← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.147

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.147 Arrest- Rolnummer: 147/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-16 Raadplegingen: 604 - laatst gezien 2026-06-17 16:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 26 december 2022 « tot hervorming van het statuut van de gerechtsdeurwaarders en andere diverse bepalingen », ingesteld door Bruno Borean en Pol Cornez, door Christiane Otten en anderen, door Willy Fredrix en anderen en door Eric Choquet en anderen. Gerechtelijk recht - Gerechtsdeurwaarders - Uitoefening van het ambt - Leeftijdsgrens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 147/2024 van 4 december 2024 Rolnummers : 8006, 8018, 8026 en 8043 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 26 december 2022 « tot hervorming van het statuut van de gerechtsdeurwaarders en andere diverse bepalingen », ingesteld door Bruno Borean en Pol Cornez, door Christiane Otten en anderen, door Willy Fredrix en anderen en door Eric Choquet en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 7, 13, 16 en 23 juni 2023 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 8, 14, 19 en 26 juni 2023, zijn beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 26 december 2022 « tot hervorming van het statuut van de gerechtsdeurwaarders en andere diverse bepalingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2022) ingesteld door Bruno Borean en Pol Cornez, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cédric Molitor, advocaat bij de balie te Brussel, door Christiane Otten, Roger Smet en Marc Mombailliu, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Vande Lanotte, advocaat bij de balie te Gent, door Willy Fredrix, Paul De Haes, Christian Bellens, Marc Brackeva, Ronnie De Ceuster, Marc Carsau, Luc Serrien, Peter Segers, Patrick Suykens, Kathleen Discart, Charles Mertens, Eric Libbrecht, Dominique Courboin, Bart Vyt, Dirk Dams, Ann Verrezen, Jan Anne, Christiane Otten, Luc Verschueren, Bart Verschelden, Marc Hove, Marcel Smeets, Patrick Desmet, Peter Theuwis, Baudouin Van Den Daele, Dirk Hessels, Pierre Winkelmolen, Leo Haeldermans, Geert Ingelaere, Christel Gaumier, Etienne Megroedt, Frank Boelens, Kristien Huybrechts, Johan Genbrugge, Luc Vernimmen en Michel Leroy, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Hans-Kristof Carême, advocaat bij de balie te Leuven, en door Eric Choquet, Jean-Fabien De Clercq, Isabelle Sanglier, Eric Cansse, Brigitte Culot, Pierre Bertrand, Jacqueline Duchateau, Paul Hamoir, Claude Xharde, Thierry Romain, 2 Michel Andre, Thomas Defays, Walter Schotte, Jerry Jeanpierre, Bernard Paulus, Marianne Riga, Paul Henry Stephenne en de cvba « Intermédiance & Partners », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Hélène Debaty, advocate bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8006, 8018, 8026 en 8043 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Junior Geysens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 17 juli 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge de verzoeken van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8026 en 8043 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 25 september 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 23 oktober

  1. Op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2024 : - zijn verschenen : . mr. Cédric Molitor, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8006; . mr. Johan Vande Lanotte, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8018; . mr. Hans-Kristof Carême, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8026; . mr. Jean-François De Bock, advocaat bij de balie te Brussel, loco mr. Hélène Debaty, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8043; . mr. Nicolas Bonbled en mr. Junior Geysens, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 8006 Wat betreft het belang bij het beroep A.
  2. Bruno Borean en Pol Cornez verantwoorden hun belang om de vernietiging van de artikelen 2, 9, 39 en 42 van de wet van 26 december 2022 « tot hervorming van het statuut van de gerechtsdeurwaarders en andere diverse bepalingen » (hierna : de wet van 26 december 2022) te vorderen doordat zij in 1961 zijn geboren, zij in het ambt van gerechtsdeurwaarder werden benoemd bij koninklijke besluiten van 17 mei 1994 en zij zich een twintigtal jaren later hebben geassocieerd. Wat betreft het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet en met artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten A.
  3. Bruno Borean en Pol Cornez voeren aan dat de derde en de vierde zin van artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep nog uit te oefenen na de leeftijd van 70 jaar, die beroepsbeoefenaar op discriminerende wijze op dezelfde manier behandelen als de notaris. A.
  4. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden wetsbepaling een maatregel is die het loopbaaneinde van de gerechtsdeurwaarders regelt. Zij merken eveneens op dat notarissen hun ambt ook niet meer mogen uitoefenen na de leeftijd van 70 jaar, met toepassing van artikel 2 van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt » (hierna : de wet van 25 ventôse jaar XI). Zij zijn van mening dat gerechtsdeurwaarders zich ten aanzien van de bestreden maatregel bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van notarissen. Zij verwijzen in dat verband naar twee arresten van het Hof (GwH, nr. 109/2001, 20 september 2001, ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.109 en nr. 87/2022, 30 juni 2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.087) luidens welke het ambt van de enen en dat van de anderen als wezenlijk verschillend worden beschouwd . Zij beklemtonen dat uit het tweede arrest blijkt dat de situatie van gerechtsdeurwaarders verschilt van die van notarissen wat betreft de voorwaarden voor het loopbaaneinde. A.4.
  5. De verzoekende partijen zetten vervolgens uiteen dat het niet redelijk verantwoord is om gerechtsdeurwaarders op dezelfde manier te behandelen als notarissen. A.4.
  6. Zij merken allereerst op dat meerdere redenen betreffende de specifieke kenmerken en de organisatie van het beroep van gerechtsdeurwaarder de wetgevende macht, tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 « tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders » (hierna : de wet van 7 januari 2014), ertoe hadden gebracht uitdrukkelijk te beslissen om gerechtsdeurwaarders niet ertoe te verplichten de uitoefening van hun ambt op een bepaalde leeftijd stop te zetten, zoals daarin was voorzien voor notarissen sinds de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 « tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt » (hierna : de wet van 4 mei 1999). Een van die redenen betrof het feit dat de wet de recent benoemde gerechtsdeurwaarder niet verplicht om een vergoeding te betalen aan de gerechtsdeurwaarder wiens kantoor hij overneemt. De verzoekende partijen merken op dat de parlementaire voorbereiding van artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 het niet mogelijk maakt te begrijpen waarom de wetgevende macht inmiddels van mening is veranderd en heeft geoordeeld dat de redenen die enkele jaren eerder werden aangevoerd, niet meer pertinent waren. A.4.
  7. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat de uit die parlementaire voorbereiding voortvloeiende verantwoordingen van de bestreden wetsbepaling ontoereikend of onjuist zijn. Zij merken op dat de bestreden maatregel op de eerste plaats werd verantwoord door de omstandigheid dat sommige oudere gerechtsdeurwaarders hun ambt verkopen of verhuren aan grote kantoren. Zij zijn van mening 4 dat die reden onvoldoende is uiteengezet en dat zij niet op bewijskrachtige gegevens berust. Zij merken in dat verband op dat, om een einde te maken aan de praktijken van sommige gerechtsdeurwaarders die als misbruik worden aangemerkt, een tuchtrechtelijke benadering evenrediger zou zijn geweest en de rechten en vrijheden van de andere gerechtsdeurwaarders minder zou hebben aangetast dan de bestreden wettelijke maatregel. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden maatregel ook is ingegeven door de bekommernis om de vacantverklaring van een ambt van gerechtsdeurwaarder niet enkel te laten afhangen van zijn overlijden of ontslag, terwijl artikel 518 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het was vervangen bij artikel 225 van de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie » (hierna : de wet van 25 april 2014), reeds tot gevolg had dat elk ambt dat door een gerechtsdeurwaarder van minstens 70 jaar werd bekleed, vacant werd. De verzoekende partijen wijzen erop dat tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 ook werd beweerd dat een benoeming voor het leven als gerechtsdeurwaarder niet meer van deze tijd was. Zij zijn van mening dat dat standpunt, dat niet is uiteengezet en tegenstrijdig is met het standpunt dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 was aangenomen, had moeten worden geëxpliciteerd. Zij voegen eraan toe dat het argument dat is afgeleid uit de noodzaak om het beroep te « moderniseren » en te « verjongen », dat ook is aangevoerd tijdens de parlementaire voorbereiding van 2022, eveneens had moeten worden uiteengezet. A.4.
  8. De verzoekende partijen zetten bovendien uiteen dat de omstandigheid dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders de aanneming van de bestreden wetsbepaling zou hebben goedgekeurd, op zich geen redelijke verantwoording vormt voor de identieke behandeling die die bepaling doet ontstaan tussen gerechtsdeurwaarders en notarissen. Zij zijn overigens van mening dat die identieke behandeling evenmin kan worden verantwoord door de bekommernis om gerechtsdeurwaarders op dezelfde manier te behandelen als magistraten, daar die laatstgenoemden geen openbare ambtenaren zijn, daar zij geen vrij beroep uitoefenen en daar zij niet het sociaal statuut van zelfstandige hebben. De verzoekende partijen merken tot slot op dat de invoering, in 1999, van een beperking in de tijd om het ambt van notaris uit te oefenen, noodzakelijk werd geacht om het aantal kandidaten voor dat ambt uit te breiden. Zij geven aan dat de bestreden wetsbepaling dat doel niet nastreeft, dat reeds werd bereikt door de voormelde wijziging van artikel 518 van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 25 april
  9. A.
  10. De verzoekende partijen voeren aan dat de vernietiging van artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, in zoverre het de derde en de vierde zin van het derde lid van artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek invoegt, moet leiden tot de vernietiging van de artikelen 9, 39 en 42 van de wet van 26 december 2022, omdat die laatste bepalingen het gevolg zijn van de aanneming van de eerste bepaling. A.6.
  11. De Ministerraad is van mening dat het middel niet gegrond is. A.6.
  12. Hij voert aan dat de wetgevende macht, rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge waarover zij beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden, en inzonderheid op het gebied van de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt, redelijkerwijze vermocht te oordelen dat de noodzaak om het beroep van gerechtsdeurwaarder te moderniseren en te verjongen en om een einde te maken aan het misbruik van sommigen, rechtvaardigde dat deurwaarders worden verplicht de uitoefening van hun ambt na een bepaalde leeftijd stop te zetten. De Ministerraad voegt eraan toe dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, die de taak heeft dat beroep te vertegenwoordigen, die maatregel gunstig gezind was toen zij over die hervorming werd geraadpleegd. A.6.
  13. De Ministerraad zet eveneens uiteen dat de bestreden maatregel niet onevenredig is. Hij merkt in dat verband op dat de bestreden wetsbepaling de gerechtsdeurwaarders waarborgt dat zij hun ambt gedurende 30 jaar kunnen uitoefenen, dat de betwiste leeftijdsgrens dezelfde is als die welke geldt voor andere beroepen, zoals magistraten, en dat een werknemer vanaf 2025 de pensioenleeftijd zal bereiken op 67 jaar. De Ministerraad voegt eraan toe dat de bestreden bepaling niet kennelijk onredelijk is, om redenen die identiek zijn aan die welke het Hof heeft uiteengezet toen het zich heeft uitgesproken over de leeftijdsgrens die de wet van 4 mei 1999 heeft ingevoerd voor notarissen (GwH, nr. 109/2001, voormeld). Hij is van mening dat het verantwoord is om de uitoefening van ambten die onder de openbare dienst van het gerecht ressorteren, te verbieden voor personen die, gelet op hun leeftijd, meer zijn blootgesteld aan een gezondheidsprobleem dat de 5 doeltreffendheid van die dienst in het gedrang zou kunnen brengen en die zich, hoe dan ook, minder goed kunnen aanpassen aan de voortdurend evoluerende vereisten van het beroep. Hij voegt eraan toe dat soortgelijke maatregelen zijn aangenomen in Frankrijk en in Nederland. De Ministerraad beklemtoont ook dat de artikelen 2 en 39 van de wet van 26 december 2022 de gerechtsdeurwaarders, al dan niet bij wijze van overgangsregeling, toelaten om hun ambt na de leeftijd van 70 jaar te blijven uitoefenen. Wat betreft het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het « algemene rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit » A.7.
  14. De verzoekende partijen voeren aan dat de derde en de vierde zin van artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, een handeling of situatie wijzigen die definitief verworven was op het ogenblik dat die wetsbepalingen in werking zijn getreden, namelijk de geldigheidsduur van hun benoeming bij twee koninklijke besluiten van 17 mei
  15. Zij beklemtonen dat de bestreden wetsbepalingen een retroactieve draagwijdte hebben omdat door de invoering van een leeftijdsgrens voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder wordt teruggekomen op feiten die definitief waren op 1 januari 2023, op het ogenblik dat die bepalingen in werking zijn getreden. A.7.
  16. De verzoekende partijen zijn van mening dat die retroactiviteit niet wordt verantwoord door doelstellingen van algemeen belang. Zij verwijzen in dat verband naar de redenen waarom tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 werd beslist om het levenslange karakter van de benoeming van de gerechtsdeurwaarders te behouden. Zij voegen eraan toe dat de argumenten die tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 december 2022 zijn aangevoerd om het gewijzigde standpunt van de wetgevende macht uit te leggen, gebrekkig en onbegrijpelijk zijn. A.
