id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.143 Arrest- Rolnummer: 143/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-18 22:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen », gesteld door de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver. Sociaal recht - Zelfstandigen - Aanvraag tot vrijstelling van bijdragen - Criterium - Wijziging van de wetgeving - Terugwerkende kracht van de norm Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 143/2024 van 28 november 2024 Rolnummer : 8105 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen », gesteld door de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 november 2023, heeft de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant, afdeling Waver, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en het beginsel van rechtszekerheid, in zoverre zij in een overgangsregeling voorzien voor de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2019, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, de aanvragen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2018 en, anderzijds, die welke zijn ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018, en het nieuwe criterium vastgesteld bij artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij de wet van 2 december 2018, met terugwerkende kracht wordt toegepast op de aanvragen die zijn ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018, door ze te beschouwen als zijnde ingediend na 31 december 2018, terwijl de aanvragen ingediend vóór 1 oktober 2018 waarover nog niet definitief is beslist op 2 31 december 2018, na 1 januari 2019 kunnen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 15 en 17 van hetzelfde koninklijk besluit in de versie zoals van kracht op 31 december 2018 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Tulkens en mr. Antoine Mésot, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Tulkens en mr. Antoine Mésot. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is sinds 15 januari 2013 in de hoedanigheid van zelfstandige in hoofdberoep aangesloten. Tussen 1 april 2013 en 31 december 2016 kent de Commissie voor vrijstelling van bijdragen haar vrijstellingen van bijdragen toe voor twaalf kwartalen. Op 14 december 2018 vult de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege een formulier in om vrijstelling aan te vragen voor de voorlopige bijdragen van het vierde kwartaal 2017 tot het vierde kwartaal 2018 en voor de regularisatiebijdragen van het eerste kwartaal 2017 tot het vierde kwartaal 2018. Op 21 december 2018 bevestigt het sociaal verzekeringsfonds waarbij zij is aangesloten de ontvangst van die aanvraag. Op 27 december 2018 wordt de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie voor vrijstelling te hervormen » (hierna : de wet van 2 december 2018) in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Bij die wet wordt de instantie vervangen die bevoegd is om zich uit te spreken over een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen : het betreft niet langer de Commissie voor vrijstelling van bijdragen, maar het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna : het RSVZ) en, op beroep, de Beroepscommissie voor de Vrijstelling van Bijdragen (hierna : de Beroepscommissie). De wet van 2 december 2018 wijzigt ook het criterium aan de hand waarvan een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen wordt beoordeeld : terwijl het oude criterium luidde dat de betrokkene zich bevindt « in een staat van behoefte […] of in een toestand die de staat van behoefte benadert » (artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen », hierna : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 2 december 2018), luidt het nieuwe criterium dat de betrokkene zich bevindt « in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie » (artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij de wet van 2 december 2018). Op 14 juni 2019 weigert het RSVZ, dat de nieuwe wetgeving toepast, de door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege gevraagde vrijstelling van bijdragen toe te kennen. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt tegen 3 die beslissing een beroep in bij de Beroepscommissie. Op 25 juni 2020 bevestigt de Beroepscommissie de beslissing tot weigering. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege betwist die beslissing bij het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat, wanneer de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege haar aanvraag tot vrijstelling heeft ingediend, zij weliswaar geen recht erop had de vrijstelling daadwerkelijk te krijgen, maar wel onherroepelijk aanspraak erop kon maken dat haar situatie werd getoetst aan het criterium waarin was voorzien bij artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het op dat moment van toepassing was. Echter, hoewel artikel 7 van de wet van 2 december 2018 erin voorziet dat die wet op 1 januari 2019 in werking treedt en dat zij van toepassing is op de vanaf die datum ingediende aanvragen tot vrijstelling van bijdragen, voorziet het ook erin dat artikel 6 van dezelfde wet uitwerking heeft op 1 oktober 2018. Artikel 6, eerste lid, van de wet van 2 december 2018 voorziet erin dat « geen enkele aanvraag tot vrijstelling [kan] worden ingediend in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 » en dat « de termijn voor het indienen van de aanvraag zal verlengd worden met deze periode ». Volgens het verwijzende rechtscollege volgt daaruit dat de aanvragen die werden ingediend in