← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.141

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.141 Arrest- Rolnummer: 141/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 419 - laatst gezien 2026-06-18 13:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot gedeeltelijke schorsing van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo. Strafrechtspleging - Rechtsplegingen van bijzondere aard - Voorrecht van rechtsmacht van de magistraten - Toepassingsgebied - Ontstentenis van toepassing op de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 141/2024 van 27 november 2024 Rolnummer : 8298 In zake : de vordering tot gedeeltelijke schorsing van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 augustus 2024, is een vordering tot gedeeltelijke schorsing van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2024, ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de gedeeltelijke vernietiging van dezelfde wetsbepaling. Gelet op het voorwerp van het beroep dat een geleding van het Hof aanbelangt, heeft het Hof bij beschikking van 17 september 2024 alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen genomen teneinde de wapengelijkheid van alle mogelijk in de rechtspleging betrokken partijen te waarborgen. 2 Bij beschikking van 22 augustus 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 25 september 2024, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 18 september 2024 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be ». Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - Ann-Sophie Vandaele; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel. Op de openbare terechtzitting van 25 september 2024 : - zijn verschenen : . Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo, in eigen persoon; . mr. Sietse Wils, tevens loco mr. Aube Wirtgen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partijen voeren aan dat zij vanaf de inwerkingtreding van de bestreden bepaling op 28 november 2024 niet langer beschermd zullen zijn door het voorrecht van rechtsmacht. Indien zij vanaf die datum een misdaad of wanbedrijf plegen, in de uitoefening van hun ambt of daarbuiten, worden zij daarvoor vervolgd overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van het Wetboek van strafvordering, ook al zijn zij magistraat in het hoogste administratieve rechtscollege. Aldus kunnen zij worden vervolgd door de bevoegde procureur des Konings of onderzoeksrechter en genieten zij daarbij niet de verschillende procedurele waarborgen die in het beschermingsstatuut van het voorrecht van rechtsmacht vervat zijn. Dat nadeel zou niet kunnen worden rechtgezet na een eventuele vernietiging van de bestreden bepaling, aangezien de strafprocedure tegen dan al volgens de gemeenrechtelijke bepalingen zou zijn opgestart. A.2. De tussenkomende partij maakt geen opmerkingen over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de verzoekende partijen. 3 A.3. De Ministerraad voert aan dat het ingeroepen nadeel louter hypothetisch is, aangezien de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat zij op korte termijn aan een strafrechtelijk onderzoek zullen worden onderworpen. Er is bijgevolg geen sprake van een onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling op de verzoekende partijen. Tevens tonen de verzoekende partijen volgens de Ministerraad niet aan op welke manier een eventueel strafrechtelijk onderzoek dat op grond van het gemeen strafprocesrecht tegen hen zou worden gevoerd, hun een onherstelbaar nadeel zou opleveren ten opzichte van een strafrechtelijk onderzoek dat met toepassing van het voorrecht van rechtsmacht zou worden gevoerd. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing en de vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », in zoverre het artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vervangt en in zoverre die bepaling geen melding meer maakt van de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State. Het aldus vervangen artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een bij een misdrijf betrokken magistraat verstaan hij die van het plegen van een misdaad of wanbedrijf verdacht, in verdenking gesteld, beklaagd of beschuldigd wordt en die op het moment van het misdrijf of op het moment van de vervolging een van volgende ambten bekleedt : - vrederechter of rechter in de politierechtbank met uitzondering van de plaatsvervangende rechters; - magistraat in of bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de ondernemingsrechtbank, met uitzondering van de rechters in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken of de plaatsvervangende rechters; - magistraat in of bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof, met uitzondering van de raadsheren in sociale zaken of de plaatsvervangende raadsheren; - elke andere magistraat van het openbaar ministerie; - magistraat van het Grondwettelijk Hof, de Raad van State, het auditoraat bij de Raad van State, het Rekenhof of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen door de bij een misdrijf betrokken magistraat gesteld na zijn opruststelling, tenzij hij het ambt van plaatsvervangend magistraat bekleedt of zijn ambt verder uitoefent overeenkomstig de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek ». 4 B.1.2. De bestreden bepaling vervangt hoofdstuk III (artikelen 479 tot 503bis) van titel IV van boek II van het Wetboek van strafvordering, dat de vervolging van en het onderzoek naar misdaden en wanbedrijven inzake magistraten regelt. Met die wijziging wil de wetgever het voorrecht van rechtsmacht in overeenstemming brengen met de hedendaagse maatschappelijke opvattingen en met de ontwikkelingen inzake strafprocesrechtelijke waarborgen. Hij houdt daarbij onder meer rekening met de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ, Voorrecht van rechtsmacht in het kader van het dossier Jonathan Jacob (bijzonder onderzoek), 27 maart 2015, www.hrj.be), met het « Wetgevend verslag 2017 » van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de Wetsevaluatie, en met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (Parl. St., Kamer, DOC 55-3945/001, pp. 15-28 en 88-103). B.1.3. Een van die hervormingen heeft betrekking op de beperking van het toepassingsgebied ratione personae van het voorrecht van rechtsmacht. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt daaromtrent : «

