← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.148

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.148 Arrest- Rolnummer: 148/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-16 Raadplegingen: 698 - laatst gezien 2026-06-18 18:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Alcoholopname en dronkenschap - Rijden onder invloed van alcohol - Alcoholslot - Minimumduur van één jaar Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 148/2024 van 4 december 2024 Rolnummer : 8064 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juli 2023, heeft de Politierechtbank te Luik, afdeling Luik, een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 20 september 2023 als volgt werd geherformuleerd : « Schendt artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de rechter, krachtens die bepaling, indien hij geen toepassing maakt van artikel 42 van dezelfde wet, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder kan beperken voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang zonder mogelijkheid tot herziening van de maatregel, terwijl na toepassing van artikel 42 een herstel zou kunnen worden gevraagd na een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan waarbij de overtreder is veroordeeld tot het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Evrard de Lophem, mr. Germain Haumont en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op een persoon die voor de Politierechtbank te Luik, afdeling Luik, wordt vervolgd wegens het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap, waarbij een alcoholconcentratie van 0,57 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht werd gemeten en met de omstandigheid dat die persoon zich in staat van herhaling bevond aangezien zij minder dan drie jaar eerder voor hetzelfde misdrijf was veroordeeld door de Politierechtbank te Luik, afdeling Hoei. Bij dat eerste misdrijf werd bij die persoon een alcoholconcentratie van 1,16 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht gemeten. Het verwijzende rechtscollege verzocht om het advies van een arts over de geschiktheid van die persoon om een voertuig te besturen. Die arts maakte een verslag op, waarbij hij oordeelde dat de beklaagde voor het verwijzende rechtscollege wegens haar alcoholverslaving niet geschikt was om een motorvoertuig te besturen in de zin van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat het twee verschillende regelingen kan toepassen : enerzijds, de regeling van artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968, die voorziet in een beperking van de geldigheid van het rijbewijs tot de motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot of, anderzijds, de regeling van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968, met betrekking tot de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen, die voorziet in een verval van het recht tot sturen. Het verwijzende rechtscollege geeft aan dat een alcoholslot in de praktijk voor heel wat veroordeelden niet kan worden overwogen wegens de kosten ervan, waardoor hun het recht tot sturen volledig wordt ontnomen, terwijl personen die op grond van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 veroordeeld zijn tot een verval van het recht tot sturen, na een termijn van zes maanden een herziening kunnen vragen. Het vraagt zich af of dat verschil in behandeling discriminerend is. Het rechtscollege beslist bijgevolg om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat de twee in de prejudiciële vraag geïdentificeerde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn doordat de personen van de ene categorie niet geschikt zijn om een voertuig te besturen om medische redenen, zoals een alcoholverslaving, terwijl de personen van de andere categorie geschikt zijn om te rijden, maar roekeloos gedrag vertonen door te rijden in staat van dronkenschap. A.2. In de veronderstelling dat die twee categorieën vergelijkbaar zouden zijn, voert de Ministerraad aan dat het in de prejudiciële vraag omschreven verschil in behandeling op een objectief criterium berust en dat het verantwoord is omwille van de veiligheid. Het verschil tussen een gedraging die het gevolg is van een medische 3 aandoening zoals alcoholisme en een onverantwoorde en roekeloze gedraging rechtvaardigt immers dat die gedragingen met verschillende sancties worden bestraft : in het eerste geval de loutere intrekking van het recht tot sturen, in het tweede een omkaderd recht tot sturen. De Ministerraad doet eveneens gelden dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid geniet inzake het bevorderen van de verkeersveiligheid en dat hij bijgevolg vermocht, met de aanneming van artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968, de gevallen uit te breiden waarin een alcoholslot kan of moet worden opgelegd, aangezien het om een doeltreffende maatregel gaat in de strijd tegen onverantwoord en roekeloos rijgedrag. De Ministerraad voegt eraan toe dat de wetgever die regeling daarentegen niet vermocht uit te breiden tot de personen die alcoholverslaafd zijn, overeenkomstig bijlage III van de richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 « betreffende het rijbewijs ». A.3. De Ministerraad doet nog gelden dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft voor personen die tot de twee vergeleken categorieën behoren. In tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege veronderstelt, is het niet gemakkelijker om het recht tot sturen terug te krijgen wanneer men ervan vervallen is verklaard op grond van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 dan wanneer men een alcoholslot heeft opgelegd gekregen op grond van artikel 37/1 van dezelfde wet, omdat de betrokkene het bewijs moet leveren dat hij niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen. Heel vaak kan dat bewijs pas worden geleverd na afloop van een lange behandeling, zoals een ontwenningskuur die met succes werd beëindigd door een alcoholverslaafde patiënt. De Ministerraad zet nog uiteen dat de wetgever rekening heeft gehouden met de hoge kosten voor de installatie van een alcoholslot, aangezien hij, in paragraaf 3 van artikel 37/l van de wet van 16 maart 1968, uitdrukkelijk heeft bepaald dat het betrokken rechtscollege die kosten kan aftrekken van het bedrag van de aan de overtreder op te leggen geldboete. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968), zoals gewijzigd bij de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » (hierna : de wet van 6 maart 2018), dat bepaalt : « § 1. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 36, kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of geen toepassing maakt van artikel 42, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, indien de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als 4 bedoeld in het eerste lid. Indien de rechter evenwel verkiest om deze sanctie niet op te leggen, motiveert hij dit uitdrukkelijk. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 36, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, § 6. § 2. Evenwel kan de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt overeenkomstig § 1. De beperkte geldigheid moet wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van § 1 werd begaan. § 3. De rechter kan de geldboete verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. § 4. Met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 500 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode die ten minste even lang is als de periode waarin de geldigheid van het rijbewijs werd beperkt, wordt gestraft hij die is veroordeeld wegens overtreding van dit artikel en een motorvoertuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is en dat niet uitgerust is met het opgelegde alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma ». B.1.2. Een alcoholslot is een « inrichting die het starten van een motorvoertuig verhindert, tenzij de bestuurder een ademtest aflegt met als meetresultaat een alcoholconcentratie beneden de ingestelde drempel » (artikel 2.1 van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 26 november 2010 « betreffende de technische specificaties van de alcoholsloten bedoeld in artikel 61sexies van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer »). Krachtens artikel 61quinquies, § 2, van de wet van 16 maart 1968 is die drempel thans ingesteld op 0,09 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (hierna : mg/l UAL). B.1.3. De maatregel tot plaatsing van een alcoholslot is opgevat als een beperking van de geldigheid van het rijbewijs : het rijbewijs van de veroordeelde persoon is slechts geldig voor voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. B.1.4. Artikel 37/1, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 laat de politierechtbank die de overtreder veroordeelt op grond van de misdrijven bedoeld in artikel 34, § 2, artikel 35 5 in geval van dronkenschap of artikel 36 van de wet van 16 maart 1968, toe om de overtreder als bijkomende maatregel een alcoholslot op te leggen. Sedert de inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 is de politierechtbank verplicht om een alcoholslot op te leggen in geval van een zeer hoge alcoholconcentratie (artikel 37/1, § 1, tweede lid) en in geval van ernstige herhaling (artikel 37/1, § 1, derde lid). Krachtens artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 moet de politierechtbank de overtreder steeds een alcoholslot opleggen indien hij zich in staat van herhaling bevindt in de zin van artikel 36 van dezelfde wet en de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 mg/l UAL meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 promille aangeeft. B.1.5. Met de wet van 12 juli 2009 « tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat het invoeren van het alcoholslot betreft » (hierna : de wet van 12 juli 2009) heeft de wetgever het alcoholslot ingevoerd. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De voortschrijdende technologie heeft het immers mogelijk gemaakt om nog veel meer preventief te werken door de installatie van een alcoholslot op het voertuig. Dit apparaat, ingebouwd in het voertuig, verhindert dat het voertuig start indien de bestuurder niet in het toestel geblazen heeft of indien het een te hoog alcoholgehalte registreert. Het apparaat heeft zijn nut reeds meer dan voldoende bewezen : ervaringen in de VSA en Canada hebben uitgewezen dat het verplichten van een alcoholslot de alcoholrecidive gedurende de periode dat zij verplicht functioneren fors doet dalen, zelfs tot 95 %. Ook een Europese studie van het BIVV omtrent het gebruik van het alcoholslot in verschillende types van motorvoertuigen komt tot zeer positieve conclusies. [...] Met dit wetsvoorstel willen wij ook in ons land het alcoholslot een rol laten spelen in de preventie van het alcoholgebruik achter het stuur » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1856/001, pp. 3-4). De wet van 12 juli 2009 verplichtte de politierechtbank nooit om een alcoholslot op te leggen. De rechtscolleges hadden « de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om een alcoholslot op te leggen gedurende één tot vijf jaar of voorgoed, aan verkeersovertreders met 6 een alcoholgehalte vanaf 0,8 promille, aan overtreders in staat van dronkenschap of in staat van herhaling » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, pp. 5-6). B.1.6. Met de wet van 6 maart 2018 heeft de wetgever, vanuit de vaststelling dat de mogelijkheid om een alcoholslot op te leggen niet vaak genoeg werd gebruikt, die maatregel verplicht gemaakt in bepaalde gevallen (ibid., p. 7). Die verplichting voor de politierechtbank om in bepaalde gevallen een alcoholslot op te leggen, houdt verband met de doelstelling die met de wet van 6 maart 2018 wordt nagestreefd, namelijk het aantal verkeersslachtoffers drastisch verminderen door uitvoering te geven aan de belangrijkste aanbevelingen van de Staten-Generaal van de Verkeersveiligheid 2015 (ibid., p. 5). De principiële verplichting om een alcoholslot op te leggen in geval van een zeer hoge alcoholconcentratie wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Het opportuniteitsoordeel van de rechter om een alcoholslot uit te spreken wordt ook aan banden gelegd in geval de beschonken overtreder een manifest gevaar op de weg betekende, namelijk bij een zeer hoge alcoholconcentratie vanaf 1,8 promille enkel mits uitdrukkelijke motivatie kan de rechter hier per uitzondering van afwijken. Als men bij een alcoholcontrole van de politie tegen de lamp loopt, is het meestal niet de eerste keer dat men teveel gedronken heeft. Hoe hoger de alcoholconcentratie, hoe sterker er een vermoeden van alcoholafhankelijkheid bestaat : Nederlands onderzoek wees uit dat bij 1,3 promille 13 % recidivist was, tot 1,8 promille 21 % en die met een hogere promillage zelfs 50 %. We weten dat alcohol achter het stuur een van de drie belangrijkste ‘ killers ’ is op de weg, dus een strengere aanpak is nodig. 1,8 promille staat gelijk aan het drinken van zo’n 8 à 11 glazen alcohol op een korte tijdspanne van twee uur en resulteert in een zeer dronken toestand en ongecontroleerde bewegingen (zelfs bij 1,0 promille is er bij de meeste mensen al sprake van dronkenschap). We weten uit statistieken dat meer dan 40 % van de personen die rijden onder invloed van alcohol zware alcoholovertreders zijn en boven 1,2 promille zitten. Momenteel komen deze overtreders er van af - als ze al geen ongeval veroorzaken - met een geldboete (vaak met uitstel) en een verval van enkele weken. Dat in combinatie met de te lage pakkans geeft geen ontradend effect en zorgt ervoor dat er op onze wegen al te veel tikkende tijdbommen rondrijden » (ibid., pp. 10-11). De verplichting om een alcoholslot op te leggen in geval van zware recidive wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : 7 « In geval van alcoholrecidive vanaf 1,2 promille in het bloed hetzij 0,50 mg/l UAL moeten voortaan, naast het verplichte alcoholslot, ook de vier herstelexamens en een periode van minstens drie maanden vervallenverklaring worden opgelegd (cumul art. 37/1 en 38, § 6). De rechter beschikt dan niet langer over de mogelijkheid om geen alcoholslot op te leggen. In geval van zo’n zware alcoholrecidive is het duidelijk dat deze persoon rijden en drinken niet gescheiden kon houden en zijn zware sancties vereist » (ibid., p. 3). In de parlementaire voorbereiding wordt uitgelegd dat overtreders ervoor kunnen opteren af te zien van een alcoholslot : « De veroordeelde kan er ook voor opteren om geen alcoholslot in zijn motorvoertuig(

  1. en)te laten installeren en bijvoorbeeld het openbaar vervoer te gebruiken. Hij beslist dan om geen ‘ bestuurder ’ te zijn gedurende de periode waarin hem door de rechter een alcoholslot werd opgelegd. Zijn rijbewijs moet hij in dat geval ter griffie afgeven, maar hij gaat dan op de gemeente geen nieuw rijbewijs met de code voor het alcoholslot afhalen. In dat geval is er in de feiten wel sprake van een verval, omdat de persoon niet meer over zijn rijbewijs beschikt, en dit voor de periode dat hij normaliter met een alcoholslot had moeten rijden » (ibid., p. 4). Wat de kostprijs van de maatregel betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het is een feit dat de hoge kostprijs van het alcoholslot voor een overtreder niet aantrekkelijk is ten aanzien van de gebruikelijke boete en het gebruikelijk verval voor deze overtredingen. [...] [...] De rechter kan de kosten van het alcoholslot (toestel en omkaderingsprogramma) wel aftrekken van de boete tot maximum 1 euro (het principe van aftrekbaarheid van de kosten blijft in dit wetsontwerp onveranderd). We komen dus aan een kostenplaatje van meer dan 3400 euro om één jaar te kunnen rijden met een alcoholslot, in de veronderstelling dat de rechter de aftrekbaarheid van de kosten van de boete heeft toegestaan. Vaak verplicht de wet de rechter ook nog om enkele maanden vervallenverklaring van het recht tot sturen op te leggen, die dan aan de periode van het alcoholslot voorafgaat. [...] Als we kijken naar het huidige alternatief voor het alcoholslot dat de rechter kan opleggen, zien we dat de gebruikelijke boete voor dit type overtredingen vaak enkel de minimumboete van 1600 euro (en respectievelijk 3200 euro plus herstelexamens in geval van recidive) betreft, plus een vervallenverklaring van enkele maanden. De overtreder maakt dan al te snel de keuze voor dit goedkopere en makkelijkere alternatief. 