← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.140

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 november 2024 ECLI n

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 6

8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009, wat de activiteiten van de netbeheerders betreft,

tot opheffing van artikel 22 van het decreet van 2 april 2021 tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement

de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van

ergie uit hernieuwbare bronnen

tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU », ingesteld door de Ministerraad.

ergie - Vlaams Gewest - Elektriciteits-

aardgasmarkt - Transmissienetbeheerder - Beheerder van het aardgasvervoersnet - Bevoegdheidverdelende regels - Openbare dienstverplichtingen - Gewestelijke bevoegdheden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 140/2024 van 21 november 2024 Rolnummer : 8170 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 6

8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009, wat de activiteiten van de netbeheerders betreft,

tot opheffing van artikel 22 van het decreet van 2 april 2021 tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement

de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van

ergie uit hernieuwbare bronnen

tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU », ingesteld door de Ministerraad. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen

Pierre Nihoul,

de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin

Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 februari 2024 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 23 februari 2024, heeft de Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Barteld Schutyser, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 5, 6

8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009, wat de activiteiten van de netbeheerders betreft,

tot opheffing van artikel 22 van het decreet van 2 april 2021 tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement

de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van

ergie uit hernieuwbare bronnen

tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 2023). 2 De Vlaamse Regering, bijgestaan

vertegenwoordigd door mr. Thomas Chellingsworth

mr. Laura Pellens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend

de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters

Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten

de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1. De Ministerraad voert aan dat het eerste middelonderdeel op ontvankelijke wijze gericht is tegen artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009, wat de activiteiten van de netbeheerders betreft,

tot opheffing van artikel 22 van het decreet van 2 april 2021 tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement

de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van

ergie uit hernieuwbare bronnen

tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU » (hierna : het decreet van 14 juli 2023). In zoverre die bepaling een nieuwe onderafdeling V (« Andere activiteiten van de transmissienetbeheerder

van de beheerder van het vervoersnet ») in het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het

ergiebeleid » (hierna : het

ergiedecreet) invoegt, is zij onlosmakelijk verbonden met artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023, dat immers, via de invoeging van een artikel 4.1.8/7 in het

ergiedecreet, die « andere activiteiten » bepaalt. A.2. De Vlaamse Regering werpt op dat het eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen artikel 5 van het decreet van 14 juli 2023, daar de Ministerraad niet preciseert in welk opzicht die bepaling de aangehaalde toetsingsnormen schendt. Minstens is het middelonderdeel niet gegrond in zoverre het tegen die bepaling is gericht, aangezien die bepaling is beperkt tot het invoegen van een benaming van een nieuwe onderafdeling in het

ergiedecreet. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.3. De Ministerraad leidt een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 5, 6

8 van het decreet van 14 juli 2023, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a),

tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). 3 Eerste onderdeel van het eerste middel A.4.1. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gericht tegen de artikelen 5

6 van het decreet van 14 juli

  1. A.4.
  2. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat uit artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a),

tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 volgt dat de federale overheid, met uitsluiting van de gewesten, bevoegd is om de activiteiten van de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet te regelen. De bevoegdheid voor het bepalen van het beheer van het transmissie-

vervoersnet omvat ook de bevoegdheid om te bepalen op welke manier dat beheer moet worden verzekerd. Het bepalen van de activiteiten van de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet behoort tot de kern van het beheer van het transmissie-

vervoersnet waarvoor de federale overheid bevoegd is. Hij wijst erop dat de federale overheid zelf ook artikel 40 van de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944) heeft omgezet. Daartoe heeft hij de taken van de transmissienetbeheerder

die van de beheerder van het vervoersnet vastgelegd in artikel 8 van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet) respectievelijk in artikel 15/1 van de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten

andere door middel van leidingen ». A.4.3. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de door de artikelen 5

6 van het decreet van 14 juli 2023 geregelde activiteiten dermate ruim zijn omschreven dat zij niet kunnen worden geacht allemaal tot de gewestelijke bevoegdheden inzake de nieuwe

ergiebronnen

het rationeel

ergiegebruik te behoren. Zo is de « net-

databeheeractiviteit », waarnaar in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 wordt verwezen, inherent verbonden met de federale bevoegdheid inzake het « beheer » van het transmissie-

vervoersnet. Dezelfde vaststelling geldt ten aanzien van de « deelactiviteiten, accessoria of modaliteiten van de net-

databeheeractiviteiten », die immers dezelfde aard

voorwerp hebben als de net-

databeheeractiviteit zelf. Met betrekking tot de « activiteiten die door een Europeesrechtelijke lex specialis toegestaan worden », merkt de Ministerraad op dat niet elke activiteit die hieronder valt, kan worden beschouwd als een activiteit die behoort tot de gewestelijke bevoegdheden. Ten slotte zijn de twee overige categorieën van activiteiten die in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 worden vermeld, namelijk de « algemene verplichtingen die van toepassing zijn op alle types van elektriciteits-

