id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.142 Arrest- Rolnummer: 142/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 606 - laatst gezien 2026-06-18 17:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord 2. De tweede prejudiciële vraag is onontvankelijk Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en artikel 219ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (aanslagjaren 2015 en 2016), gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Rechtspersonen - Fairness Tax - Beroep tot vernietiging - Vernietiging van een norm - Handhaving van de gevolgen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 142/2024 van 28 november 2024 Rolnummer : 8062 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en artikel 219ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (aanslagjaren 2015 en 2016), gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 13 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juli 2023, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 8, 3e lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof de artikelen 10, 11, 16, en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geïnterpreteerd in die mate dat deze bepaling toestaat dat de gevolgen van de door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepalingen slechts gehandhaafd blijven voor een bepaalde termijn lastens een categorie van personen, met uitsluiting van een andere categorie van personen die zich, in het licht van de doelstelling van de vernietigde bepaling alsook in het licht van de doelstelling van artikel 8, 3e lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in eenzelfde situatie bevonden ? 2. Schendt artikel 219ter WIB 92, waaraan door de handhavingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 1 maart 2018 (in het arrest 24/2018) tijdelijk geldigheid werd verleend, de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste 2 Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wanneer de bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat : - de in dit artikel voorziene afzonderlijke aanslag, zoals gehandhaafd voor de aanslagjaren 2015 en 2016, slechts kan worden gevestigd in hoofde van belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, - in het licht van het feit dat de in dit artikel voorziene afzonderlijke aanslag niet kan worden gevestigd in hoofde van belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de belasting van niet-inwoners gelet op het buiten toepassing laten van artikel é, derde lid WIB 92, waaraan door de handhavingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 1 maart 2018 (in het arrest 24/2018) tijdelijk geldigheid werd verleend, wegens een schending van de vrijheid van vestiging waarvoor de handhavingsbeslissing niet geldt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Volvo Group Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Thierry Lauwers, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Carmenta Decordier en mr. Tine Bricout, advocates bij de balie te Gent. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 25 september 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 23 oktober 2024. Op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2024 : - zijn verschenen : . mr. Thierry Lauwers, voor de nv « Volvo Group Belgium »; . mr. Lukas Asselman, advocaat bij de balie te Gent, loco mr. Carmenta Decordier en mr. Tine Bricout, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Ten aanzien van de nv « Volvo Group Belgium » werd voor het aanslagjaar 2015 een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd op 3 november 2015 ten belope van 1 056 466,18 euro, waarvan 1 052 467,14 euro betrekking had op de zogenaamde « Fairness Tax » (1 004 831,11 euro afzonderlijke aanslag + 30 144,93 euro crisisbijdrage + 17 491,10 euro verhoging wegens ontoereikende voorafbetalingen). Voor het aanslagjaar 2016 werd ten aanzien van voormelde vennootschap eveneens een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd ten belope van 773 573,17 euro, waarvan 769 881,87 euro betrekking had op de zogenaamde « Fairness Tax » (739 142,77 euro afzonderlijke aanslag + 22 174,28 euro crisisbijdrage + 8 564,82 euro verhoging wegens ontoereikende voorafbetalingen). Tegen voormelde aanslagen heeft de nv « Volvo Group Belgium » bezwaar ingediend bij brieven van 2 mei 2016 (aanslagjaar 2015) en 7 december 2016 (aanslagjaar 2016) waarin zij opwierp dat de « Fairness Tax » on(grond)wettig was. Na het arrest van het Hof nr. 24/2018 van 1 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.024), waarbij de artikelen 43 tot 49 en 51, eerste en tweede lid, van de wet van 30 juli 2013 « houdende diverse bepalingen » werden vernietigd, werden de bezwaren verder aangevuld bij brieven van 10 april 2018. De bezwaren werden door de fiscale administratie afgewezen bij afzonderlijke beslissingen van 9 december 2019. De fiscale administratie wijst in de motivering van haar beslissingen erop dat, niettegenstaande de argumenten van de nv « Volvo Group Belgium » met betrekking tot de on(grond)wettigheid van de « Fairness Tax » werden bijgetreden door het Hof en het Hof van Justitie van de Europese Unie, de bezwaren dienen te worden afgewezen wegens de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018. Tegen de voormelde belastingaanslagen heeft de nv « Volvo Group Belgium » op 12 februari 2020 vorderingen tot nietigverklaring ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De Rechtbank oordeelde tevens op 4 februari 2022 dat de vorderingen van de nv « Volvo Group Belgium » ontvankelijk en gegrond zijn. De Rechtbank oordeelde dat de handhaving van de « Fairness Tax » op ingezeten vennootschappen middels de toepassing van artikel 219ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), met uitsluiting van de niet-ingezeten vennootschappen met een Belgische inrichting waarop artikel é, derde lid, van het WIB 1992 van toepassing is, strijdig is met de vrijheid van vestiging. De Rechtbank oordeelde dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 mei 2017 in zake X t. Ministerraad (C-68/15, ECLI:EU:C:2017:379) kan worden afgeleid dat artikel é, derde lid, van het WIB 1992 de vrijheid van vestiging schendt en derhalve niet kan worden toegepast. Aangezien artikel é, derde lid, van het WIB 1992 niet kan worden toegepast, worden niet-ingezeten vennootschappen met een Belgische inrichting volgens de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gunstiger behandeld dan ingezeten vennootschappen zoals in casu de nv « Volvo Group Belgium », hetgeen volgens de Rechtbank, gelet op de beslissing van het Grondwettelijk Hof om de vernietigde bepalingen te handhaven, leidt tot een schending van de vrijheid van vestiging. Volgens de Rechtbank zijn de door het Hof aangehaalde redenen om de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven wegens het gebrek aan verduidelijking ervan geen redenen van dwingend belang die de belemmering van de vrijheid van vestiging kunnen verantwoorden. De Belgische Staat (in casu de Federale Overheidsdienst Financiën) heeft op 11 maart 2022 bij het Hof van Beroep te Gent hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis van 4 februari 2022. Voor het Hof van Beroep te Gent is er discussie gerezen over het verschuldigd zijn van de belasting (of de terugbetaling ervan), gelet op de handhaving, door het Grondwettelijk Hof bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018, van de gevolgen van de vernietigde bepalingen van de « Fairness Tax » voor onder meer de aanslagjaren 2015 en 2016. De nv « Volvo Group Belgium » heeft ter zake opgeworpen dat de blijvende toepassing van de « Fairness Tax », ingevolge de voormelde handhavingsbeslissing, ten aanzien van Belgische dochtervennootschappen van niet-ingezeten vennootschappen leidt tot een discriminatie in zoverre die blijvende toepassing niet zou gelden voor Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen, hetgeen ook een schending van de vrijheid van 4 vestiging en het eigendomsrecht met zich zou meebrengen. De « Fairness Tax » zou in dat geval de niet-ingezeten vennootschappen verhinderen om vrijelijk de rechtsvorm te kiezen voor de uitoefening van hun activiteiten in België, daar ze verschillend worden behandeld naargelang ze hun activiteit in België uitoefenen via een vaste inrichting dan wel via een dochtervennootschap. De niet-toepassing van de (handhaving van
- de)« Fairness Tax » ten aanzien van Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen zou ertoe leiden dat inrichtingen van buitenlandse vennootschappen gunstiger worden behandeld dan dochtervennootschappen van buitenlandse vennootschappen. Zij voert nog aan dat haar rechtmatige verwachtingen werden ontnomen, en dit op discriminatoire wijze, hetgeen een inbreuk op artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van hetzelfde Verdrag zou uitmaken, aangezien zij over een door het Hof van Justitie van de Europese Unie en in eerste instantie ook door het Grondwettelijk Hof gehonoreerde rechtmatige verwachting beschikte dat haar bezwaren en de daaruit voortvloeiende vordering tot terugbetaling van de « Fairness Tax » zouden worden ingewilligd. Die rechtmatige verwachting werd volgens haar ongedaan gemaakt door de handhavingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof. Het Hof van Beroep heeft vervolgens overwogen dat elke nationale rechter de volle werking van het Unierecht dient te waarborgen door een nationale wetsbepaling, bestuurlijke maatregel of rechterlijke praktijk die afbreuk zou doen aan die volle werking, buiten toepassing te laten of opzij te zetten. Het Hof van Beroep heeft vastgesteld dat artikel é, derde lid, van het WIB 1992, dat de « Fairness Tax » ten aanzien van Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen in het kader van de belasting van niet-inwoners vaststelt, de vrijheid van vestiging die voortvloeit uit artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, schendt. Het Hof van Beroep heeft geoordeeld dat die wetsbepaling buiten toepassing moet worden gelaten. Het heeft vervolgens ook geoordeeld dat de handhaving, door het Grondwettelijk Hof, van de gevolgen van de « Fairness Tax » in het kader van de belasting van niet-inwoners strijdig is met het Unierecht en derhalve niet van toepassing kan zijn op Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen. Het Hof van Beroep heeft dan ook gesteld dat de « Fairness Tax » niet kan worden gevestigd ten aanzien van Belgische inrichtingen van buitenlandse (namelijk niet-ingezeten) vennootschappen en dat niets de terugbetaling ervan verhindert. Het Hof van Beroep heeft vervolgens gesteld dat in de vennootschapsbelasting op grond van artikel 219ter van het WIB 1992 de « Fairness Tax », gelet op de handhavingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof, wel nog kan worden gevestigd ten aanzien van Belgische vennootschappen, zodat de « Fairness Tax » nog kan worden opgelegd aan Belgische dochtervennootschappen zoals de nv « Volvo Group Belgium ». Het Hof van Beroep heeft evenwel vastgesteld dat, door artikel é, derde lid, van het WIB 1992 op grond van het Unierecht