  17. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden wetsbepalingen geen retroactieve werking hebben. Hij brengt in herinnering dat, krachtens het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet, die wet onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van situaties die onder het stelsel van de vroegere wet zijn ontstaan, die zich voordoen of zich voortzetten onder de gelding van de nieuwe wet. De Ministerraad voert aan dat dat beginsel vereist dat de bij de bestreden wetsbepalingen ingevoerde leeftijdsgrens geldt voor alle gerechtsdeurwaarders die op 1 januari 2023 nog in functie zijn. De Ministerraad voegt eraan toe dat de benoeming van een gerechtsdeurwaarder aan de benoemde persoon nooit het recht heeft verleend om dat beroep levenslang uit te oefenen. Hij preciseert dat een dergelijke handeling toegang geeft tot een beroep dat moet worden uitgeoefend overeenkomstig het van kracht zijnde wetgevend kader, dat kan evolueren tijdens de loopbaan van de benoemde persoon. Wat betreft het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het « algemene rechtsbeginsel van rechtszekerheid » en met het « algemene rechtsbeginsel van gewettigd vertrouwen » A.
  18. De verzoekende partijen voeren aan dat de derde en de vierde zin van artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, zonder objectieve en redelijke verantwoording, en zonder dwingende reden van algemeen belang, afbreuk doen aan de legitieme verwachtingen van de gerechtsdeurwaarders die werden benoemd vóór 1 januari 2023, wat betreft « de organisatie van hun beroepspraktijk » en het « einde van de uitoefening van hun beroep ». Zij merken op dat die gerechtsdeurwaarders aanzienlijke maatregelen hebben genomen om de uitoefening van hun activiteiten te regelen, rekening houdend met de duidelijke aanwijzingen van de artikelen 518 en 524 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals zij waren vervangen bij de wet van 7 januari
  19. Zij preciseren dat sommige gerechtsdeurwaarders die hun beroep wilden uitoefenen na de leeftijd van 70 jaar, bijvoorbeeld hebben beslist zich te associëren om de materiële aspecten van de toekomstige overdracht van hun activiteiten bij overeenkomst te kunnen regelen. De verzoekende partijen zijn van mening dat de in artikel 39 van de wet van 26 december 2022 geformuleerde regels niet volstaan om de omvang te verkleinen van de schade die de bestreden bepalingen hun berokkenen. Zij zijn van mening dat de in die laatste bepalingen bedoelde leeftijdsgrens enkel toepasselijk had moeten worden 6 gemaakt op de gerechtsdeurwaarders die na 1 januari 2023 zijn benoemd. Zij beklemtonen dat de situatie van die laatsten sterkt verschilt van die van de notarissen, met wier materiële situatie overigens uitdrukkelijk rekening was gehouden toen de wetgevende macht in 1999 had beslist om de gevolgen van hun benoeming te beperken in de tijd. De verzoekende partijen herhalen dat de argumenten die tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 december 2022 zijn aangevoerd om te verantwoorden dat werd afgezien van het levenslange karakter van de benoeming van gerechtsdeurwaarders, gebrekkig en ontoereikend zijn. A.10.
  20. Volgens de Ministerraad konden de verzoekende partijen niet verwachten dat de regels betreffende de beëindiging van hun loopbaan als gerechtsdeurwaarder ongewijzigd zouden blijven tussen het ogenblik van hun benoeming en dat van hun pensionering. Hij brengt in herinnering dat de wetgevende macht vrij blijft om van beleid te veranderen en dat een wetsbepaling niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel om de enkele reden dat zij vroegere regels wijzigt, door bijvoorbeeld een nieuw verbod uit te vaardigen. A.10.
  21. De Ministerraad brengt ook in herinnering dat de wetgevende macht beschikt over een ruime beoordelingsmarge om een sociaaleconomisch beleid vast te leggen en over een vaststaande beoordelingsmarge wanneer zij het beroep van gerechtsdeurwaarder regelt. Hij is van mening dat de in 2022 genomen beslissing om terug te komen op de in 2014 aangenomen regel van de levenslange benoeming niet op een kennelijke vergissing berust, dat die beslissing niet kennelijk onredelijk is en dat zij niet onvoorzienbaar was. Hij verwijst in dat verband naar het verslag betreffende de modernisering van het ambt van gerechtsdeurwaarder dat in juni 2018 aan de minister van Justitie werd overhandigd, naar een wetsvoorstel van 2020 en naar de tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen uitgedrukte redenen. A.10.
  22. De Ministerraad merkt ook op dat artikel 509, § 1, derde lid, vierde zin, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, evenals artikel 39, eerste lid, van die wet een overgangsregeling invoeren die soortgelijk is aan die van de wet van 4 mei 1999 waarbij het levenslange karakter van de benoeming van de notarissen werd afgeschaft, die overigens, net als gerechtsdeurwaarders, ministeriële officieren en openbare ambtenaren zijn. De Ministerraad beweert dat het Hof die laatste regeling formeel geldig heeft verklaard bij het voormelde arrest nr. 109/
  23. Hij leidt daaruit af dat de overgangsmaatregelen van de wet van 26 december 2022 niet onevenredig zijn en dat zij de gerechtsdeurwaarders voldoende rechtszekerheid bieden, ondanks het feit dat die laatstgenoemden geen recht hebben op een overnamevergoeding voor hun kantoor die soortgelijk is aan die welke de notarissen die de verplichte pensioenleeftijd bereiken, in het algemeen ontvangen. Ten aanzien van de zaak nr. 8018 Wat betreft het belang bij het beroep A.
  24. Christiane Otten, Roger Smet en Marc Mombailliu verantwoorden hun belang om de vernietiging van de artikelen 2, 1°, 9 en 39 van de wet van 26 december 2022 te vorderen door de omstandigheid dat zij, daar zij respectievelijk in 1957, 1955 en 1958 zijn geboren, op korte termijn zullen worden verplicht de uitoefening van hun ambt van gerechtsdeurwaarder op 70-jarige leeftijd stop te zetten, met toepassing van artikel 509, § 1, derde lid, derde zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, terwijl zij na die leeftijd wensten voort te werken. Wat betreft het middel dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep » (hierna : de richtlijn 2000/78/EG) A.
  25. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 2, 1°, 9 en 39 van de wet van 26 december 2022 wegens schending van de voormelde bepalingen. Zij voeren aan dat de verplichting voor 7 gerechtsdeurwaarders om hun beroepsactiviteit op 70-jarige leeftijd stop te zetten, onder de gerechtsdeurwaarders een verschil in behandeling doet ontstaan dat een directe discriminatie op grond van leeftijd uitmaakt. De verzoekende partijen zijn van mening dat het beginsel van gelijkheid gewaarborgd in het nationaal recht moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig de richtlijn 2000/78/EG. Zij preciseren dat de geldigheidsvoorwaarden van een verschil in behandeling op grond van leeftijd, met toepassing van die richtlijn, strenger zijn dan de geldigheidsvoorwaarden van een verschil in behandeling die voortvloeien uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij merken in dat verband op dat de beoordelingsmarge van de wetgevende macht, wanneer zij een verschil in behandeling op grond van leeftijd doet ontstaan, niet zo ruim is als haar beoordelingsmarge voor andere regels op sociaaleconomisch vlak. Zij beklemtonen eveneens dat zowel het Hof van Justitie van de Europese Unie als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof oordelen dat het beginsel van niet-discriminatie op evolutieve wijze moet worden geïnterpreteerd. Zij merken in dat verband op dat het behoud van 65-plussers op de arbeidsmarkt een economische bezorgdheid blijft in Europa en dat de richtlijn 2000/78/EG moet worden gelezen door rekening te houden met het recht van oudere werknemers op deelname aan het beroepsleven. A.13.
  26. Christiane Otten, Roger Smet en Marc Mombailliu identificeren vervolgens, in hun samenvatting van de parlementaire voorbereiding van artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, vier redenen waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling is gegrond. Zij zetten uiteen dat geen enkele van die redenen het in het geding zijnde verschil in behandeling kan verantwoorden ten aanzien van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG. A.13.
  27. De verzoekende partijen zijn in de eerste plaats van mening dat de strijd tegen bepaalde misbruiken van sommige oudere gerechtsdeurwaarders, waarvan sprake is in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de oorsprong ligt van de wet van 26 december 2022, niet als een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78 kan worden aangemerkt, omdat die reden niet op enig precies gegeven berust waarmee de realiteit, de kenmerken en de omvang van de in het geding zijnde praktijken kunnen worden aangetoond. De verzoekende partijen merken overigens op dat die praktijken, die in de memorie van toelichting als onverenigbaar met de aard en het opzet van het ambt van gerechtsdeurwaarder worden beschouwd, het voorwerp moeten uitmaken van tuchtprocedures, maar dat de auteurs van de bestreden wetsbepaling daarover geen enkele informatie verstrekken. De verzoekende partijen merken eveneens op dat geen enkel objectief gegeven toelaat te beweren dat ook jonge gerechtsdeurwaarders de beoogde laakbare gedragingen niet stellen. De verzoekende partijen voeren aan dat, gesteld dat de voormelde reden als een legitiem doel kan worden beschouwd, het bestreden verschil in behandeling geen passende en noodzakelijke maatregel blijkt te zijn voor de verwezenlijking van dat doel. Zij merken op dat de grote gerechtsdeurwaarderskantoren die aan de basis zouden liggen van de misbruiken waaraan de bestreden wetsbepaling wordt geacht een einde te maken, niet meer dan tien procent van de gerechtsdeurwaarderskantoren vertegenwoordigen en dat zij geconcentreerd zijn in enkele steden. De verzoekende partijen beweren ook dat de overheid die praktijken zou kunnen verhinderen door de regels van de plaatsvervanging waarop zij steunen, aan te passen of door tuchtrechtelijke vervolging in te stellen tegen degenen die zich schuldig eraan maken. Zij voeren aan dat de bestreden maatregel in die context onevenredig is in zoverre hij de activiteiten van alle gerechtsdeurwaarders inperkt om een beperkt en opzichzelfstaand probleem op te lossen. A.13.
  28. Volgens de verzoekende partijen strekt de bestreden wetsbepaling ook ertoe de regels die van toepassing zijn op gerechtsdeurwaarders, gelijk te schakelen met die welke van toepassing zijn op notarissen. Zij zijn van mening dat zulks geen legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG kan uitmaken en dat die gelijkschakeling hoe dan ook niet noodzakelijk is, omdat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarders en de notarissen geen vergelijkbare categorieën van personen zijn. Zij preciseren dat de pertinentie van een verwijzing naar het voormelde arrest van het Hof nr. 109/2001 moet worden gerelativeerd, rekening houdend met de sterke evolutie die de maatschappij en de regelgeving sinds 2001 hebben gekend. Zij merken op dat dat arrest meer dan twee jaar vóór de uiterste omzettingsdatum van de richtlijn 2000/78 is uitgesproken en dat de arbeidsmarkt sterk is geëvolueerd sinds dat arrest, zowel wat betreft het tekort aan intellectuele beroepen als wat betreft het ontstaan van een beleid dat ertoe strekt de tewerkstellingsgraad van oudere personen te verhogen. 8 A.13.
  29. De verzoekende partijen zetten vervolgens uiteen dat het in het geding zijnde verschil in behandeling evenmin kan worden verantwoord door de bewering volgens welke « een benoeming voor het leven niet meer van deze tijd is », noch vanuit de bekommernis om een « menselijke » benadering van justitie. De verzoekende partijen zijn van mening dat die redenen al te vaag zijn. Zij voegen eraan toe dat de beslissing om een willekeurige leeftijdsgrens in te voeren die niet op tastbare elementen berust, niet aansluit bij de hedendaagse realiteit. Zij brengen in herinnering dat de weigering van een dergelijke maatregel tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 werd verantwoord door de onverenigbaarheid ervan met het beleid dat langer werken aanmoedigt en dat intussen heeft geleid tot de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd tot 67 jaar. Zij beweren dat er in talrijke West-Europese landen geen leeftijdsgrens bestaat voor intellectuele beroepen. Zij beklemtonen eveneens dat gerechtsdeurwaarders twee keer per jaar moeten deelnemen aan een permanente vorming en dat niets bewijst dat de 90 gerechtsdeurwaarders die ouder zijn dan 70 jaar en nog steeds actief zijn, hun ambt niet correct zouden uitoefenen. A.13.