aardgasbedrijven, inclusief de netbeheerders »,

de « openbaredienstverplichtingen », dermate ruim omschreven dat het evident is dat zij de gewestelijke bevoegdheden overschrijden. Zo kan de bescherming van de kwetsbare afnemers alvast niet onder de eerste categorie vallen, aangezien de federale overheid krachtens artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd is voor de bescherming van de verbruiker. Met betrekking tot de tweede categorie wijst de Ministerraad op artikel 21 van de Elektriciteitswet, dat de Koning machtigt om de transmissienetbeheerder openbaredienstverplichtingen op te leggen. De omstandigheid dat de voormelde voorbeelden uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 deel uitmaken van de toelichting bij artikel 4 van dat decreet, doet volgens de Ministerraad niet ter zake, daar uit die parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever aan de bestreden bepalingen dezelfde draagwijdte heeft willen geven als aan artikel 4. Evenmin is het relevant dat die voorbeelden betrekking hebben op de vraag of een beoordeling van de noodzakelijkheid van de activiteit door de Vlaamse Regulator voor de Elektriciteits-

Gasmarkt (VREG) al dan niet vereist is, aangezien dit niet wegneemt dat de Vlaamse decreetgever al die categorieën beschouwt als activiteiten in de zin van de bestreden bepalingen. A.4.4. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het bepaalde in artikel 4.1.8/7, tweede

derde lid, van het

ergiedecreet, zoals ingevoegd door artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023, niet kan worden geacht uitsluitend betrekking te hebben op activiteiten die tot de gewestelijke bevoegdheden behoren. Die bepalingen voorzien immers uitdrukkelijk erin dat de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet « andere activiteiten [dan de gewestelijke activiteiten] vermeld in het eerste lid » kunnen verrichten. De omstandigheid dat die andere activiteiten vanuit Europeesrechtelijk oogpunt noodzakelijk zijn om de activiteiten vermeld in het eerste lid van artikel 4.1.8/7 te verrichten, kan de inbreuk op de federale bevoegdheden niet rechtvaardigen. A.

  1. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is in zoverre het is gericht tegen artikel 6 van het decreet van 14 juli
  2. 4 Ten eerste werpt de Vlaamse Regering op dat die bepaling uitsluitend betrekking heeft op activiteiten die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden. Wat het eerste lid van het in het

ergiedecreet ingevoegde artikel 4.1.8/7 betreft, volgt dit uit de tekst zelf ervan, die immers uitdrukkelijk vermeldt dat de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet de activiteiten verrichten die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden. Ook in het tweede

het derde lid van dat artikel wordt uitdrukkelijk vermeld dat het moet gaan om activiteiten « die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden ». Het ingevoegde artikel 4.1.8/7, tweede

derde lid, van het

ergiedecreet heeft derhalve geen betrekking op het beheer van het transmissie-

vervoersnet. Ten slotte machtigt het ingevoegde artikel 4.1.8/7, vierde lid, van hetzelfde decreet de Vlaamse Regering om « [de] activiteiten [...] vermeld in het tweede

derde lid » vast te stellen, zodat ook die bepaling niet toelaat dat er activiteiten worden bepaald die niet behoren tot de gewestelijke bevoegdheden. Ten tweede gaat de Ministerraad volgens de Vlaamse Regering ten onrechte ervan uit dat de federale overheid als

ige bevoegd is ten aanzien van de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet. Zowel uit de rechtspraak van het Hof als uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State volgt dat de gewesten bevoegd zijn om, in aangelegenheden die tot hun bevoegdheden behoren, verplichtingen op te leggen aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet. Dat iedere activiteit die aan die beheerders wordt opgelegd per definitie op een regeling van het beheer van het transmissie-

vervoersnet zou neerkomen, is volgens de Vlaamse Regering niet correct. De Vlaamse Regering verwijst in dat verband naar de bepalingen in het

ergiedecreet met betrekking tot groenestroom-

warmtekrachtcertificaten. Zij merkt overigens op dat de Ministerraad geen

kele activiteit opsomt die behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. Ten derde merkt de Vlaamse Regering op dat de activiteiten die de Ministerraad uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 citeert geen betrekking hebben op de door hem bestreden artikelen 5