buiten toepassing te laten, terwijl artikel 219ter van het WIB 1992, gelet op de handhavingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof, nog van toepassing blijft, een verschil in behandeling kan ontstaan tussen twee categorieën van personen die zich in een gelijke situatie bevinden in het licht van het doel van de « Fairness Tax » : enerzijds, de belastingplichtigen die aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen en, anderzijds, de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Het Hof van Beroep stelt zich vervolgens dan ook de vraag, gelet op het feit dat beide categorieën van personen zich ogenschijnlijk in eenzelfde situatie bevinden in het licht van het doel van de « Fairness Tax », of dat verschil in behandeling leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 van dat Verdrag. Het Hof van Beroep acht zich genoodzaakt om aan het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen voor te leggen over de schending, door het op grond van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof gehandhaafde artikel 219ter van het WIB 1992, van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, veeleer dan zelf de strijdigheid van die wetsbepalingen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van hetzelfde Verdrag vast te stellen. Het voorgaande brengt het verwijzende rechtscollege ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. Bij hetzelfde arrest stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag over de interpretatie van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 5 III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen A.1.1. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag niet dienstig is voor het bodemgeschil. Het beweerde verschil in behandeling zou blijkens de eerste prejudiciële vraag voortvloeien uit artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) wanneer die bepaling zo wordt gelezen dat ze toelaat dat de gevolgen van de vernietigde bepalingen worden gehandhaafd ten aanzien van de ene categorie van personen en niet ten aanzien van een andere, vergelijkbare categorie van personen. De voormelde bijzondere wetsbepaling heeft het Hof toegepast bij zijn arrest nr. 24/2018 van 1 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.024). De Ministerraad merkt op dat het Hof geenszins de gevolgen heeft gehandhaafd ten aanzien van een welbepaalde categorie en niet ten aanzien van een andere, vergelijkbare categorie. Aangezien de prejudiciële vraag uitgaat van het tegendeel, is ze niet pertinent en klaarblijkelijk niet nuttig voor de oplossing van het bodemgeschil en dient ze bijgevolg ook niet te worden beantwoord. A.1.2. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de eerste prejudiciële vraag wel degelijk een antwoord behoeft, is de Ministerraad van oordeel dat die vraag niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort en bijgevolg onontvankelijk is. Hij wijst in dat verband erop dat artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt dat de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen dient te gebeuren bij wege van een algemene beschikking van het Hof teneinde discriminatie tegen te gaan. Hij voert hierbij aan dat het verschil in behandeling waarvan sprake is in de eerste prejudiciële vraag onmogelijk kan worden toegeschreven aan artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, aangezien het Hof zelf de omvang van de handhaving van de gevolgen bepaalt. Het Hof kan zich slechts uitspreken over het al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling, ten aanzien van de bepalingen van de Grondwet op de naleving waarvan het Hof mag toezien, wanneer dat verschil aan een norm met wetgevend karakter kan worden toegeschreven. Dat is volgens de Ministerraad niet het geval. A.2. De nv « Volvo Group Belgium » betwist dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet nuttig zou zijn voor het oplossen van het bodemgeschil. Volgens haar kan het antwoord op de vraag wel degelijk het oordeel van het verwijzende rechtscollege beïnvloeden. Zij wijst erop dat het verwijzende rechtscollege heeft vastgesteld dat de handhaving van de gevolgen van de « Fairness Tax », zoals beslist door het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018, niet van toepassing kan zijn op de Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen die onderworpen zijn aan de belasting van niet-inwoners, aangezien de toepassing van die belasting ten aanzien van die categorie van personen een schending van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met zich zou meebrengen en het verwijzende rechtscollege ertoe gehouden is het Unierecht te laten primeren. Bijgevolg zou dat ertoe leiden dat de door het Hof besliste handhaving enkel nog van toepassing zou zijn ten aanzien van Belgische vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, waaronder Belgische dochtervennootschappen van niet-ingezeten vennootschappen, die in het licht van de doelstellingen van de « Fairness Tax » en de doelstelling van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 volstrekt vergelijkbaar zijn met de categorie van Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen. Zij wijst erop dat het verwijzende rechtscollege zich dan ook de vraag stelt of een dergelijk verschil in behandeling toelaatbaar is in het licht van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag. Indien het Hof zou vaststellen dat artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 een dergelijk verschil in behandeling niet zou toelaten, dan kan het verwijzende