← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.136

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.136 Arrest- Rolnummer: 136/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 379 - laatst gezien 2026-06-17 23:17 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986, in zoverre de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » niet in de lijst van instellingen is opgenomen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Universitair onderwijs - Pensioenen - Onderwijzend personeel - Toepassingsgebied - Uitsluiting - VZW « Evangelische Theologische Faculteit » Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 136/2024 van 21 november 2024 Rolnummers : 8099 en 8100 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee vonnissen van 23 oktober 2023, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 6 en 8 november 2023, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, eerste lid, 4° van de Wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving, in zoverre dit de wet in kwestie van toepassing maakt op de daarin opgesomde categorieën van onderwijzend personeel, zonder dit eveneens te doen ten aanzien van het onderwijzend personeel in dienst van de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee, artikel 10 of artikel 11 van de Grondwet ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8099 en 8100 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : 2 - de vzw « Evangelische Theologische Faculteit », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Proesmans en mr. Nathanaëlle Kiekens, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 8099); - Guido Vleugels, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Proesmans en mr. Nathanaëlle Kiekens (in de zaak nr. 8100); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas, advocate bij de balie te Brussel (in beide zaken). Memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Evangelische Theologische Faculteit »; - Guido Vleugels. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De eisende partij in de zaak nr. 8100 was in dienst bij de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » (hierna : de ETF) van 1 oktober 1984 tot 31 juli 2021 als lid van het onderwijzend personeel. Op 1 januari 2003 werd de ETF erkend als ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs (artikel 54 van het decreet van 4 april 2003 « betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen » (hierna : het decreet van 4 april 2003), thans artikel II.105 van de Codex Hoger Onderwijs, gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 « tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs » (hierna : Codex Hoger Onderwijs)). Op 1 augustus 2021 is het lid van het onderwijzend personeel met pensioen gegaan. Sedertdien ontvangt hij een werknemerspensioen. Op 18 februari 2022 hebben de ETF en het op rust gestelde lid van het onderwijzend personeel van de ETF de Belgische Staat gedagvaard. De eisende partijen voor het verwijzend rechtscollege, zijnde de ETF en het op rust gestelde lid van haar onderwijzend personeel, menen dat de leden van het onderwijzend personeel van de ETF, gelet op de erkenning ervan als ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs, moeten vallen onder het toepassingsgebied van hoofdstuk I van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de wet van 4 augustus 1986). 3 Artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 bevat een lijst met instellingen waarvan de leden van het onderwijzend personeel onder het toepassingsgebied van hoofdstuk I van de wet van 4 augustus 1986 vallen. De ETF is evenwel niet opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986. Dat heeft eerst en vooral tot gevolg dat de leden van het onderwijzend personeel van de ETF een werknemerspensioen genieten en geen recht hebben op een ambtenarenpensioen, met inbegrip van de voordelige tantièmes zoals beschreven in artikel 5, § 3, van de wet van 4 augustus 1986. Bovendien resulteert de niet-opname van de ETF in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 in hogere socialezekerheidsbijdragen die door de ETF verschuldigd zijn aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : de RSZ) (artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 « tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders »). De ETF vordert in hoofdorde een provisionele schadevergoeding van 1 euro uit hoofde van door haar teveel betaalde socialezekerheidsbijdragen, een schadevergoeding van 10 000 euro in hoofdsom uit hoofde van morele schade en een schadevergoeding van 50 euro per dag dat er na het tussen te komen vonnis wetgeving zou uitblijven die een einde maakt aan de beweerde ongrondwettige behandeling. Het op rust gestelde lid van het onderwijzend personeel van de ETF vordert in hoofdorde de veroordeling van de Belgische Staat tot herberekening en toekenning van zijn pensioenrechten alsof de ETF sinds 1 januari 2003 is opgenomen in artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 en in ondergeschikte orde dat het equivalent van de voormelde pensioenrechten hem zou worden toegekend onder de vorm van een provisionele schadevergoeding van 1 euro per maand sinds 1 augustus 2021. De eisende partijen voeren hiervoor aan dat het feit dat de leden van het onderwijzend personeel van de ETF niet vallen onder het toepassingsgebied van hoofdstuk I van de wet van 4 augustus 1986, terwijl de leden van het onderwijzend personeel van andere onderwijsinstellingen, in het bijzonder die van de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, wel onder het toepassingsgebied van dat hoofdstuk I vallen, een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich meebrengt. Dat brengt het verwijzende rechtscollege ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.1.1. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.1.2. Zij betogen eerst en vooral dat er geen sprake is van een verschil in behandeling tussen vergelijkbare adressaten die zijn onderworpen aan wetgeving van twee onderscheiden bevoegde overheden, wat niet noodzakelijk leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens hen is er daarentegen wel sprake van vergelijkbare instellingen die, wat betreft het pensioenbeleid, verschillend worden behandeld door eenzelfde wetgever. Volgens hen bevindt de ETF zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van de instellingen opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986. Net zoals de instellingen opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 is de ETF

(1)een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs (artikel II.105 van de Codex Hoger Onderwijs);
(2)ontvangt zij overheidsfinanciering;
(3)valt zij met betrekking tot de leden van haar onderwijzend personeel op exact dezelfde wijze onder de toepasselijke wet- en regelgeving. A.1.