6 van dat decreet, maar op artikel 4 ervan, dat

kel van toepassing is op de distributienetbeheerders

de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit

hun werkmaatschappij. Bovendien hebben die activiteiten niets te maken met het onderscheid tussen federale

gewestelijke bevoegdheden, maar wel met het onderscheid tussen activiteiten van de distributienetbeheerders

de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit naargelang een beoordeling van de noodzakelijkheid ervan door de VREG al dan niet vereist is. Voor het verrichten van de drie door de Ministerraad vermelde activiteiten is geen dergelijke noodzakelijkheidsbeoordeling vereist. Tweede onderdeel van het eerste middel A.6. De Ministerraad voert aan dat de machtiging van de Vlaamse Regering, zoals ingevoegd in artikel 7.5.1, eerste lid, van het

ergiedecreet, door artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023, om de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet openbaredienstverplichtingen op te leggen inzake programma's ter bevordering van het rationeel

ergiegebruik

hernieuwbare

ergiebronnen, minimumnormen inzake rationeel

ergiegebruik bij hun afnemers

investeringen in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, installaties voor de productie van groene stroom, groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten, een inbreuk maakt op de federale bevoegdheid inzake het beheer van het transmissie-

vervoersnet. Het opleggen van openbaredienstverplichtingen aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet is inherent verbonden met het beheer van het transmissie-

vervoersnet. De verwijzing, in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023, naar het arrest van het Hof nr. 98/2013 van 9 juli 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.098) is niet relevant, aangezien de omstandigheden waarin de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet opereren sinds dat arrest fundamenteel zijn gewijzigd. Niet alleen hebben de

ergie-

klimaattransitie de Europese

de Belgische wetgever ertoe genoopt het takenpakket van de transmissienetbeheerder bij te stellen. Bovendien,

als gevolg van die transities, ligt de klemtoon van de openbaredienstverplichtingen binnen het recht van de Europese Unie niet langer op het waarborgen van het

ergiesysteem, maar op de bevordering van hernieuwbare

ergie

het rationeel

ergiegebruik, die tot de essentiële aspecten van het beheer van het transmissie-

vervoersnet zijn gaan behoren. Er anders over oordelen, zou tot de onwerkbare situatie leiden waarin een

dezelfde transmissienetbeheerder verschillende openbaredienstverplichtingen zou opgelegd krijgen, naargelang van het gewest waarin de verschillende onderdelen van het transmissienet zijn gelegen. A.7. Volgens de Vlaamse Regering is het tweede middelonderdeel niet gegrond. De gewesten zijn bevoegd om binnen hun bevoegdheden openbaredienstverplichtingen op te leggen aan de transmissienetbeheerder

de 5 beheerder van het vervoersnet. Het opleggen van openbare dienstverplichtingen aan die twee netbeheerders komt niet neer op het regelen van het beheer van die netten. De Vlaamse Regering betwist de opvatting van de Ministerraad dat de klemtoon van de openbaredienstverplichtingen binnen het recht van de Europese Unie is veranderd. De bepalingen uit de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement

de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG » (Derde Elektriciteitsrichtlijn)

uit de richtlijn (EU) 2019/944 (Vierde Elektriciteitsrichtlijn) met betrekking tot de openbaredienstverplichtingen zijn gelijkaardig. Evenmin kan worden aangenomen dat de omstandigheden sinds het voormelde arrest van het Hof nr. 98/2013 zijn gewijzigd. Dergelijke wijzigende omstandigheden zouden overigens de gewestelijke bevoegdheden inzake rationeel

ergiegebruik

milieu-

klimaatbescherming niet kunnen inperken. Ten slotte gelden er volgens de Vlaamse Regering al jarenlang verschillende openbaredienstverplichtingen in de verschillende gewesten

in de mariene gebieden in de Noordzee, zonder dat dit onwerkbaar is. Een dergelijke situatie is overigens inherent aan de bevoegdheidsverdeling. Wat betreft het tweede middel A.8. De Ministerraad leidt, in ondergeschikte orde, een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 5, 6

8 van het decreet van 14 juli 2023, van artikel 6, § 3, 3°,

§ 8

, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van het evenredigheidsbeginsel

van het beginsel van de federale loyauteit, bepaald in artikel 143, § 1, van de Grondwet. Artikel 6, § 3, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schrijft voor dat er overleg moet worden gepleegd tussen de betrokken regeringen

de federale overheid over regelingen die verband houden met de grote lijnen van het nationaal

ergiebeleid. De Ministerraad wijst erop dat zowel uit de rechtsleer als uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State volgt dat een regeling die, zoals de bestreden regeling, een structurele weerslag heeft op het beheer van het vervoers-

transmissienet, onder die overlegverplichting valt. De bestreden regeling heeft evenwel niet het voorwerp uitgemaakt van een voorafgaand overleg met de federale overheid. A.9. De Vlaamse Regering betwist dat de artikelen 5, 6

8 van het decreet van 14 juli 2023 tot de grote lijnen van het nationaal

ergiebeleid behoren, zoals bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Ten eerste betreft de bestreden regeling een gewestelijke regeling,

geen nationale regeling. Ten tweede vertonen de bestreden artikelen ook inhoudelijk geen verband met de grote lijnen van het nationaal

ergiebeleid. Zo heeft het bestreden artikel 5 geen normatieve inhoud. Het door het bestreden artikel 6 ingevoegde artikel 4.1.8/7, eerste lid, van het

ergiedecreet is een loutere bevestiging van een aantal reeds bestaande voorschriften in het

