← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.138

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.138 Arrest- Rolnummer: 138/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-02 Raadplegingen: 528 - laatst gezien 2026-06-16 16:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre de echtgenoot of de ex-echtgenoot van de moeder de vordering tot betwisting van het vaderschap dient in te stellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind

  1. is)Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Afstamming van vaderszijde - Vermoeden van vaderschap - Vordering tot betwisting van het vaderschap - Echtgenoot of ex-echtgenoot van de moeder - Termijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 138/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8136 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 december 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 januari 2024, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek al dan niet de artikelen 22 en 22bis van de Belgische Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de voormalige echtgenoot van de moeder niet toelaat zijn afstamming (vastgesteld bij onweerlegbaar vermoeden) in het geding te brengen na de wettelijk bepaalde termijn van één jaar wanneer nooit enige twijfel heeft bestaan, en zonder dat enig concreet en daadwerkelijk belang een dergelijke inmenging kan verantwoorden, gelet op het feit dat de in het geding zijnde afstamming geen enkele socio-affectieve duurzaamheid kent en die nooit heeft gekend (er bestaat geen enkel bezit van staat; de socio-affectieve werkelijkheid bestaat ten aanzien van een andere man, die thans overleden is; de middelen die worden aangevoerd om zich te verzetten tegen de aanvraag zijn bijzonder) ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Evrard de Lophem en mr. Juliette Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.L. en F.M. huwen op 22 mei 1969. Het volgende jaar zijn zij reeds feitelijk gescheiden en vormen zij elk opnieuw een koppel, respectievelijk met M.G. en met A.H., die voordien ook een koppel vormden. Terwijl zij nog steeds gehuwd is met M.L., brengt F.M. twee kinderen ter wereld : J.L., in 1971, en E.L., in 1973. Ook al is het algemeen bekend dat A.H. de biologische vader van die kinderen is, toch wordt het in artikel 315 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde wettelijk vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder niet uitgeschakeld, noch betwist; de wettelijke vader van de kinderen van F.M. is dus M.L. De echtscheiding van M.L. en F.M. wordt uitgesproken op 24 april 1978. Op 13 april 2023 stelt M.L. voor de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen, een vordering tot betwisting van het vaderschap in tegen J.L. en E.L. en hun moeder, F.M. Alvorens de ontvankelijkheid van die vordering te beoordelen, stelt de Rechtbank, op verzoek van M.L. maar na herformulering, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad doet gelden dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp in het arrest nr. 46/2013 van 28 maart 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.046). De Ministerraad is van mening dat het Hof geen enkele reden heeft om af te wijken van zijn vroegere rechtspraak, aangezien het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betrekking heeft op een hypothese die identiek is aan die welke tot het voormelde arrest nr. 46/2013 heeft geleid, namelijk die van een ex-echtgenoot die het vaderschap betwist na het verstrijken van de voorziene termijn van één jaar, in een context waarin het vermoeden van vaderschap niet overeenstemt met de socio-affectieve werkelijkheid en waarin er derhalve geen bezit van staat is. A.2.1. Wat betreft het feit, benadrukt door het verwijzende rechtscollege, dat het voormelde arrest van het Hof nr. 46/2013 meer dan tien jaar oud is, beklemtoont de Ministerraad dat artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek sindsdien niet werd gewijzigd. A.2.2. De Ministerraad erkent dat het Hof zich in de voorbije tien jaar heeft moeten uitspreken over vragen betreffende de afstamming en de betwisting ervan. De arresten die door het Hof in die aangelegenheid zijn uitgesproken, hadden evenwel betrekking op hetzij de termijn waarbinnen het kind het vaderschap kan betwisten 3 krachtens artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek (arrest nr. 18/2016 van 3 februari 2016, ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.018), hetzij de in artikel 330, § 1, vierde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn van één jaar met betrekking tot de vordering tot betwisting van een erkenning van afstamming, wanneer die vordering wordt ingesteld door de persoon die de afstamming opeist (arresten nrs. 139/2013 van 17 oktober 2013, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.139, en 165/2013 van 5 december 2013, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.165) of door de man die het kind heeft erkend en die ontdekt dat hij niet de vader van het kind is (arrest nr. 139/2014 van 25 september 2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.139). In zijn rechtspraak met betrekking tot de betwisting van een erkenning van afstamming beklemtoont het Hof dat de wetgever de voorwaarden en nadere regels van beide vorderingen (enerzijds, betwisting van het vaderschap en, anderzijds, betwisting van een erkenning) op