rechtscollege de volle werking toekennen aan de voormelde verdragsbepalingen middels de vernietiging van de betwiste aanslagen. De nv « Volvo Group Belgium » stelt dat volgens het verwijzende rechtscollege de vraag rijst of het Hof de gevolgen van de vernietigde « Fairness Tax » anders zou hebben gehandhaafd indien het Hof ook zou hebben onderzocht of die belasting ten aanzien van Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie schendt. Meer bepaald rijst volgens haar de vraag of de bijzondere wetsbepaling in het licht van de in de prejudiciële vraag aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen zou hebben toegelaten om tot dezelfde handhaving te beslissen ten aanzien van Belgische vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, waaronder Belgische dochtervennootschappen van niet-ingezeten vennootschappen, en of die bijzondere wetsbepaling dus op dezelfde manier had kunnen dienen als 6 rechtsgrondslag voor de handhaving ten aanzien van die categorie indien het Hof de door het verwijzende rechtscollege vastgestelde strijdigheid van de belasting met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ten aanzien van Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen en de onmogelijke handhaving ervan ten aanzien van die inrichtingen in zijn beoordeling had meegenomen. Indien artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 niet als rechtsgrondslag had kunnen dienen voor een handhaving van de gevolgen ten aanzien van een categorie van personen die zich in het licht van de doelstellingen van de vernietigde bepaling en de voormelde bijzondere wetsbepaling bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van een categorie van personen ten aanzien van wie de gevolgen niet konden worden gehandhaafd, dan weet het verwijzende rechtscollege dat de gevolgen ook ten onrechte ten aanzien van de nv « Volvo Group Belgium » worden gehandhaafd, daar die handhaving strijdig zou zijn met de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag. De eerste prejudiciële vraag beoogt enkel na te gaan of een wetgevende norm, in een bepaalde interpretatie, de Grondwet schendt, zodat de vraag ontvankelijk is. Bovendien voert de nv « Volvo Group Belgium » aan dat het verschil in behandeling wel degelijk aan artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kan worden toegeschreven. Volgens haar sluit de vereiste dat het Hof bij wege van algemene beschikking beslist over de handhaving van de gevolgen van vernietigde bepalingen niet uit dat het Hof kan beslissen tot een gediversifieerde handhaving ten aanzien van bepaalde categorieën van personen. Bovendien wordt volgens haar een belastingplichtige geconfronteerd met een blijvende toepassing van een ongrondwettig bevonden wetsbepaling waarvan de gevolgen werden gehandhaafd op grond van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, terwijl de handhaving niet kan worden toegepast op een volstrekt vergelijkbare categorie van personen wegens de voorrang van het Unierecht. Het gegeven dat de handhavingsbeslissing van toepassing blijft ten aanzien van de belastingplichtige, de nv « Volvo Group Belgium », kan wel degelijk worden toegeschreven aan de bijzondere wetsbepaling aangezien zij klaarblijkelijk tot gevolg kan hebben dat een dergelijke situatie tot stand komt. Dat het in de eerste prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling slechts tot stand komt nadat het Hof toepassing heeft gemaakt van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 impliceert niet dat het verschil niet aan die bepaling kan worden toegeschreven. A.3. De Ministerraad is van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort en bijgevolg eveneens onontvankelijk is. Hij wijst erop dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018 artikel 46 van de wet van 30 juli 2013 « houdende diverse bepalingen », dat het in de tweede prejudiciële vraag vermelde artikel 219ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) had ingevoegd, heeft vernietigd. Het Hof heeft hierbij enkel de gevolgen gehandhaafd van het vernietigde artikel 46 van de voormelde wet van 30 juli 2013. De handhaving van de gevolgen neemt evenwel niet weg dat artikel 46 van de voormelde wet van 30 juli 2013 – artikel 219ter van het WIB 1992 – definitief vernietigd en derhalve ex tunc uit het rechtsverkeer verdwenen is. Enkel het verschuldigd zijn of blijven van de reeds betaalde « Fairness Tax » werd gehandhaafd. De Ministerraad voert hierbij aan dat het verschil waarvan sprake is in de tweede prejudiciële vraag dus onmogelijk kan worden toegewezen aan het definitief vernietigde artikel 219ter van het WIB 1992. Aangezien het Hof zich slechts vermag uit te spreken over het al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling, indien dat verschil aan een norm met wetgevend karakter kan worden toegeschreven, behoort de tweede prejudiciële vraag niet tot de bevoegdheid van het Hof en is zij bijgevolg niet ontvankelijk. A.4. De nv « Volvo Group Belgium » betwist dat de tweede prejudiciële vraag niet ontvankelijk zou zijn. Zij voert aan dat het verschil in behandeling wel kan worden toegeschreven aan artikel 219ter van het WIB 1992, aangezien het verschil voortvloeit uit de blijvende toepassing van die bepaling op Belgische vennootschappen in het kader van de betwiste aanslagjaren. Niets verzet zich ertegen dat het Hof zou antwoorden op een prejudiciële vraag met betrekking tot een reeds vernietigde bepaling waarvan de gevolgen werden gehandhaafd. Ten gronde A.5. De nv « Volvo Group Belgium » wijst erop dat, zoals het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld, de gevolgen van de « Fairness Tax » niet kunnen worden gehandhaafd ten aanzien van Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen wegens strijdigheid met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Bijgevolg ontstaat er een verschil in behandeling tussen twee categorieën van personen : enerzijds, de Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen en, anderzijds, de ingezeten vennootschappen, met inbegrip van de dochtervennootschappen van niet-ingezeten vennootschappen. Beide categorieën van personen bevinden zich in een vergelijkbare situatie in het licht van de doelstelling van de wetgever om discriminatie inzake de toepassing van de « Fairness Tax » tussen beide categorieën te vermijden. 