  1. Zij betogen dat de keuze om instellingen al dan niet op te nemen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 niet steunt op een objectief criterium van onderscheid. Zij verwerpen het door de Ministerraad aangevoerde criterium inzake de weloverwogen beslissing om de instelling al dan niet in de lijst op te nemen. 4 A.1.
  2. Zij zijn verder van oordeel dat het verschil in behandeling tussen de ETF en de instellingen die zijn opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 niet redelijk is verantwoord. In dat verband stellen zij allereerst dat de zuinigheidsplicht de ongelijke behandeling van de ETF niet kan rechtvaardigen. De zuinigheidsplicht impliceert dat, wanneer de overheid over meerdere keuzemogelijkheden beschikt, zij niet de keuze mag maken die haar financiën nodeloos bezwaart. Zij wijzen erop dat, bij het maken van de keuzes om middelen te verdelen, het gelijkheidsbeginsel steeds in acht moet worden genomen. Daarom stellen zij dat het zuinigheidsbeginsel op zich de ongelijke behandeling van vergelijkbare categorieën niet kan verantwoorden. Daarenboven onderstrepen zij dat het zonder redelijke verantwoording niet opnemen van andere ambtshalve geregistreerde instellingen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 niet wegneemt dat de ETF wordt gediscrimineerd. A.1.
  3. Tot slot stellen zij dat het onderscheid tussen de ETF en de instellingen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 geenszins in redelijke verhouding staat tot de nagestreefde doelstellingen. Zo verzetten zij zich tegen de redenering van de Ministerraad dat het verschil in behandeling redelijk gerechtvaardigd zou zijn in het licht van de nagestreefde doelstellingen omdat de leden van het onderwijzend personeel van de ETF in plaats van een ambtenarenpensioen een wettelijk pensioen en een aanvullend pensioen ontvangen. Zij voeren in dat verband aan dat het personele toepassingsgebied van hoofdstuk I van de wet van 4 augustus 1986 is afgebakend op grond van de instellingen die zijn opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 en niet op grond van de personeelsleden van die instellingen, noch op grond van het feit dat ze al dan niet aanspraak kunnen maken op een ander (aanvullend) pensioen. Bovendien stellen zij dat de Ministerraad niet aantoont op basis van welke bepaling een aanvullend pensioen zou zijn uitgesloten voor of in mindering zou moeten gebracht van het wettelijk pensioen van het onderwijzend personeel van de instellingen die wel zijn opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  4. Zij benadrukken dat de ETF zelf instaat voor de opbouw van het aanvullend pensioen en dat de ETF tot op heden voor haar onderwijzend personeel substantieel hogere socialezekerheidsbijdragen betaalde aan de RSZ. Volgens hen kan de ongelijke behandeling niet worden verantwoord op basis van het feit dat de leden van het onderwijzend personeel van de ETF een aanvullend pensioen genieten. A.2.
  5. De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.2.
  6. De Ministerraad wijst eerst en vooral erop dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de erkenning van instellingen voor hoger (universitair) onderwijs, terwijl de federale wetgever bevoegd is voor de toekenning en financiering van het ambtenarenpensioen (artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, c), van de Grondwet, juncto artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De erkenning door de Vlaamse Gemeenschap van de ETF als een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs betekent daarom geenszins dat de onderwijsinstelling automatisch moet worden opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  7. De opname van een instelling in die lijst hangt af van een autonome beslissing van de federale overheid, die als enige bevoegd is inzake de regeling van de pensioenen. Volgens de Ministerraad zou een ander oordeel hierover de autonomie van de deelentiteiten uithollen. De Ministerraad verwijst hierbij naar de vaste rechtspraak van het Hof waarin wordt gesteld dat een verschil in behandeling dat het gevolg is van het optreden van twee verschillende overheden niet als zodanig in strijd kan worden geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
  8. Daarnaast onderstreept hij dat de wetgever over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat van een schending van het gelijkheidsbeginsel pas sprake is indien de betwiste ongelijke behandeling kennelijk onredelijk is. A.2.
