← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.143

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.143 Arrest- Rolnummer: 143/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-18 22:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen », gesteld door de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver. Sociaal recht - Zelfstandigen - Aanvraag tot vrijstelling van bijdragen - Criterium - Wijziging van de wetgeving - Terugwerkende kracht van de norm Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 143/2024 van 28 november 2024 Rolnummer : 8105 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen », gesteld door de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 november 2023, heeft de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en het beginsel van rechtszekerheid, in zoverre zij in een overgangsregeling voorzien voor de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2019, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, de aanvragen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2018 en, anderzijds, die welke zijn ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018, en het nieuwe criterium vastgesteld bij artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij de wet van 2 december 2018, met terugwerkende kracht wordt toegepast op de aanvragen die zijn ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018, door ze te beschouwen als zijnde ingediend na 31 december 2018, terwijl de aanvragen ingediend vóór 1 oktober 2018 waarover nog niet definitief is beslist op 2 31 december 2018, na 1 januari 2019 kunnen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 15 en 17 van hetzelfde koninklijk besluit in de versie zoals van kracht op 31 december 2018 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Tulkens en mr. Antoine Mésot, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Tulkens en mr. Antoine Mésot. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is sinds 15 januari 2013 in de hoedanigheid van zelfstandige in hoofdberoep aangesloten. Tussen 1 april 2013 en 31 december 2016 kent de Commissie voor vrijstelling van bijdragen haar vrijstellingen van bijdragen toe voor twaalf kwartalen. Op 14 december 2018 vult de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege een formulier in om vrijstelling aan te vragen voor de voorlopige bijdragen van het vierde kwartaal 2017 tot het vierde kwartaal 2018 en voor de regularisatiebijdragen van het eerste kwartaal 2017 tot het vierde kwartaal 2018. Op 21 december 2018 bevestigt het sociaal verzekeringsfonds waarbij zij is aangesloten de ontvangst van die aanvraag. Op 27 december 2018 wordt de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen » (hierna : de wet van 2 december 2018) in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Bij die wet wordt de instantie vervangen die bevoegd is om zich uit te spreken over een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen : het betreft niet langer de Commissie voor vrijstelling van bijdragen, maar het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna : het RSVZ) en, op beroep, de Beroepscommissie voor de Vrijstelling van Bijdragen (hierna : de Beroepscommissie). De wet van 2 december 2018 wijzigt ook het criterium aan de hand waarvan een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen wordt beoordeeld : terwijl het oude criterium luidde dat de betrokkene zich bevindt « in een staat van behoefte […] of in een toestand die de staat van behoefte benadert » (artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen », hierna : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 2 december 2018), luidt het nieuwe criterium dat de betrokkene zich bevindt « in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie » (artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij de wet van 2 december 2018). Op 14 juni 2019 weigert het RSVZ, dat de nieuwe wetgeving toepast, de door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege gevraagde vrijstelling van bijdragen toe te kennen. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt tegen 3 die beslissing een beroep in bij de Beroepscommissie. Op 25 juni 2020 bevestigt de Beroepscommissie de beslissing tot weigering. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege betwist die beslissing bij het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat, wanneer de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege haar aanvraag tot vrijstelling heeft ingediend, zij weliswaar geen recht erop had de vrijstelling daadwerkelijk te krijgen, maar wel onherroepelijk aanspraak erop kon maken dat haar situatie werd getoetst aan het criterium waarin was voorzien bij artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het op dat moment van toepassing was. Echter, hoewel artikel 7 van de wet van 2 december 2018 erin voorziet dat die wet op 1 januari 2019 in werking treedt en dat zij van toepassing is op de vanaf die datum ingediende aanvragen tot vrijstelling van bijdragen, voorziet het ook erin dat artikel 6 van dezelfde wet uitwerking heeft op 1 oktober 2018. Artikel 6, eerste lid, van de wet van 2 december 2018 voorziet erin dat « geen enkele aanvraag tot vrijstelling [kan] worden ingediend in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 » en dat « de termijn voor het indienen van de aanvraag zal verlengd