elkaar heeft willen afstemmen. Bij zijn voormelde rechtspraak bevestigt het Hof eveneens, volgens de Ministerraad, dat de asymmetrie van de vorderingen die zijn ingesteld door, enerzijds, het kind en, anderzijds, de (wettelijke of biologische) vader, niet onbestaanbaar is met de Grondwet. A.3. Volgens de Ministerraad bevestigt het voorgaande dat artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het erin voorziet dat de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1. Artikel 315 van het oud Burgerlijk Wetboek regelt het wettelijk vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder van een kind. Die bepaling voorziet erin dat het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring ervan, de echtgenoot tot vader heeft. B.2.1. Het wettelijk vermoeden van vaderschap is weerlegbaar en kan dus worden betwist volgens de in artikel 318 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde nadere regels. Luidens paragraaf 1 van die bepaling kan de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap worden ingesteld door de moeder, door het kind, door de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, door de man die het vaderschap van het kind opeist en door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist. B.2.2. Artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek stelt de termijn vast waarbinnen de houders van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap die vordering dienen in te stellen. Het bepaalt : 4 « De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn. [...] ». B.3. De wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming » (hierna : de wet van 31 maart 1987) heeft, zoals het opschrift ervan aangeeft, verscheidene wetsbepalingen betreffende de afstamming gewijzigd. Volgens de memorie van toelichting van de wet van 31 maart 1987 bestond een van haar doelstellingen erin « de waarheid zoveel mogelijk te benaderen », dat wil zeggen de biologische afstamming (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 3). Met betrekking tot de vaststelling van de afstamming van vaderszijde is erop gewezen dat « de wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen […] het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg [behoorde] te hebben » (ibid., p. 12). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever tevens de « rust der families » in overweging heeft willen nemen en heeft willen beschermen door, indien hiertoe nodig, het zoeken naar de biologische waarheid te temperen (ibid., p. 15). Hij heeft ervoor geopteerd niet af te stappen van het adagium « pater is est quem nuptiae demonstrant » (ibid., p. 11). B.4.1. Bij gebrek aan een specifieke termijnregeling voor het instellen van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap, diende toepassing te worden gemaakt van artikel 332 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat bepaalde : « Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315, kan worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind. [...] 5 De rechtsvordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte en die van de echtgenoot of van de vorige echtgenoot binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking ervan. [...] ». Aangaande de termijnbepaling heeft de wetgever geoordeeld dat het belang van het kind prioritair is en dat het « onaanvaardbaar [is] dat een ontkenning van vaderschap nog zou kunnen plaatshebben na verloop van een zekere tijd, m.a.w. nadat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat bezit van staat is tot stand gekomen » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 115). Hoewel de wetgever de echtgenoot van de moeder niet volledig heeft willen verhinderen het vaderschap te betwisten, heeft hij aldus de wil geuit de rechtszekerheid van de familiale relaties en het belang van het kind als prioritair te beschouwen, en heeft hij bijgevolg voorzien in een vaste vervaltermijn van één jaar voor het instellen van de vordering tot betwisting van het vaderschap. B.4.2. Het afstammingsrecht is evenwel diepgaand hervormd door de wet van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan ». Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever de teksten die ter zake door het Hof werden afgekeurd, heeft willen hervormen en rekening heeft willen houden met de sociologische evolutie, door de afstammingen binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen : « De wet van 1987 heeft nagenoeg alle verschillen uitgevlakt wat de uitwerking betreft, maar ze heeft een mechanisme van vermoeden van vaderschap in stand gehouden dat stuitende gevolgen heeft voor de vaststelling van de afstamming. […] Dit wetsvoorstel beoogt dus tevens het vermoeden van vaderschap te behouden en er gevolgen aan te geven die nagenoeg dezelfde zijn als die van een erkenning » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0597/001, p. 5). « Tot slot moet een rechtszaak worden ingeleid binnen een termijn van een jaar (vanaf het ontdekken van de geboorte of vanaf het jaar waarin dat feit ontdekt wordt door de echtgenoot of door degene die het kind erkent indien hij niet de vader van het kind