ergiedecreet

de uitvoeringsbesluiten ervan. Het ingevoegde tweede, derde

vierde lid van artikel 4.1.8/7 hebben geen betrekking op het transmissie-

vervoersnet

leggen geen activiteiten op aan de beheerders van die netten. Het door het bestreden artikel 8 ingevoegde artikel 7.5.1, eerste lid, van het

ergiedecreet is beperkt tot een machtiging aan de Vlaamse Regering om de netbeheerders openbaredienstverplichtingen op te leggen binnen vier specifieke gebieden die passen binnen de gewestelijke bevoegdheden inzake nieuwe

ergiebronnen, rationeel

ergiegebruik

milieu-

klimaatbescherming. Met betrekking tot de door de Ministerraad aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel

het beginsel van de federale loyauteit, werpt de Vlaamse Regering op dat de Ministerraad die schending in werkelijkheid niet doet steunen op de bestreden decreetsbepalingen, maar op de activiteiten

de openbaredienstverplichtingen die de Vlaamse Regering op grond van die bepalingen zou kunnen opleggen aan de netbeheerders. Het staat aan de Vlaamse Regering om de haar toegekende machtigingen met inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels, het evenredigheidsbeginsel

het beginsel van de federale loyauteit, uit te oefenen. -B- B.1.1. De Ministerraad vordert de vernietiging van de artikelen 5, 6

8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 6 2009, wat de activiteiten van de netbeheerders betreft,

tot opheffing van artikel 22 van het decreet van 2 april 2021 tot wijziging van het

ergiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement

de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van

ergie uit hernieuwbare bronnen

tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU » (hierna : het decreet van 14 juli 2023). B.1.2. De bestreden bepalingen wijzigen het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het

ergiebeleid » (hierna : het

ergiedecreet). Artikel 5 van het decreet van 14 juli 2023 voegt aan titel IV, hoofdstuk I, afdeling III, van het

ergiedecreet een onderafdeling V (« Andere activiteiten van de transmissienetbeheerder

van de beheerder van het vervoersnet ») toe. Artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023 voegt, aan de voormelde onderafdeling V, een artikel 4.1.8/7 toe, dat luidt : « De transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet verrichten de activiteiten die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden, vermeld in dit decreet

de bijbehorende uitvoeringsbesluiten. De transmissienetbeheerder kan andere activiteiten dan die, vermeld in het eerste lid, die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden, verrichten voor zover die nodig zijn om aan zijn voormelde verplichtingen

zijn verplichtingen krachtens verordening (EU) 2019/943 te voldoen

als de VREG de noodzaak van een dergelijke afwijking heeft beoordeeld. De beheerder van het vervoersnet kan andere activiteiten dan die, vermeld in het eerste lid, die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden, verrichten voor zover die activiteiten nodig zijn om aan zijn voormelde verplichtingen te voldoen

als de VREG de noodzaak van een dergelijke afwijking heeft beoordeeld. De Vlaamse Regering bepaalt op basis van de beoordeling door de VREG, vermeld in het tweede

derde lid, welke activiteiten als vermeld in het tweede

derde lid de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet kunnen uitvoeren ». 7 Artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023 voegt in artikel 7.5.1, eerste lid, van het

ergiedecreet de woorden « de transmissienetbeheerder »

« de beheerder van het vervoersnet » toe, zodat die laatste bepaling thans luidt : « De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, de leveranciers, de transmissienetbeheerder, de beheerder van het vervoersnet

netbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen inzake programma's ter bevordering van het rationeel

ergiegebruik

hernieuwbare

ergiebronnen, minimumnormen inzake rationeel

ergiegebruik bij hun afnemers

investeringen in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, installaties voor de productie van groene stroom, groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten ». B.1.3. De « transmissienetbeheerder » is « de instantie die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet als beheerder van het transmissienet is aangewezen » (artikel 1.1.3, 125°/1, ingevoegd bij artikel 2, 3°, van het decreet van 14 juli 2023). De woorden « réseau de transport » in de Franse versie van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » stemmen overeen met het woord « transmissienet » in de Nederlandse versie van die wet. De « beheerder van het vervoersnet » is « de instantie die overeenkomstig de federale Gaswet als beheerder van het vervoersnet is aangewezen » (artikel 1.1.3, 13°/4, ingevoegd bij artikel 2, 1°, van het decreet van 14 juli 2023). De « VREG » is de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits-

Gasmarkt (artikel 3.1.1, § 1, van het

ergiedecreet). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het eerste middel B.2.1. Het Hof bepaalt het onderwerp van het beroep tot vernietiging op basis van de inhoud van het verzoekschrift

inzonderheid rekening houdend met de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangevoerd. B.2.2. Zoals in B.1.2 is vermeld, is artikel 5 van het decreet van 14 juli 2023 beperkt tot de invoeging van de benaming van een nieuwe onderafdeling in het

ergiedecreet. 8 Aangezien artikel 4.1.8/7 van het

ergiedecreet, zoals ingevoegd door het door de Ministerraad eveneens bestreden artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023, het

ige artikel is binnen de door artikel 5 van dat decreet ingevoegde onderafdeling, is die laatste bepaling onlosmakelijk verbonden met artikel 6 van het decreet van 14 juli