7 De eerstgenoemde categorie kan de betaalde « Fairness Tax » terugbetaald krijgen wanneer zij gebruik hebben gemaakt van de beschikbare middelen om die belastingaanslag teniet te doen of van die middelen nog gebruik kunnen maken. De laatstgenoemde categorie kan daarentegen geen terugbetaling krijgen aangezien de gevolgen gehandhaafd blijven ingevolge het voormelde arrest van het Hof nr. 24/2018, zelfs indien er nog bezwaar- of andere juridische procedures hangende zijn en de belasting dus nog niet definitief verschuldigd is. Zij betoogt dat voor dat verschil in behandeling geen objectieve en redelijke verantwoording denkbaar is, aangezien de wetgever nooit een dergelijk verschil heeft gewild. Het gegeven dat de eerstgenoemde categorie kan ontsnappen aan de belasting ingevolge de volle werking en voorrang van de vrijheid van vestiging, verankerd in artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kan dat verschil niet verantwoorden. In de mate dat artikel 219ter van het WIB 1992 enkel kan worden toegepast ten aanzien van ingezeten vennootschappen, met inbegrip van Belgische dochtervennootschappen van niet-ingezeten vennootschappen, doch niet ten aanzien van Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen, schendt die bepaling de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. In de mate dat artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 toestaat dat het Hof een beslissing tot handhaving neemt die een dergelijk verschil in behandeling toestaat, schendt die bepaling ook de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De nv « Volvo Group Belgium » wijst vervolgens erop dat het gehouden zijn tot een belasting raakt aan het eigendomsrecht. Om de hiervoor vermelde redenen schenden die bepalingen ook artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag, aangezien zij eveneens een onverantwoord verschil in behandeling instellen inzake het eigendomsrecht, in het bijzonder wat betreft de mogelijkheid om de terugbetaling van de « Fairness Tax » te verkrijgen. De ene categorie beschikt immers over een vorderingsrecht tot terugbetaling van de belasting en is dus niet gehouden tot de « Fairness Tax », terwijl de ingezeten vennootschappen, met inbegrip van Belgische dochtervennootschappen van niet-ingezeten vennootschappen, niet over een dergelijk vorderingsrecht beschikken en dus gehouden zijn tot die belasting, zelfs indien er nog procedures lopen tegen die belasting. Volgens haar schendt artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 in ieder geval het eigendomsrecht, aangezien het in belastinggeschillen tot gevolg kan hebben dat op grond van die bijzondere wetsbepaling een handhavingsbeslissing wordt genomen die als rechtsgrond dient voor de blijvende toepassing van een fiscale norm. Een dergelijke norm die een inbreuk op het eigendomsrecht met zich meebrengt, dient helder en voorzienbaar te zijn. Bovendien moeten er voldoende waarborgen tegen willekeur zijn. Aangezien de toepassingen die van de voormelde bijzondere wetsbepaling worden gemaakt, geheel onvoorspelbaar, willekeurig, niet-onderbouwd en oncontroleerbaar zijn, is niet voldaan aan de voorwaarden. Redenen betreffende budgettaire en administratieve moeilijkheden, zoals aangenomen door het Hof in zijn voormelde arrest nr. 24/2018, kunnen het verschil in behandeling en de inbreuk op het eigendomsrecht evenmin verantwoorden. De prejudiciële vragen dienen derhalve bevestigend te worden beantwoord. A.6. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van oordeel dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Voorts weerlegt de Ministerraad de stelling van de nv « Volvo Group Belgium » dat artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het recht op eigendom zou schenden omdat de norm onvoldoende voorzienbaar zou zijn. Aan Hof wordt namelijk een vraag gesteld over het verschil in behandeling onder belastingplichtigen. Hierbij wordt aan het Hof geen vraag gesteld over een vermeend gebrek aan voorzienbaarheid van het in het geding zijnde artikel. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, herinnert de Ministerraad eraan dat artikel 219ter van het WIB 1992 bepaalde dat de « Fairness Tax » werd gevestigd in de vennootschapsbelasting, en dat artikel é, derde lid, van het WIB 1992 bepaalde dat de « Fairness Tax » eveneens werd gevestigd in de belasting van niet-inwoners. De nv « Volvo Group Belgium », alsook het verwijzende rechtscollege, gaat evenwel verkeerdelijk ervan uit dat de « Fairness Tax » nooit kan worden toegepast ten aanzien van belastingplichtigen die zijn onderworpen aan de belasting van niet-inwoners. Het is enkel indien in een concreet geval blijkt dat de berekeningswijze van de belastbare grondslag van de « Fairness Tax » ertoe leidt dat een niet-ingezeten vennootschap belasting dient te betalen op winst die niet onder de fiscale bevoegdheid van België valt, of blijkt dat de bepaling van de belastbare grondslag voor een niet-ingezeten vennootschap onvoldoende duidelijk is, dat de « Fairness Tax » buiten toepassing dient te worden gelaten. Hij wijst erop dat in het bodemgeschil geen sprake is van een niet-ingezeten vennootschap, noch van een concrete ongunstigere behandeling van die vennootschap. Het verwijzende rechtscollege had bijgevolg geen reden om de « Fairness Tax » in het kader van de belasting van niet-inwoners buiten toepassing te laten, en al zeker niet erga omnes. De vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel, van 8 artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 van dat Verdrag, is dus gebaseerd op de verkeerde premisse dat de « Fairness Tax » in de belasting van niet-inwoners erga omnes buiten toepassing is verklaard. De Ministerraad is verder van oordeel dat belastingplichtigen in casu niet over een rechtmatige verwachting beschikken dat de vordering tot terugbetaling van de « Fairness Tax » zal worden ingewilligd, aangezien de gevolgen van de « Fairness Tax » werden gehandhaafd door het Hof. Bijgevolg is er geen sprake van een vorderingsrecht dat bescherming geniet onder artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten slotte merkt de Ministerraad nog op dat de wetgever bij het heffen van belastingen en het Hof bij het beslissen tot handhaving beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid en dat niet is aangetoond dat de « Fairness Tax » een buitensporige last zou vormen voor de belastingplichtige. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.7. De Ministerraad verzoekt het Hof, indien het één of beide prejudiciële vragen bevestigend zou beantwoorden, de gevolgen van de ongrondwettig geachte bepalingen te handhaven met toepassing van artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Volgens de Ministerraad is het aangewezen om de gevolgen van een eventuele ongrondwettigheid te handhaven voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018. Hij beroept zich op de noodzaak van rechtszekerheid en de noodzaak om de beslissing van het Hof in zijn voormelde arrest nr. 24/2018 niet in het gedrang te brengen. De Ministerraad is van oordeel dat daarbij geen uitzondering kan worden gemaakt ten aanzien van belastingplichtigen die hun rechten gevrijwaard zouden hebben door het instellen van een administratieve of gerechtelijke procedure. Belastingplichtigen die van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, hebben louter een vordering ingediend. Aldus zijn hun rechten niet gevrijwaard en is er evenmin een situatie van rechtsonzekerheid gecreëerd. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat een handhaving van de gevolgen geen schending zou inhouden van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 van hetzelfde Verdrag. Artikel 6 is namelijk enkel van toepassing bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vloeit echter voort dat fiscale geschillen buiten die categorie vallen. A.8. De nv « Volvo Group Belgium » verzet zich tegen een eventuele handhaving van de gevolgen. Zij betoogt dat, aangezien het Hof wordt geacht het gelijkheidsbeginsel te respecteren bij een handhavingsbeslissing, niet te begrijpen valt waarom de rechtszekerheid of het voormelde arrest van het Hof nr. 24/2018 zou gebieden dat de « Fairness Tax » gehandhaafd zou blijven op een wijze die volgens haar strijdig is met de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag. Volgens de nv « Volvo Group Belgium » kan een vaststelling van een ongrondwettigheid slechts hoofdzakelijk ten goede komen aan belastingplichtigen die hun rechten met betrekking tot de « Fairness Tax » tijdig hebben gevrijwaard. Die groep is anno 2024 naar alle waarschijnlijkheid zeer beperkt. Bovendien is het motief van de vrijwaring van rechtszekerheid op hen niet van toepassing, aangezien zij zich veeleer in een situatie van rechtsonzekerheid bevinden. Een handhaving van de gevolgen zou bovendien afbreuk doen aan het gelijkheidsbeginsel en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hetgeen ook opnieuw een schending van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zou voortbrengen. Er zijn geen argumenten die de onmogelijkheid van een terugvordering van een ongrondwettig bevonden belasting kunnen verantwoorden. -B- B.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989). 9 B.2. Artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt ». Aldus bepaalt het Hof zelf de omvang van de handhaving van de gevolgen, op voorwaarde dat dit gebeurt bij algemene beschikking. De bijzondere wetgever beoogde met de formulering « bij wege van algemene beschikking » dat het Hof bij het nemen van een handhavingsbeslissing geen ongerechtvaardigde verschillen in behandeling in het leven zou roepen, hetgeen impliceert dat de bijzondere wetsbepaling zich verzet tegen de handhaving van specifieke administratieve of rechterlijke beslissingen, doch niet tegen een verschillende handhaving van algemeen en abstract omschreven categorieën van gevolgen (Parl. St., Senaat, 1983-1984, nr. 579/3, p. 43). B.3.1. Het verwijzende rechtscollege legt te dezen artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voor in de interpretatie dat die bepaling toestaat dat de gevolgen van door het Hof vernietigde bepalingen slechts gehandhaafd blijven voor een bepaalde termijn ten aanzien van een bepaalde categorie van personen, met uitsluiting van een andere categorie van personen hoewel ze zich in het licht van de nagestreefde doelstelling van de vernietigde bepaling en van de voormelde bijzondere wetsbepaling in eenzelfde situatie bevinden. Aldus wordt het Hof gevraagd de bijzondere wetsbepaling te onderzoeken in die interpretatie. B.3.2. Het verwijzende rechtscollege wenst met zijn eerste prejudiciële vraag te vernemen of artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, in de in B.3.1 vermelde interpretatie, de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag, schendt. B.4. De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag onontvankelijk is aangezien zij noch dienstig is voor de oplossing van het bodemgeschil, noch tot de bevoegdheid van het Hof behoort. 