  30. Tot slot erkennen de verzoekende partijen dat de bedoeling om de toegang van jongere personen tot een bepaald beroep te versnellen en te bevorderen, kan worden beschouwd als een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, zelfs wanneer niet is aangetoond dat die personen moeilijk toegang tot dat beroep kunnen krijgen. Zij zetten echter uiteen dat de bestreden wettelijke maatregel niet relevant is om dat doel te bereiken. Zij brengen in herinnering dat, met toepassing van artikel 518 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het luidde vóór de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 26 december 2022, het ambt van een gerechtsdeurwaarder vacant werd en dus toegankelijk was voor een jonger iemand, zodra die deurwaarder de leeftijd van 70 jaar bereikte, zelfs indien de laatstgenoemde besliste om zijn ambt na die leeftijd te blijven uitoefenen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de gerechtsdeurwaarders die minstens 70 jaar oud zijn geen beroep meer zullen doen op kandidaat-gerechtsdeurwaarders om hen te vervangen met toepassing van de artikelen 526 tot 532 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien zij verplicht zullen zijn om definitief met pensioen te gaan, waardoor die kandidaat-gerechtsdeurwaarders minder mogelijkheden zullen hebben om nuttige ervaring op te doen bij de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder. De verzoekende partijen voeren dus aan dat de bestreden wettelijke maatregel niet zal leiden tot de benoeming van enige extra gerechtsdeurwaarder, noch tot meer kansen voor jongeren om dat beroep uit te oefenen. De verzoekende partijen zetten ook uiteen dat de bestreden wettelijke maatregel onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van het doel dat ermee wordt nagestreefd. Zij hebben twijfels bij het voordelige karakter van die maatregel voor nieuwe gerechtsdeurwaarders. Zij voeren in dat verband aan dat, vóór de aanneming van de wet van 26 december 2022, een gerechtsdeurwaarder die was benoemd in een ambt dat vacant was geworden wegens de leeftijd van diegene die het voordien bekleedde, enkel verplicht was om de activa en de sociale verplichtingen van het kantoor van die laatste over te nemen indien die gerechtsdeurwaarder van minstens 70 jaar oud de uitoefening van zijn ambt vanaf die leeftijd stopzette. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden maatregel tot gevolg zal hebben dat elke nieuwe gerechtsdeurwaarder het kantoor van zijn voorganger voortaan zal moeten overnemen, hetgeen zijn intrede in het beroep niet noodzakelijk zal vergemakkelijken. De verzoekende partijen beklemtonen bovendien de nadelen die de bestreden maatregel inhoudt voor de gerechtsdeurwaarders die worden verplicht om met pensioen te gaan. Zij verwijzen in dat verband naar de onmogelijkheid voor hen om een vergoeding te verkrijgen in ruil voor de overdracht van hun handelszaak, en naar het geringe bedrag van het zelfstandigenpensioen waarop zij recht hebben. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de wetgevende macht zelfs niet heeft overwogen om andere, minder onevenredige maatregelen aan te nemen teneinde het nagestreefde doel te bereiken, zoals een geleidelijke vermindering van het voor oudere gerechtsdeurwaarders toegestane aantal dagen plaatsvervanging. A.
  31. In ondergeschikte orde verzoeken Christiane Otten, Roger Smet en Marc Mombailliu het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie drie prejudiciële vragen te stellen over de interpretatie van de artikelen 2 en 6 van de richtlijn 2000/78/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 15 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partijen preciseren dat die vragen pertinent zijn, aangezien de bestreden wetsbepaling een verschil in behandeling doet ontstaan dat rechtstreeks op leeftijd is gebaseerd wat betreft « werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden » in de zin van artikel 3, lid 1, c), van de richtlijn 2000/78/EG. Zij voeren aan dat er dient te worden nagegaan of dat verschil in behandeling verantwoord is in de zin van artikel 6, lid 1, van die richtlijn, rekening houdend met het recht om te werken dat bij artikel 15, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van 9 de Europese Unie is erkend, en met het feit dat de richtlijn 2000/78/EG het in artikel 21 van hetzelfde Handvest vermelde discriminatieverbod concreet maakt op het vlak van arbeid en beroep. De verzoekende partijen merken op dat het Hof van Justitie zich, bij de arresten Petersen (grote kamer, 12 januari 2010, C-341/08, ECLI:EU:C:2010:4), Fuchs en Köhler (21 juli 2011, C-159/10 en C-160/10, ECLI:EU:C:2011:508), Prigge e.a. (grote kamer, 13 september 2011, C-447/09, ECLI:EU:C:2011:573) en Ministero della Giustizia (3 juni 2021, C-914/19, ECLI:EU:C:2021:430), nog niet heeft uitgesproken over de invoering van een maximumleeftijd voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder, rekening houdend met de specifieke kenmerken van dat ambt en met een context zoals die waarin artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 werd aangenomen. Zij merken in het bijzonder op dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over het passende en noodzakelijke karakter van de invoering van een leeftijdsgrens om sommige misbruiken in een bepaalde sector te bestrijden. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het absoluut niet duidelijk is of de bestreden wetsbepaling, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie, kan worden beschouwd als een passende en noodzakelijke maatregel voor de verwezenlijking van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. A.15.
  32. De Ministerraad is van mening dat het middel niet gegrond is. A.15.
  33. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de oorsprong ligt van artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 en uit de publieke verklaringen van de voorzitter van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders over die wetsbepaling leidt hij af dat de bestreden maatregel een legitiem doel nastreeft in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG. Hij wijst op verschillende elementen die verband houden met elkaar : de bedoeling om de misbruiken te bestrijden die voornamelijk oudere gerechtsdeurwaarders begaan, het concurrentiële nadeel dat zulks vooral aan jongere gerechtsdeurwaarders berokkent, de onmogelijkheid voor een gerechtsdeurwaarder om zijn veeleisend ambt nog volwaardig uit te oefenen op een gevorderde leeftijd, en de gelijkschakeling van het statuut van gerechtsdeurwaarder met dat van notaris. Meer algemeen merkt de Ministerraad ook op dat de bestreden wetsbepaling tot doel heeft het beroep van gerechtsdeurwaarder te verjongen en te vernieuwen. De Ministerraad voert aan dat de verplichting voor de gerechtsdeurwaarder om de uitoefening van zijn ambt vanaf de leeftijd van 70 jaar stop te zetten, in een redelijk verband van evenredigheid staat met het nagestreefde doel, gelet op de in artikel 39, eerste lid, van de wet van 26 december 2022 vermelde overgangsbepalingen en op de regel die bij artikel 2, 1°, van de voormelde wet is ingevoegd in artikel 509, § 1, derde lid, vierde zin, van het Gerechtelijk Wetboek, die de gerechtsdeurwaarder een 30-jarige loopbaan waarborgt. Hij is van mening dat die begeleidende maatregelen de aantasting van de legitieme verwachtingen van de gerechtsdeurwaarders compenseren die dachten dat zij het ogenblik konden kiezen waarop zij zouden kunnen vragen om hun zelfstandigenpensioen te genieten. De Ministerraad merkt ook op dat de bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 vastgelegde maximumleeftijden kennelijk hoger liggen dan in andere wetten, zoals de wet van 10 augustus 2015, die de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen heeft verhoogd. De Ministerraad verwijst eveneens opnieuw naar de motivering van het voormelde arrest nr. 109/2001 waarbij het Hof zich heeft uitgesproken over de grondwettigheid van de bij de wet van 4 mei 1999 voor notarissen ingevoerde leeftijdsgrens. Hij merkt op dat dat arrest na de inwerkingtreding van de richtlijn 2000/78/EG is gewezen. Hij is van mening dat het verantwoord is om personen die, rekening houdend met hun leeftijd, meer zijn blootgesteld aan een gezondheidsprobleem dat de doeltreffendheid van de openbare dienst van het gerecht in het gedrang zou kunnen brengen, te verbieden ambten uit te oefenen waarbij wordt samengewerkt met die dienst. De Ministerraad brengt ook in herinnering dat het Hof bij het voormelde arrest nr. 87/2022 reeds heeft geoordeeld dat het niet discriminerend was om voor de gerechtsdeurwaarder niet in een regeling voor de overname van zijn kantoor te voorzien die identiek is aan die waarin de wet voorziet voor de overdracht van een notariaat. Hij voert aan dat de verplichting voor de gerechtsdeurwaarder om de uitoefening van zijn ambt op 70-jarige leeftijd stop te zetten dat oordeel niet in het geding brengt. A.15.
  34. De Ministerraad merkt bovendien op dat de invoering van een leeftijdsgrens voor gerechtsdeurwaarders een van de maatregelen was die werd voorgesteld in het verslag over de modernisering van het ambt van gerechtsdeurwaarder dat in juni 2018 aan de minister van Justitie werd overhandigd. Hij beklemtoont dat de overwegingen die tot de aanneming van die maatregel hebben geleid, zijn gebaseerd op gegevens die niet kennelijk onjuist of onredelijk zijn. Hij voegt eraan toe dat het niet aan het Hof staat te bepalen 10 of de wetgevende macht, bij het uitdenken van die maatregel, al dan niet had moeten overgaan tot andere raadplegingen, studies of deskundigenonderzoeken. De Ministerraad beweert in dat verband dat een aanpassing van de regels inzake de vervanging van gerechtsdeurwaarders niet zou hebben bijgedragen tot de door de wetgevende macht gewenste algemene verjonging van het beroep. A.15.
  35. De Ministerraad brengt ook in herinnering dat het in Frankrijk en in Nederland sinds enkele jaren voor gerechtsdeurwaarders ook verboden is om hun ambt na de leeftijd van 70 jaar uit te oefenen. Hij merkt op dat de Franse « Conseil d’État » op 18 mei 2018 heeft geoordeeld dat die maatregel in overeenstemming was met de in artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG vermelde vereisten. A.
  36. De Ministerraad voert aan dat het niet nodig is om de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Hij is van mening dat het onderzoek van het beroep niet vereist dat de aangevoerde Europese bepalingen worden geïnterpreteerd en dat het uit die bepalingen voortvloeiende verbod van discriminatie op grond van leeftijd geen andere draagwijdte heeft dan die van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de zaak nr. 8026 Wat betreft het belang bij het beroep A.
  37. Willy Fredrix en anderen verantwoorden hun belang om de vernietiging van de artikelen 2, 9 en 39 van de wet van 26 december 2022 te vorderen door de omstandigheid dat zij allen tot gerechtsdeurwaarder werden benoemd tussen 1980 en 2014 en dat zij tussen 56 en 76 jaar oud waren op het ogenblik dat die wetsbepalingen in werking zijn getreden. Bart Vyt preciseert dat hij, daar hij op 49-jarige leeftijd tot gerechtsdeurwaarder werd benoemd, zijn ambt niet gedurende 30 jaar zal kunnen uitoefenen, rekening houdend met de nieuwe regels die zijn vermeld in artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december
  38. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden wetsbepalingen negatieve sociale gevolgen hebben. Zij beklemtonen dat de gerechtsdeurwaarders, als zelfstandigen, legitiem konden verwachten dat zij hun ambt nog na de leeftijd van 70 of 75 jaar konden uitoefenen, teneinde een redelijk inkomen te verwerven dat hoger ligt dan het geringe pensioen waarop zij recht hebben. De verzoekende partijen merken ook op dat de gedane investeringen en de door hen gesloten leningen niet altijd zullen zijn afgeschreven of terugbetaald wanneer zij de verplichte pensioenleeftijd, zoals vastgelegd bij de bestreden wetsbepalingen, zullen bereiken. Zij beweren tot slot dat de toepassing van die bepalingen de te oud geworden gerechtsdeurwaarders ertoe zal verplichten de werknemers van hun kantoor te ontslaan. Wat betreft het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie A.
  39. Willy Fredrix en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn ambt na een bepaalde leeftijd uit te oefenen, een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de personen die dat vrij beroep uitoefenen en, anderzijds, advocaten, architecten en artsen. De verzoekende partijen zetten uiteen dat noch de bedoeling om een einde te maken aan vermeende misbruiken van sommige gerechtsdeurwaarders, noch de bekommernis om het beroep sneller te verjongen het voormelde verbod redelijk kunnen verantwoorden, omdat die doelstellingen beter hadden kunnen worden bereikt door artikel 526 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen, in zoverre het oudere gerechtsdeurwaarders zou toestaan om op oneigenlijke wijze een beroep te doen op plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders, of door artikel 518, derde lid, van hetzelfde Wetboek niet te wijzigen, dat de benoeming van een nieuwe gerechtsdeurwaarder reeds toestond zodra een reeds benoemde gerechtsdeurwaarder de leeftijd van 70 jaar bereikte. De verzoekende partijen vragen zich ook af of het terzijde schuiven van oudere gerechtsdeurwaarders ten voordele van jonge gerechtsdeurwaarders het algemeen belang dient. 11 De verzoekende partijen merken ook op dat het niet menswaardig is om 70-plussers te beletten nog beroepsinkomsten te verwerven en hen te verplichten om zich tevreden te stellen met een klein zelfstandigenpensioen, terwijl die personen op het ogenblik van hun beroepskeuze en van hun benoeming niet konden inschatten dat de wet hen op een dag zou verplichten op te houden met de uitoefening van hun beroep. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de verantwoording die is afgeleid uit de weerslag die een achteruitgaande gezondheidstoestand kan hebben op de kwaliteit van de prestaties, ook geldt voor de andere vrije beroepen, en dat er in dat verband reeds waarborgen bestonden vóór de aanneming van de bestreden wetsbepaling, zoals de verplichting voor elke gerechtsdeurwaarder om regelmatig met succes door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders georganiseerde opleidingen te volgen, op straffe van tuchtsancties. A.19.
