id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.156 Arrest- Rolnummer: 156/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-30 Raadplegingen: 309 - laatst gezien 2026-06-16 12:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.19.2) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », ingesteld door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen » en anderen en door Dirk Bus en anderen. Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Administratief kort geding - Nieuwe cumulatieve voorwaarde - Voorwaarde dat het onderzoek zich leent tot een versnelde behandeling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 156/2024 van 19 december 2024 Rolnummers : 8067, 8068, 8075 en 8080 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », ingesteld door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen » en anderen en door Dirk Bus en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 18, 24 juli 2023 en 2 september 2023 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 19, 25 juli 2023 en 5 september 2023, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 2023) ingesteld door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », Dirk Bus, Jean de Ghellinck D’Elseghem Vaernewyck, Pascal Malumgré en Jan Creve, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 september 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 september 2023, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van dezelfde wet ingesteld door Dirk Bus, Jean de Ghellinck d’Elseghem Vaernewyck, Pascal Malumgré en Jan Creve, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8067, 8068, 8075 en 8080 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 2 Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8067, 8068 en 8075); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled, mr. Sebastiaan De Meue en mr. Junior Geysens, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 23 oktober 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.
- De Ministerraad voert aan dat de beroepen in de zaken nrs. 8067, 8068, 8075 en 8080 onontvankelijk zijn omdat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang. Hij stelt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij door het bestreden artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » (hierna : de wet van 11 juli 2023) rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. Zij maken allereerst immers niet aannemelijk dat zij in hangende of imminente procedures voor de Raad van State betrokken zijn. De verzoekende partijen in de zaken nrs 8068 en 8075 tonen overigens niet aan op welke wijze de bestreden bepaling raakt aan hun statutaire doelstellingen. Volgens hem zijn de gevolgen die de verzoekende partijen aan de bestreden bepaling toeschrijven overigens te hypothetisch en te indirect. Hij betoogt dat de scenario’s en hypotheses die de verzoekers aanvoeren niet voortvloeien uit de bestreden bepaling, maar uit de toepassing die de Raad van State ervan zou kunnen maken. Volgens hem steunen de middelen van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8067 en 8068 op onjuiste en hypothetische gevolgtrekkingen die niet zonder meer aan de bestreden bepaling kunnen worden toegeschreven. In de zaak nr. 8075 worden zeer specifieke hypotheses aangevoerd zonder dat de verzoekende partijen enigszins aannemelijk maken dat zij ooit daarmee zullen worden geconfronteerd. A.1.
- De verzoekende partijen merken allereerst op dat zij in hun verzoekschriften niet expliciet hun belang dienen aan te tonen. Zij verzetten zich ook tegen de door de Ministerraad zeer algemeen geformuleerde excepties van onontvankelijkheid. De stijlformules gaan niet op omdat hun belang bovendien ook uit het geheel van het verzoekschrift kan worden afgeleid en de Ministerraad hun belang niet ontkracht. Iedereen heeft het grondwettelijk recht van toegang tot de rechter. Bijgevolg hebben de verzoekende partijen eveneens belang bij de vernietiging van de nieuwe beperkingen of uitzonderingsgronden, ingesteld door artikel 5 van de wet van 11 juli
- Ontegensprekelijk griefhoudend zijn de nieuwe procedurele beperkingen die de wetgever heeft ingesteld. Het is daarbij irrelevant dat de bestreden bepaling een reeds bestaande beperking heeft bevestigd na een nieuw onderzoek. 3 De thans bestreden bepalingen raken ook rechtstreeks aan een wezenlijk aspect van de democratische rechtsstaat dat dermate essentieel is dat de vrijwaring ervan alle burgers aanbelangt. Zij wijzen ook erop dat zij, ofwel als partij, ofwel als advocaat, betrokken zijn (geweest) bij procedures voor de Raad van State. Zij betwisten ook dat zij zich enkel beroepen op uitzonderlijke, specifieke hypotheses waardoor er twijfel zou zijn of zij rechtstreeks en ongunstig zouden worden geraakt. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat de beroepen in de zaken nrs. 8075 en 8080 te laat zijn ingesteld, aangezien zij uitsluitend gericht zijn tegen bepalingen die de herneming zijn van bestaande regels, die enkel zijn onderworpen aan een hernummering. Volgens hem zijn artikel 17, § 9 en artikel 17, § 10, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de wet van 12 januari 1973), zoals ingevoegd door de bestreden bepaling, gelijkluidend aan het voorheen geldende artikel 17, § 6 en artikel 17, § 7, van de wet van 12 januari