worden met deze periode ». Volgens het verwijzende rechtscollege volgt daaruit dat de aanvragen die werden ingediend in de loop van de in die bepaling bedoelde periode met terugwerkende kracht moeten worden beschouwd als aanvragen die na 31 december 2018 zijn ingediend, en dat daarop het nieuwe criterium moet worden toegepast waarin bij artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij de wet van 2 december 2018, is voorzien. Nog steeds volgens het verwijzende rechtscollege hebben de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 terugwerkende kracht in zoverre zij erin voorzien dat dat nieuwe criterium van toepassing is op aanvragen die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van die wet. Het verwijzende rechtscollege voegt eraan toe dat diezelfde artikelen afbreuk kunnen doen aan het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege de draagwijdte van de toekomstige wijzigingen niet kon voorzien, zij redelijkerwijs kon verwachten dat het oude criterium van toepassing blijft en, in haar situatie, het nieuwe criterium strikter is dan het oude. Ten slotte stelt het verwijzende rechtscollege vast dat, krachtens artikel 6, tweede lid, van de wet van 2 december 2018, de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die vóór 1 oktober 2018 werden ingediend en waarover de Commissie voor vrijstelling van bijdragen op 31 december 2018 nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan, vanaf 1 januari 2019 door de Beroepscommissie worden behandeld, die in dat geval het oude criterium moet toepassen. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat de aanvragen die vóór de inwerkingtreding van 2 december 2018 werden ingediend aldus op verschillende wijze worden behandeld naargelang de aanvraag vóór 1 oktober 2018 (toepassing van het oude criterium) dan wel na die datum (toepassing van het nieuwe criterium) werd ingediend. Het verwijzende rechtscollege stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat de wet van 2 december 2018 slechts terugwerkende kracht heeft in zoverre zij een periode vastlegt waarin de indiening van aanvragen tot vrijstelling van bijdragen wordt bevroren tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018. Volgens hem heeft die maatregel tot gevolg dat de tijdens die periode ingediende aanvragen pas vanaf 1 januari 2019 bestaan, zowel in rechte als in feite (de ontvangst van die aanvragen in het nieuwe informaticasysteem van het RSVZ kon immers pas vanaf die datum gebeuren). Hij is van mening dat de toepassing van het nieuwe criterium op de door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege ingediende aanvraag dus geen terugwerkende kracht heeft maar uitgaat van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op de situaties die na de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan. Volgens de Ministerraad gebeurt de toetsing van de grondwettigheid van een wet aan het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten in twee stappen, waarbij namelijk eerst wordt nagegaan of de retroactiviteit effectief afbreuk doet aan de rechtszekerheid en vervolgens of de retroactiviteit verantwoord is door een doelstelling van algemeen belang. Wat de eerste stap betreft, doet hij gelden dat de bij artikel 6 van de wet van 2 december 2018 bepaalde periode van opschorting met terugwerkende kracht alleen maar bevestigt wat in de omzendbrieven van de FOD Sociale Zekerheid van 5 september 2018 en van 18 oktober 2018 stond, die op de invoering van de hervorming anticipeerden. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen dus geenszins een verrassing konden zijn, hetgeen, volgens de rechtspraak van het Hof, een essentiële factor is die in overweging moet worden genomen. In dat opzicht voegt hij eraan toe dat, overeenkomstig de voormelde omzendbrieven, die aan de sociale verzekeringsfondsen de verplichting oplegden om de zelfstandigen in te lichten 4 over de toepassing van de overgangsregeling, de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege het nieuwe aanvraagformulier, gebaseerd op de nieuwe wetgeving, heeft ontvangen en ingevuld. Wanneer zij haar aanvraag heeft ingediend, kon er bij haar bijgevolg geen twijfel over bestaan dat haar aanvraag zou worden beschouwd als zijnde ingediend na 1 januari 2019 en dat die dus op basis van de nieuwe wetgeving zou worden behandeld. Vervolgens doet de Ministerraad, verwijzend naar een in een gelijkaardige zaak door het Arbeidshof te Antwerpen op 20 juni 2022 gewezen arrest, gelden dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, wanneer zij haar aanvraag heeft ingediend, geen verworven recht had op de vrijstelling van bijdragen. Verwijzend naar hetzelfde arrest en naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 december 2018, voert hij bovendien aan dat de nieuwe wetgeving niet minder gunstig is voor de zelfstandigen, aangezien zij het vage criterium van de staat van behoefte vervangt door het meer precieze criterium dat de betrokkene zich tijdelijk in een moeilijke financiële of economische situatie bevindt, hetgeen de rechtszekerheid versterkt en een einde maakt aan de onrechtmatige methode die erin bestond systematisch vrijstellingen van bijdragen aan te vragen zonder een op lange termijn leefbaar project van economische activiteit aan te tonen. De Ministerraad besluit daaruit dat de terugwerkende