id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.137 Arrest- Rolnummer: 137/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 656 - laatst gezien 2026-06-19 02:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Burgerlijk recht - Afstamming - Erkenning - Weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van erkenning op te stellen - Beroepsmogelijkheid - Beperking - Kandidaat-erkenner Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 137/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8117 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 december 2023, heeft de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 330/2, lid 5 oud BW het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uit art. 10 en 11 van de Grondwet en, bij uitbreiding, art. 13 Grondwet, art. 6 lid 1 en art. 13 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, die een recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgen, doordat voormeld art. 330/2 lid 5 oud BW enkel aan de kandidaat-erkenner de mogelijkheid laat om beroep aan te tekenen tegen de weigering van de ambtenaar van burgerlijke stand om een akte van erkenning op te maken, en niet aan andere belanghebbenden, in het bijzonder aan de andere ouder wiens toestemming bij de erkenning vereist is ? ». Memories zijn ingediend door : - M.A., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Brecht De Schutter, advocaat bij de balie van Antwerpen; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op de erkenning van een minderjarig kind, waarvan M.A. de moeder is. O.H. wenst het kind te erkennen, maar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de akte van erkenning op te stellen omdat de erkenning van het minderjarig kind kennelijk alleen erop gericht is een verblijfsrechtelijk voordeel te bekomen voor M.A. O.H. heeft geen beroep ingesteld tegen die weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. M.A. heeft wel beroep ingesteld tegen de weigeringsbeslissing bij de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het oud Burgerlijk Wetboek voorziet evenwel niet in de mogelijkheid voor de andere belanghebbende in de erkenningsprocedure, te weten de andere ouder, om een beroep in te stellen tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Overeenkomstig artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek kan enkel de kandidaat-erkenner beroep aantekenen tegen de weigeringsbeslissing. In dat kader, en mede gelet op de mogelijke niet-ontvankelijkheid van de vordering van M.A., verzoekt zij het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof, verzoek waarop het rechtscollege ingaat. III. In rechte -A- A.1.
- Allereerst meent M.A., eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, dat zij over een autonome mogelijkheid moet kunnen beschikken om beroep aan te tekenen tegen een beslissing tot weigering om een akte van erkenning op te maken. Overeenkomstig artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek staat het beroep tegen de weigering van de erkenning enkel open voor de kandidaat-erkenner en niet voor andere belanghebbenden, inzonderheid de andere ouder die toestemming moet geven. Artikel 330/2 van het oud Burgerlijk Wetboek werd, om reden van een gebrek aan beroepsmogelijkheid voor alle belanghebbenden, deels vernietigd door het Hof bij zijn arrest nr. 58/2020 van 7 mei 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.058), waarna artikel 39, 4°, van de wet van 31 juli 2020 « houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 31 juli 2020) nieuwe leden heeft ingevoegd in artikel 330/
- 3 Het Hof oordeelde, bij het voormelde arrest nr. 58/2020, dat de loutere mogelijkheid voor de betrokken personen om een vordering tot onderzoek naar moederschap, vaderschap of meemoederschap in te stellen zonder dat een beroep openstond tegen de eigenlijke weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van erkenning op te maken, een schending uitmaakte van het recht op toegang tot de rechter, in het bijzonder omdat de procedure tot vaststelling van het vaderschap of moederschap ingevolge artikel 332quinquies van het oud Burgerlijk Wetboek wordt afgewezen wanneer het bewijs wordt geleverd dat diegene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is. Dienvolgens oordeelde het Hof dat het aan de wetgever toekwam om een jurisdictionele procedure te regelen die tegemoetkomt aan die beperkingen, waarbij, in afwachting van dat wettelijk optreden, de belanghebbenden de mogelijkheid moeten hebben om tegen de weigeringsbeslissing een beroep in te stellen bij de voorzitter van de familierechtbank. Uit het gebruik van het begrip « belanghebbenden » blijkt, volgens M.A., dat de wetgever die mogelijkheid niet louter aan de kandidaat-erkenner diende te geven, maar ook aan de andere belanghebbenden, dus ook aan de persoon wiens toestemming voor de erkenning vereist is. De redenering in de parlementaire voorbereiding, waarbij wordt gesteld dat de persoon wiens toestemming in de erkenning vereist is, nog steeds een vordering tot onderzoek van vaderschap, moederschap of meemoederschap kan instellen, houdt geen rekening met de kernredenering van het Hof, met name dat hierbij socio-affectieve erkenningen door erkenners zonder biologische afstammingsband met het kind worden uitgesloten. Derhalve heeft de wetgever een niet-conforme omzetting gemaakt van het arrest en dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. A.1.