  40. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is, omdat het bekritiseerde verschil in behandeling tussen, enerzijds, gerechtsdeurwaarders en, anderzijds, advocaten, architecten en artsen redelijk verantwoord is. Hij brengt in herinnering dat de wetgevende macht over een ruime beoordelingsmarge beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden en inzonderheid met betrekking tot de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt en de verschillen in behandeling op grond van leeftijd, niet alleen om haar doelstellingen te bepalen, maar ook om de maatregelen te kiezen die zijn bestemd om die te bereiken. Hij zet vervolgens uiteen dat het bij de bestreden wetsbepaling uitgevaardigde verbod een legitiem doel nastreeft dat verschillende aspecten inhoudt : de strijd tegen het oneigenlijke beroep van sommige (voornamelijk oudere) gerechtsdeurwaarders op plaatsvervangers tegen vergoeding, het herstel van een concurrentieel evenwicht waaraan de voormelde misbruiken afbreuk doen, de bedoeling om te vermijden dat te oude gerechtsdeurwaarders hun veeleisend ambt niet meer naar behoren kunnen uitoefenen, alsook een gelijkschakeling met het statuut van de notarissen. De Ministerraad beklemtoont dat de bestreden bepaling elke gerechtsdeurwaarder een 30-jarige loopbaan waarborgt. Hij is van mening dat die waarborg en de in artikel 39 van de wet van 26 december 2022 vermelde overgangsregels de in het geding zijnde maatregel evenredig maken met het nagestreefde doel. A.19.
  41. De Ministerraad voegt eraan toe dat het verbod voor gerechtsdeurwaarders om hun beroep na een bepaalde leeftijd uit te oefenen ook is verantwoord om redenen die identiek zijn aan die welke het Hof heeft uiteengezet toen het zich heeft uitgesproken over de bij de wet van 4 mei 1999 voor notarissen ingevoerde leeftijdsgrens (GwH, nr. 109/2001, voormeld). Hij brengt in herinnering dat dat verbod een van de voorstellen is die werden geformuleerd in het voormelde verslag dat in 2018 aan de minister van Justitie werd overhandigd. De Ministerraad merkt ook op dat de gerechtsdeurwaarder zich onderscheidt van andere personen die een vrij beroep uitoefenen, doordat hij ook de hoedanigheid van ministerieel officier heeft en het de overheid is die het aantal gerechtsdeurwaarders vastlegt, hen benoemt en het tarief bepaalt van de taken die de wet hun voorbehoudt. Hij brengt tot slot in herinnering dat in Frankrijk en in Nederland maatregelen werden aangenomen die soortgelijk zijn aan de bestreden wetsbepaling. Wat betreft het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, en in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, en van de vrijheid van ondernemen A.
  42. Willy Fredrix en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep uit te oefenen na de leeftijd van 70 jaar, een inmenging vormt in het eigendomsrecht van de gerechtsdeurwaarder, in zoverre die wetsbepaling « het vermogen » van zijn kantoor « niet waarborgt ». De verzoekende partijen erkennen dat de wetgevende macht de uitoefening van het - gedeeltelijk openbare - ambt van gerechtsdeurwaarder kan beperken in de tijd, teneinde rekening te houden met de nadelen die kunnen voortvloeien uit de achteruitgaande gezondheid en doeltreffendheid van de titularissen ervan. Zij zijn 12 evenwel van mening dat door de inmenging in het in het geding zijnde grondrecht geen billijk evenwicht in acht wordt genomen tussen de vereisten van het algemeen belang en het recht van de gerechtsdeurwaarder op het ongestoord genot van zijn eigendom. A.
  43. De Ministerraad antwoordt in hoofdorde dat het middel onontvankelijk is, omdat daarin niet wordt uitgelegd in welk opzicht de bestreden wetsbepaling afbreuk zou doen aan het eigendomsrecht. Hij voert in ondergeschikte orde aan dat het middel niet gegrond is, aangezien het Hof bij het voormelde arrest nr. 87/2022 reeds heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de notaris en de gerechtsdeurwaarder met betrekking tot de bepaling van de overnamewaarde van het kantoor bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij voegt eraan toe dat de wet van 26 december 2022 overgangsmaatregelen bevat die ertoe strekken rekening te houden met de legitieme verwachtingen van de gerechtsdeurwaarders die reeds waren benoemd bij de inwerkingtreding ervan. A.
  44. Willy Fredrix en anderen voeren ook aan dat artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep uit te oefenen na een bepaalde leeftijd, een inmenging vormt in zijn privéleven, in zoverre die wetsbepaling het voor de gerechtsdeurwaarder die die leeftijd bereikt, onmogelijk maakt om nog beroepsinkomsten te halen uit zijn benoeming of uit het kantoor dat hij heeft opgericht. A.
  45. De Ministerraad antwoordt dat het middel in die mate niet gegrond is, omdat de verzoekende partijen niet concreet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden wetsbepaling een inmenging in het privé- of gezinsleven zou vormen. Wat de financiële gevolgen van de bestreden maatregel betreft, verwijst hij naar hetgeen hij uiteenzet betreffende het eerste middel. Wat betreft het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, en van de vrijheid van ondernemen A.
  46. Willy Fredrix en anderen voeren in ondergeschikte orde aan dat de bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 ingevoerde leeftijdsgrens van 70 jaar onbestaanbaar is met de voormelde nationale en internationale bepalingen, in zoverre de overgangsperiode waarin artikel 39 van dezelfde wet voorziet ten gunste van de gerechtsdeurwaarder die de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, niet langer duurt dan drie jaar. De verzoekende partijen zijn van mening dat die gerechtsdeurwaarder zijn ambt nog gedurende tien jaar zou moeten mogen uitoefenen. A.
  47. De Ministerraad antwoordt dat de keuze van de duur van de overgangsperiode die door de wetgevende macht is ingevoerd, tot de beoordelingsbevoegdheid van die laatste behoort, die bijzonder ruim is op sociaaleconomisch vlak. Hij voegt eraan toe dat de in artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 vervatte regel, waarvan de toepassing wordt geregeld bij de overgangsbepaling van artikel 39, eerste lid, van die wet, in overeenstemming is met de Grondwet en met het internationaal recht. Tot slot merkt hij op dat de wet van 4 mei 1999, waarbij een leeftijdsgrens werd ingevoerd voor de uitoefening van het ambt van notaris, eveneens in een overgangsperiode van drie jaar voorzag. Wat betreft het vierde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag A.
  48. Willy Fredrix en anderen voeren, nog steeds in ondergeschikte orde, aan dat de bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 ingevoerde leeftijdsgrens van 70 jaar onbestaanbaar is met de voormelde nationale en internationale bepalingen, in zoverre artikel 39 van dezelfde wet niet van toepassing is op de gerechtsdeurwaarder die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden wetsbepaling tussen 60 en 67 jaar oud was. 13 De verzoekende partijen zijn van mening dat die gerechtsdeurwaarder zijn ambt nog gedurende tien jaar zou moeten mogen uitoefenen. Zij beweren dat er een discriminatie bestaat onder de gerechtsdeurwaarders die op het ogenblik dat artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 in werking is getreden minder dan 67 jaar oud waren, in zoverre maar sommigen onder hen de driejarige overgangsmaatregel genieten, en een discriminatie tussen, enerzijds, de gerechtsdeurwaarders die op het voormelde ogenblik minstens 60 jaar oud waren en, anderzijds, alle personen die een van de andere in het eerste middel aangehaalde beroepen uitoefenen. A.
  49. De Ministerraad brengt in herinnering dat de wetgevende macht over een ruime beoordelingsmarge ter zake beschikt en dat de wet van 4 mei 1999 waarbij de verplichte opruststelling van de notarissen werd ingevoerd, in een soortgelijke overgangsperiode voorzag. Hij is ook van mening dat het logisch is dat de verplichte opruststelling die voor de gerechtsdeurwaarders is ingevoerd, betrekking heeft op diegenen van hen op wie de nieuwe maatregel onmiddellijk of op zeer korte termijn van toepassing moet zijn. Hij voegt eraan toe dat de verzoekende partijen de twee door hen aangeklaagde discriminaties niet uitleggen. Wat betreft het vijfde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, van het « algemeen beginsel van de onaantastbaarheid van individueel verworven situaties », al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag A.28.
  50. Willy Fredrix en anderen voeren aan dat artikel 39 van de wet van 26 december 2022 een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de gerechtsdeurwaarder die de leeftijd van 70 jaar zal hebben bereikt tussen 1 januari 2023 en 31 december 2025 en, anderzijds, diegene die dezelfde leeftijd zal bereiken tussen 1 januari 2026 en 1 januari 2033, in zoverre die laatste zijn ambt na die leeftijd enkel zal kunnen blijven uitoefenen indien hij minder dan 30 jaar vóór het bereiken van die leeftijd werd benoemd. De verzoekende partijen zijn van mening dat de in artikel 39 van de wet van 26 december 2022 bedoelde driejarige overgangsperiode wordt voorbehouden aan een te klein aantal gerechtsdeurwaarders en dat die periode te kort is. Zij menen dat die periode tien jaar zou moeten bedragen. A.28.
  51. De verzoekende partijen beweren dat een gerechtsdeurwaarder die op 1 januari 2023 reeds 67 jaar oud was en een loopbaan van 32 jaar had, op 70 jaar dient op te houden zijn ambt uit te oefenen, terwijl de gerechtsdeurwaarder die op diezelfde datum 69 jaar oud was en een loopbaan van 40 jaar had, zijn ambt kan blijven uitoefenen tot de leeftijd van 73 jaar met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 december
  52. Zij merken ook op dat die wetsbepaling een gerechtsdeurwaarder die ouder is dan 70 jaar, toestaat zijn loopbaan gedurende drie jaar voort te zetten, zelfs indien die loopbaan reeds veel meer dan 30 jaar bedraagt. De verzoekende partijen beklemtonen tot slot dat de gemiddelde leeftijd waarop iemand tot gerechtsdeurwaarder wordt benoemd, ongeveer 44 jaar bedraagt en dat het verbod om na de leeftijd van 70 jaar te praktiseren aanzienlijke financiële gevolgen zal hebben voor de gerechtsdeurwaarders die hun ambt niet uitoefenden in het kader van een associatie. De met de overheid gesloten overeenkomsten zullen van de ene dag op de andere worden beëindigd. Het kantoor zal gedurende de maanden vóór het verplichte ontslag geen opdrachten meer kunnen aanvaarden waarvan de uitvoering niet zou kunnen worden afgewerkt vóór dat ontslag. De kleinere kantoren zullen dus een deel van hun personeel moeten ontslaan. A.29.
  53. De Ministerraad antwoordt in de eerste plaats dat het middel onontvankelijk is in zoverre daarin niet wordt gepreciseerd in welk opzicht artikel 39 van de wet van 26 december 2022 de artikelen 16 en 23 van de Grondwet, artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag zou schenden. A.29.
  54. De Ministerraad voert bovendien aan dat de grondwettigheid van de bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 ingevoerde leeftijdsgrens en van de begeleidende overgangsmaatregelen volstaat om aan te tonen dat het middel, dat betrekking heeft op de gevolgen van die laatste maatregelen, niet gegrond is. 14 Hij brengt tot slot in herinnering dat die overgangsmaatregelen ten goede komen aan de gerechtsdeurwaarders aan wier legitieme verwachtingen niet werd voldaan en dat artikel 509 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, elke gerechtsdeurwaarder een minimale loopbaanduur van 30 jaar waarborgt, hetgeen volstaat om de gedane investeringen terug te verdienen en de leningen terug te betalen. Wat betreft het zesde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, van het « algemeen beginsel van de onaantastbaarheid van individueel verworven situaties », al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag A.
  55. Willy Fredrix en anderen voeren aan dat, rekening houdend met hun belang om de vernietiging van de artikelen 2 en 39 van de wet van 26 december 2022 te vorderen, zij ook een belang hebben om de vernietiging van artikel 9 van die wet te vorderen, dat tot doel heeft artikel 518, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek op te heffen. Zij brengen in herinnering, enerzijds, dat met de invoering van een leeftijdsgrens voor gerechtsdeurwaarders (bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022) onder meer het doel werd nagestreefd het beroep te verjongen en, anderzijds, dat artikel 518, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek die verjonging reeds mogelijk maakte door de plaatsen van gerechtsdeurwaarders die worden ingenomen door 70-plussers, vacant te verklaren ten voordele van kandidaat-gerechtsdeurwaarders. De verzoekende partijen zijn dus van mening dat door de instandhouding van die laatste wetsbepaling de invoering van een leeftijdsgrens irrelevant wordt vanuit het perspectief van een verjonging van het beroep. De verzoekende partijen verwijzen voor het overige naar de uiteenzettingen van hun vorige middelen. A.
  56. De Ministerraad zet in hoofdorde uiteen dat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting. Het is volgens hem op zijn minst onontvankelijk in zoverre daarin niet wordt gepreciseerd in welk opzicht artikel 9 van de wet van 26 december 2022 de artikelen 16 en 23 van de Grondwet, artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag zou schenden. A.