kracht te dezen op geen enkele wijze afbreuk doet aan het rechtszekerheidsbeginsel. Vervolgens, in de veronderstelling dat de geanticipeerde invoering, door de FOD Sociale Zekerheid, van de overgangsregeling niet voldoet aan vereisten van rechtszekerheid, doet de Ministerraad gelden dat de terugwerkende kracht in ieder geval noodzakelijk is voor de continuïteit van de openbare dienst. Hij zet uiteen dat de belangrijkste uitdaging erin bestond de Commissie voor vrijstelling van bijdragen toe te laten de aanvragen tot vrijstelling die reeds onder de gelding van het vorige systeem werden ingediend, te blijven verwerken – en af te handelen –, en tegelijkertijd de bevoegdheidsoverdracht naar het RSVZ te organiseren, opdat de zelfstandigen vanaf 1 januari 2019 het nieuwe systeem zouden kunnen genieten. Enerzijds moest het betrokken personeel overgedragen worden aan het RSVZ en moest het nieuwe informaticasysteem worden opgezet, hetgeen niet van de ene op de andere dag kon gebeuren. Anderzijds moest tegelijkertijd de continuïteit van de openbare dienst worden gewaarborgd door de structuren te behouden die de vóór 1 oktober 2018 ingediende aanvragen kunnen behandelen. Volgens de Ministerraad liet de combinatie van die twee vereisten niet toe dat tijdens het laatste kwartaal van het jaar 2018 aanvragen tot vrijstelling van bijdragen werden ingediend, zodat de enige oplossing voor de wetgever was om de aanvragen tijdens die periode met terugwerkende kracht te bevriezen. Nog steeds volgens de Ministerraad zou, indien de periode van bevriezing voor de toekomst zou zijn bepaald, dat wil zeggen voor het eerste kwartaal van het jaar 2019, de behandeling van de aanvragen van zelfstandigen die het nieuwe systeem wilden genieten, op onaanvaardbare wijze vertraagd zijn geweest. Ten slotte, wat betreft het verschil in behandeling naargelang de aanvraag vóór 1 oktober 2018 dan wel tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend, voert de Ministerraad aan dat de toepassing van het nieuwe criterium op de aanvragen ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 voortvloeit uit het feit dat die aanvragen slechts vanaf 1 januari 2019 rechtsgevolgen konden hebben, dat wil zeggen op een moment waarop het nieuwe criterium reeds van kracht was. Verwijzend naar de rechtspraak van het Hof, voert hij aan dat het niet pertinent is om, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de zelfstandigen van wie de aanvragen tot vrijstelling uitwerking hebben gehad vóór de inwerkingtreding van de hervorming te vergelijken met de zelfstandigen van wie de aanvragen bestaan sinds de inwerkingtreding van de hervorming. Volgens hem zijn die twee categorieën niet vergelijkbaar. Ten slotte doet hij gelden dat enkel de door de wetgever gekozen oplossing toeliet de gelijke behandeling in acht te nemen en tegelijkertijd de continuïteit van de openbare dienst te waarborgen. A.2. Het RSVZ verwijst naar de argumentatie van de Ministerraad. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie 5 voor vrijstelling te hervormen » (hierna : de wet van 2 december 2018). De wet van 2 december 2018 wijzigt de bepalingen met betrekking tot de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die zelfstandigen kunnen indienen. B.1.2. Zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, voorzag artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen » (hierna : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967) erin dat een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen kon worden ingediend door de zelfstandige die meent zich in staat van behoefte te bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert. De Commissie voor vrijstelling van bijdragen, opgericht bij de FOD Sociale Zekerheid, was bevoegd om uitspraak te doen over de aanvraag en haar beslissing was vatbaar voor beroep voor de arbeidsrechtbank (artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij artikel 5 van de wet van 2 december 2018). Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, bepaalde : « De zelfstandigen die menen dat zij zich in een staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van [behoefte] benadert, kunnen vrijstelling vragen van de voorlopige bijdragen verschuldigd krachtens dit koninklijk besluit, voor zover deze bijdragen niet verschuldigd zijn op grond van artikel 12bis, § 1, of in de hoedanigheid van de bij artikel 12, § 2, bedoelde onderworpene, door zich te wenden tot de in artikel 22 bedoelde Commissie. De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten hun staat van behoefte of hun toestand die de staat van behoefte benadert, bewijzen. Om hun staat van behoefte te beoordelen, houdt de Commissie inzonderheid rekening met de inkomsten en lasten van de personen die deel uitmaken van hun gezin, tenzij met betrekking tot deze personen wordt bewezen dat ze niets te maken hebben met de zelfstandige activiteit van de betrokken zelfstandigen en dat ze bovendien niet de rechtsplicht hebben om die zelfstandigen te helpen of van levensmiddelen te voorzien. […] Met het oog op de toekenning van de uitkeringen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen, met uitzondering van de pensioen- en overlevingsuitkeringen en onder voorbehoud van de toepassing van het achtste lid, worden de bijdragen waarvoor de Commissie vrijstelling heeft verleend als betaald beschouwd, zelfs wanneer de vrijstelling geacht wordt nooit te zijn toegekend in de zin van het derde lid. 6 Voor de toepassing van artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden de bijdragen waarvoor een vrijstelling werd verkregen, geacht betaald te zijn. […] ». B.1.3. Zoals het werd vervangen bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, bepaalt artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 voortaan dat een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen kan worden ingediend door de zelfstandige die meent zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te bevinden waardoor hij niet in staat is om zijn bijdragen te betalen. Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen is voortaan bevoegd om uitspraak te doen over de aanvraag. Tegen zijn beslissing kan een bezwaar worden ingediend bij de nieuw opgerichte Beroepscommissie voor de Vrijstelling van Bijdragen (hierna : de Beroepscommissie). De beslissing van de Beroepscommissie is vatbaar voor beroep voor de arbeidsrechtbank (artikel 21ter van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 2 december 2018). Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, bepaalt : « § 1. De zelfstandigen die menen zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te bevinden, waardoor zij niet in staat zijn om hun bijdragen te betalen, kunnen vrijstelling vragen van de betaling van de in de tweede paragraaf bedoelde bijdragen door zich te wenden tot het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, hierna ‘ Rijksinstituut ’ genoemd. De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten bewijzen dat zij zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevinden waardoor zij bij de opvordering van de verschuldigde bijdragen door het sociaal verzekeringsfonds niet in staat zijn om deze te betalen. Het Rijksinstituut beoordeelt de situatie van de zelfstandige aan de hand van de elementen ingeroepen bij het indienen van zijn aanvraag. § 2. De aanvraag tot vrijstelling kan enkel ingediend worden voor de voorlopige bijdragen, bedoeld in de artikelen 11, § 3, en 13bis, § 2, en het bijdragesupplement ingevolge de regularisatie bedoeld in artikel 11, § 5, eerste lid, verschuldigd door de zelfstandige die behoort tot de categorie van bijdrageplichtigen bedoeld in de artikelen 12, § 1, 12, § 1bis, 12, § 1ter, 12bis, § 2 en 13, § 1. 7 § 3. Bij de beoordeling of de zelfstandige zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt, houdt het Rijksinstituut inzonderheid rekening met de beroepsinkomsten en -lasten van de zelfstandige of de omzet en de daaraan verbonden kosten van de onderneming of de vennootschap waarbinnen hij actief is en de uitzonderlijke omstandigheden die de aanvraag rechtvaardigen. De Koning kan bijkomende voorwaarden en criteria bepalen die het mogelijk maken te beoordelen of de zelfstandige zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt die hem niet toelaat zijn bijdragen te betalen. § 4. De zelfstandige die aantoont dat hij zich in één van de hierna vermelde situaties bevindt, wordt vermoed zich in een moeilijke financiële of economische situatie te bevinden zoals bedoeld in de eerste paragraaf : 1° wanneer hij in het genot is van een leefloon in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie gedurende de kwartalen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag of binnen de 6 maanden na de stopzetting van de zelfstandige activiteit; 2° wanneer hij in het genot is van een inkomensgarantie voor ouderen in toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen gedurende de kwartalen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag of binnen de 6 maanden na de stopzetting van de zelfstandige activiteit; 3° wanneer hij als gefailleerde de schuldkwijtschelding heeft bekomen in de zin van hoofdstuk 6, titel VI, boek XX van het Wetboek van economisch recht; 4° wanneer hij in het kader van een collectieve schuldenregeling van de rechter de homologatie van een minnelijke aanzuiveringsregeling verkregen heeft, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd werd of een aanpassing of herziening van de regeling verkregen heeft, in de zin van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen; 5° wanneer hij de opschorting heeft bekomen in het kader van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie, in de zin van titel V, boek XX van het wetboek van economisch recht; 6° het slachtoffer is van een natuurramp, een brand, een vernieling of een allergie, in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 januari 2017 tot uitvoering van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. § 5. Het Rijksinstituut kan beslissen om de aanvragen niet in overweging te nemen ingeval : 1° de zelfstandige voor de voorlopige bijdragen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag zich in de voorwaarden bevindt om een aanvraag tot vermindering van de voorlopige bijdragen in toepassing van artikel 11, § 3, 6de lid in te dienen doch hiervan voorafgaandelijk geen gebruik heeft gemaakt; 8 2° het Rijksinstituut in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag tot vrijstelling in toepassing van artikel 17bis aan de zelfstandige een administratieve geldboete zonder uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling en zonder toepassing van verzachtende omstandigheden heeft opgelegd; 3° de zelfstandige aan wie in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een sanctie in toepassing van het sociaal strafwetboek werd opgelegd ingevolge inbreuken op de bepalingen van hoofdstuk VIII van titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006 en de inbreuken opgesomd in artikel 25 en 25bis; 4° de zelfstandige die in de in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling heeft bekomen :