  1. B.2.
  2. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel Artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023 (tweede onderdeel van het eerste middel) B.
  3. De Ministerraad voert in een tweede onderdeel van het eerste middel de schending aan, door artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a),

tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in zoverre die bepaling de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet, aangewezen met toepassing van de federale wetgeving, openbaredienstverplichtingen oplegt. B.4. Zoals in B.1.2 is vermeld, voegt artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023 in artikel 7.5.1, eerste lid, van het

ergiedecreet de woorden « de transmissienetbeheerder »

« de beheerder van het vervoersnet » toe, waardoor de Vlaamse Regering voortaan niet alleen aan de leveranciers, de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de aardgasdistributienetbeheerder

de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, maar ook aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet, aangewezen met toepassing van de federale wetgeving, openbaredienstverplichtingen kan opleggen inzake programma’s ter bevordering van het rationeel

ergiegebruik

hernieuwbare

ergiebronnen, minimumnormen inzake rationeel

ergiegebruik bij hun afnemers

9 investeringen in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, installaties voor de productie van groene stroom, groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten. B.5. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 vermeldt met betrekking tot artikel 8 : « Artikel 7.5.1, eerste lid, van het

ergiedecreet bepaalt vandaag dat de Vlaamse Regering, na advies van de VREG, de leveranciers

netbeheerders openbaredienstverplichtingen kan opleggen met betrekking tot programma’s ter bevordering van het rationeel

ergiegebruik

hernieuwbare

ergiebronnen, minimumnormen met betrekking tot rationeel

ergiegebruik bij hun afnemers

investeringen in kwalitatieve warmte-krachtinstallaties, installaties voor de productie van groene stroom, groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten. In dat lijstje ontbreken echter de transmissienetbeheerder (Elia)

de beheerder van het vervoersnet (Fluxys), waardoor het opleggen van een voormelde ecologische openbaredienstverplichting door de Vlaamse Regering vandaag aan die rechtspersonen niet mogelijk is. Conform artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f)

h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (BWHI) zijn het echter de gewesten die exclusief bevoegd zijn voor de nieuwe

ergiebronnen

het rationeel

ergiegebruik op land. [...] [...] Om die redenen wordt voorgesteld om de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet toe te voegen aan de lijst van marktpartijen waaraan dergelijke ecologische openbaredienstverplichtingen door de Vlaamse Regering kunnen worden opgelegd. Die bepaling moet uiteraard door de Vlaamse Regering worden gelezen

toegepast binnen de territoriale bevoegdheid van het gewest : aangezien het Vlaamse Gewest stopt aan de laagwaterlijn, is die bevoegdheid dan ook beperkt tot het land. In het licht van de residuaire bevoegdheden blijft de federale overheid nog steeds bevoegd voor de zeegebieden, wat de nieuwe

ergiebronnen

het rationeel

ergiegebruik betreft » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1753/1, pp. 9-11). B.6.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), b), f)

h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor : « Wat het

ergiebeleid betreft : De gewestelijke aspecten van de

ergie,

in ieder geval : a) De distributie

het plaatselijk vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, met inbegrip van de 10 distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben

die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet; b) De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben

die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet; [...] f) De nieuwe

ergiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie; [...] h) Het rationeel

ergieverbruik ». B.6.2. Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoudt evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot de aangelegenheden « die wegens hun technische

economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : [...] de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer

de produktie van

ergie ». Uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, pp. 143 tot 145) blijkt dat de bijzondere wetgever dat bevoegdheidsvoorbehoud heeft gemaakt om de federale overheid ertoe in staat te stellen hetzij te blijven deelnemen aan het beheer van de ondernemingen

instellingen die in de betrokken sectoren actief zijn, hetzij toezicht te blijven uitoefenen op de productie, de opslag

het transport van

ergie

hierbij op te treden in het belang van 's lands

ergiebevoorrading. Daarnaast is de federale overheid ook exclusief bevoegd voor het

ergiebeleid in de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn. B.6.3. Door aan de gewesten de bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van

ergie over te dragen, hebben de Grondwetgever

de bijzondere wetgever aan de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend om de regels uit te vaardigen die aan die aangelegenheid eigen zijn,

zulks onverminderd hun beroep, in voorkomend geval, op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus

  1. 11 B.6.
  2. Wat betreft de samenhang tussen de aan de gewesten toegekende bevoegdheden

die welke aan de federale overheid zijn voorbehouden, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uiteengezet : « Wat het

ergiebeleid betreft zijn de Gewesten bevoegd voor de ‘ gewestelijke aspecten van het

ergiebeleid ’

in ieder geval voor de opgesomde aangelegenheden van het eerste lid van artikel 6, § 1, VII, behalve voor de aangelegenheden waarvan de technische

economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven

die limitatief

volledig worden opgesomd na de woorden : ‘ te weten ’. De nationale overheid is bevoegd voor de voormelde uitzonderingen evenals voor de niet-gewestelijke aspecten van het

ergiebeleid » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 405/2, p. 111). B.6.5. Aldus heeft de bijzondere wetgever het

ergiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de gasdistributie

de distributie

het plaatselijk vervoer van elektriciteit (door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt) aan de gewesten zijn toevertrouwd, terwijl het (niet-plaatselijk) vervoer van

ergie tot de bevoegdheid van de federale wetgever is blijven behoren. B.6.