- De Ministerraad voert aan dat M.A. een onvolledige en dus verkeerde lezing van het voormelde arrest nr. 58/2020 geeft. Uit de volledige lezing van het voormelde arrest moet, volgens de Ministerraad, worden afgeleid dat het Hof het feit hekelde dat er voor de kandidaat-erkenner geen beroepsmogelijkheid openstond tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van erkenning op te maken. De strijdigheid met het recht op toegang tot de rechter was gelegen in het feit dat aan de kandidaat-erkenner elke mogelijkheid werd ontzegd om een afstammingsband te hebben die niet per se biologisch van aard was. De verdere verwijzing die het Hof maakt naar « belanghebbenden » dient te worden gelezen als zijnde de kandidaat-erkenners en niet diegenen die hun toestemming moeten verlenen in de erkenning. Dat sluit ook aan bij een van de wezenskenmerken van de figuur van erkenning, die erin bestaat dat de erkenning een vrijwillige rechtshandeling is die uitgaat van een vrouw of een man die de bedoeling heeft om een afstammingsband te creëren ten aanzien van een kind (zie GwH, arrest nr. 2/2020 van 16 januari 2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.002, B.6.3). Een erkenning kan nooit, zonder initiatief van de erkenner, worden afgedwongen. A.2.
- Vervolgens meent M.A. dat het in het geding zijnde artikel strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat door de wetgever geen onderscheid is gemaakt naargelang de kandidaat-erkenner louter een verblijfsrechtelijk voordeel voor zichzelf beoogt, dan wel voor de andere ouder wiens toestemming in de erkenning is vereist. De andere ouder wiens toestemming in de erkenning is vereist, kan niet zelf opkomen tegen het beweerdelijke schijnkarakter van de erkenning. De persoon ten aanzien van wie de afstamming al vastligt, bevindt zich in een positie die volstrekt afhankelijk is van de autonome keuze van de kandidaat-erkenner om al dan niet beroep aan te tekenen tegen de weigering. Dat zet, volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, de deur open voor chantage en misbruik door de kandidaat-erkenner die geen verblijfsrechtelijk voordeel beoogt jegens de andere ouder die wel een verblijfsrechtelijk voordeel zou kunnen beogen. A.2.
- Wat betreft de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel merkt de Ministerraad op dat de vermeende ongelijke behandeling niet het gevolg is van de in het geding zijnde bepaling en voorbijgaat aan het doel van de norm. De in het geding zijnde bepaling is erop gericht de kandidaat-erkenner, via een beroepsprocedure, de mogelijkheid te bieden om een kind te erkennen. De kandidaat-erkenner moet de wil hebben om een afstammingsband vast te stellen ten aanzien van een kind en het belang van het kind is primordiaal. De in het geding zijnde bepaling kan niet erop gericht zijn verblijfsrechtelijke voordelen te creëren voor de erkenner. A.