10 B.5.1. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege heeft betrekking op betwistingen van aanslagen op grond van de « Fairness Tax » in de vennootschapsbelasting (artikel 219ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992)) die voor de aanslagjaren 2015 en 2016 werden gevestigd ten aanzien van een Belgische dochtervennootschap van een niet-ingezeten vennootschap. B.5.2. De zogenaamde « Fairness Tax » werd oorspronkelijk ingesteld bij de artikelen 43 tot 51 van de wet van 30 juli 2013 « houdende diverse bepalingen » (hierna : de wet van 30 juli 2013). Artikel 46 van de wet van 30 juli 2013 voegde een nieuw artikel 219ter in het WIB 1992 in. Artikel 47 van de wet van 30 juli 2013 vulde artikel é van het WIB 1992 aan met een nieuw derde lid. Vanaf het aanslagjaar 2014 werden Belgische vennootschappen en buitenlandse vennootschappen met een Belgische inrichting, op grond van de artikelen 219ter en é, derde lid, van het WIB 1992, onderworpen aan een afzonderlijke aanslag (de « Fairness Tax ») in respectievelijk de vennootschapsbelasting en in de belasting van de niet-inwoners. B.5.3. Artikel 219ter van het WIB 1992, zoals ingevoegd bij artikel 46 van de wet van 30 juli 2013, bepaalde : « § 1. Voor het belastbare tijdperk waarvoor dividenden worden uitgekeerd in de zin van artikel 18, eerste lid, 1° tot 2°bis, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de hierna volgende paragrafen. Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop de andere aanslag of aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in uitvoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn. § 2. De grondslag van deze afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het positieve verschil tussen enerzijds de voor het belastbare tijdperk bruto uitgekeerde dividenden, en anderzijds het uiteindelijk fiscaal resultaat dat daadwerkelijk onderworpen wordt aan het tarief van de vennootschapsbelasting zoals bedoeld in de artikelen 215 en 216. § 3. De aldus vastgestelde belastbare grondslag wordt verminderd met het gedeelte van de uitgekeerde dividenden dat afkomstig is van voorheen, en uiterlijk voor het aanslagjaar 2014, belaste reserves. De opname van voorheen belaste reserves wordt voor de toepassing van deze vermindering bij voorrang aangerekend op de laatst aangelegde reserves. 11 Voor het aanslagjaar 2014 kunnen de voor datzelfde aanslagjaar uitgekeerde dividenden nooit geacht worden afkomstig te zijn van de voor datzelfde aanslagjaar belaste reserves. § 4. Het bekomen saldo wordt daarna beperkt overeenkomstig een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen, - enerzijds, in de teller, de voor het belastbare tijdperk werkelijk toegepaste aftrek van overgedragen verliezen en de voor hetzelfde belastbare tijdperk werkelijk toegepaste aftrek voor risicokapitaal, en, - anderzijds, in de noemer, het fiscaal resultaat van het belastbaar tijdperk exclusief de vrijgestelde waardeverminderingen, voorzieningen en meerwaarden. § 5. De overeenkomstig de vorige paragrafen vastgestelde grondslag kan op geen enkele andere manier worden beperkt of verminderd. § 6. De afzonderlijke aanslag is gelijk aan 5 pct. van de aldus berekende grondslag. § 7. Vennootschappen die op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarvoor de dividenden worden uitgekeerd, zijn niet aan de voormelde aanslag onderworpen ». B.5.4. Artikel é, derde lid, van het WIB 1992, zoals ingevoegd bij artikel 47 van de wet van 30 juli 2013, bepaalde : « Bovendien wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd volgens de regels bepaald in artikel 219ter. Wat de Belgische inrichtingen betreft, wordt voor de toepassing van deze regeling onder ‘ uitgekeerde dividenden ’ verstaan, het gedeelte van de bruto door de vennootschap uitgekeerde dividenden, dat verhoudingsgewijs overeenstemt met het positieve aandeel van het boekhoudkundig resultaat van de Belgische inrichting in het globaal boekhoudkundig resultaat van de vennootschap ». B.5.5. De artikelen 46 en 47 van de wet van 30 juli 2013 werden vernietigd door het Hof bij zijn arrest nr. 24/2018 van 1 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.024). Bijgevolg werden de artikelen 219ter en é, derde lid, van het WIB 1992 vernietigd. B.5.6. Het Hof heeft bij datzelfde arrest nr. 24/2018 krachtens artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 tevens de gevolgen van de vernietigde artikelen 219ter en é, derde lid, van het WIB 1992 gehandhaafd voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018, met uitzondering van de belastingaanslagen waarbij de « Fairness Tax » werd geheven ten laste van de Belgische vennootschappen die binnen de werkingssfeer vallen van de richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 « betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor 12 moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (herschikking) » op