  2. is)» (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-0597/037, p. 5). 6 B.4.3. Wat de termijnregeling betreft, is er, ten aanzien van de echtgenoot of de ex-echtgenoot van de moeder, weinig veranderd. Artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat hij de vordering dient in te stellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. In vergelijking met de regeling van 1987, volgens welke hij de vordering diende in te stellen binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking van de geboorte, is enkel het startpunt van de vervaltermijn gewijzigd. Wat dat startpunt van de vervaltermijn betreft, moet worden beklemtoond dat de interpretatie van het begrip « feit » tot de bevoegdheid van de rechter ten gronde behoort, waarbij hem een ruime appreciatiebevoegdheid wordt verleend, zoals het Hof in het arrest nr. 46/2013 van 28 maart 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.046) heeft geoordeeld. Ten gronde B.5.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de termijn waarbinnen de echtgenoot van de moeder zijn vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap krachtens artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek dient in te stellen. B.5.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de echtgenoot van de moeder de verplichting oplegt om in rechte te treden binnen een termijn van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat hij niet de biologische vader van het kind is, terwijl daarover nooit enige twijfel heeft bestaan, en terwijl de in het geding zijnde afstamming geen enkele socio-affectieve duurzaamheid kent en die nooit heeft gekend. B.5.3. Uit de gegevens van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een vordering ingesteld door de ex-echtgenoot van de moeder van de kinderen, die het vermoeden van vaderschap betwist, dat het vermoeden van vaderschap van de ex-echtgenoot van de moeder niet overeenstemt met de socio-affectieve werkelijkheid en er derhalve geen bezit van staat is, dat dat vermoeden van vaderschap niet overeenstemt met de biologische werkelijkheid, dat het juridisch vastgestelde vaderschap ingaat 7 tegen de wensen van de ex-echtgenoot maar dat het noch door de kinderen, noch door de moeder wordt betwist, en dat, met toepassing van artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, de vordering tot betwisting van het wettelijk vermoeden van vaderschap verjaard is ten aanzien van alle houders van die vordering. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.6.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.6.2. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.6.3. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. 8 Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.7.1. Het Hof heeft de grondwettigheid van de termijn van één jaar bedoeld in artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek reeds onderzocht. Bij zijn voormelde arrest nr. 46/2013 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt in zoverre de echtgenoot de vordering tot betwisting van het vaderschap moet instellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld : « B.10.1. De wetgever vermocht te oordelen dat hij die huwt in beginsel aanvaardt om beschouwd te worden als vader van ieder kind dat zijn vrouw zal baren. Rekening houdend met de bekommernissen van de wetgever en met de waarden die hij heeft willen verzoenen, komt het in beginsel niet onredelijk voor dat hij de echtgenoot slechts een korte termijn heeft willen toekennen om de vordering tot vaderschapsbetwisting in te stellen. B.10.2. Daarnaast kan het vaststellen van een termijn voor het instellen van een vordering tot betwisting van het vaderschap eveneens worden verantwoord door de zorg om de rechtszekerheid en een definitief karakter van de familiale relaties te waarborgen. B.10.3. Artikel 318, § 2, van het [oud] Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. De interpretatie van het begrip ‘ feit ’ behoort tot de bevoegdheid van de rechter ten gronde, waarbij hem een ruime appreciatiebevoegdheid wordt verleend. Immers, overeenkomstig artikel 331octies van het [oud] Burgerlijk Wetboek kunnen de rechtbanken, ‘ zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methodes gelasten ’, waarbij niets hen belet het tijdstip van de uitkomst van dat onderzoek als startpunt van de termijn van één jaar te beschouwen. B.11. Rekening houdend met de belangrijke appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt [...] om te zoeken naar een billijk evenwicht tussen alle in het geding zijnde rechten en belangen en met de [...] rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met termijnen die het in bepaalde gevallen toestaat, dient voorts erop gewezen dat de wetgever in artikel 318 van het [oud] Burgerlijk Wetboek ook in de mogelijkheid, onder de in 9 dat artikel vermelde voorwaarden, voorziet om een vordering tot ontkenning en onderzoek van vaderschap voor de kinderen in te stellen en om een vordering tot betwisting en vaststelling van vaderschap voor iemand die beweert de biologische vader te zijn, in te stellen ». B.7.2. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de termijn van één jaar vanaf de ontdekking van zijn vaderschap waarbinnen de man die het vaderschap van het kind opeist, zijn vordering dient in te stellen krachtens artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt (arresten nrs. 16/2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.016, 145/2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.145, en 87/2016, ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.087). B.8.1. Bovendien heeft de wetgever, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 139/2013 van 17 oktober 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.139) in herinnering heeft gebracht, een zo groot mogelijk parallellisme willen verwezenlijken tussen de procedure van betwisting van het vaderschapsvermoeden (op grond van artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek) en die van betwisting van de vaderlijke erkenning (op grond van artikel 330, § 1, vierde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Zo zijn beide procedures, in de betreffende bepalingen, in vergelijkbare bewoordingen geformuleerd en heeft de wetgever, voor beide procedures, voorzien in een zelfde termijn van één jaar om de vordering in te stellen. B.8.2. Bij zijn arrest nr. 139/2014 van 25 september 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.139) heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt in zoverre het bepaalt dat de vordering van de persoon die het kind heeft erkend, dient te worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld : « B.23.3. De in het geding zijnde bepaling stelt geen absolute grond van niet-ontvankelijkheid in voor de vordering tot betwisting van een erkenning van het vaderschap, maar stelt een termijn vast voor het instellen van een vordering tot betwisting van het vaderschap, wat wordt verantwoord door de zorg om de rechtszekerheid en een definitief karakter van de familiale relaties te waarborgen. 10 Artikel 330, § 1, van het [oud] Burgerlijk Wetboek voorziet overigens in de mogelijkheid voor het kind om tussen de leeftijd van twaalf jaar en tweeëntwintig jaar of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het heeft erkend noch zijn vader, noch zijn moeder is, een dergelijke vordering in te stellen. De wetgever waarborgt aldus het recht op de identiteit dat, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het voorwerp moet uitmaken van een grondig onderzoek wanneer de aanwezige belangen worden vergeleken (EHRM, 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47). Bij zijn arrest nr. 96/2011 van 31 mei 2011 heeft het Hof daarnaast geoordeeld dat een kind zelfs buiten die termijn het vermoeden van vaderschap moet kunnen betwisten dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder wanneer dat vermoeden niet overeenstemt met enige biologische of socioaffectieve werkelijkheid. B.24. Gelet op de bekommernissen van de wetgever en de waarden die hij heeft willen verzoenen, is het derhalve niet zonder redelijke verantwoording dat de persoon die het kind heeft erkend, slechts over een korte termijn beschikt om zijn erkenning te betwisten ». B.9. Om dezelfde redenen als die van het voormelde arrest van het Hof nr. 46/2013 en om redenen die soortgelijk zijn aan die van het voormelde arrest van het Hof nr. 139/2014, is artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet in zoverre die bepaling erin voorziet dat de echtgenoot of de ex-echtgenoot van de moeder de vordering tot betwisting van het vaderschap dient in te stellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. B.10.1. Het Hof moet nog onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.10.2. Krachtens artikel 318, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek beschikt het kind over de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap te betwisten ten aanzien van de echtgenoot of de ex-echtgenoot van zijn moeder. Het dient zijn vordering op zijn vroegst in te stellen op de dag waarop het de leeftijd van 12 jaar bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van 22 jaar bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot niet zijn vader is, waarbij de vordering tot betwisting van het vaderschap in beginsel onderworpen blijft aan de gemeenrechtelijke dertigjarige termijn die is bedoeld in artikel 331ter van hetzelfde Wetboek (GwH, nr. 18/2016 van 3 februari 2016, ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.018, en nr. 142/2019 van 17 oktober 2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.142, B.7.3). 11 B.10.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het belang van het kind wordt gevrijwaard, aangezien het de mogelijkheid heeft om de met toepassing van artikel 315 van het oud Burgerlijk Wetboek vastgestelde afstamming van vaderszijde zelf of via zijn wettelijke vertegenwoordiger te betwisten. Het feit dat de vordering van de echtgenoot of van de ex-echtgenoot van de moeder verjaart door verloop van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, wijzigt die vaststelling niet. B.11. Artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek is bestaanbaar met artikel 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de echtgenoot of de ex-echtgenoot van de moeder de vordering tot betwisting van het vaderschap dient in te stellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de echtgenoot of de ex-echtgenoot van de moeder de vordering tot betwisting van het vaderschap dient in te stellen binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november 2024. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.138 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.046 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.139 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.165 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.016 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.145 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.087 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.