- De Ministerraad voert aan dat om de voormelde prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden, het belangrijk is de draagwijdte van het begrip « erkenning » te benadrukken. De erkenning is, zoals vastgesteld bij het voormelde arrest nr. 58/2020, een vrijwillige rechtshandeling die uitgaat van een vrouw of een man die de bedoeling heeft om een afstammingsband te creëren ten aanzien van een kind. Het vrijwillige karakter van de rechtsfiguur betekent dat enkel en alleen de kandidaat-erkenner een aangifte van erkenning kan doen. Indien die erkenning wordt geweigerd, volgt uit het vrijwillige karakter van de erkenning eveneens dat enkel de kandidaat- erkenner tegen die weigeringsbeslissing een beroep kan instellen bij de familierechtbank. Aangezien de 4 kandidaat-erkenner, overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling, over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikt om de weigeringsbeslissing te betwisten, is die bepaling in elk geval in overeenstemming met het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Dat betekent niet dat er voor de andere belanghebbenden, inzonderheid de andere ouder wiens toestemming in de erkenning is vereist, geen wettelijke mogelijkheden zouden bestaan om de afstammingsband van de kandidaat-erkenner die geen beroep heeft ingesteld tegen de weigeringsbeslissing, alsnog te laten vaststellen, daar een vordering tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap kan worden ingesteld bij de familierechtbank (artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, van het oud Burgerlijk Wetboek). -B- B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, doordat enkel de kandidaat-erkenner de mogelijkheid heeft om een beroep aan te tekenen tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van erkenning op te maken, en niet andere belanghebbenden, in het bijzonder de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en wiens toestemming in de erkenning vereist is. B.2.
- Artikel 330/2 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 39, 4°, van de wet van 31 juli 2020 « houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 31 juli 2020), bepaalt : « De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de akte van erkenning op te maken indien hij vaststelt dat de erkenning betrekking heeft op een in artikel 330/1 bedoelde situatie. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een in artikel 330/1 bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de opmaak van de akte van erkenning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de persoon die het kind wil erkennen voornemens is het kind te erkennen, te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de ondertekening van de aangifte teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval, geeft hij van zijn beslissing kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die op zijn beurt de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in het tweede lid bepaalde termijn geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld de akte van erkenning op te maken. 5 In geval van een in het eerste lid bedoelde weigering, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand, zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen. Terzelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering genomen werd en naar de Dienst Vreemdelingenzaken. Tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van erkenning op te maken, kan door de persoon die het kind wil erkennen binnen de maand na de kennisgeving van deze beslissing beroep worden aangetekend bij de familierechtbank. De personen wier toestemming vereist is worden in het geding geroepen. De rechtbank bepaalt of het gaat om een in artikel 330/1 bedoelde situatie, rekening houdend met de aanwezige belangen en waarbij het belang van het kind de eerste overweging is ». B.2.
- Vóór die wetswijziging bepaalde artikel 330/2 van het oud Burgerlijk Wetboek : « De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de erkenning te akteren indien hij vaststelt dat de erkenning betrekking heeft op een in artikel 330/1 bedoelde situatie. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een in artikel 330/1 bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand het akteren van de erkenning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de persoon die het kind wil erkennen voornemens is het kind te erkennen, te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de ondertekening van de aangifte teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval, geeft hij van zijn beslissing kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die op zijn beurt de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in het tweede lid bepaalde termijn geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld de erkenning te akteren. In geval van een in het eerste lid bedoelde weigering, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand, zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen. Terzelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering genomen werd en naar de Dienst Vreemdelingenzaken. In geval van weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren, kan de persoon die de afstammingsband wil laten vaststellen een vordering tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap instellen bij de familierechtbank van de plaats van de aangifte van de erkenning. 6 In het in het vijfde lid bedoelde geval vermeldt het exploot van dagvaarding of het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand ». B.2.
