id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.148 Arrest- Rolnummer: 148/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-16 Raadplegingen: 698 - laatst gezien 2026-06-18 18:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Alcoholopname en dronkenschap - Rijden onder invloed van alcohol - Alcoholslot - Minimumduur van één jaar Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 148/2024 van 4 december 2024 Rolnummer : 8064 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juli 2023, heeft de Politierechtbank te Luik, afdeling Luik, een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 20 september 2023 als volgt werd geherformuleerd : « Schendt artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de rechter, krachtens die bepaling, indien hij geen toepassing maakt van artikel 42 van dezelfde wet, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder kan beperken voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang zonder mogelijkheid tot herziening van de maatregel, terwijl na toepassing van artikel 42 een herstel zou kunnen worden gevraagd na een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan waarbij de overtreder is veroordeeld tot het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Evrard de Lophem, mr. Germain Haumont en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op een persoon die voor de Politierechtbank te Luik, afdeling Luik, wordt vervolgd wegens het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap, waarbij een alcoholconcentratie van 0,57 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht werd gemeten en met de omstandigheid dat die persoon zich in staat van herhaling bevond aangezien zij minder dan drie jaar eerder voor hetzelfde misdrijf was veroordeeld door de Politierechtbank te Luik, afdeling Hoei. Bij dat eerste misdrijf werd bij die persoon een alcoholconcentratie van 1,16 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht gemeten. Het verwijzende rechtscollege verzocht om het advies van een arts over de geschiktheid van die persoon om een voertuig te besturen. Die arts maakte een verslag op, waarbij hij oordeelde dat de beklaagde voor het verwijzende rechtscollege wegens haar alcoholverslaving niet geschikt was om een motorvoertuig te besturen in de zin van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat het twee verschillende regelingen kan toepassen : enerzijds, de regeling van artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968, die voorziet in een beperking van de geldigheid van het rijbewijs tot de motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot of, anderzijds, de regeling van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968, met betrekking tot de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen, die voorziet in een verval van het recht tot sturen. Het verwijzende rechtscollege geeft aan dat een alcoholslot in de praktijk voor heel wat veroordeelden niet kan worden overwogen wegens de kosten ervan, waardoor hun het recht tot sturen volledig wordt ontnomen, terwijl personen die op grond van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 veroordeeld zijn tot een verval van het recht tot sturen, na een termijn van zes maanden een herziening kunnen vragen. Het vraagt zich af of dat verschil in behandeling discriminerend is. Het rechtscollege beslist bijgevolg om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat de twee in de prejudiciële vraag geïdentificeerde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn doordat de personen van de ene categorie niet geschikt zijn om een voertuig te besturen om medische redenen, zoals een alcoholverslaving, terwijl de personen van de andere categorie geschikt zijn om te rijden, maar roekeloos gedrag vertonen door te rijden in staat van dronkenschap. A.2. In de veronderstelling dat die twee categorieën vergelijkbaar zouden zijn, voert de Ministerraad aan dat het in de prejudiciële vraag omschreven verschil in behandeling op een objectief criterium berust en dat het verantwoord is omwille van de veiligheid. Het verschil tussen een gedraging die het gevolg is van een medische 3 aandoening zoals alcoholisme en een onverantwoorde en roekeloze gedraging rechtvaardigt immers dat die gedragingen met verschillende sancties worden bestraft : in het eerste geval de loutere intrekking van het recht tot sturen, in het tweede een omkaderd recht tot sturen. De Ministerraad doet eveneens gelden dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid geniet inzake het bevorderen van de verkeersveiligheid en dat hij bijgevolg vermocht, met de aanneming van artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968, de gevallen uit te breiden waarin een alcoholslot kan of moet worden opgelegd, aangezien het om een doeltreffende maatregel gaat in de strijd tegen onverantwoord en roekeloos rijgedrag. De