  57. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat het middel niet gegrond is. Hij preciseert dat de in artikel 518, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde regel niet langer noodzakelijk is, aangezien de gerechtsdeurwaarders voortaan, in beginsel, de uitoefening van hun ambt op 70- jarige leeftijd moeten stopzetten, met toepassing van artikel 509, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december
  58. Hij voegt eraan toe dat de gerechtsdeurwaarders die aanspraak zullen kunnen maken op de overgangsmaatregelen van die wet om hun ambt na die leeftijd te blijven uitoefenen, slechts een kleine fractie van het totaalaantal zullen vertegenwoordigen. Hij merkt in dat verband op dat artikel 518, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de gerechtsdeurwaarders die ouder zijn dan 70 jaar, niet verhinderde hun ambt te blijven uitoefenen. Tot slot beweert hij dat de kritiek van de verzoekende partijen betrekking heeft op de opportuniteit van de bestreden maatregel. Ten aanzien van de zaak nr. 8043 Wat betreft het belang bij het beroep A.
  59. Éric Choquet en anderen verantwoorden hun belang om de vernietiging te vorderen van de bepalingen van de wet van 26 december 2022 die de gerechtsdeurwaarders verplichten om de uitoefening van hun ambt tussen 70 en 75 jaar stop te zetten, door de omstandigheid dat die bepalingen hun een economisch en financieel nadeel berokkenen. De eerste zeventien verzoekende partijen preciseren dat zij, in hun hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, ondernemingen zijn die aan de regels van het faillissement zijn onderworpen, alsook zelfstandigen, die slechts een gering pensioen genieten. De achttiende verzoekende partij is een gerechtsdeurwaardersvennootschap waarin de 15 andere verzoekende partijen hun ambt uitoefenen en waarvan de financiële situatie uitsluitend afhangt van de beroepsactiviteit van die gerechtsdeurwaarders. Wat betreft het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in samenhang gelezen met de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht A.34.
  60. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep nog uit te oefenen na een bepaalde leeftijd, op onverantwoorde wijze afbreuk doet aan de vrijheid van ondernemen, aan de vrijheid van handel en aan het recht op vrije beroepsuitoefening. A.34.
  61. De verzoekende partijen leiden uit meerdere arresten van het Hof af dat het bestaan van de vrijheid van ondernemen wordt erkend bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en dat de vrijheid van handel wordt gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. Zij voeren eveneens aan dat het recht op vrije beroepsuitoefening verband houdt met de twee voormelde vrijheden en dat het is opgenomen in het recht op eerbiediging van het privéleven. A.34.
  62. De invoering van een leeftijdsgrens voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder vormt volgens de verzoekende partijen een beperking van de voormelde vrijheden, omdat het een maatregel betreft die, zoals werd vermeld tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014, strijdig is met de essentie van een vrij beroep. A.34.
  63. De verzoekende partijen merken op dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wetsbepaling vier verantwoordingen werden aangevoerd met betrekking tot die beperking van de vrijheden. Zij zijn van mening dat het onderzoek van elk van die verantwoordingen aantoont dat de betwiste maatregel discriminerend, onverantwoord en onevenredig is. De verzoekende partijen begrijpen niet in welk opzicht de invoering van een leeftijdsgrens voor de uitoefening van het ambt het mogelijk zou maken om de goede naam van alle gerechtsdeurwaarders te herstellen, die, volgens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de oorsprong ligt van de bestreden bepaling, zou zijn aangetast bij de publieke opinie. Zij merken bovendien op dat de bestreden maatregel onevenredige gevolgen heeft indien het nagestreefde doel erin bestaat in de toekomst te verhinderen dat de gerechtsdeurwaarders zich aan het einde van hun loopbaan enkel in ruil voor hun handtekening laten vergoeden door grote kantoren. Zij merken onder meer op dat geenszins wordt aangetoond dat dat soort praktijken, waarvan de omvang niet werd bepaald, wijdverbreid zijn onder de gerechtsdeurwaarders die ouder zijn dan 70 jaar, noch dat jongere gerechtsdeurwaarders zich niet schuldig eraan zouden kunnen maken. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat niet wordt aangetoond dat de betrokken praktijken het algemeen belang of het belang van de rechtzoekenden schaden en dat er hoe dan ook andere middelen bestaan, die minder afbreuk doen aan de voormelde vrijheden, om een einde te maken aan die praktijken. De verzoekende partijen betwisten ook het feit dat de bestreden maatregel een einde kan maken aan de vermeende mededingingsverstorende praktijken die nadelig zijn voor jonge gerechtsdeurwaarders. Zij brengen in herinnering dat krachtens de vroegere regels, zodra een gerechtsdeurwaarder de leeftijd van 70 jaar bereikte, zijn ambt vacant werd, ook al kon hij zijn ambt blijven uitoefenen. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden wetsbepaling de gerechtsdeurwaarder in sommige gevallen toestaat na de leeftijd van 70 jaar te werken, zonder dat zijn ambt daarom vacant wordt, zodat de kandidaten voor de opvolging, als gevolg van de wijzigingen die de wet van 26 december 2022 heeft aangebracht in het statuut van de gerechtsdeurwaarders, langer geduld zullen moeten oefenen dan voorheen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het Wetboek van economisch recht reeds nuttige bepalingen bevatte om eventuele oneerlijke praktijken of een misbruik van machtspositie tegen te gaan die zijn toe te schrijven aan sommige grote gerechtsdeurwaarderskantoren en die als nadelig worden beschouwd voor de kantoren van jonge gerechtsdeurwaarders. In die context zien de verzoekende partijen de pertinentie of het nut van de invoering van een leeftijdsgrens niet in. De verzoekende partijen merken tot slot op dat, in tegenstelling tot hetgeen tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wetsbepaling werd beweerd, de mogelijkheid voor een gerechtsdeurwaarder om zijn ambt na de leeftijd van 70 jaar uit te oefenen zinvol blijft, gelet op de verbeterde levenskwaliteit van ouderen, 16 gelet op de huidige hervormingen van de arbeidsmarkt die ertoe strekken de pensionering van werknemers uit te stellen, en gelet op de evolutie van de economische situatie van de gerechtsdeurwaarderskantoren. A.35.
  64. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is. Hij voert aan dat de leeftijdsgrens voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder, die bij de bestreden wetsbepaling is ingevoerd, niet op onverantwoorde of onevenredige wijze afbreuk doet aan de vrijheden en aan het recht die door de verzoekende partijen zijn aangevoerd. Hij brengt in dat verband in herinnering dat de wetgevende macht over een ruime beoordelingsmarge beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden, inzonderheid inzake werkgelegenheid. A.35.
  65. De Ministerraad preciseert dat de bestreden maatregel twee doelstellingen nastreeft die nauw met elkaar verbonden zijn en die legitiem zijn, gelet op de aard van de taken die de overheid aan de gerechtsdeurwaarders toevertrouwt. Het gaat erom, enerzijds, te voorkomen dat sommige inactief geworden gerechtsdeurwaarders hun ambt verkopen of verhuren aan grote kantoren en, anderzijds, het beroep te moderniseren en de verjonging ervan te bevorderen. Hij is van mening dat de voormelde verkoop en verhuur de vooruitgang van jonge gerechtsdeurwaarders op de markt belemmeren. Hij beweert ook dat het redelijk is aan te voeren dat een gerechtelijk beroep niet tot in het oneindige kan worden uitgeoefend. De Ministerraad voegt eraan toe dat het verantwoord is om de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder na de leeftijd van 70 jaar in beginsel te verbieden, aangezien de notaris, die ook een vrij beroep uitoefent, zijn loopbaan eveneens op die leeftijd moet beëindigen. Hij beklemtoont bovendien dat de maatregel niet onevenredig is, aangezien de gerechtsdeurwaarder zijn ambt kan blijven uitoefenen tot de leeftijd van 75 jaar indien de duur van zijn loopbaan minder dan 30 jaar bedraagt wanneer hij de leeftijd van 70 jaar bereikt. Hij preciseert dat, wanneer alle gerechtsdeurwaarders die ouder zijn dan 70 jaar en die de uitoefening van hun ambt zullen hebben kunnen voortzetten dankzij die overgangsmaatregel, het beroep zullen hebben verlaten, de ambten van de gerechtsdeurwaarders die 70 jaar worden, automatisch opnieuw vacant zullen worden, zoals dat het geval was vóór de inwerkingtreding van de bestreden wetsbepaling. De Ministerraad verwijst ook naar de in artikel 39 van de wet van 26 december 2022 vervatte overgangsmaatregel ten gunste van de gerechtsdeurwaarders die de maximumleeftijd reeds hadden bereikt of die benaderden op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet. Hij merkt ook op dat de bij die wet in aanmerking genomen leeftijden veel hoger liggen dan de nog steeds van kracht zijnde wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. A.35.
  66. De Ministerraad merkt ook op dat de bestreden maatregel niet op een kennelijke beoordelingsfout berust, aangezien de invoering van een leeftijdsgrens voor gerechtsdeurwaarders een van de voorstellen was die zijn geformuleerd in het verslag betreffende de modernisering van het ambt dat in juni 2018 aan de minister van Justitie werd overhandigd. Wat betreft het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.
  67. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn ambt nog uit te oefenen na de leeftijd van 70 jaar, die beroepsbeoefenaar op discriminerende wijze op dezelfde manier behandelt als de notaris. A.
  68. Zij zijn van mening dat gerechtsdeurwaarders zich, ten aanzien van de bestreden maatregel, bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van notarissen. Zij verwijzen in dat verband naar het arrest nr. 36/2012 van 8 maart 2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.036), waarbij het Hof heeft geoordeeld dat het ambt van de enen en dat van de anderen wezenlijk verschillend zijn. Zij leiden uit dat arrest af dat de regels die op die twee beroepen van toepassing zijn, niet noodzakelijk identiek of soortgelijk moeten zijn. A.38.
  69. De verzoekende partijen zetten vervolgens uiteen dat de invoering, in 1999, van een verplichting voor notarissen om de uitoefening van hun ambt op 70 jaar stop te zetten, tot doel had nieuwe plaatsen sneller te doen openvallen en de benoeming van jongere notarissen mogelijk te maken. Zij merken op dat het Hof heeft geoordeeld dat die doelstelling legitiem was (GwH, nr. 109/2001, voormeld). Zij merken op dat de wet van 26 december 2022 dat doel niet nastreeft, aangezien de voorheen toepasselijke regels de benoeming van een jonge gerechtsdeurwaarder reeds mogelijk maakten telkens als een gevestigde gerechtsdeurwaarder de leeftijd van 70 jaar bereikte. 17 De verzoekende partijen voeren aan dat de bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 ingevoerde leeftijdsgrens niet op een geldige verantwoording berust. Zij zijn van mening dat de tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet vermelde doelstellingen onduidelijk zijn en dat de geuite bedoeling om een einde te maken aan vermeende misbruiken van gerechtsdeurwaarders die hun ambt niet werkelijk meer zouden uitoefenen, noch de noodzaak, noch de evenredigheid van de bestreden maatregel ten aanzien van het algemeen belang kan aantonen. A.38.
  70. De verzoekende partijen beklemtonen bovendien dat de maatschappij van 2023 niet meer dezelfde is als die van
  71. Zij beweren dat de demografische, sociale en economische redenen die de wetgevende macht tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 ertoe hebben gebracht te oordelen dat het niet wenselijk was de gerechtsdeurwaarders die 70 jaar oud zijn, ertoe te verplichten de uitoefening van hun ambt stop te zetten, nog relevanter zijn in
  72. Zij verwijzen onder meer naar de vastgestelde stijging van de levensverwachting, naar het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd, naar de verhoging van de belastingen en naar het feit dat de gerechtsdeurwaarders sinds 2019 aan de regels van het faillissement zijn onderworpen. A.38.
  73. De verzoekende partijen merken ook op dat de situatie van gerechtsdeurwaarders zich fundamenteel onderscheidt van die van notarissen, in zoverre de eerstgenoemden niet over een monopolie op al hun activiteiten beschikken. Zij brengen in herinnering dat gerechtsdeurwaarders, bij de uitoefening van de in artikel 519, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde taken, in concurrentie treden met andere rechtsbeoefenaars, zoals advocaten of incasso-ondernemingen, die hun activiteiten wel zonder beperking in de tijd mogen voortzetten. A.38.
  74. De verzoekende partijen merken ook op dat de wet aan de notaris die de uitoefening van zijn ambt moet stopzetten op 70-jarige leeftijd, de waarborg biedt dat hij zijn kantoor zal kunnen doorverkopen aan zijn opvolger tegen een prijs die overeenstemt met de economische waarde ervan. Zij brengen in herinnering dat, toen het Hof bij het voormelde arrest nr. 87/2022 heeft geoordeeld dat het ontbreken van een identieke waarborg voor de gerechtsdeurwaarder niet discriminerend was, de laatstgenoemde nog niet ertoe was gehouden de uitoefening van zijn ambt stop te zetten op 70-jarige leeftijd. Zij brengen ook in herinnering dat het ontbreken van een dergelijke waarborg een van de redenen was die de wetgevende macht tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 ertoe heeft gebracht te oordelen dat het niet redelijk was om de gerechtsdeurwaarder te verplichten om op 70-jarige leeftijd met pensioen te gaan. A.