- Bij zijn arrest nr. 58/2020 van 7 mei 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.058) heeft het Hof het vijfde en zesde lid van artikel 330/2 van het oud Burgerlijk Wetboek vernietigd, omdat aan de « erkenner en het kind elke mogelijkheid [werd] ontzegd om een afstammingsband te hebben wanneer er geen biologische band tussen hen bestaat » en de rechter die zich uitsprak over een vordering tot onderzoek naar het vaderschap of moederschap, « geen enkele mogelijkheid [had] om de belangen [...] van de kinderen [...] in concreto af te wegen » (B.27.4). Ingevolge het voormelde arrest nr. 58/2020 heeft de wetgever het in het geding zijnde artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek ingevoegd middels artikel 39, 4°, van de wet van 31 juli 2020, dat aan de kandidaat-erkenner de mogelijkheid verleent om tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van erkenning op te maken, beroep aan te tekenen bij de familierechtbank. De familierechtbank bepaalt of er sprake is van een in artikel 330/1 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde situatie, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige belangen, inzonderheid het primordiale belang van het kind. B.2.
- Het in het geding zijnde artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek wordt in de parlementaire voorbereiding verantwoord als volgt : « Dit artikel beoogt de bepaling betreffende het beroep tegen een weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een erkenning te akteren aan te passen ten einde deze bepaling in overeenstemming te brengen met het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 58/2020 van 7 mei
- Het Grondwettelijk Hof heeft in dat arrest besloten tot de vernietiging van artikel 330/2, vijfde en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 19 september 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning. Daarenboven heeft het Hof geoordeeld dat het aan de wetgever toekomt een beroepsprocedure te organiseren. 7 [...] Het komt de wetgever toe een beroepsprocedure te organiseren die de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, de volle rechtsmacht biedt om de verschillende op het spel staande belangen tegen elkaar af te wegen waarbij het belang van het kind de eerste overweging is. De familierechtbank moet aldus kunnen vaststellen dat uit het geheel van de omstandigheden niet kennelijk blijkt dat met de erkenning enkel het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel, maar tevens de vaststelling van een afstammingsband in het belang van het kind wordt beoogd, en dat bijgevolg aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek niet is voldaan, zodat die bepaling geen toepassing kan vinden en niets de erkenning in de weg staat (B.28.2). Bij een dergelijk beroep kan artikel 332quinquies, § 3, van het Burgerlijk Wetboek niet eraan in de weg staan dat de afstamming in voorkomend geval op een socioaffectieve basis wordt vastgesteld. [...] De beroepsprocedure die hier wordt toegevoegd staat enkel open voor de persoon die het kind wil erkennen. De erkenning blijft immers een vrijwillige en eenzijdige rechtshandeling uitgaande van een persoon die op eigen initiatief een afstammingsband wil creëren ten aanzien van een kind. De persoon die het kind wil erkennen is dus de ‘ belanghebbende persoon ’ die moet beschikken over een specifieke beroepsprocedure. Als de erkenner in kwestie geen beroep wenst in te stellen tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de erkenning te akteren, dan kunnen de personen die hun voorafgaande toestemming tot de geweigerde erkenning hebben gegeven (andere ouder en kind), die toch een vaststelling van de afstammingsband wensen ten aanzien van de geweigerde erkenner, een vordering tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap instellen bij de familierechtbank. Wanneer de afstammingsband niet vaststaat krachtens het wettelijk voorgeschreven vermoeden noch op grond van een erkenning, kan het bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde voorwaarden » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1295/001, pp. 24-27). B.
- Het in het geding zijnde artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek beperkt de beroepsmogelijkheid tot de kandidaat-erkenner die de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand wenst aan te vechten. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de afwezigheid van een beroepsmogelijkheid tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van erkenning op te maken, voor de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en die zijn voorafgaande toestemming in de erkenning heeft gegeven. 8 Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.4.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
- Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». B.4.
- Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ». Artikel 13 van datzelfde Verdrag bepaalt : « Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ». 9 B.5.
- Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het « recht op een rechterlijke instantie » gewaarborgd, waarvan het recht op toegang, namelijk het recht om een zaak aanhangig te maken bij een rechterlijke instantie in burgerlijke zaken, een aspect vormt. B.5.
