderen, anderzijds. B.5.
  36. In het Waalse Gewest werd bij het decreet van 1 oktober 2020 « betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en houdende wijziging van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid » een boek IIIquater (« Tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden ») ingevoegd in deel 1 van het voormelde Wetboek. Die regelgeving voorziet in een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die minstens 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld (artikel 43/33 van het Wetboek), onder bepaalde voorwaarden (artikel 43/35 van het Wetboek), en die niet mag worden gecumuleerd met andere tegemoetkomingen voor personen met een handicap (artikel 43/34 van het Wetboek). Tot slot wordt het bedrag van de 12 tegemoetkoming vastgesteld enkel op basis van de criteria van de mate van zelfredzaamheid van de begunstigde alsook de categorie waartoe hij behoort, zoals bepaald bij de beoordeling waarin het decreet voorziet (artikel 43/37 van het Wetboek). B.6.
  37. Rekening houdend met de co-existentie van verschillende wettelijke regelingen, vertoont het criterium van onderscheid een pertinent verband met het in B.5.2 vermelde doel van de wetgever wat betreft de toekenning van een tegemoetkoming sensu stricto, namelijk de toekenning van een geldsom in de vorm van een rente, waarvan het doel niet specifiek is. Zo kan een persoon met een handicap, vanaf de leeftijd van 65 jaar, de voormelde tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genieten. Vóór die leeftijd kan hij een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming genieten, met toepassing van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » en het koninklijk besluit van 6 juli 1987 « betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming », zoals zij van kracht zijn in het Waalse Gewest. B.6.
  38. De situatie is evenwel geheel anders wat betreft het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening in de zin van de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, dat een hulpmaatregel vormt die specifiek wordt toegekend om het hoofd te bieden aan de kosten met betrekking tot de in artikel 800 van hetzelfde Wetboek bedoelde prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening. Wanneer de persoon met een handicap die ouder is dan 65 jaar, vóór die leeftijd geen eerste aanvraag voor een tegemoetkoming heeft gedaan, wordt hij immers van die hulp uitgesloten, zonder dat hij voor de specifieke financiering van de voor hem noodzakelijke prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening een beroep kan doen op een andere tegemoetkoming, ook al wordt niet betwist dat de handicap zich heeft voorgedaan vóór de leeftijd van 65 jaar en dat de kosten voor die prestaties inzake bijstandsverlening rechtstreeks zijn verbonden met zijn handicap. B.6.
  39. In een dergelijk geval bestaat er geen redelijke verantwoording voor het feit dat een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening wordt geweigerd aan een persoon die op het ogenblik dat hij getroffen wordt door een handicap geen beroep doet op de overheid voor die financiële steun, terwijl de financiering van prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening door middel van een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening ingevolge die handicap wel 13 noodzakelijk wordt om de zelfredzaamheid van die persoon te waarborgen nadat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. B.
  40. Artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 26 van het voormelde Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en met artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest, in zoverre het een persoon die de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt toen hij door een handicap werd getroffen en die vóór die leeftijd geen eerste aanvraag voor een tegemoetkoming heeft gedaan, uitsluit van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening in de zin van de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, hoewel het bestaan van de handicap niet wordt betwist en de nood aan dat budget inzake persoonlijke bijstandsverlening rechtstreeks het gevolg is van die handicap. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 275 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 26 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen te New York op 13 december 2006, en met artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest, in zoverre het een persoon die de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt toen hij door een handicap werd getroffen en die vóór die leeftijd geen eerste aanvraag voor een tegemoetkoming heeft gedaan, uitsluit van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening in de zin van de artikelen 797 en volgende van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, hoewel het bestaan van de handicap niet wordt betwist en de nood aan het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening rechtstreeks het gevolg is van die handicap. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november
  41. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.135 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.051 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.