  75. De Ministerraad is van mening dat het middel niet gegrond is, om redenen die soortgelijk zijn aan die welke hij doet gelden in verband met het eerste middel in de zaak nr. 8006 (A.6). Wat betreft het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1, 2 en 6 van de richtlijn 2000/78/EG A.40.
  76. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, derde lid, derde zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep nog uit te oefenen na de leeftijd van 70 jaar, onder gerechtsdeurwaarders een verschil in behandeling op grond van leeftijd doet ontstaan dat onbestaanbaar is met de artikelen 1, 2 en 6 van de richtlijn 2000/78/EG. A.40.
  77. De verzoekende partijen leiden uit meerdere arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie af dat de invoering van een leeftijdsgrens voor de uitoefening van een beroepsactiviteit enkel verenigbaar is met die richtlijn indien die maatregel evenredig is met het legitieme doel dat ermee wordt nagestreefd. Zij stellen vast dat de openstelling van een beroep voor jongere personen een legitiem doel is. Zij merken echter opnieuw op dat de bij de bestreden wetsbepaling ingevoerde leeftijdsgrens niet wordt verantwoord door dat doel, daar zij zelfs een negatieve invloed heeft op de verjonging van het beroep van gerechtsdeurwaarder. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de parlementaire voorbereiding van die bepaling het niet mogelijk maakt te begrijpen in welk opzicht de bestreden maatregel noodzakelijk is voor de bescherming van het algemeen belang. De verzoekende partijen beklemtonen vervolgens dat een verschil in behandeling op grond van leeftijd des te meer moet worden verantwoord daar het de - essentiële - deelname van de oudste personen aan het professionele, economische, sociale en culturele leven kan verhinderen. Zij brengen in dat verband in herinnering dat de weigering om gerechtsdeurwaarders die ouder zijn dan 70 jaar, te verbieden hun ambt nog uit te oefenen, tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 werd verantwoord door het algemene beleid betreffende de verhoging van de pensioenleeftijd, door de algemene verbetering van de gezondheid van oudere 18 personen en door het nut van de uitwisseling van kennis en ervaring tussen verschillende generaties van gerechtsdeurwaarders. De verzoekende partijen voeren bovendien aan dat niets toelaat te beweren dat enkel gerechtsdeurwaarders die ouder zijn dan 70 jaar, de misbruiken zouden kunnen begaan die tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden wetsbepaling werden vermeld en dat de kwaliteit van de dienstverlening door die laatsten niet minder is dan die van hun jongere confraters. Zij zijn van mening dat andere maatregelen zouden moeten worden genomen om die praktijken te bestrijden. A.
  78. In ondergeschikte orde suggereren de verzoekende partijen het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de in artikel 509, § 1, derde lid, derde zin, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde regel met artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG. A.
  79. Ten « overvloede » zijn de verzoekende partijen van mening dat de woorden « en uiterlijk tot de leeftijd van vijfenzeventig jaar » in de vierde zin van artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek zouden moeten worden vernietigd, omdat die beperking de gerechtsdeurwaarder die op 46-jarige leeftijd is benoemd, op dezelfde manier behandelt als de gerechtsdeurwaarder die op 45-jarige leeftijd is benoemd en zij derhalve niet bestaanbaar is met de bedoeling om de gerechtsdeurwaarder de waarborg te bieden dat hij zijn ambt gedurende minstens 30 jaar zal kunnen uitoefenen, ondanks de leeftijdsgrens van 70 jaar die is vermeld in de derde zin van artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. A.
  80. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is. Hij leidt uit artikel 6 van de richtlijn 2000/78/EG af dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd niet discriminerend zijn indien zij objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door legitieme doelstellingen betreffende het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding. Hij beklemtoont eveneens dat het Hof van Justitie van de Europese Unie een ruime beoordelingsmarge toekent aan de lidstaten, niet alleen om een doelstelling van sociaal beleid of inzake werkgelegenheid te kiezen, maar ook om de maatregelen te bepalen die nuttig zijn voor de verwezenlijking ervan. De Ministerraad is van mening dat de in artikel 509, § 1, derde lid, derde zin, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde leeftijdsgrens tot doel heeft de toegang tot het beroep van gerechtsdeurwaarder open te stellen voor jongere personen, hetgeen een legitiem doel van het beleid op het vlak van werkgelegenheid en arbeidsmarkt uitmaakt, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie. De Ministerraad besluit dat de bestreden wetsbepaling in dat kader bestaanbaar is met de richtlijn 2000/78/EG, om redenen als die soortgelijk zijn aan die welke hij doet gelden in verband met het eerste middel in de zaak nr. 8006 (A.6). A.
  81. De Ministerraad is van mening dat de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag, die hoe dan ook zou moeten worden geherformuleerd zodat de verkeerde vooronderstellingen eruit worden gehaald, niet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden gesteld. De Ministerraad is van mening dat het niet nodig is die vraag te stellen, aangezien de toetsing, door het Hof, van de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zoals het voortvloeit uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ruimer is dan de toetsing die het Hof van Justitie zou kunnen uitvoeren door middel van de richtlijn 2000/78/EG. Hij voert aan dat overigens reeds werd aangetoond dat de bestreden wetsbepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht neemt. Wat betreft het vierde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.
  82. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep uit te oefenen na een bepaalde leeftijd, een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan tussen de personen die dat vrij beroep uitoefenen en de andere zelfstandigen die een ander soortgelijk beroep uitoefenen, zoals advocaten, architecten, accountants en artsen. De verzoekende partijen herhalen dat de bestreden maatregel geenszins verantwoord is, aangezien hij de verjonging van het beroep niet bevordert en aangezien de gerechtsdeurwaarder niet de wettelijke waarborg heeft dat zijn opvolger zijn kantoor van hem zal overnemen tegen de economische waarde ervan. Zij zijn van mening dat er niet meer redenen van algemeen belang zijn om de uitoefening van de activiteit van gerechtsdeurwaarder na 19 een bepaalde leeftijd te verbieden dan er zouden zijn om een soortgelijk verbod betreffende de andere voormelde beroepsactiviteiten te rechtvaardigen. De verzoekende partijen beklemtonen dat de discriminatie van gerechtsdeurwaarders ten opzichte van advocaten des te duidelijker is daar die laatstgenoemden ook spelers zijn op de markt van de in artikel 519, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde « residuaire bevoegdheden » van de gerechtsdeurwaarders, en dat hun loopbaan op die markt veel vroeger aanvangt. Zij zijn van mening dat de bestreden wetsbepaling op zijn minst zou moeten worden vernietigd in zoverre zij van toepassing is op de activiteiten van de gerechtsdeurwaarder met betrekking tot die bevoegdheden. A.
  83. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is, omdat de situatie van gerechtsdeurwaarders niet vergelijkbaar is met die van advocaten, architecten, accountants en artsen. Hij merkt in dat verband op dat de gerechtsdeurwaarders de enigen zijn die ook de hoedanigheid van openbaar ambtenaar en van ministerieel officier hebben. De Ministerraad voegt eraan toe dat advocaten in een concurrentiëlere omgeving werken dan gerechtsdeurwaarders, die over een monopolie beschikken voor het merendeel van hun activiteiten. Uit artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 « betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie » leidt hij af dat de pensioenleeftijd van advocaten lager ligt dan de leeftijd waarna gerechtsdeurwaarders hun beroepsactiviteit niet mogen voortzetten krachtens de bestreden wetsbepaling. Wat betreft het vijfde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.
  84. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep nog uit te oefenen na een bepaalde leeftijd, die beroepsbeoefenaar op discriminerende wijze op dezelfde manier behandelt als de in artikel 383, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek beoogde magistraten. De verzoekende partijen zetten uiteen dat er wezenlijke verschillen tussen die twee categorieën van personen bestaan. Zij merken op dat de magistraten van de rechterlijke orde ambtenaren zijn die recht hebben op een veel hoger pensioen dan dat waarop gerechtsdeurwaarders recht hebben. Zij voegen eraan toe dat de loopbaan van die laatsten veel korter is dan die van magistraten en, tot slot, dat gerechtsdeurwaarders, in tegenstelling tot magistraten, hun activiteit niet mogen blijven uitoefenen na de pensioenleeftijd, als plaatsvervangers. A.
  85. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is. Hij is van mening dat de situatie van gerechtsdeurwaarders niet vergelijkbaar is met die van die magistraten, omdat die laatstgenoemden geen openbare ambtenaren zijn, omdat zij geen vrij beroep uitoefenen en omdat zij niet het sociaal statuut van zelfstandige hebben. Wat betreft het zesde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.
  86. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn activiteit uit te oefenen na een bepaalde leeftijd, een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan tussen de gerechtsdeurwaarder en de advocaat bij het Hof van Cassatie. De verzoekende partijen merken op dat advocaten bij het Hof van Cassatie de uitoefening van hun ambt niet moeten stopzetten op een bepaalde leeftijd. Zij zijn van mening dat het niet verantwoord is om gerechtsdeurwaarders op dat punt anders te behandelen dan die advocaten, aangezien beiden ministeriële officieren zijn wier aantal is beperkt en die door de Koning worden benoemd. A.
  87. De Ministerraad antwoordt dat het middel niet gegrond is. 20 Hij is van mening dat de situatie van gerechtsdeurwaarders niet vergelijkbaar is met die van advocaten bij het Hof van Cassatie. Hij voegt eraan toe dat het redelijk is om de twintig personen die zijn opgeleid in de bijzondere techniek van het cassatieberoep, niet te verbieden hun activiteit na een bepaalde leeftijd voort te zetten. Hij merkt op dat er ongeveer 30 keer minder dergelijke advocaten dan gerechtsdeurwaarders zijn. Wat betreft het zevende middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU) A.51.
  88. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 509, § 1, derde lid, derde zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door de gerechtsdeurwaarder te verbieden zijn beroep uit te oefenen na de leeftijd van 70 jaar, onbestaanbaar is met de vrije mededinging. Volgens de verzoekende partijen heeft die wetsbepaling tot gevolg dat het aantal concurrerende gerechtsdeurwaarders wordt beperkt, dat advocaten en incasso-ondernemingen worden bevoordeeld ten opzichte van gerechtsdeurwaarders op de markt van de diensten die onder de in artikel 519, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde « residuaire bevoegdheden » van die laatsten vallen, en dat afspraken tussen de voornoemde drie soorten marktspelers die een gerechtsdeurwaarder die de leeftijd van 70 jaar nadert, van die markt beogen te weren, in de hand worden gewerkt. A.51.
  89. De verzoekende partijen brengen in herinnering dat artikel 4, lid 3, van het VEU de lidstaten van de Europese Unie verbiedt om wettelijke maatregelen te nemen die artikel 101 van het VWEU zijn nuttig effect kunnen ontnemen. Zij beklemtonen eveneens dat een maatregel die van toepassing is op het gehele grondgebied van een Staat, de handel tussen lidstaten in de zin van die bepaling kan aantasten. De verzoekende partijen zijn van mening dat de inbreuk op de mededingingsregels die de bestreden wetsbepaling uitmaakt, niet kan worden verantwoord omdat zij discriminerend is, omdat zij niet noodzakelijk is voor het algemeen belang en omdat zij onevenredige gevolgen met zich meebrengt ten aanzien van het doel dat ermee wordt nagestreefd. A.51.
  90. De verzoekende partijen vorderen op zijn minst de vernietiging van de bestreden wetsbepaling in zoverre zij betrekking heeft op de in artikel 519, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarders. A.52.
  91. De Ministerraad antwoordt in hoofdorde dat het middel onontvankelijk is, omdat het niet in overeenstemming is met de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Hij voert aan dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden wetsbepaling een discriminerend verschil in behandeling zou doen ontstaan onder categorieën van gerechtsdeurwaarders of tussen, enerzijds, gerechtsdeurwaarders en, anderzijds, advocaten en incasso-ondernemingen. A.52.
  92. De Ministerraad antwoordt in ondergeschikte orde dat het middel niet gegrond is. Steunend op de motivering van het arrest van het Hof nr. 159/2015 van 4 november 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.159), is hij van mening dat artikel 101 van het VWEU niet van toepassing is, aangezien het verbod voor de gerechtsdeurwaarder die ouder is dan 70 jaar om zijn « residuaire bevoegdheden » nog uit te oefenen, dat voortvloeit uit de bestreden wetsbepaling, niet volgt uit het gedrag van advocaten of incasso- ondernemingen. De Ministerraad merkt bovendien op dat de verzoekende partijen niet aantonen hoe de bestreden wetsbepaling de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie aanzienlijk aantast. De Ministerraad voegt eraan toe dat de bestreden wetsbepaling geenszins ertoe strekt advocaten en incasso- ondernemingen aan te zetten tot afspraken om gerechtsdeurwaarders die de leeftijd van 70 jaar benaderen, van de markt te weren, of dergelijke afspraken in de hand te werken. Hij merkt op dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de toepassing van de wetsbepaling tot dat soort van afspraken zou kunnen leiden. Hij ziet overigens 21 niet in in welk opzicht dat soort van praktijken de betrokken advocaten en ondernemingen zou kunnen bevoordelen. Wat betreft het achtste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 190 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en met het rechtszekerheidsbeginsel A.