- Het recht op toegang tot een rechter is evenwel niet absoluut. De beperkingen van dat recht mogen geen afbreuk doen aan de inhoud van dat recht. Zij moeten bovendien een redelijk verband van evenredigheid hebben met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207, § 25; grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2012:0117:JUD003676006, §§ 229-230). De reglementering inzake het recht op toegang tot een rechter moet steeds de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag geen soort van belemmering vormen die de rechtzoekende belet dat de inhoud van zijn geschil wordt beslecht door het bevoegde rechtscollege (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, voormeld, § 25; 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406, § 69). De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechter wordt beoordeeld rekening houdend met de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en van het hele proces (EHRM, 29 maart 2011, RTBF t. België, voormeld, § 70). B.6.
- Zoals is vermeld in B.2.4, heeft de wetgever geen specifiek beroep georganiseerd tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van erkenning op te maken, voor de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en die in de erkenning heeft toegestemd. Hij biedt die andere ouder wel de mogelijkheid om in een dergelijk geval de gerechtelijke vaststelling van een afstammingsband te vorderen via de familierechtbank. Die vorderingen tot onderzoek naar het moederschap, vaderschap of meemoederschap worden geregeld bij de artikelen 314, 322 tot 325, 325/8 tot 325/10 en 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek. B.6.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de vaststelling of de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van erkenning op te maken, door de kandidaat-erkenner wordt aangevochten of niet. Enkel de kandidaat-erkenner kan tegen zulke weigeringsbeslissing een beroep instellen bij de familierechtbank. 10 B.7.
- De erkenning is een vrijwillige rechtshandeling die uitgaat van een persoon die de bedoeling heeft om een afstammingsband te creëren ten aanzien van een kind. De kandidaat-erkenner wordt geacht een dergelijke rechtshandeling weloverwogen te stellen en kan de erkenning slechts betwisten indien hij bewijst dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde. Om tot erkenning over te gaan, dient de kandidaat-erkenner zijn biologische band met het kind niet aan te tonen. Het is dus mogelijk dat een persoon een kind erkent waarvan hij niet de biologische ouder is. B.7.
- Het vrijwillige karakter van de rechtsfiguur van erkenning betekent dat alleen een kandidaat-erkenner een aangifte van erkenning kan doen. Indien de erkenning door de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt geweigerd wegens een situatie zoals vermeld in artikel 330/1 van het oud Burgerlijk Wetboek, volgt uit het vrijwillige karakter van de erkenning dat enkel de kandidaat-erkenner tegen die weigeringsbeslissing een beroep kan instellen bij de familierechtbank. B.7.
- Dat een beroep tegen een dergelijke weigeringsbeslissing bij de familierechtbank enkel mogelijk is voor de kandidaat-erkenner en niet voor de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en die in de erkenning heeft toegestemd, is redelijk verantwoord, aangezien de erkenning een vrijwillige rechtshandeling is en dus in geen geval kan worden afgedwongen van een bepaalde persoon. De wetgever vermocht aldus de beroepsmogelijkheid te beperken tot de kandidaat-erkenner, aangezien de aanvraag tot erkenning uitgaat van de persoon die op eigen initiatief een afstammingsband wil creëren ten aanzien van een kind. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat aan het eenzijdige en vrijwillige karakter van de erkenning afbreuk wordt gedaan. Voor de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en wiens toestemming in de erkenning vereist is, bestaat nog altijd de gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming, waarbij desgevallend de afwezigheid van een biologische band het vaststellen van een afstammingsband zal verhinderen (artikel 332quinquies van het oud Burgerlijk Wetboek). 11 Ook die beperking is redelijk verantwoord, aangezien het enkel aan de kandidaat-erkenner toekomt te beslissen om een afstammingsband vast te stellen die niet overeenstemt met de biologische werkelijkheid. B.7.
- Artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 330/2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.137 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.002 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.058 ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207 ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 ECLI:CE:ECHR:2012:0117:JUD003676006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div