de loop van de in die bepaling bedoelde periode met terugwerkende kracht moeten worden beschouwd als aanvragen die na 31 december 2018 zijn ingediend, en dat daarop het nieuwe criterium moet worden toegepast waarin bij artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij de wet van 2 december 2018, is voorzien. Nog steeds volgens het verwijzende rechtscollege hebben de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 terugwerkende kracht in zoverre zij erin voorzien dat dat nieuwe criterium van toepassing is op aanvragen die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van die wet. Het verwijzende rechtscollege voegt eraan toe dat diezelfde artikelen afbreuk kunnen doen aan het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege de draagwijdte van de toekomstige wijzigingen niet kon voorzien, zij redelijkerwijs kon verwachten dat het oude criterium van toepassing blijft en, in haar situatie, het nieuwe criterium strikter is dan het oude. Ten slotte stelt het verwijzende rechtscollege vast dat, krachtens artikel 6, tweede lid, van de wet van 2 december 2018, de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die vóór 1 oktober 2018 werden ingediend en waarover de Commissie voor vrijstelling van bijdragen op 31 december 2018 nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan, vanaf 1 januari 2019 door de Beroepscommissie worden behandeld, die in dat geval het oude criterium moet toepassen. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat de aanvragen die vóór de inwerkingtreding van 2 december 2018 werden ingediend aldus op verschillende wijze worden behandeld naargelang de aanvraag vóór 1 oktober 2018 (toepassing van het oude criterium) dan wel na die datum (toepassing van het nieuwe criterium) werd ingediend. Het verwijzende rechtscollege stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat de wet van 2 december 2018 slechts terugwerkende kracht heeft in zoverre zij een periode vastlegt waarin de indiening van aanvragen tot vrijstelling van bijdragen wordt bevroren tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018. Volgens hem heeft die maatregel tot gevolg dat de tijdens die periode ingediende aanvragen pas vanaf 1 januari 2019 bestaan, zowel in rechte als in feite (de ontvangst van die aanvragen in het nieuwe informaticasysteem van het RSVZ kon immers pas vanaf die datum gebeuren). Hij is van mening dat de toepassing van het nieuwe criterium op de door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege ingediende aanvraag dus geen terugwerkende kracht heeft maar uitgaat van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op de situaties die na de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan. Volgens de Ministerraad gebeurt de toetsing van de grondwettigheid van een wet aan het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten in twee stappen, waarbij namelijk eerst wordt nagegaan of de retroactiviteit effectief afbreuk doet aan de rechtszekerheid en vervolgens of de retroactiviteit verantwoord is door een doelstelling van algemeen belang. Wat de eerste stap betreft, doet hij gelden dat de bij artikel 6 van de wet van 2 december 2018 bepaalde periode van opschorting met terugwerkende kracht alleen maar bevestigt wat in de omzendbrieven van de FOD Sociale Zekerheid van 5 september 2018 en van 18 oktober 2018 stond, die op de invoering van de hervorming anticipeerden. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen dus geenszins een verrassing konden zijn, hetgeen, volgens de rechtspraak van het Hof, een essentiële factor is die in overweging moet worden genomen. In dat opzicht voegt hij eraan toe dat, overeenkomstig de voormelde omzendbrieven, die aan de sociale verzekeringsfondsen de verplichting oplegden om de zelfstandigen in te lichten 4 over de toepassing van de overgangsregeling, de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege het nieuwe aanvraagformulier, gebaseerd op de nieuwe wetgeving, heeft ontvangen en ingevuld. Wanneer zij haar aanvraag heeft ingediend, kon er bij haar bijgevolg geen twijfel over bestaan dat haar aanvraag zou worden beschouwd als zijnde ingediend na 1 januari 2019 en dat die dus op basis van de nieuwe wetgeving zou worden behandeld. Vervolgens doet de Ministerraad, verwijzend naar een in een gelijkaardige zaak door het Arbeidshof te Antwerpen op 20 juni 2022 gewezen arrest, gelden dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, wanneer zij haar aanvraag heeft ingediend, geen verworven recht had op de vrijstelling van bijdragen. Verwijzend naar hetzelfde arrest en naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 december 2018, voert hij bovendien aan dat de nieuwe wetgeving niet minder gunstig is voor de zelfstandigen, aangezien zij het vage criterium van de staat van behoefte vervangt door het meer precieze criterium dat de betrokkene zich tijdelijk in een moeilijke financiële of economische situatie bevindt, hetgeen de rechtszekerheid versterkt en een einde maakt aan de onrechtmatige methode die erin bestond systematisch vrijstellingen van bijdragen aan te vragen zonder een op lange termijn leefbaar project van economische activiteit aan te tonen. De Ministerraad besluit daaruit dat de terugwerkende kracht te dezen op geen enkele wijze afbreuk doet aan het rechtszekerheidsbeginsel. Vervolgens, in de veronderstelling dat de geanticipeerde invoering, door de FOD Sociale Zekerheid, van de overgangsregeling niet voldoet aan vereisten van rechtszekerheid, doet de Ministerraad gelden dat de