  1. Ten slotte behoort de bescherming van het leefmilieu in beginsel tot de bevoegdheid van de gewesten, op grond van artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van dezelfde bijzondere wet. Die bevoegdheidsgrondslag omvat de bescherming van het klimaat. B.7.
  2. Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat, behoudens de uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen, de bijzondere wetgever aan de gewesten de exclusieve bevoegdheid heeft toegekend inzake de bescherming van het leefmilieu, de nieuwe

ergiebronnen

het rationeel

ergieverbruik. Het komt derhalve de gewesten toe in die aangelegenheden verplichtingen op te leggen aan alle betrokken actoren op de

ergiemarkt, met inbegrip van de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet. B.7.2. De decreetgever is bijgevolg bevoegd om de Vlaamse Regering te machtigen om aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet openbaredienstverplichtingen op te leggen inzake programma’s ter bevordering van het rationeel

ergiegebruik

hernieuwbare

ergiebronnen, minimumnormen inzake rationeel

ergiegebruik bij hun afnemers

investeringen in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, 12 installaties voor de productie van groene stroom, groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten. De federale bevoegdheid tot het regelen van de aangelegenheden bepaald in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a),

tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, kan, gelet op artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°,

VII, eerste lid, f)

h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, niet zo worden begrepen dat het ook de bevoegdheid omvat om aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet verplichtingen op te leggen die verband houden met de nieuwe

ergiebronnen, het rationeel

ergieverbruik

de bescherming van het leefmilieu. De Ministerraad toont evenmin aan dat de in artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023 beoogde verplichtingen voor de federale wetgever noodzakelijk zijn om zijn voorbehouden bevoegdheid inzake het vervoer van

ergie te kunnen uitoefenen. B.7.

  1. Voor het overige komt het aan de Vlaamse Regering toe, onder controle van de bevoegde rechter, van de machtiging die haar bij artikel 8 van het decreet van 14 juli 2023 wordt verleend, gebruik te maken in overeenstemming met de grenzen van die machtiging alsook met de bevoegdheidverdelende regels, met inbegrip van het beginsel van de federale loyauteit, op grond waarvan zij erover dient te waken dat zij de uitoefening van de federale bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.
  2. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. De artikelen 5

6 van het decreet van 14 juli 2023 (eerste onderdeel van het eerste middel) B.9. De Ministerraad voert in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending aan, door de artikelen 5

6 van het decreet van 14 juli 2023, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a),

tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in zoverre die bepalingen toelaten dat de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet activiteiten verrichten die niet of niet uitsluitend behoren tot de gewestelijke bevoegdheden. B.10.1. Artikel 4.1.8/7 van het

ergiedecreet, zoals ingevoegd door artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023, bevat drie regels. Het eerste lid draagt de transmissienetbeheerder

13 de beheerder van het aardgasvervoersnet op om de activiteiten te verrichten die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden, vermeld in het

ergiedecreet

de bijbehorende uitvoeringsbesluiten. Krachtens het tweede

het derde lid kunnen de transmissienetbeheerder respectievelijk de beheerder van het aardgasvervoersnet andere activiteiten verrichten dan die welke zijn vermeld in het eerste lid,

die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden, voor zover die nodig zijn om aan hun verplichtingen te voldoen

als de VREG de noodzaak van een dergelijke afwijking heeft beoordeeld. Het vierde lid machtigt de Vlaamse Regering om op basis van de beoordeling door de VREG, vermeld in het tweede

derde lid, de « andere activiteiten » te bepalen die de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet kunnen uitvoeren. B.10.2. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 vermeldt met betrekking tot de artikelen 5