  93. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 een retroactieve werking heeft die niet onontbeerlijk is voor het verwezenlijken van een doel van algemeen belang, in zoverre het van toepassing is op de gerechtsdeurwaarders die vóór de aanneming ervan werden benoemd. Zij zijn van mening dat het levenslange karakter van de benoeming van die gerechtsdeurwaarders een verworven recht was, waaraan het nieuwe verbod voor een gerechtsdeurwaarder om zijn beroep na een bepaalde leeftijd uit te oefenen, afbreuk doet. Zij voeren aan dat die gerechtsdeurwaarders hun loopbaan hebben opgebouwd en de nodige investeringen hebben gedaan in de legitieme overtuiging dat zij de waarborg genoten dat zij vrij zouden zijn om hun ambt uit te oefenen zonder beperking in de tijd. Volgens de verzoekende partijen volstaan de overgangsbepalingen van artikel 39 van de wet van 26 december 2022 niet om de voormelde retroactiviteit te verantwoorden. A.54.
  94. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden wetsbepalingen geen retroactieve werking hebben, om de in A.8 vermelde redenen, en dat zij niet onbestaanbaar zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel, om de in A.10 vermelde redenen. A.54.
  95. De Ministerraad merkt ook op dat artikel 23 van de Grondwet niet het recht erkent om op eender welke leeftijd een beroepsactiviteit uit te oefenen. Hij voert bijgevolg aan dat te dezen niet dient te worden nagegaan of de bestreden wetsbepalingen een standstill-verplichting in acht nemen, en dat de verzoekende partijen hoe dan ook geenszins aantonen dat die bepalingen het beschermingsniveau van de gerechtsdeurwaarders zouden verminderen zonder dat daarvoor een reden van algemeen belang voorhanden is. Wat betreft het negende middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet A.55.
  96. Éric Choquet en anderen voeren aan dat artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, door gerechtsdeurwaarders ertoe te verplichten de uitoefening van hun ambt op een bepaalde leeftijd stop te zetten, de gerechtsdeurwaarders die vóór de inwerkingtreding ervan werden benoemd, aanzienlijke morele, financiële en economische schade berokkent, omdat die wetsbepaling de laatstgenoemden verhindert na die leeftijd beroepsinkomsten te verwerven. De verzoekende partijen preciseren dat die gerechtsdeurwaarders, vanaf hun benoeming, hun gehele loopbaan hebben gepland door rekening te houden met het feit dat zij niet ertoe gehouden zouden zijn op een bepaalde leeftijd met pensioen te gaan en met het feit dat het bedrag van het zelfstandigenpensioen waarop zij recht hebben, gering zou zijn. A.55.
  97. Éric Choquet en anderen beweren dat artikel 16 van de Grondwet de wetgevende macht in die context ertoe verplicht de gerechtsdeurwaarders schadeloos te stellen die vóór de inwerkingtreding van artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 werden benoemd, en dat de wetgevende macht in dat verband over geen enkele beoordelingsmarge beschikt. De verzoekende partijen voeren aan dat die wet een vergoedingsmechanisme had moeten bevatten, of de verplichting had moeten vermelden voor de opvolger van een gerechtsdeurwaarder die de uitoefening van zijn ambt wegens zijn leeftijd moet stopzetten, om het kantoor van die laatste te kopen tegen een prijs die de economische waarde ervan weerspiegelt. Zij merken op dat de wet die gerechtsdeurwaarder, in tegenstelling tot de notaris, niet de waarborg biedt dat hij zijn kantoor zal kunnen verkopen tegen een dergelijke prijs. Zij voegen eraan toe dat de overgangsbepalingen van artikel 39 van de wet van 26 december 2022 de voormelde schade niet vergoeden, aangezien zij alleen sommige gerechtsdeurwaarders toestaan om hun ambt slechts gedurende een periode van drie jaar te blijven uitoefenen. 22 A.
  98. De Ministerraad antwoordt dat het aan de wetgevende macht staat te beslissen over de nadere regels voor de inwerkingtreding van een nieuwe wet, zonder dat zij ertoe is gehouden aan alle wensen te voldoen of rechten na te leven die de adressaten van die wet ten onrechte beweren af te leiden uit de wet. Hij voegt eraan toe dat het Hof bij het voormelde arrest nr. 87/2022 reeds heeft geoordeeld dat het ontbreken van het recht van een ontslagnemende gerechtsdeurwaarder op een vergoeding die soortgelijk is aan de vergoeding waarop een notaris met toepassing van artikel 55 van de wet van 25 ventôse jaar XI recht heeft, niet ongrondwettig was. De Ministerraad merkt op dat het een lovenswaardige beleidskeuze betreft en dat niets een gelijkwaardige regeling van die twee beroepen oplegt. Hij beweert ook dat de bestreden wet de gerechtsdeurwaarders een loopbaan van 30 jaar waarborgt en dat zij hun niet verhindert hun kantoor over te dragen. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  99. De beroepen tot vernietiging hebben betrekking op de artikelen 2, 1°, 9 en 39, eerste lid, van de wet van 26 december 2022 « tot hervorming van het statuut van de gerechtsdeurwaarders en andere diverse bepalingen » (hierna : de wet van 26 december 2022). B.2.
  100. Vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de wet van 26 december 2022 bepaalde artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek : « Gerechtsdeurwaarders zijn openbare ambtenaren en ministeriële officieren in de uitoefening van de ambtelijke taken die door een wet, decreet, ordonnantie of koninklijk besluit aan hen zijn opgedragen of voorbehouden. Zij verlenen authenticiteit aan hun akten overeenkomstig artikel 8.1, 5° van het Burgerlijk Wetboek. In elk gerechtelijk arrondissement zijn er gerechtsdeurwaarders. Zij worden door de Koning voor het leven benoemd uit de kandidaten voorgedragen overeenkomstig de in artikel 515 bepaalde regels ». B.2.
  101. Artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 vervangt de laatste zin van de voormelde bepaling door de volgende zinnen : « Zij worden door de Koning benoemd uit de kandidaten voorgedragen overeenkomstig de in artikel 515 bedoelde regels. Ze worden tot de leeftijd van zeventig jaar benoemd. Wanneer er, op de leeftijd van zeventig jaar, nog geen dertig jaar is verstreken sinds hun benoeming, blijven zij benoemd tot na het verstrijken van deze termijn en uiterlijk tot de leeftijd van vijfenzeventig jaar. Twee jaar voor het bereiken van de door dit lid vastgestelde grens worden zij als ontslagnemend beschouwd ». 23 B.3.
  102. Ingevolge de vervanging ervan bij artikel 225 van de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie » bepaalde artikel 518 van het Gerechtelijk Wetboek : « De Koning bepaalt het aantal gerechtsdeurwaarders per gerechtelijk arrondissement, nadat de adviezen zijn ingewonnen van de procureur-generaal bij het hof van beroep, van de procureur des Konings en van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. De spreiding van de standplaatsen wordt door de Koning bepaald in functie van de bereikbaarheid van de gerechtsdeurwaarder voor de rechtsonderhorige. In het door de Koning bepaalde aantal gerechtsdeurwaarders zijn zij die de ouderdom van zeventig jaar hebben overschreden niet inbegrepen. Zijn er meer gerechtsdeurwaarders in functie dan het getal dat door de Koning is bepaald, geschiedt de vermindering tot laatstbedoeld getal slechts bij overlijden, ontslag of afzetting ». B.3.
  103. Artikel 9 van de wet van 26 december 2022 heft het derde lid van die bepaling op. B.
  104. Artikel 39, eerste lid, van de wet van 26 december 2022 bepaalt : « De gerechtsdeurwaarders die de in artikel 2, 1°, gestelde grens op de dag van de inwerkingtreding van deze wet bereikt hebben of binnen de drie jaar van haar inwerkingtreding bereiken, mogen tot het einde van deze periode van drie jaar hun functie blijven uitoefenen. Twee jaar voor het einde van deze periode worden zij als ontslagnemend beschouwd ». B.
  105. De voormelde bepalingen van de wet van 26 december 2022 zijn in werking getreden op 1 januari 2023 (artikel 42, eerste lid), met uitzondering van artikel 9 ervan, dat pas op 1 januari 2024 in werking is getreden (artikel 42, eerste lid, 2°). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  106. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8006, 8018 en 8026 bij de vernietiging van artikel 9 van de wet van 26 december
  107. B.
  108. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, 24 doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.
  109. Het aantal gerechtsdeurwaarders in functie is beperkt. Het wordt bepaald door de Koning (artikel 518 van het Gerechtelijk Wetboek). Vóór de opheffing ervan bij artikel 9 van de wet van 26 december 2022, dat op 1 januari 2024 in werking is getreden, bepaalde artikel 518, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat in het door de Koning bepaalde aantal gerechtsdeurwaarders niet de gerechtsdeurwaarders waren inbegrepen die de leeftijd van 70 jaar hadden overschreden. Die bepaling had tot gevolg dat de door die deurwaarders beklede ambten vacant werden verklaard (Parl. St., Kamer, 2012- 2013, DOC 53-2937/001, p. 14). B.
  110. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8006, 8018 en 8026 zijn allen gerechtsdeurwaarders die vóór de opheffing van artikel 518, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek werden benoemd. Die opheffing kan hun situatie dus niet rechtstreeks en ongunstig raken. Die verzoekende partijen doen bijgevolg niet blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen. B.
  111. In zoverre zij betrekking hebben op artikel 9 van de wet van 26 december 2022, zijn de beroepen tot vernietiging in de zaken nrs. 8006, 8018 en 8026 onontvankelijk. B.11.
  112. De Ministerraad betwist ook de ontvankelijkheid van sommige middelen. B.11.
  113. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moet het middel van een verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 25 B.11.
  114. Sommige van de in de zaken nrs. 8006, 8018, 8026 en 8043 aangevoerde middelen beantwoorden slechts deels aan die vereisten, omdat zij niet uiteenzetten hoe en in welke mate sommige in die middelen vermelde referentienormen geschonden zouden zijn. B.11.
  115. Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan die vereisten voldoen. Ten gronde Wat betreft artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022 De bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG B.
  116. De verzoekende partijen voeren een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep » (hierna : de richtlijn 2000/78/EG), door artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, in zoverre die bepaling de gerechtsdeurwaarders verbiedt hun ambt nog na de leeftijd van 70 jaar uit te oefenen (enige middel in de zaak nr. 8018 en derde middel in de zaak nr. 8043). B.
  117. De richtlijn 2000/78/EG heeft « tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van » onder meer « leeftijd [...] zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden » (artikel 1 van de richtlijn). Het « beginsel van gelijke behandeling » is « de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden » (artikel 2, lid 1, van dezelfde richtlijn). Er is « directe discriminatie [...] wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden » (artikel 2, lid 2, a), van de richtlijn). 26 Artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, met als opschrift « Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd », bepaalt : « Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten : a) het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren; b) de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of -anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen; c) de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren ». Om in overeenstemming te zijn met die bepaling, dient een bij een nationale regel ingevoerd verschil in behandeling te worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, en passend en noodzakelijk te zijn voor de verwezenlijking van dat doel (HvJ, 6 november 2012, C-286/12, Commissie t. Hongarije, ECLI:EU:C:2012:687, punten 55, 56 en 63). B.
  118. De lidstaten beschikken over een ruime beoordelingsmarge, niet alleen om de doelstellingen te kiezen die moeten worden nagestreefd in het kader van hun sociaal beleid, maar ook om de maatregelen te kiezen die ze kunnen verwezenlijken (HvJ, grote kamer, 12 oktober 2010, C-45/09, Rosenbladt, ECLI:EU:C:2010:601, punt 41; 3 juni 2021, C-914/19, Ministero della Giustizia, ECLI:EU:C:2021:430, punt 30). Een gebrek aan precisie van de nationale regeling met betrekking tot het nagestreefde doel belet niet dat het bij die regeling in het leven geroepen verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd ten aanzien van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, wanneer dat doel kan worden bepaald aan de hand van andere elementen die zijn ontleend aan de algemene context van de in het geding zijnde maatregel (HvJ, grote kamer, 16 oktober 2007, C-411/05, 27 Palacios de la Villa, ECLI:EU:C:2007:604, punten 56-57; C-286/12, voormeld, punt 58; C-914/19, voormeld, punt 32). De omstandigheid dat een wijziging van de context van een nationale regeling heeft ingehouden dat het hoofddoel ervan werd gewijzigd, heeft niet tot gevolg dat het met die regeling nagestreefde nieuwe doel illegitiem wordt (HvJ, 21 juli 2011, C-159/10 en C-160/10, Fuchs en Köhler, ECLI:EU:C:2011:508, punt 41). Het feit dat een nationale regeling gelijktijdig verschillende doelstellingen nastreeft, belet niet dat een ervan kan worden beschouwd als een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG (HvJ, C-159/10 en C-160/10, voormeld, punt 44; C-914/19, voormeld, punt 32). B.