  9. De Ministerraad, die niet betwist dat de ETF en de instellingen opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 vergelijkbaar zijn, voert vervolgens aan dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, met name de weloverwogen beslissing van de federale wetgever om de instelling al dan niet op te nemen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  10. 5 A.2.
  11. Verder stelt hij dat het onderscheid tussen de vergeleken categorieën een legitiem doel beoogt en pertinent is. Zo meent de Ministerraad dat de keuze van de wetgever om niet zomaar alle, maar slechts bepaalde door de gemeenschappen erkende instellingen voor hoger (universitair) onderwijs op te nemen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 is ingegeven door de op de federale overheid rustende zuinigheidsplicht. Wanneer de overheid over verschillende keuzemogelijkheden beschikt, zoals het al dan niet opnemen van een door de gemeenschappen erkende onderwijsinstelling in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986, is de overheid verplicht om een keuze te maken die haar financiën niet nodeloos bezwaart. In dat verband benadrukt de Ministerraad dat de lijst van erkende instellingen voor hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap ruimer is dan de lijst van instellingen in artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  12. A.2.
  13. Tot slot is de Ministerraad van oordeel dat het voorgelegde verschil in behandeling redelijk verantwoord is in het licht van de nagestreefde doelstellingen. Zo zijn de leden van het onderwijzend personeel van de ETF geenszins uitgesloten van een wettelijk pensioen. Zij genieten het wettelijk rustpensioen in de werknemersregeling. Daarenboven genieten de leden van het onderwijzend personeel van de ETF naast een werknemerspensioen ook een aanvullend pensioen, wat volgens de Ministerraad niet mogelijk is voor de leden van het onderwijzend personeel van de hogere onderwijsinstellingen die zijn opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  14. De Ministerraad is van mening dat de leden van het onderwijzend personeel van de ETF hierdoor nagenoeg dezelfde pensioenrechten genieten als de leden van het onderwijzend personeel van de hogere onderwijsinstellingen die wel zijn opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  15. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  16. De identieke prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de wet van 4 augustus 1986). B.2.
  17. Artikel 1, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1986 bepaalt : « Dit hoofdstuk is van toepassing op : 1° de in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat en in het bijzonder decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen bedoelde leden van het onderwijzend personeel, met uitzondering van de na 27 april 1965 benoemde leden van het onderwijzend personeel bij het Hoger Instituut voor vertalers en tolken en bij de School voor internationale tolken; 2° de leden van het onderwijzend personeel van de Faculteit der Landbouwkundige Wetenschappen te Gembloers; 6 3° de leden van het burgerlijk onderwijzend personeel van de Krijgsschool, het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie en de faculteiten van de Koninklijke Militaire School; 4° de leden van het onderwijzend personeel bij de hierna vermelde instellingen : - de Vrije Universiteit Brussel; - de ‘ Université libre de Bruxelles ’; - de Katholieke Universiteit te Leuven; - de ‘ Université catholique de Louvain ’; - de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen; - de Universitaire Instelling Antwerpen; - de ‘ Facultés universitaires Saint-Louis à Bruxelles ’; - de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius te Brussel; - het Universitair Centrum Limburg; - de ‘ Faculté polytechnique de Mons ’; - de ‘ Faculté universitaire catholique de Mons ’; - de ‘ Facultés universitaires Notre-Dame de le Paix à Namur ’; - de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel; - de ‘ Fondation Universitaire Luxembourgeoise ’; - de Universiteit Antwerpen. Wat de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap betreft, worden de leden van het zelfstandig academisch personeel bedoeld in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap als leden van het onderwijzend personeel beschouwd ». B.2.
  18. Het voormelde artikel 1 bepaalt het toepassingsgebied van hoofdstuk I van de wet van 4 augustus 1986, dat de « opruststelling en pensioenregeling voor de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs » regelt. B.
  19. De wet van 4 augustus 1986 bevat een specifieke pensioenregeling. 7 Die regeling impliceert de toepassing van de pensioenregeling voor de ambtenaren van het Algemeen Rijksbestuur op de onder het toepassingsgebied (artikel 1) vallende personen die bekleed zijn met een vaste of een door of krachtens een wet daarmee gelijkgestelde benoeming (artikel 4, eerste lid). De pensioenregeling bevat daarnaast specifieke regels inzake de pensioenleeftijd (artikel 2), de eretitels na opruststelling (artikel 3), en de in aanmerking te nemen dienstjaren en tantièmes (artikelen 5 en 6). Die pensioenen zijn ook volledig ten laste van de openbare schatkist (artikel 4, tweede lid). B.4.