  1. a)ingevolge verklaringen waarvan achteraf blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn;
  2. b)ingevolge het nalaten van het verstrekken van inlichtingen waartoe hij gehouden was en dewelke determinerend waren voor het nemen van de vorige beslissing. § 6. De Koning bepaalt de termijn en de wijze waarop de aanvragen tot vrijstelling van de bijdragen moeten worden ingediend. De aanvragen worden behandeld door het Rijksinstituut volgens de procedure vastgesteld door de Koning. § 7. Wanneer de vrijstelling wordt toegekend voor de voorlopige bijdrage met betrekking tot een bepaald kalenderkwartaal, geldt die vrijstelling voor het bedrag van de definitieve kwartaalbijdrage, zoals vastgesteld naar aanleiding van de daarmee verband houdende regularisatie. § 8. Met het oog op de toekenning van de uitkeringen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen, met uitzondering van de pensioen- en overlevingsuitkeringen en onder voorbehoud van de toepassing van het hiernavolgend lid, worden de bijdragen waarvoor het Rijksinstituut of de beroepscommissie vrijstelling heeft verleend geacht betaald te zijn. Voor de toepassing van artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden de bijdragen waarvoor een vrijstelling werd verkregen, geacht betaald te zijn. […] § 11. De zelfstandige of de persoon bedoeld in artikel 17, paragraaf 9 van het koninklijk besluit nr. 38 kan tegen een door het Rijksinstituut genomen beslissing inzake de vrijstelling van de bijdragen een bezwaar ten gronde indienen bij de in artikel 21ter bedoelde Beroepscommissie binnen de termijn en volgens de procedure en modaliteiten vastgesteld door de Koning. Het bezwaarschrift schorst de invordering van de bijdragen die het voorwerp uitmaken van het bezwaar ». 9 B.1.4. Wat betreft de vervanging van het criterium van de staat van behoefte of van de toestand die de staat van behoefte benadert door het criterium dat de betrokkene zich tijdelijk in een moeilijke financiële of economische situatie bevindt, vermeldt de memorie van toelichting bij het ontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 2 december 2018 : « Het vage criterium ‘ een staat van behoefte of een toestand die de staat van behoefte benadert ’ wordt vervangen door een uniek criterium ‘ zich in een moeilijke financiële of economische situatie bevinden ’. […] Het nieuwe criterium vertoont meerdere voordelen : - het wenst te benadrukken dat het terechtkomen of het zich bevinden in een moeilijke financiële of economische situatie een oorzaak of verklaring moet hebben. Het onvermogen om tot bijdragebetaling over te gaan moet van tijdelijke aard zijn. Iemand die een zelfstandige activiteit opstart moet zich goed voorbereiden op zijn ondernemerschap en zich bewust zijn van alle plichten die hieraan verbonden zijn. Daartoe behoort de verplichting tot het betalen van sociale bijdragen. Het is niet de bedoeling dat zelfstandigen jaar na jaar een vrijstelling van bijdragen vragen omdat hun activiteit niet (meer) economisch rendabel is; - de hoegrootheid van de beroepsinkomsten of de omzet is niet alleen van determinerend belang; - het wenst vooral de zelfstandigen die ad hoc geconfronteerd worden met onverwachte moeilijkheden ingevolge noodzakelijke beroepsuitgaven of -investeringen, klanten die hun betalingsverplichting niet nakomen tegemoet te komen…; - het draagt bij tot een gezonder economisch klimaat door de zelfstandige die op een bepaald ogenblik een zware tegenslag te verwerken krijgt, ongeacht de hoegrootheid van zijn beroepsinkomen, de mogelijkheid te bieden een aanvraag tot vrijstelling in te dienen. Nemen we het voorbeeld van een landbouwer die geconfronteerd wordt met een aanzienlijke daling van zijn beroepsinkomsten of omzet ingevolge een invoerverbod zonder dat hij zich daarom in een toestand van behoefte bevindt. Het nieuwe criterium laat hem toe in aanmerking te komen voor het indienen van een aanvraag daar waar hij voorheen op grond van het criterium ‘ staat van behoefte ’ uitgesloten was. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld een advocaat met hoge beroepsinkomsten wiens beroepsactiviteit en beroepsinkomsten ingevolge een gezondheidsprobleem op een bepaald ogenblik gedurende een aantal kwartalen een aanzienlijke terugval kennen waardoor hij moeilijkheden ondervindt om zijn bijdragen te betalen; - het criterium beantwoordt meer aan de economische realiteit en het stimuleert het zelfstandig ondernemerschap; - het houdt meer rekening met de beroepssituatie van de aanvrager; - het is minder flou dan het begrip ‘ staat van behoefte ’; 10 - Omgekeerd wil het criterium de zelfstandigen die geen inspanningen leveren om hun zelfstandige activiteit te doen slagen of die zonder een realistisch businessplan of haalbaarheidsplan of zonder enige verklaring een niet-rendabele zelfstandige activiteit opstarten of blijven uitoefenen, ontmoedigen om een aanvraag in te dienen; - het