terugwerkende kracht in ieder geval noodzakelijk is voor de continuïteit van de openbare dienst. Hij zet uiteen dat de belangrijkste uitdaging erin bestond de Commissie voor vrijstelling van bijdragen toe te laten de aanvragen tot vrijstelling die reeds onder de gelding van het vorige systeem werden ingediend, te blijven verwerken – en af te handelen –, en tegelijkertijd de bevoegdheidsoverdracht naar het RSVZ te organiseren, opdat de zelfstandigen vanaf 1 januari 2019 het nieuwe systeem zouden kunnen genieten. Enerzijds moest het betrokken personeel overgedragen worden aan het RSVZ en moest het nieuwe informaticasysteem worden opgezet, hetgeen niet van de ene op de andere dag kon gebeuren. Anderzijds moest tegelijkertijd de continuïteit van de openbare dienst worden gewaarborgd door de structuren te behouden die de vóór 1 oktober 2018 ingediende aanvragen kunnen behandelen. Volgens de Ministerraad liet de combinatie van die twee vereisten niet toe dat tijdens het laatste kwartaal van het jaar 2018 aanvragen tot vrijstelling van bijdragen werden ingediend, zodat de enige oplossing voor de wetgever was om de aanvragen tijdens die periode met terugwerkende kracht te bevriezen. Nog steeds volgens de Ministerraad zou, indien de periode van bevriezing voor de toekomst zou zijn bepaald, dat wil zeggen voor het eerste kwartaal van het jaar 2019, de behandeling van de aanvragen van zelfstandigen die het nieuwe systeem wilden genieten, op onaanvaardbare wijze vertraagd zijn geweest. Ten slotte, wat betreft het verschil in behandeling naargelang de aanvraag vóór 1 oktober 2018 dan wel tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 werd ingediend, voert de Ministerraad aan dat de toepassing van het nieuwe criterium op de aanvragen ingediend tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 voortvloeit uit het feit dat die aanvragen slechts vanaf 1 januari 2019 rechtsgevolgen konden hebben, dat wil zeggen op een moment waarop het nieuwe criterium reeds van kracht was. Verwijzend naar de rechtspraak van het Hof, voert hij aan dat het niet pertinent is om, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de zelfstandigen van wie de aanvragen tot vrijstelling uitwerking hebben gehad vóór de inwerkingtreding van de hervorming te vergelijken met de zelfstandigen van wie de aanvragen bestaan sinds de inwerkingtreding van de hervorming. Volgens hem zijn die twee categorieën niet vergelijkbaar. Ten slotte doet hij gelden dat enkel de door de wetgever gekozen oplossing toeliet de gelijke behandeling in acht te nemen en tegelijkertijd de continuïteit van de openbare dienst te waarborgen. A.2. Het RSVZ verwijst naar de argumentatie van de Ministerraad. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 6 en 7 van de wet van 2 december 2018 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten einde de werking van de Commissie 5 voor vrijstelling te hervormen » (hierna : de wet van 2 december 2018). De wet van 2 december 2018 wijzigt de bepalingen met betrekking tot de aanvragen tot vrijstelling van bijdragen die zelfstandigen kunnen indienen. B.1.2. Zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, voorzag artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen » (hierna : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967) erin dat een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen kon worden ingediend door de zelfstandige die meent zich in staat van behoefte te bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert. De Commissie voor vrijstelling van bijdragen, opgericht bij de FOD Sociale Zekerheid, was bevoegd om uitspraak te doen over de aanvraag en haar beslissing was vatbaar voor beroep voor de arbeidsrechtbank (artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij artikel 5 van de wet van 2 december 2018). Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, bepaalde : « De zelfstandigen die menen dat zij zich in een staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van [behoefte] benadert, kunnen vrijstelling vragen van de voorlopige bijdragen verschuldigd krachtens dit koninklijk besluit, voor zover deze bijdragen niet verschuldigd zijn op grond van artikel 12bis, § 1, of in de hoedanigheid van de bij artikel 12, § 2, bedoelde onderworpene, door zich te wenden tot de in artikel 22 bedoelde Commissie. De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten hun staat van behoefte of hun toestand die de staat van behoefte benadert, bewijzen. Om hun staat van behoefte te beoordelen, houdt de Commissie inzonderheid rekening met de inkomsten en lasten van de personen die deel uitmaken van hun gezin, tenzij met betrekking tot deze personen wordt bewezen dat ze niets te maken hebben met de zelfstandige activiteit van de betrokken zelfstandigen en dat ze bovendien niet de rechtsplicht hebben om die zelfstandigen te helpen of van levensmiddelen te voorzien. […] Met het oog op de toekenning van de uitkeringen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen, met uitzondering van de pensioen- en overlevingsuitkeringen en onder voorbehoud van de toepassing van het achtste lid, worden de bijdragen waarvoor de Commissie vrijstelling heeft verleend als betaald beschouwd, zelfs wanneer de vrijstelling geacht wordt nooit te zijn toegekend in de zin van het derde lid. 6 Voor de toepassing van artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden de bijdragen waarvoor een vrijstelling werd verkregen, geacht betaald te zijn. […] ». B.1.3. Zoals het werd vervangen bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, bepaalt artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 voortaan dat een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen kan worden ingediend door de zelfstandige die meent zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te bevinden waardoor hij niet in staat is om zijn bijdragen te betalen. Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen is voortaan bevoegd om uitspraak te doen over de aanvraag. Tegen zijn beslissing kan een bezwaar worden ingediend bij de nieuw opgerichte Beroepscommissie voor de Vrijstelling van Bijdragen (hierna : de Beroepscommissie). De beslissing van de Beroepscommissie is vatbaar voor beroep voor de arbeidsrechtbank (artikel 21ter van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 2 december 2018). Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 2 december 2018, bepaalt : « § 1. De zelfstandigen die menen zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te bevinden, waardoor zij niet in staat zijn om hun bijdragen te betalen, kunnen vrijstelling vragen van de betaling van de in de tweede paragraaf bedoelde bijdragen door zich te wenden tot het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, hierna ‘ Rijksinstituut ’ genoemd. De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten bewijzen dat zij zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevinden waardoor zij bij de opvordering van de verschuldigde bijdragen door het sociaal verzekeringsfonds niet in staat zijn om deze te betalen. Het Rijksinstituut beoordeelt de situatie van de zelfstandige aan de hand van de elementen ingeroepen bij het indienen van zijn aanvraag. § 2. De aanvraag tot vrijstelling kan enkel ingediend worden voor de voorlopige bijdragen, bedoeld in de artikelen 11, § 3, en 13bis, § 2, en het bijdragesupplement ingevolge de regularisatie bedoeld in artikel 11, § 5, eerste lid, verschuldigd door de zelfstandige die behoort tot de categorie van bijdrageplichtigen bedoeld in de artikelen 12, § 1, 12, § 1bis, 12, § 1ter, 12bis, § 2 en 13, § 1. 7 § 3. Bij de beoordeling of de zelfstandige zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt, houdt het Rijksinstituut inzonderheid rekening met de beroepsinkomsten en -lasten van de zelfstandige of de omzet en de daaraan verbonden kosten van de onderneming of de vennootschap waarbinnen hij actief is en de uitzonderlijke omstandigheden die de aanvraag rechtvaardigen. De Koning kan bijkomende voorwaarden en criteria bepalen die het mogelijk maken te beoordelen of de zelfstandige zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt die hem niet toelaat zijn bijdragen te betalen. § 4. De zelfstandige die aantoont dat hij zich in één van de hierna vermelde situaties bevindt, wordt vermoed zich in een moeilijke financiële of economische situatie te bevinden zoals bedoeld in de eerste paragraaf : 1° wanneer hij in het genot is van een leefloon in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie gedurende de kwartalen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag of binnen de 6 maanden na de stopzetting van de zelfstandige activiteit; 2° wanneer hij in het genot is van een inkomensgarantie voor ouderen in toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen gedurende de kwartalen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag of binnen de 6 maanden na de stopzetting van de zelfstandige activiteit; 3° wanneer hij als gefailleerde de schuldkwijtschelding heeft bekomen in de zin van hoofdstuk 6, titel VI, boek XX van het Wetboek van economisch recht; 4° wanneer hij in het kader van een collectieve schuldenregeling van de rechter de homologatie van een minnelijke aanzuiveringsregeling verkregen heeft, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd werd of een aanpassing of herziening van de regeling verkregen heeft, in de zin van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen; 5° wanneer hij de opschorting heeft bekomen in het kader van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie, in de zin van titel V, boek XX van het wetboek van economisch recht; 6° het slachtoffer is van een natuurramp, een brand, een vernieling of een allergie, in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 januari 2017 tot uitvoering van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. § 5. Het Rijksinstituut kan beslissen om de aanvragen niet in overweging te nemen ingeval : 1° de zelfstandige voor de voorlopige bijdragen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag zich in de voorwaarden bevindt om een aanvraag tot vermindering van de voorlopige bijdragen in toepassing van artikel 11, § 3, 6de lid in te dienen doch hiervan voorafgaandelijk geen gebruik heeft gemaakt; 8 2° het Rijksinstituut in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag tot vrijstelling in toepassing van artikel 17bis aan de zelfstandige een administratieve geldboete zonder uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling en zonder toepassing van verzachtende omstandigheden heeft opgelegd; 3° de zelfstandige aan wie in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een sanctie in toepassing van het sociaal strafwetboek werd opgelegd ingevolge inbreuken op de bepalingen van hoofdstuk VIII van titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006 en de inbreuken opgesomd in artikel 25 en 25bis; 4° de zelfstandige die in de in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling heeft bekomen :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.