  20. Om het precieze toepassingsgebied van de wet van 4 augustus 1986 te begrijpen, dient rekening te worden gehouden met de ontstaansgeschiedenis en de voorgangers van die wet. B.4.2.
  21. Zo gaat het toepassingsgebied van de wet van 4 augustus 1986 terug op de wet van 30 juli 1879 « betreffende het emeritaat voor de leraren van het hoger onderwijs » (hierna : de wet van 30 juli 1879). Die wet van 30 juli 1879 met een specifieke pensioenregeling (onder andere inzake de in aanmerking te nemen dienstjaren en het pensioenbedrag) hield onder meer in dat de onder het toepassingsgebied vallende pensioenen ten laste waren van de openbare schatkist. B.4.2.
  22. De wet van 30 juli 1879 was in essentie van toepassing op de Rijksuniversiteiten, de krijgsschool en militaire school, de veeartsenijschool en « l’institut agricole de l’État », maar haar toepassingsgebied werd nadien via wijzigingen van die wet (zie onder andere artikel 48 van de wet van 9 april 1965 « houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie » en artikel 44 van de wet van 7 april 1971 « houdende oprichting en de werking van de Universitaire Instelling Antwerpen »), dan wel via het van toepassing maken van de wet van 30 juli 1879 op andere onderwijsinstellingen van het Rijk (zie bijvoorbeeld artikel 6 van de wet van 26 februari 1923 « houdende wettige erkenning van het Hoger Handelsgesticht van Antwerpen ») uitgebreid. B.4.2.
  23. Bij artikel 37 van de wet van 27 juli 1971 « op de financiering en de controle van de universitaire instellingen » werd het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 1879 fundamenteel uitgebreid met volgende instellingen : Vrije Universiteit Brussel, « Université libre de Bruxelles », Katholieke Universiteit te Leuven, « Université catholique de Louvain », 8 Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, Universitaire Instelling Antwerpen, « Facultés universitaires St-Louis à Bruxelles », Universitaire Faculteiten St.-Aloysius te Brussel, Universitair Centrum te Limburg, « Faculté polytechnique de Mons », « Faculté universitaire catholique de Mons », « Facultés Notre-Dame de la Paix à Namur » en Faculteit voor Protestantse godgeleerdheid te Brussel (artikel 5bis van de wet van 30 juli 1879). Met die maatregel beoogde de wetgever om de pensioenen van de leden van het onderwijzend personeel van die onderwijsinstellingen te laten vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 1879 (Parl. St., Kamer, 1970-1971, nr. 1043/1, p. 7). B.4.2.
  24. Naar aanleiding van de noodzaak tot rechtzetting van enkele onvolkomenheden en andere aanpassingen in de veelvuldig gewijzigde wet van 30 juli 1879, werd bij koninklijk besluit nr. 127 van 30 december 1982 « betreffende de pensioenregeling voor de leden van het onderwijzend personeel van het hoger onderwijs » (hierna : het koninklijk besluit nr. 127), enerzijds, de wet van 30 juli 1879 en al haar wijzigingen opgeheven (artikel 10), en, anderzijds, een nieuwe, autonome tekst met betrekking tot de pensioenregeling vastgesteld (zie het verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit nr. 127). Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 127 stelt het toepassingsgebied van de regeling vast als volgt : « 1° de in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat bedoelde leden van het onderwijzend personeel, met uitzondering van de na 27 april 1965 benoemde leden van het onderwijzend personeel bij het Hoger Instituut voor vertalers en tolken en bij de School voor internationale tolken; 2° de leden van het onderwijzend personeel van de Faculteit der Landbouwkundige Wetenschappen te Gembloers; 3° de leden van het burgerlijk onderwijzend personeel van de Krijgsschool, de burgerlijke docenten een hoogleraren van de Koninklijke Militaire School, evenals de personen benoemd vóór 1 oktober 1982 in de hoedanigheid van burgerlijk meester of repetitor bij de Koninklijke Militaire School; 4° de leden van het onderwijzend personeel van de hiernavermelde instellingen : - de Vrije Universiteit Brussel; - de ‘ Université libre de Bruxelles ’; 9 - de Katholieke Universiteit te Leuven; - de ‘ Université catholique de Louvain’; - de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen; - de Universitaire Instelling Antwerpen; - de ‘ Facultés universitaires Saint-Louis à Bruxelles ’; - de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius te Brussel; - het Universitair Centrum Limburg; - de ‘ Faculté polytechnique de Mons ’; - de ‘ Faculté universitaire catholique de Mons ’; - de ‘ Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix à Namur ’; - de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel ». B.4.2.