  1. b)Ratione personae (art. 479 in ontwerp) ‘ Het staat in beginsel aan de wetgever om te beslissen voor welke overheidsambten dient te worden voorzien in van de gewone regels van de strafrechtspleging afwijkende regels teneinde de door hem nagestreefde doelstellingen van algemeen belang te bereiken (…). Het Grondwettelijk Hof kan de door de wetgever op dat vlak gemaakte keuzes slechts in het geding brengen indien ze kennelijk onredelijk zijn of indien ze leiden tot een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen ’. De Hoge Raad voor de Justitie heeft aanbevolen om het voorrecht van rechtsmacht te beperken ‘ tot diegenen die effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ’. Er wordt bijgevolg voorgesteld om de volgende categorieën uit te sluiten : 1) De referendarissen bij het Hof van Cassatie of het Grondwettelijk Hof, de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State en de provinciegouverneurs. Deze categorieën horen niet meer thuis in deze van het gemeen recht afwijkende procedure dan bijvoorbeeld de generaals die het bevel voeren over een divisie. Deze verloren hun hoedanigheid al in 2003. Er wordt om gevolg te geven aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 2.3.1) gepreciseerd ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State dat zij weliswaar een belangrijke medewerking en bijstand verlenen maar niet zelf effectief met de rechtsbedeling belast zijn. Er is voor gekozen om voor de toepassing van de procedure van voorrecht van rechtsmacht ratione personae het criterium te hanteren van ‘ diegenen die effectief en 5 permanent belast zijn met de rechtsbedeling ’. De coherente toepassing van dit criterium heeft tot gevolg dat deze categorieën niet ‘ effectief belast ’ zijn met de rechtsbedeling. De procedure van voorrecht van rechtsmacht is om die reden niet op hen van toepassing. In zijn advies wijst de Raad van State er terecht op dat de rechters en raadsheren in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken, de gerechtelijke stagiairs - zelfs indien in opdracht - de gerechtelijke attachés, de griffiers, de parketjuristen en referendarissen bedoeld in artikel 162 van het Gerechtelijk Wetboek, en de assessoren in de strafuitvoering of in de internering, de lege lata, uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van het zogenaamde ‘ voorrecht van rechtsmacht ’. Hij wijst er ook op dat het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inhoudt, aangezien deze bepaling niet van toepassing is op de raadsheer in sociale zaken of de rechter in ondernemingszaken. In het bijzonder wil het ontwerp een einde maken aan het ongerechtvaardigde verschil in behandeling dat in dit opzicht bestaat tussen alle bovenvermelde categorieën enerzijds en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie anderzijds. Hoewel deze laatsten ongetwijfeld betrokken zijn bij de behandeling van zaken, zijn ze er niet op dezelfde manier titularis van zoals een magistraat, aangezien ze niet nominatief in de procedure verschijnen door uitspraak te doen, te vorderen, te besluiten of een advies uit te brengen onder hun handtekening. Er is dus geen reden om redelijkerwijs te vrezen dat een partij, zelfs als zij te weten is gekomen dat een zaak aan een van hen is toevertrouwd, ‘ roekeloze of tergende vervolgingen zal instellen die haar kunnen destabiliseren of hun optreden onmogelijk kunnen maken, of zijn taak om zijn medeburgers te vervolgen of te berechten hem in zeer sterke mate blootstelt aan dergelijke aanvallen ’, noch om ‘ het risico van straffeloosheid en een schijn van partijdigheid af te wenden, en te vermijden dat hij, wanneer hij wordt aangeklaagd, door naaste (directe of ondergeschikte) collega’s wordt berecht ’. Geen van de twee ratio legis die in de toelichting worden genoemd, is daarom van toepassing op deze referendarissen. En het feit dat ze geen ander beroep uitoefenen, betekent niet dat ze ‘ effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ’ op dezelfde manier als een magistraat, dat wil zeggen op een manier die zou rechtvaardigen dat op hen de procedure wordt toegepast die afwijkt van het gemene recht en die is voorzien voor magistraten » (ibid., pp. 89-91). Ten aanzien van de voorwaarden voor de schorsing B.2. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : 6 - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. B.3.1. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet een schorsing door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij, door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm, een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.3.2. Uit artikel 22 van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan, en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.4.1. De verzoekende partijen baseren het aangevoerde nadeel niet op een risico van tergende en roekeloze strafklachten, hetgeen nochtans de essentie van het voorrecht van rechtsmacht uitmaakt. Zij beperken zich ertoe aan te voeren dat zij niet langer beschermd zullen zijn door het voorrecht van rechtsmacht voor de misdaden en wanbedrijven die zij vanaf 28 november 2024, de datum van inwerkingtreding van de bestreden bepaling, zouden plegen. B.4.2. Een dergelijk nadeel zou evenwel niet het gevolg zijn van de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling, maar van het plegen van een wanbedrijf of een misdaad. Het volstaat dat de verzoekende partijen de strafwet in acht nemen om het aangevoerde nadeel te vermijden. 7 Daarnaast tonen de verzoekende partijen niet aan dat een dergelijk nadeel, indien het zich al zou voordoen en indien het al als ernstig zou kunnen worden gekwalificeerd, moeilijk te herstellen zou zijn na een eventuele vernietiging van de bestreden bepaling. In dat geval kunnen zij immers, voor de onderzoeksgerechten en voor de vonnisrechter, alle argumenten aanvoeren die betrekking hebben op de onterechte niet-toepassing van het voorrecht van rechtsmacht. Indien zij, voorafgaand aan een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen, reeds strafrechtelijk zouden zijn veroordeeld voor misdaden en wanbedrijven die zij na 28 november 2024 zouden hebben gepleegd, kunnen zij overigens, op grond van de artikelen 10 tot 13 van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989, de gehele of gedeeltelijke intrekking van dat vonnis vorderen. B.5. Aangezien een van de grondvoorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2024. De griffier, De wnd. voorzitster, Nicolas Dupont Joséphine Moerman PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.141 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.