criterium belet daarentegen niet dat zelfstandigen die zich in een staat van behoefte bevinden zich tot andere instanties kunnen wenden zoals het OCMW. Het huidig ontwerp houdt ook nog rekening met deze groep door voor hen in een vermoeden dat zij aan het criterium beantwoorden te voorzien; - het criterium laat toe rekening te houden met de aanwezigheid van financiële buffers zoals het bezit van onroerende goederen in volle eigendom, andere dan de gezinswoning of onroerende goederen die dienstig zijn voor de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteit, zelfs al zijn ze bezwaard met een hypotheek. Het aanleggen van een onroerend patrimonium kan niet gebeuren n ten koste van de betaling van de sociale bijdragen. […] De begrippen financiële of economische situatie zijn nauw verwant en een moeilijke economische situatie leidt dikwijls tot financiële problemen. De moeilijke economische situatie beoogt in het bijzonder een hele sector, zoals de Brusselse horeca, ten gevolge van de aanslagen, of bepaalde land- en tuinbouwsectoren die door de minister aangeduid werden als crisissectoren ten gevolge van ernstige weersomstandigheden » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3317/001, pp. 7-10). Tijdens de commissiebesprekingen heeft de bevoegde minister daaraan toegevoegd : « De gemiddelde termijn voor de behandeling van de vrijstellingsaanvragen is heel lang. Momenteel duurt het ongeveer zes maanden om een aanvraag te behandelen, wat bijzonder lang is wanneer men met economische of financiële moeilijkheden te kampen heeft. Dat het zo lang duurt, heeft aan de ene kant te maken met de procedure zelf. Aan de andere kant zijn de begrippen ‘ staat van behoefte ’ of ‘ situatie die de staat van behoefte benadert ’ niet nauwkeurig genoeg. Door dat gebrek aan duidelijkheid is het bovendien voor de zelfstandige onmogelijk om de slaagkans van zijn demarche op voorhand in te schatten » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3317/002, p. 3). B.1.5. De wet van 2 december 2018 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2018. Artikel 7 ervan bepaalt : « Deze wet treedt in werking op 1 januari 2019 en is van toepassing op de aanvragen tot vrijstelling der bijdragen die worden ingediend vanaf deze datum, met uitzondering van hoofdstuk 3 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2018 ». 11 Hoofdstuk 3 van de wet van 2 december 2018 bevat enkel artikel 6. Die bepaling, die aldus op 1 oktober 2018 uitwerking heeft, luidt : « In afwijking van artikel 17 van [het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967], kan geen enkele aanvraag tot vrijstelling worden ingediend in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018. De termijn voor het indienen van de aanvraag zal verlengd worden met deze periode. De aanvragen tot vrijstelling van bijdragen ingediend vóór 1 oktober 2018, die op 31 december 2018 door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen ingesteld bij de FOD Sociale Zekerheid nog niet definitief werden beslist, zullen vanaf 1 januari 2019 worden behandeld door de Beroepscommissie bij het Rijksinstituut ingesteld bij artikel 21ter van hetzelfde koninklijk besluit, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 15 en 17 van hetzelfde koninklijk besluit in de versie zoals van kracht op 31 december 2018 ». Over die bepaling vermeldt de memorie van toelichting bij het ontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 2 december 2018 : « De overheveling van de nieuwe bevoegdheid naar het Rijksinstituut, de inrichting van een nieuwe procedure en van een Beroepscommissie ten gronde bij het Rijksinstituut vereisen overgangsbepalingen. De termijn voor het indienen van een aanvraag tot vrijstelling wordt geschorst voor een periode van 3 maanden met ingang van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018. Dit laat de bestaande Commissie voor vrijstelling toe om de aanvragen ingediend vóór 1 oktober 2018 af te handelen uiterlijk op 31 december 2018. De aanvragen die niet definitief afgehandeld zouden zijn, zullen na de opheffing van de dienst bij de FOD Sociale Zekerheid op 31 december 2018, behandeld en beslist worden door de Beroepscommissie ingesteld bij het Rijksinstituut volgens de bepalingen van kracht op 31 december 2018. Het gaat daarbij o.a. om de beslissingen tot vrijstelling van bijdragen genomen door de bestaande Commissie vóór de opheffing ervan, die door de arbeidsgerechten worden vernietigd en waarvoor de Commissie opnieuw een beslissing dient te nemen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3317/001, p. 14). Over de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 heeft de bevoegde minister tijdens de commissiebesprekingen ook gepreciseerd : « Er wordt beoogd de nieuwe wet op 1 januari 2019 in werking te doen treden. De wet zal dus van toepassing zijn op de vrijstellingsaanvragen vanaf die datum. Voorts wordt voorzien in een overgangsregeling, waarbij tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 geen enkele aanvraag tot vrijstelling zal kunnen worden ingediend. De termijn voor de indiening van de aanvraag zal met eenzelfde tijdspanne worden verlengd. 