  25. De Raad van State heeft bij zijn arrest nr. 25.763 van 23 oktober 1985 evenwel het koninklijk besluit nr. 127, met uitzondering van artikel 3 ervan, vernietigd. B.4.2.
  26. De wetgever heeft vervolgens de vernietiging van het koninklijk besluit nr. 127 opgevangen door de wet van 4 augustus 1986 aan te nemen (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 464/5, p. 2). De wetgever heeft zich met de wet van 4 augustus 1986, wat artikel 1 (het toepassingsgebied) betreft, gebaseerd op het vernietigde koninklijk besluit nr. 127, zoals kan worden afgeleid uit de overgenomen formulering van zowel de wettekst als de overwegingen van de parlementaire voorbereiding. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 augustus 1986 blijkt dat de wetgever bij het vaststellen van het toepassingsgebied voor het overige de reeds gehanteerde terminologie beoogde af te stemmen op de evoluties inzake de structuren van het hoger onderwijs (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 464/1, p. 1). 10 Ten gronde B.
  27. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de in die wet bedoelde pensioenregeling van toepassing maakt op de daarin opgesomde categorieën van onderwijzend personeel, zonder dat eveneens te doen ten aanzien van het onderwijzend personeel in dienst van de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » (hierna : de ETF). B.
  28. Het verschil in behandeling heeft in wezen betrekking op de al dan niet opname van een instelling in de lijst onder punt 4°, zodat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de niet- opname van de ETF in de lijst van instellingen onder punt 4°, waardoor die onderwijsinstelling en de leden van haar onderwijzend personeel niet onder de hiervoor toegelichte, specifieke pensioenregeling van de wet van 4 augustus 1986 vallen. B.7.
  29. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.7.
  30. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  31. Bij het bepalen van zijn pensioenbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Indien evenwel een wettelijke pensioenregeling bepaalde categorieën van personen beoogt en andere categorieën niet, of indien eenzelfde regeling van toepassing wordt gemaakt op categorieën van personen die zich in een wezenlijk verschillende situatie bevinden, dient het 11 Hof te onderzoeken of de in het geding zijnde bepalingen pertinent zijn ten aanzien van het nagestreefde doel en of zij geen onevenredige gevolgen hebben ten aanzien van de situatie van de ene of de andere van die categorieën van personen. Van discriminatie zou derhalve slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling of de gelijke behandeling voortvloeiende uit de toepassing van de pensioenregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
  32. Uit hetgeen in B.4 is vermeld, blijkt dat de wetgever bij de wet van 4 augustus 1986 de in 1982 bestaande universitaire instellingen heeft willen bestendigen. Bij niet-bekendgemaakt koninklijk besluit van 3 juni 1983 « houdende de erkenning van de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee » werd de ETF evenwel door de overheid erkend voor het toekennen van de graden van licentiaat en doctor in de godgeleerdheid (zie vermelding van de erkenning in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus 1983, p. 9927). De Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel is eveneens erkend bij koninklijk besluit van 4 maart 1963 « tot erkenning van de faculteit voor protestantse godgeleerdheid Brussel » voor de toekenning van de graden van licentiaat en doctor in de godgeleerdheid. Als instelling is zij wel opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus
  33. Thans zijn beide instellingen door de Vlaamse Gemeenschap gemachtigd tot het afleveren van de graden van master en doctor in de godgeleerdheid en zijn ze onderworpen aan dezelfde vereisten inzake de organisatie en kwaliteit van hun opleidingen, het toekennen van academische graden, de financiering en controle op de rekeningen, en de controle door de regeringscommissaris. De niet-opname van de ETF, in tegenstelling tot de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 is derhalve niet redelijk verantwoord. B.
  34. In zijn memorie verantwoordt de Ministerraad het verschil in behandeling door te wijzen op budgettaire overwegingen. Louter budgettaire motieven kunnen op zichzelf het verschil in behandeling evenwel niet verantwoorden. 12 B.
  35. Artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de ETF niet in de lijst van instellingen is opgenomen. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » niet in de lijst van instellingen is opgenomen. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november
  36. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.136 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.130 ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.062 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.