6 van dat decreet : « Net zoals artikel 31, lid 10, eerste zin, van de Vierde Elektriciteitsrichtlijn bepaalt dat de EU-Lidstaten onder voorwaarden de distributienetbeheerders kunnen machtigen om andere activiteiten te verrichten dan die vermeld in de Vierde Elektriciteitsrichtlijn of in verordening 2019/943 (zie hierboven), houdt artikel 40, lid 8, een vergelijkbare voorwaarde in voor de transmissienetbeheerder. Aangezien de vaststelling van taken met betrekking tot de nieuwe

ergiebronnen (met uitzondering van kernenergie)

het rationeel

ergiegebruik op land een exclusieve gewestbevoegdheid uitmaken (zie verder), komt het voor die specifieke materies toe aan het gewest om die bepaling om te zetten. Het valt immers bevoegdheidsrechtelijk niet te billijken dat de federale overheid of de federale regulator, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit

het Gas (CREG), op die manier als het ware een vetorecht zouden kunnen uitoefenen op de implementatie van gewestelijke bevoegdheden met betrekking tot de nieuwe

ergiebronnen

het rationeel

ergiegebruik. Om die redenen wordt aan het

ergiedecreet van 8 mei 2009 - naar analogie van artikel 4.1.8/6

met eenzelfde draagwijdte - een nieuwe onderafdeling V toegevoegd, die bestaat uit artikel 4.1.8/7, waarbij dat ook voor de transmissienetbeheerder (Elia),

naar analogie bij aardgas ook voor de beheerder van het vervoersnet (Fluxys) wordt geregeld. Het verschil daarbij is dat er voor elektriciteit ook een specifieke verordening (verordening (EU) 2019/944) van toepassing is, terwijl er voor aardgas momenteel nog geen vergelijkbare verordening bestaat. Daarom verschillen de formulering van het tweede lid (transmissienetbeheerder)

het derde lid (beheerder van het vervoersnet)

igszins van elkaar. Het komt erop neer dat de transmissienetbeheerder

de beheerder van het vervoersnet ook andere activiteiten kunnen verrichten die betrekking hebben op gewestelijke bevoegdheden dan de activiteiten, vermeld in het eerste lid, maar dat ze dat alleen kunnen doen voor zover die 14 activiteiten nodig zijn om aan hun voormelde verplichtingen te voldoen

als de VREG de noodzaak van een dergelijke afwijking heeft beoordeeld » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022- 2023, nr. 1753/1, pp. 8-9). B.11.1. Artikel 6 beoogt derhalve, met betrekking tot de activiteiten van de transmissienetbeheerder, de omzetting van artikel 40, lid 8, van de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944). Artikel 40, lid 8, van die richtlijn bepaalt : « De lidstaten of de door hen aangewezen bevoegde instanties mogen transmissiesysteembeheerders toestaan andere taken uit te voeren dan die welke worden genoemd in deze richtlijn

in Verordening (EU) 2019/943 indien die faciliteiten nodig zijn voor de nakoming door de transmissiesysteembeheerders van de krachtens deze richtlijn of Verordening (EU) 2019/943 op hen rustende verplichtingen, mits de regulerende instantie de noodzaak van een dergelijke afwijking heeft beoordeeld. Dit lid laat het recht van de transmissiesysteembeheerders om netwerken die geen elektriciteitsnetwerken zijn te bezitten, te ontwikkelen, te beheren of te exploiteren onverlet, indien de lidstaat of de aangewezen bevoegde instantie dergelijk recht heeft verleend ». B.11.2. Zoals werd vermeld in de in B.10.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding, bevat artikel 31, lid 10, van de richtlijn (EU) 2019/944 een vergelijkbare bepaling ten aanzien van de distributienetbeheerders

de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. B.11.3. De artikelen 31, lid 10, eerste zin,

40, lid 8, eerste zin, van de richtlijn (EU) 2019/944 beogen de mogelijke activiteiten van netbeheerders die niet in de voormelde richtlijn of de verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement

de Raad van 5 juni 2019 « betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) » zijn bepaald

dus niet op het gebied van elektriciteit liggen, te beperken

zorgen daarmee voor een zogenaamde « horizontale ontvlechting » van de activiteiten van de netbeheerders (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1753/1, p. 5). Naast hun kernactiviteiten in uitvoering van de voormelde richtlijn

verordening, mogen ze

kel activiteiten verrichten die nodig zijn om aan hun verplichtingen inzake die kernactiviteiten te voldoen

mits de noodzakelijkheid ervan werd beoordeeld door de regulator. 15 B.11.

  1. Zoals blijkt uit B.1.2, is artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023 ook van toepassing op de beheerder van het aardgasvervoersnet. Op het vlak van het vervoer van aardgas bestaat er thans geen vergelijkbare Unierechtelijke verplichting tot horizontale ontvlechting. B.12.
  2. Zoals in B.7.1 is vermeld, behoren de bescherming van het leefmilieu, de bevordering van de hernieuwbare

ergiebronnen

het rationeel

ergieverbruik tot de bevoegdheden van de gewesten

kunnen de gewesten binnen die aangelegenheden verplichtingen opleggen aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet. B.12.2. Hieruit volgt dat de gewesten a fortiori bevoegd moeten worden geacht om een bepaling zoals artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023 aan te nemen, die immers een minder verregaande draagwijdte heeft. Zoals is vermeld in B.10.1, leggen het eerste, tweede

derde lid van artikel 4.1.8/7 van het

ergiedecreet immers als dusdanig geen activiteiten of verplichtingen op aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet, maar beperken zij zich tot het maken van een onderscheid, binnen de activiteiten « die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden », tussen,

erzijds, de activiteiten die volgens het

ergiedecreet

de bijbehorende uitvoeringsbesluiten aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet zijn toegewezen, die de kernactiviteiten zijn, waarvoor geen noodzakelijkheidsbeoordeling door de VREG is vereist,