de winst die zij hebben ontvangen van hun dochterondernemingen en die zij op hun beurt hebben uitgekeerd, waardoor de drempel bepaald in artikel 4, lid 3, van de richtlijn werd overschreden. B.5.7. Zoals uit B.5.6 blijkt, heeft het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018 in wezen alle beslissingen van de fiscale administratie die hun juridische grondslag vinden in de vernietigde « Fairness Tax »-bepalingen op belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting en de belasting van niet-inwoners voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018, die zich hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van het vernietigingsarrest op 28 mei 2018 in het Belgisch Staatsblad, definitief gehandhaafd, met uitzondering van de in B.5.6 vermelde toepassing van het Unierecht. B.6.1. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de handhaving van de gevolgen van het vernietigde artikel é, derde lid, van het WIB 1992 (« Fairness Tax »), zoals beslist door het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018, niet van toepassing kan zijn op Belgische inrichtingen van niet-ingezeten vennootschappen die onderworpen zijn aan de belasting van niet-inwoners, daar de toepassing van die belasting ten aanzien van die categorie van personen een schending van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met zich meebrengt. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt die situatie van niet-toepasbaarheid met die van belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting ten aanzien waarvan het vernietigde artikel 219ter van het WIB 1992 (« Fairness Tax ») wel van toepassing blijft door de handhaving van de gevolgen ervan. Volgens het verwijzende rechtscollege dient, gelet op dat verschil in behandeling, aan het Hof een prejudiciële vraag te worden gesteld over, enerzijds, artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en, anderzijds, artikel é, derde lid, van het WIB 1992. B.6.2. Uit het voorgaande blijkt dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018, geen verschil in behandeling heeft ingesteld met betrekking tot de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling tussen, enerzijds, belastingplichtigen in de belasting van niet-inwoners (artikel é, derde lid, van het WIB 1992) en, anderzijds, belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting (artikel 219ter van het WIB 1992). Het door het verwijzende 13 rechtscollege vermelde verschil in behandeling komt voort uit de gevolgen die het afleidt uit dat arrest en volgt niet uit artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. B.6.3. De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. B.7.1. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 219ter van het WIB 1992 voor de aanslagjaren 2015 en 2016. B.7.2. Hoewel het verwijzende rechtscollege artikel 219ter van het WIB 1992 ogenschijnlijk in een bepaalde interpretatie voorlegt, wenst dat rechtscollege met zijn tweede prejudiciële vraag in wezen te vernemen of die bepaling, gelet op de handhavingsbeslissing van het Hof in zijn voormelde arrest nr. 24/2018, de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag, schendt doordat een afzonderlijke aanslag inzake de « Fairness Tax » kan worden gevestigd ten aanzien van belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, terwijl die afzonderlijke aanslag niet kan worden gevestigd ten aanzien van belastingplichtigen die zijn onderworpen aan de belasting van niet-inwoners. B.8. De Ministerraad voert aan dat de tweede prejudiciële vraag niet ontvankelijk is daar zij betrekking heeft op een vernietigde bepaling, hetgeen buiten de bevoegdheid van het Hof valt. B.9.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.9.2. Aangezien het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 24/2018 artikel 219ter van het WIB 1992 heeft vernietigd, is die bepaling met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verdwenen zodat zij wordt geacht nooit te hebben bestaan. 14 Wanneer het Hof bij algemene beschikking beslist om de gevolgen van een vernietigde bepaling te handhaven, dan vormt het vernietigingsarrest van het Hof de juridische grondslag voor de gevolgen die de vernietigde bepaling heeft teweeggebracht. B.10. Krachtens artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 hebben de door het Hof gewezen vernietigingsarresten een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De vernietiging heeft overigens terugwerkende kracht. Dat absoluut gezag van gewijsde strekt zich ook uit tot de eventuele beslissing van het Hof tot het handhaven van de gevolgen van vernietigde bepalingen (Cass., 2 oktober 2018, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.10). Krachtens artikel 116 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is een arrest van het Hof « definitief en niet vatbaar voor beroep ». Bijgevolg verzetten die bepalingen zich ertegen dat het Hof zich zou uitspreken over een prejudiciële vraag of een beroep waarbij in werkelijkheid wordt beoogd om het Hof te doen terugkomen op zijn eerdere beslissing. B.11. De tweede prejudiciële vraag is onontvankelijk. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 2. De tweede prejudiciële vraag is onontvankelijk. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 november 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.142 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.10 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.024 ECLI:EU:C:2017:379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div