  119. Artikel 16 van de richtlijn 2000/78/EG bepaalt : « De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat a) alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft; [...] ». B.
  120. In zoverre zij de gerechtsdeurwaarders verbiedt hun ambt nog na de leeftijd van 70 jaar uit te oefenen, behandelt de bestreden bepaling de gerechtsdeurwaarder die die leeftijd heeft bereikt, minder gunstig dan de gerechtsdeurwaarder die die leeftijd nog niet heeft bereikt. Zij voert bijgevolg, tussen twee categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, een verschil in behandeling in dat rechtstreeks is gebaseerd op leeftijd in de zin van artikel 2, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG. B.
  121. Artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het was vervangen bij artikel 2 van de wet van 7 januari 2014, bepaalde dat de gerechtsdeurwaarders voor het leven werden benoemd. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari 2014 blijkt dat de wetgever toen uitdrukkelijk ervoor opteerde om niet in een « verplicht ontslag van rechtswege op de 28 leeftijd van 70 jaar » te voorzien. De wetgever haalde daartoe diverse redenen aan, onder meer met betrekking tot het gegeven dat het beroep van gerechtsdeurwaarder een vrij beroep is, de maatschappelijke evolutie naar langer werken en een aantal aan de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder verbonden economische aspecten (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2937/001, pp. 8-9; 2013-2014, DOC 53-2937/006, p. 21). B.
  122. De derde zin van artikel 509, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, voert een « leeftijdsgrens voor de uitoefening van de werkzaamheden van gerechtsdeurwaarders » in (Parl. St., Kamer, 2022- 2023, DOC 55-2994/001, p. 4), die is vastgesteld op 70 jaar. Het « voorkomen van fraude » vormt een van de twee doelstellingen van die maatregel. Het is meer in het bijzonder de bedoeling om een einde te maken aan de « misbruiken » van « oudere gerechtsdeurwaarders [die] hun ambt verkopen of verhuren aan grote kantoren », terwijl « die oudere gerechtsdeurwaarders [...] in de meeste gevallen niet meer actief [zijn] maar [...] wel nog een hoge maandelijkse vergoeding [ontvangen] voor het verlenen van hun handtekening ». De « kantoren die deze handtekening(en) huren of kopen, kunnen op die manier een plaatsvervanger op de baan sturen en aan massaproductie doen ». Door, in de ogen van de « buitenwereld », « een grote associatie van meerdere gerechtsdeurwaarders » te lijken, kunnen die kantoren « grotere potentiële opdrachtgevers aanspreken om de massa onbetaalde facturen te gaan invorderen ». Die praktijken worden geacht « regelrecht » in te druisen « tegen de aard en de opzet van het ambt van gerechtsdeurwaarder ». Zij « [vervalsen] bovendien de concurrentie ten opzichte van jongere gerechtsdeurwaarders die op de markt komen en [die dan] [...] concurreren met grote kantoren van vier, vijf, zes of tien gerechtsdeurwaarders waarvan de helft niet meer actief is » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2994/001, p. 8; DOC 55-2994/004, p. 12). B.
  123. Het andere doel dat met de « leeftijdsgrens » wordt nagestreefd, is de « menselijke benadering van justitie » en de noodzaak om, op het gepaste ogenblik, « de fakkel door te geven aan jonge mensen » teneinde de « doorstroming » mogelijk te maken van jonge mensen die kandidaat zijn om het ambt van gerechtsdeurwaarder uit te oefenen. 29 Dat doel is gebaseerd op de vaststelling dat de gerechtsdeurwaarder « niet zomaar een zelfstandige [is] » en geen « klassiek vrij beroep » uitoefent zoals een advocaat of een « klassieke handelaar » die « in een meer concurrentiële omgeving [werkt] », aangezien het aantal op het nationale grondgebied toegestane gerechtsdeurwaarders beperkt is, en ieder van hen « een bepaalde opdracht van de overheid [krijgt] en [...] over een monopolie [beschikt] voor de uitvoering van vonnissen en arresten » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2994/001, p. 9; DOC 55-2994/004, pp. 12 en 16; Integraal Verslag, Kamer, 21 december 2022, CRIV 55 PLEN 225, p. 22). Uit het voorgaande blijkt dat het aan de gerechtsdeurwaarders opgelegde verbod om hun ambt nog na de leeftijd van 70 jaar uit te oefenen, onder meer ertoe strekt de verjonging van het beroep van gerechtsdeurwaarder te versnellen door jongere personen te benoemen, in het licht van de beperking van het aantal gerechtsdeurwaarders en van de specifieke opdracht die zij vervullen. B.
  124. De « bevordering van de werkgelegenheid » vormt een « legitiem doel » in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, met name wanneer het erom gaat « de toegang van jongeren tot de uitoefening van een beroep te bevorderen ». Het « samenleven van verschillende generaties [...] kan [ook] bijdragen tot de kwaliteit van de verrichte activiteiten, met name door de uitwisseling van ervaring te bevorderen » (HvJ, C-159/10 en C-160/10, voormeld, punt 49; 2 april 2020, C-670/18, CO, ECLI:EU:C:2020:272, punt 37). De doelstelling « een evenwichtige leeftijdsstructuur tussen jonge en oudere ambtenaren te creëren om nieuwe aanstellingen en de bevordering van jongeren aan te moedigen [...] en [...] eventuele geschillen over de geschiktheid van de werknemer om zijn activiteit na een bepaalde leeftijd uit te oefenen te voorkomen, [die tevens] [...] een kwalitatief hoogstaande rechterlijke macht beoogt te waarborgen », kan een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG vormen (HvJ, C-159/10 en C-160/10, voormeld, punt 50; C-286/12, voormeld, punt 62; C-914/19, voormeld, punt 38). Het doel van het bestreden verschil in behandeling waarvan sprake is in B.19.3, kan dus worden beschouwd als een legitiem doel van sociaal beleid. 30 B.
  125. Zoals blijkt uit het in B.3.1 aangehaalde artikel 518, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, beperkt de overheid het aantal gerechtsdeurwaarders. Binnen een beroep waarin het aantal beschikbare posten beperkt is, kan een wet die de personen die het reeds uitoefenen, verplicht om hun ambt op een bepaalde leeftijd neer te leggen, de toegang van jongeren tot arbeid vergemakkelijken (HvJ, C-159/10 en C-160/10, voormeld, punt 58). Zij draagt ook ertoe bij dat aldus een evenwichtige leeftijdsverdeling binnen het beroep wordt gewaarborgd. Het verschil in behandeling dat uit de te dezen bestreden bepaling voortvloeit, is dan ook passend om het nagestreefde doel te verwezenlijken. B.
  126. Om « noodzakelijk » te zijn in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG, moet een maatregel die een verschil in behandeling op grond van leeftijd invoert, berusten op een « [juist] evenwicht [...] tussen de verschillende betrokken belangen », met andere woorden het mogelijk maken dat het nagestreefde legitieme doel wordt bereikt « zonder dat de gerechtvaardigde belangen van de [door die maatregel] getroffen [personen] buitensporig worden geschaad » (HvJ, grote kamer, 12 oktober 2010, C-499/08, Ingeniørforeningen i Danmark, ECLI:EU:C:2010:600, punt 32; 15 april 2021, C-511/19, AB, ECLI:EU:C:2021:274, punt 45). Het onderzoek van de noodzakelijkheid vereist dat de in het geding zijnde maatregel in zijn eigen regelingscontext wordt teruggeplaatst en dat rekening wordt gehouden zowel met het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat (HvJ, C-45/09, voormeld, punt 73; C-286/12, voormeld, punt 66). Er dient eveneens rekening te worden gehouden met het recht om te werken, dat wordt gewaarborgd door artikel 15, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dus dient « bijzondere aandacht te worden besteed aan de deelname van oudere werknemers aan het beroepsleven en daarmee aan het economische, culturele en sociale leven », met dien verstande dat het « belang bij het actief blijven van die personen [...] echter met inachtneming van andere, eventueel tegenovergestelde belangen in aanmerking [moet] worden genomen » (HvJ, C-511/19, voormeld, punt 46). 31 B.
  127. De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat de gerechtsdeurwaarders worden verplicht om op te houden hun ambt uit te oefenen wanneer zij de leeftijd van 70 jaar bereiken. De overheid vermag maatregelen te nemen die ertoe strekken mensen te stimuleren om langer te werken. Die maatregelen hebben thans evenwel niet tot doel mensen aan te moedigen om te werken na de leeftijd van 70 jaar. De « wettelijke leeftijd voor het rustpensioen » blijft op heden trouwens lager dan 70 jaar. Bovendien moet rekening worden gehouden met het bijzonder statuut van de gerechtsdeurwaarder, die immers niet louter een vrij beroep uitoefent, maar die een « openbaar ambtenaar » is en die voor zijn door de wetgever of de Koning opgedragen ambtelijke taken een monopolie heeft gekregen (artikel 509, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Dat specifieke statuut kan verantwoorden dat de wetgever zich niet zonder meer laat leiden door algemene opvattingen inzake langer werken. Overigens kan het ambt van notaris, in de regel, evenmin nog worden uitgeoefend na diezelfde leeftijd (artikel 2, eerste lid, van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt », zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 « tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt » en vervolgens gewijzigd bij artikel 163 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van [burgerlijk] recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie »). Die leeftijd is ook de leeftijd waarop de rechters van het Grondwettelijk Hof, de leden van het Hof van Cassatie en die van de Raad van State, in de regel, dienen op te houden hun ambt uit te oefenen (artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 4, eerste lid, van de wet van 6 januari 1989 « betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Grondwettelijk Hof »; artikel 104 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973). In die context is de leeftijdsgrens die bij de bestreden bepaling op 70 jaar is vastgelegd, voldoende hoog om de mogelijkheid van nuttige uitwisselingen van kennis, ervaring en standpunten tussen verschillende generaties van gerechtsdeurwaarders te behouden. 32 B.
  128. De bij de bestreden bepaling ingevoerde « leeftijdsgrens » is voorts geen absolute regel. Artikel 509, § 1, derde lid, vierde zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2, 1°, van de wet van 26 december 2022, laat de gerechtsdeurwaarders immers toe hun ambt enkele jaren na de leeftijd van 70 jaar te blijven uitoefenen indien er, wanneer zij die leeftijd bereiken, nog geen 30 jaar is verstreken sedert hun benoeming. Die uitzondering op de bestreden maatregel, die « rekening [houdt] met het menselijke aspect » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2994/004, p. 12), strekt ertoe aan de gerechtsdeurwaarders een « redelijke carrièreduur [te waarborgen] en de kans de investeringen die ze gedaan hebben terug te verdienen » in verschillende stadia van die loopbaan (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2994/001, p. 9; Integraal Verslag, Kamer, 21 december 2022, CRIV 55 PLEN 225, p. 22). B.
  129. De bestreden bepaling gaat bovendien gepaard met overgangsmaatregelen. Krachtens het in B.4 aangehaalde artikel 39, eerste lid, van de wet van 26 december 2022 zal het bij de bestreden bepaling ingevoerde verbod, voor de gerechtsdeurwaarders die de leeftijdsgrens reeds hebben bereikt op de datum van inwerkingtreding ervan of die leeftijdsgrens zullen bereiken vóór 1 januari 2026, pas op 1 januari 2026 uitwerking hebben, hetgeen de betrokken gerechtsdeurwaarders de tijd laat om zich erop voor te bereiden. B.26.
  130. De bestreden bepaling verhindert de personen op wie zij van toepassing is, niet om nog een beroepsactiviteit uit te oefenen na de leeftijd van 70 jaar en daarbij in voorkomend geval voordeel te halen uit de ervaring die tijdens de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder is verworven. B.26.
  131. Zowel de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders als de vzw « Samenwerken voor een meer rechtvaardige maatschappij - Travailler ensemble pour une société plus juste » (SAM-TES) hebben zich uitdrukkelijk uitgesproken voor de bestreden bepaling (Integraal Verslag, Kamer, 21 december 2022, CRIV 55 PLEN 225, p. 22). 33 B.
  132. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden verschil in behandeling, rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge waarover de wetgever inzake sociaal beleid beschikt, de gerechtvaardigde belangen van de gerechtsdeurwaarders die de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt, niet buitensporig schaadt. B.
  133. De bestreden bepaling schendt derhalve niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG. B.29.
  134. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8018 en 8043 het Hof om een of meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen, teneinde te bepalen of de artikelen 2, lid 2, a), en 6, lid 1, van de richtlijn 2000/78/EG in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij zich verzetten tegen de bestreden bepaling. B.29.
  135. Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet verplicht wanneer die rechterlijke instantie vaststelt dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht re

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.