, anderzijds, andere activiteiten, waarvoor een dergelijke beoordeling wel vereist is. Hoewel die bepalingen derhalve geen bevoegdheidsverdelend effect hebben, beklemtonen zij dus nog eens uitdrukkelijk dat de verdeling van de activiteiten van de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet

kel betrekking heeft op activiteiten die behoren tot de gewestelijke bevoegdheden. De opsomming van de activiteiten in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 2023 (ibid., pp. 5-8) die de Ministerraad in zijn verzoekschrift citeert, leidt niet tot een andere conclusie. Die opsomming, die overigens niet werd overgenomen in de tekst van het decreet van 14 juli 2023, heeft geen betrekking op de artikelen 5

6 van dat decreet, maar op het door de Ministerraad niet bestreden artikel 4 ervan, dat

kel van toepassing is op de distributienetbeheerders

de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit

hun 16 werkmaatschappij, waarvoor de gewesten op grond van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd zijn. Bovendien past die opsomming niet binnen een toewijzing van activiteiten, maar wel, naar analogie met artikel 6 van het decreet van 14 juli 2023, binnen een onderscheid tussen kernactiviteiten

andere activiteiten in het kader van de door de decreetgever beoogde « horizontale ontvlechting » van de activiteiten van de netbeheerders. B.12.3. In zoverre het vierde lid van artikel 4.1.8/7 van het

ergiedecreet de Vlaamse Regering machtigt om de « andere activiteiten » te bepalen die de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet kunnen uitvoeren, kan die bepaling weliswaar aanleiding geven tot een inhoudelijke toewijzing van activiteiten aan de transmissienetbeheerder

de beheerder van het aardgasvervoersnet, maar door te verwijzen naar de « activiteiten als vermeld in het tweede

derde lid », geeft ook die bepaling uitdrukkelijk aan dat het moet gaan om activiteiten die kunnen worden geplaatst binnen de gewestelijke bevoegdheden. Bovendien moeten die andere activiteiten nodig zijn om de in het

ergiedecreet

de bijbehorende uitvoeringsbesluiten bepaalde activiteiten te verrichten, wat de draagwijdte van die activiteiten

de eventuele impact ervan op de federale bevoegdheden dus beperkt. In elk geval komt het aan de Vlaamse Regering toe, onder controle van de bevoegde rechter, van de machtiging die haar bij artikel 4.1.8/7 van het

ergiedecreet wordt verleend, gebruik te maken in overeenstemming met de grenzen van die machtiging alsook met de bevoegdheidverdelende regels, met inbegrip van het evenredigheidsbeginsel. B.13. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 5

6 van het decreet van 14 juli 2023 moeten worden geacht uitsluitend te behoren tot de in artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°,

VII, eerste lid, f)

h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalde gewestelijke bevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu, de bevordering van de hernieuwbare

ergiebronnen

het rationeel

ergieverbruik. B.

  1. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 17 Wat betreft het tweede middel B.
  2. De Ministerraad voert, in ondergeschikte orde, een tweede middel aan dat wordt afgeleid uit de schending, door de artikelen 5, 6

8 van het decreet van 14 juli 2023, van artikel 6, § 3, 3°,

§ 8

, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van het evenredigheidsbeginsel

van het beginsel van de federale loyauteit, bepaald in artikel 143, § 1, van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorafgaand overleg met de federale overheid. B.16.1. Artikel 6, § 3, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « Er wordt overleg gepleegd tussen de betrokken Regeringen

de bevoegde federale overheid : [...] 3° over de grote lijnen van het nationaal

ergiebeleid ». Artikel 6, § 8, van dezelfde wet bepaalt : « Indien een voorstel van [...] decreet [...] een materie betreft, bedoeld in de §§ 2, 2bis, 3, [...], vindt het overleg [...] plaats volgens de regelen bepaald in het reglement van [...] het Parlement waarbij het voorstel van [...] decreet [...] wordt ingediend ». B.16.2. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de artikelen 6

8 van het decreet van 14 juli 2023 gewestelijke aangelegenheden regelen. Die bepalingen vallen dus niet onder het « nationaal

ergiebeleid ». B.16.3. Artikel 6, § 3, 3°,

§ 8, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is dus niet van toepassing.

B.17.

  1. Zoals het evenredigheidsbeginsel, verplicht de in artikel 143, § 1, van de Grondwet vermelde vereiste van federale loyauteit elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. 18 B.17.
  2. De Ministerraad toont niet aan dat de bestreden bepalingen de uitoefening van de federale bevoegdheden

igerwijs belemmeren. B.18. Het tweede middel is niet gegrond. 19 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 november 2024. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.140 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.098 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.