Ministerraad voegt eraan toe dat de wetgever die regeling daarentegen niet vermocht uit te breiden tot de personen die alcoholverslaafd zijn, overeenkomstig bijlage III van de richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 « betreffende het rijbewijs ». A.3. De Ministerraad doet nog gelden dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft voor personen die tot de twee vergeleken categorieën behoren. In tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege veronderstelt, is het niet gemakkelijker om het recht tot sturen terug te krijgen wanneer men ervan vervallen is verklaard op grond van artikel 42 van de wet van 16 maart 1968 dan wanneer men een alcoholslot heeft opgelegd gekregen op grond van artikel 37/1 van dezelfde wet, omdat de betrokkene het bewijs moet leveren dat hij niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen. Heel vaak kan dat bewijs pas worden geleverd na afloop van een lange behandeling, zoals een ontwenningskuur die met succes werd beëindigd door een alcoholverslaafde patiënt. De Ministerraad zet nog uiteen dat de wetgever rekening heeft gehouden met de hoge kosten voor de installatie van een alcoholslot, aangezien hij, in paragraaf 3 van artikel 37/l van de wet van 16 maart 1968, uitdrukkelijk heeft bepaald dat het betrokken rechtscollege die kosten kan aftrekken van het bedrag van de aan de overtreder op te leggen geldboete. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968), zoals gewijzigd bij de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » (hierna : de wet van 6 maart 2018), dat bepaalt : « § 1. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 36, kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of geen toepassing maakt van artikel 42, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, indien de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als 4 bedoeld in het eerste lid. Indien de rechter evenwel verkiest om deze sanctie niet op te leggen, motiveert hij dit uitdrukkelijk. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 36, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, § 6. § 2. Evenwel kan de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt overeenkomstig § 1. De beperkte geldigheid moet wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van § 1 werd begaan. § 3. De rechter kan de geldboete verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. § 4. Met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 500 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode die ten minste even lang is als de periode waarin de geldigheid van het rijbewijs werd beperkt, wordt gestraft hij die is veroordeeld wegens overtreding van dit artikel en een motorvoertuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is en dat niet uitgerust is met het opgelegde alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma ». B.1.2. Een alcoholslot is een « inrichting die het starten van een motorvoertuig verhindert, tenzij de bestuurder een ademtest aflegt met als meetresultaat een alcoholconcentratie beneden de ingestelde drempel » (artikel 2.1 van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 26 november 2010 « betreffende de technische specificaties van de alcoholsloten bedoeld in artikel 61sexies van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer »). Krachtens artikel 61quinquies, § 2, van de wet van 16 maart 1968 is die drempel thans ingesteld op 0,09 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (hierna : mg/l UAL). B.1.3. De maatregel tot plaatsing van een alcoholslot is opgevat als een beperking van de geldigheid van het rijbewijs : het rijbewijs van de veroordeelde persoon is slechts geldig voor voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. B.1.4. Artikel 37/1, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 laat de politierechtbank die de overtreder veroordeelt op grond van de misdrijven bedoeld in artikel 34, § 2, artikel 35 5 in geval van dronkenschap of artikel 36 van de wet van 16 maart 1968, toe om de overtreder als bijkomende maatregel een alcoholslot op te leggen. Sedert de inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 is de politierechtbank verplicht om een alcoholslot op te leggen in geval van een zeer hoge alcoholconcentratie (artikel 37/1, § 1, tweede lid) en in geval van ernstige herhaling (artikel 37/1, § 1, derde lid). Krachtens artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 moet de politierechtbank de overtreder steeds een alcoholslot opleggen indien hij zich in staat van herhaling bevindt in de zin van artikel 36 van dezelfde wet en de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 mg/l UAL meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 promille aangeeft. B.1.5. Met de wet van 12 juli 2009 « tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat het invoeren van het alcoholslot betreft » (hierna : de wet van 12 juli 2009) heeft de wetgever het alcoholslot ingevoerd. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De voortschrijdende technologie heeft het immers mogelijk gemaakt om nog veel meer preventief te werken door de installatie van een alcoholslot op het voertuig. Dit apparaat, ingebouwd in het voertuig, verhindert dat het voertuig start indien de bestuurder niet in het toestel geblazen heeft of indien het een te hoog alcoholgehalte registreert. Het apparaat heeft zijn nut reeds meer dan voldoende bewezen : ervaringen in de VSA en Canada hebben uitgewezen dat het verplichten van een alcoholslot de alcoholrecidive gedurende de periode dat zij verplicht functioneren fors doet dalen, zelfs tot 95 %. Ook een Europese studie van het BIVV omtrent het gebruik van het alcoholslot in verschillende types van motorvoertuigen komt tot zeer positieve conclusies. [...] Met dit wetsvoorstel willen wij ook in ons land het alcoholslot een rol laten spelen in de preventie van het alcoholgebruik achter het stuur » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1856/001, pp. 3-4). De wet van 12 juli 2009 verplichtte de politierechtbank nooit om een alcoholslot op te leggen. De rechtscolleges hadden « de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om een alcoholslot op te leggen gedurende één tot vijf jaar of voorgoed, aan verkeersovertreders met 6 een alcoholgehalte vanaf 0,8 promille, aan overtreders in staat van dronkenschap of in staat van herhaling » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, pp. 5-6). B.1.6. Met de wet van 6 maart 2018 heeft de wetgever, vanuit de vaststelling dat de mogelijkheid om een alcoholslot op te leggen niet vaak genoeg werd gebruikt, die maatregel verplicht gemaakt in bepaalde gevallen (ibid., p. 7). Die verplichting voor de politierechtbank om in bepaalde gevallen een alcoholslot op te leggen, houdt verband met de doelstelling die met de wet van 6 maart 2018 wordt nagestreefd, namelijk het aantal verkeersslachtoffers drastisch verminderen door uitvoering te geven aan de belangrijkste aanbevelingen van de Staten-Generaal van de Verkeersveiligheid 2015 (ibid., p. 5). De principiële verplichting om een alcoholslot op te leggen in geval van een zeer hoge alcoholconcentratie wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Het opportuniteitsoordeel van de rechter om een alcoholslot uit te spreken wordt ook aan banden gelegd in geval de beschonken overtreder een manifest gevaar op de weg betekende, namelijk bij een zeer hoge alcoholconcentratie vanaf 1,8 promille enkel mits uitdrukkelijke motivatie kan de rechter hier per uitzondering van afwijken. Als men bij een alcoholcontrole van de politie tegen de lamp loopt, is het meestal niet de eerste keer dat men teveel gedronken heeft. Hoe hoger de alcoholconcentratie, hoe sterker er een vermoeden van alcoholafhankelijkheid bestaat : Nederlands onderzoek wees uit dat bij 1,3 promille 13 % recidivist was, tot 1,8 promille 21 % en die met een hogere promillage zelfs 50 %. We weten dat alcohol achter het stuur een van de drie belangrijkste ‘ killers ’ is op de weg, dus een strengere aanpak is nodig. 1,8 promille staat gelijk aan het drinken van zo’n 8 à 11 glazen alcohol op een korte tijdspanne van twee uur en resulteert in een zeer dronken toestand en ongecontroleerde bewegingen (zelfs bij 1,0 promille is er bij de meeste mensen al sprake van dronkenschap). We weten uit statistieken dat meer dan 40 % van de personen die rijden onder invloed van alcohol zware alcoholovertreders zijn en boven 1,2 promille zitten. Momenteel komen deze overtreders er van af - als ze al geen ongeval veroorzaken - met een geldboete (vaak met uitstel) en een verval van enkele weken. Dat in combinatie met de te lage pakkans geeft geen ontradend effect en zorgt ervoor dat er op onze wegen al te veel tikkende tijdbommen rondrijden » (ibid., pp. 10-11). De verplichting om een alcoholslot op te leggen in geval van zware recidive wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : 7 « In geval van alcoholrecidive vanaf 1,2 promille in het bloed hetzij 0,50 mg/l UAL moeten voortaan, naast het verplichte alcoholslot, ook de vier herstelexamens en een periode van minstens drie maanden vervallenverklaring worden opgelegd (cumul art. 37/1 en 38, § 6). De rechter beschikt dan niet langer over de mogelijkheid om geen alcoholslot op te leggen. In geval van zo’n zware alcoholrecidive is het duidelijk dat deze persoon rijden en drinken niet gescheiden kon houden en zijn zware sancties vereist » (ibid., p. 3). In de parlementaire voorbereiding wordt uitgelegd dat overtreders ervoor kunnen opteren af te zien van een alcoholslot : « De veroordeelde kan er ook voor opteren om geen alcoholslot in zijn motorvoertuig(
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.