12 Die termijn is noodzakelijk voor de implementatie van de hervorming. Uiteraard mag niet worden vergeten dat de betrokken zelfstandigen dankzij de inwerkingtreding vanaf 1 januari 2019 binnen de maand een antwoord zullen kunnen krijgen. Op die manier zullen zij sneller uitsluitsel krijgen dan wanneer zij hun aanvraag tot 31 december 2018 hadden kunnen indienen. Laten we het voorbeeld nemen van de varkenshouders in de zone die besmet is met de Afrikaanse varkenspest; hun sector werd op 1 oktober 2018 erkend als ‘ sector in crisis ’. De minister heeft er met name via een nota aan de sociale verzekeringsfondsen op toegezien dat zij proactief worden geïnformeerd over het feit dat zij vanaf 1 januari 2019 een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen zullen kunnen indienen. Zij zullen dus worden beschouwd als zijnde in een economisch en financieel moeilijke situatie en van sociale bijdragen worden vrijgesteld. Daarenboven zal de op hen van toepassing zijnde procedure eenvoudiger en vooral veel sneller verlopen. De aanvragen die vóór 1 oktober 2018 werden ingediend en waarover de commissie op 31 december 2018 nog geen definitieve beslissing zal hebben genomen, zullen door de beroepscommissie worden behandeld overeenkomstig de vorige bepalingen, die tot 31 december 2018 van kracht zijn » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3317/002, p. 7). Ten gronde B.2. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en het rechtszekerheidsbeginsel. Het Hof wordt meer in het bijzonder verzocht het verschil in behandeling te onderzoeken onder zelfstandigen van wie de aanvraag tot vrijstelling van bijdragen het voorwerp uitmaakt van een administratieve beslissing die na 1 januari 2019 werd genomen, naargelang de aanvraag vóór 1 oktober 2018 of tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend. Enerzijds, wanneer de aanvraag vóór 1 oktober 2018 werd ingediend en er geen definitieve beslissing was op 31 december 2018, wordt die, vanaf 1 januari 2019, behandeld door de Beroepscommissie « overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 15 en 17 van [het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967] in de versie zoals van kracht op 31 december 2018 » (artikel 6, tweede lid, van de wet van 2 december 2018), zodat de aanvraag wordt beoordeeld ten aanzien van het oude criterium van de staat van behoefte of de toestand die de staat van behoefte benadert. 13 Anderzijds, wanneer de aanvraag tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege geeft aan de artikelen 6, eerste lid, en 7 van de wet van 2 december 2018, wordt de aanvraag beschouwd als zijnde ingediend vanaf 1 januari 2019 en wordt zij beoordeeld ten aanzien van het nieuwe criterium, ingevoerd bij de wet van 2 december 2018, volgens hetwelk de betrokkene zich tijdelijk in een moeilijke financiële of economische situatie moet bevinden. B.3. Een regel moet als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden. De wettigheid van een bestuurshandeling, al dan niet gedaan na een aanvraag, wordt beoordeeld in het licht van de wetgeving die van kracht is op de datum waarop zij genomen is. Wanneer de wetgeving verandert tussen het moment waarop de aanvraag wordt ingediend en dat waarop de administratieve beslissing wordt genomen, moet die laatste, in principe en behoudens een overgangsbepaling, gebaseerd zijn op de nieuwe wetgeving (RvSt, 29 maart 2024, nr. 259.358, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.358; 13 januari 2021, nr. 249.476, ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.476). Bijgevolg, wanneer een aanvraag vóór de inwerkingtreding van een nieuwe wetgeving werd ingediend en het voorwerp uitmaakt van een administratieve beslissing na die inwerkingtreding, heeft de toepassing van de nieuwe wetgeving op het onderzoek van die aanvraag in principe, op zichzelf, geen terugwerkende kracht. B.4. Wat betreft een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen die tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend en die het voorwerp uitmaakt van een administratieve beslissing die wordt genomen na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van de wet van 2 december 2018, heeft de toepassing op het onderzoek van die aanvraag van het bij die wet ingestelde nieuwe criterium, op zichzelf, geen terugwerkende kracht. Los van de kwestie of de in het geding zijnde bepalingen terugwerkende kracht hebben in zoverre zij tot gevolg hebben dat een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen die tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend, wordt beschouwd als zijnde ingediend vanaf 1 januari 2019, roepen zij het in B.2 vermelde verschil in behandeling in het leven. 14 B.5. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van personen worden geschonden zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden. Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het – in de prejudiciële vraag eveneens vermelde – rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.7. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, zijn de twee in B.2 vermelde categorieën van personen vergelijkbaar ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof wordt niet verzocht om eenzelfde categorie van personen te vergelijken onder de gelding van twee achtereenvolgens toepasbare wetgevingen. Het wordt verzocht het verschil in behandeling te onderzoeken, dat voortvloeit uit de in het geding zijnde overgangsregeling, tussen twee categorieën van personen onder de gelding van de wetgeving die van kracht is sinds 1 januari 2019 : enerzijds, de zelfstandigen van wie de aanvraag tot vrijstelling van bijdragen vóór 1 oktober 2018 werd ingediend en het voorwerp uitmaakt van een administratieve beslissing die wordt genomen na 1 januari 2019 en, anderzijds, de zelfstandigen van wie de 15 aanvraag tot vrijstelling van bijdragen tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend en het voorwerp uitmaakt van een administratieve beslissing die wordt genomen na 1 januari 2019. Voor de zelfstandigen uit de eerste categorie wordt de aanvraag beoordeeld ten aanzien van het criterium van de staat van behoefte of van de toestand die de staat van behoefte benadert, terwijl voor diegenen uit de tweede categorie de aanvraag wordt beoordeeld ten aanzien van het criterium dat de betrokkene zich tijdelijk in een moeilijke financiële of economische situatie bevindt. B.8. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de datum waarop de aanvraag tot vrijstelling van bijdragen werd ingediend. B.9. Uit de in B.1.5 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de overgangsregeling voor aanvragen tot vrijstelling die worden ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 noodzakelijk achtte om het Rijksinstituut toe te laten zich voor te bereiden op de implementatie van de hervorming die de wet van 2 december 2018 doorvoert. Door de indiening van aanvragen tot vrijstelling gedurende een beperkte periode op te schorten, beoogde de wetgever de bestaande Commissie voor vrijstelling toe te laten om de bevoegdheidsoverdracht naar het Rijksinstituut te realiseren en om zoveel mogelijk aanvragen die onder de vorige wetgeving werden ingediend, af te handelen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving, op 1 januari 2019. De wetgever heeft daartoe 1 oktober 2018 als scharnierdatum gekozen. Het is enkel ten aanzien van de aanvragen die werden ingediend vóór 1 oktober 2018 en die nog niet definitief afgehandeld zouden zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 2 december 2018, dat de wetgever heeft bepaald dat zij verder zullen worden behandeld en daarover zal worden beslist volgens de artikelen 15 en 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 in de versie die van kracht was tot 31 december 2018. De artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 beogen dus de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren. Dat is een legitieme doelstelling. Gelet op die context, is het niet zonder redelijke verantwoording dat aanvragen die vóór 1 oktober 2018 werden ingediend en waarvan de behandeling in veel gevallen al werd aangevat vóór de inwerkingtreding van de wet van 2 december 2018, zullen worden afgehandeld en daarover zal worden beslist op grond van het oude criterium, terwijl aanvragen waarvan de 16 termijn voor de indiening wordt opgeschort tot na de inwerkingtreding van de wet van 2 december 2018 en waarvan de behandeling derhalve pas na de inwerkingtreding van die wet wordt aangevat, worden behandeld en daarover wordt beslist op grond van die nieuwe wetgeving. B.10. Wat de toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel betreft, doen de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018, door te bepalen dat de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werden ingediend en waarover na 1 januari 2019 een administratieve beslissing werd genomen, worden behandeld volgens de bepalingen van de wet van 2 december 2018, geen afbreuk aan de rechtmatige verwachtingen van de indieners van die aanvragen. Immers, zoals in B.3 is vermeld, wanneer de wetgeving wijzigt tussen het moment van de indiening van de aanvraag en het moment van de administratieve beslissing over de aanvraag, moet die beslissing gebaseerd zijn op de nieuwe wetgeving, zodat de zelfstandigen die hun aanvraag tot vrijstelling tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 hebben ingediend niet de rechtmatige verwachting konden hebben dat hun aanvraag zou worden behandeld en daarover zou worden beslist op grond van de artikelen 15 en 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 in de versie die van kracht was op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag. Artikel 3 van de wet van 2 december 2018 ontneemt de betrokken zelfstandigen overigens geen « recht » op een vrijstelling. Net als in de versie die van kracht was overeenkomstig de vroegere wetgeving, kent artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, aan de overheid een discretionaire bevoegdheid toe bij de beoordeling van de aanvraag (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3317/001, pp. 9- 10). Ook op dat vlak doet artikel 3 van de wet van 2 december 2018 derhalve geen afbreuk aan enige rechtmatige verwachting van de betrokken zelfstandigen. B.11. De artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 zijn niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet- retroactiviteit van de wetten en het rechtszekerheidsbeginsel. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen » schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet- retroactiviteit van de wetten en het rechtszekerheidsbeginsel. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 november 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.143 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.476 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.