8 Nochtans biedt het alcoholslot hem de mogelijkheid om verder te rijden met zijn voertuig, zodat hij zijn professionele en sociale leven kan verderzetten. Anderzijds verhindert het alcoholslot om onder invloed van alcohol aan het verkeer deel te nemen, hetgeen de verkeersveiligheid ten goede komt » (ibid., pp. 8-9). B.2.1. Het Hof wordt verzocht om die regeling te vergelijken met die van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968, zoals vervangen bij de wet van 6 maart 2018, dat bepaalt : « Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig. De uitspraak van dit verval is mogelijk in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld. De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen ». B.2.2. Artikel 43 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt : « Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de bestuurder gaat in bij de uitspraak van de beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen en bij de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen, niettegenstaande voorziening ». B.2.3. Artikel 44 van de wet van 16 maart 1968, zoals vervangen bij de wet van 6 maart 2018, bepaalt : « Hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open. Wordt het verzoek afgewezen dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voordat een termijn van zes maanden te rekenen van de datum van de afwijzing, is verstreken ». B.3. Wat betreft de verhouding tussen artikel 37/1, § 1, en artikel 42 van de wet van 16 maart 1968, vermeldt de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 maart 2018 dat « als de rechter de overtreder een definitief verval oplegt of ingeval hij hem vervallen verklaart wegens lichamelijke of psychische ongeschiktheid krachtens artikel 42 (te denken valt aan 9 alcoholverslaving), [...] een alcoholslot uitgesloten [is] » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 7). Het Hof van Cassatie heeft dat bevestigd in een arrest van 1 juni 2022 (ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220601.2F.3). Zoals in de voormelde parlementaire voorbereiding wordt uitgelegd, « is [het] nooit de bedoeling geweest om overtreders die afhankelijk zijn van alcohol een alcoholslot op te leggen, omdat deze personen beter medisch kunnen worden opgevolgd via het verval om psychische of lichamelijke redenen » (ibid., p. 6). Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.4. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over het verschil in behandeling tussen de personen aan wie voor een periode van ten minste één jaar een alcoholslot wordt opgelegd krachtens artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 en de personen aan wie een verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid wordt opgelegd krachtens artikel 42 van de wet van 16 maart 1968, in zoverre voor dat verval een herziening kan worden gevraagd na een termijn van minstens zes maanden, overeenkomstig artikel 44 van de wet van 16 maart 1968. Het verwijzende rechtscollege benadrukt dat de kosten van een alcoholslot dermate hoog zijn dat die maatregel voor veel veroordeelden niet kan worden overwogen, en het oordeelt dan ook dat, in de praktijk, de maatregel van artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 neerkomt op een verval van het recht tot sturen van ten minste één jaar. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege in het bijzonder de minimumduur van één jaar van de maatregel tot het opleggen van een alcoholslot waarin artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 voorziet, in het geding brengt. B.5. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, zijn de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen vergelijkbaar. Aan beide categorieën wordt een beperking of een verval van hun recht tot sturen opgelegd om de veiligheid van eenieder te waarborgen. Zowel het opleggen van een alcoholslot (artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968), als het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid (artikel 42 van de wet van 16 maart 1968) zijn veiligheidsmaatregelen en geen straffen. Het Hof van Cassatie heeft dat meermaals bevestigd wat het opleggen van een alcoholslot betreft (zie met name Cass., 18 oktober 2023, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231018.2F.10; 3 maart 2021, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210303.2F.5) en wat het verval van het recht tot sturen 10 wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid betreft (zie met name Cass., 6 februari 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.6; 11 oktober 2022, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8). De parlementaire voorbereiding bevestigt dat uitdrukkelijk voor het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 26). B.6. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7. Het verschil in behandeling tussen de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat ten aanzien van de betrokkenen al dan niet wordt erkend dat zij lijden aan een lichamelijke of geestelijke aandoening die hen ongeschikt maakt om een motorrijtuig te besturen. Aangezien krachtens artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 het rechtscollege dat vaststelt dat iemand om lichamelijke of geestelijke redenen ongeschikt is voor het besturen van een motorrijtuig, verplicht is om het verval van diens recht tot sturen uit te spreken en aangezien krachtens artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 het alcoholslot enkel kan worden opgelegd indien het betrokken rechtscollege geen toepassing maakt van het voormelde artikel 42, vallen de personen die om lichamelijke of geestelijke redenen worden erkend als ongeschikt om een motorrijtuig te besturen, immers noodzakelijkerwijs onder de regeling van dat artikel 42, terwijl de personen die niet als zodanig worden erkend onder de regeling van artikel 37/1, § 1, van dezelfde wet vallen. B.8. Zoals blijkt uit de in B.1.5 en in B.1.6 vermelde parlementaire voorbereiding, heeft de maatregel tot het opleggen van een alcoholslot tot doel rijden onder invloed van alcohol, dat een van de voornaamste doodsoorzaken in het verkeer vormt, te bestrijden. Die maatregel past 11 in het kader van de wet van 6 maart 2018, die meer algemeen tot doel heeft het aantal verkeersslachtoffers drastisch te verminderen. Die doelstelling is legitiem. B.9. Rekening houdend met dat doel is het door de wetgever gemaakte onderscheid ook pertinent. Gelet op de diversiteit aan medische toestanden die een lichamelijke of geestelijke rijongeschiktheid kunnen veroorzaken, is het immers pertinent te bepalen, zoals de wetgever heeft gedaan in artikel 42 van de wet van 16 maart 1968, dat het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet duren zolang het bewijs van het einde van die ongeschiktheid niet is geleverd. Omgekeerd is het eveneens pertinent om ervan uit te gaan dat aan overtreders die in staat van dronkenschap rijden om andere redenen dan een lichamelijke of geestelijke rijongeschiktheid, een alcoholslot moet kunnen worden opgelegd voor een vaste minimumduur. Hun roekeloos gedrag volgt niet uit een lichamelijke of geestelijke aandoening waarvan de diversiteit niet toelaat om een vaste duur te bepalen, maar wel uit onverantwoord gedrag waarvan de wetgever kon oordelen dat het een hoog risico op herhaling inhoudt. Gelet op dat risico van herhaling en op het doel van de maatregel, namelijk de betrokken overtreders beletten om « onder invloed van alcohol aan het verkeer deel te nemen, hetgeen de verkeersveiligheid ten goede komt », is het pertinent te bepalen dat de maatregel een voldoende significante minimumduur moet hebben. B.10.1. Het Hof dient nog na te gaan of artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 geen onevenredige gevolgen heeft. B.10.2. Inzake het verhogen van de verkeersveiligheid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. B.10.3. Gelet op het gevaar dat dronken bestuurders op de weg vormen, kon de wetgever redelijkerwijs oordelen dat het opleggen van een alcoholslot voor een minimumperiode van één jaar een noodzakelijke maatregel was. B.10.4. Die maatregel, die de betrokken overtreders de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden motorvoertuigen te mogen blijven besturen en die tegelijkertijd de 12 veiligheid van eenieder waarborgt, heeft geen onevenredige gevolgen. De minimumduur van één jaar is evenmin overdreven. De kosten van die maatregel zijn weliswaar hoog voor bepaalde overtreders, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de mogelijkheid, vastgelegd in artikel 37/1, § 3, van de wet van 16 maart 1968, om het bedrag van de geldboete te verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van het alcoholslot. Die overtreders blijven evenwel vrij om van de installatie van dat apparaat af te zien en te opteren voor een feitelijk verval van het recht tot sturen. Gelet op zijn ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot het verbeteren van de verkeersveiligheid, kon de wetgever oordelen dat zulk een feitelijk verval, met een minimumduur van één jaar, een redelijke maatregel was ten aanzien van het nagestreefde doel. B.11. Artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968, in zoverre het voorziet in een maatregel tot het opleggen van een alcoholslot voor een minimumduur van één jaar, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 december 2024. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.148 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210303.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220601.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231018.2F.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.