- Hij voegt nog eraan toe dat het bij de bestreden bepaling gewijzigde artikel 17, § 3, van diezelfde wet, behoudens een beperkte invoeging van een zinssnede, die de verzoekende partijen in de zaak nr. 8080 niet bekritiseren, niet zou verschillen van het voorheen geldende artikel 17, § 3, van de wet van 12 januari
- Bijgevolg zijn die beroepen in werkelijkheid niet gericht tegen nieuwe bepalingen en derhalve te laat ingesteld. Het gaat volgens de Ministerraad om louter bevestigende wetgeving waarbij de wetgever niet opnieuw zou hebben gelegifereerd, doch vooral gecoördineerd. A.2.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 8080 zijn van oordeel dat artikel 17, § 3, van de wet van 12 januari 1973 enkel deels bestaande wetgeving heeft bevestigd, maar dat er rekening moet worden gehouden met de globale procedurele hervorming van het administratief kortgeding, zodat er wel voldoende nieuwigheden ingesteld zijn en dus wel degelijk sprake is van een nieuw normerend optreden van de wetgever. De wetgever heeft de inhoud niet louter bevestigd zonder enig nieuw onderzoek noch nieuwe gegevens. Hij heeft op basis van een nieuw voortschrijdend inzicht tegen de achtergrond van een uitbreiding van het personele kader het gehele artikel 17 van de wet van 12 januari 1973 hervormd. De eventueel bevestigende passages resulteren uit nieuw onderzoek in het licht van andere omstandigheden. Het beroep is derhalve niet te laat ingesteld. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8075 zijn mutatis mutandis om de hiervoor vermelde redenen van oordeel dat het beroep tegen artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari 1973 niet te laat is ingesteld. Wat betreft de zaken nrs. 8067 en 8068 A.3.
- De verzoekende partijen leiden in de respectieve zaken nrs. 8067 en 8068 een enig middel af uit de schending door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 van de artikelen 10, 11, 13, 16, 19, 20, 21, 22, 22bis, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 142 en 160 van de Grondwet, de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het voormelde Verdrag, het Protocol nr. 16 bij het voormelde Verdrag, het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot de rechter en het standstill-beginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van voorzorg in leefmilieuzaken, de artikelen 7, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 4 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU) en het samenwerkingsbeginsel, de artikelen 191 en 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), het beginsel van effectieve rechtsbescherming van de door het Unierecht aan de justitiabelen verleende rechten, de artikelen 1, 3, 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus, de artikelen 4, 6, 9 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) » (hierna : de richtlijn 2011/92/EU), en met artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. A.3.
- Het enige middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, in zoverre het middels artikel 17, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 12 januari 1973 een nieuwe, cumulatieve procedurele voorwaarde inzake het administratief kortgeding vaststelt ingevolge de zinssnede « waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en ». A.4.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 191 en 267 van het VWEU, van de artikelen 4 en 6 van het VEU en van de overige in het enige middel aangehaalde beginselen van het Unierecht. De bestreden voorwaarde ondergraaft en beperkt op ongrondwettige wijze de waarborgen die het Unierecht verleent. De bestreden voorwaarde maakt het vervolgens onmogelijk dat de Raad van State, bij wijze van incident, over de wettigheid van Uniehandelingen een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zou voorleggen. De Raad van State zou bovendien worden verhinderd om in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie een opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te verkrijgen. Volgens hen kan de Raad van State in een door het Unierecht beheerst rechtsgeding 4 ingevolge de bestreden voorwaarde evenmin voorlopige maatregelen opleggen om de volle werking van het Unierecht te waarborgen. Deze schending van het Unierecht brengt volgens de verzoekende partijen automatisch een onverantwoord verschil in behandeling met zich mee van een categorie van personen aan wie de door het Unierecht gewaarborgde rechten worden ontzegd. A.4.
- In ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen : « Verzetten artikel 267 van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 4.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot een rechter, het beginsel van de gemeenschapstrouw en het beginsel van effectieve rechtsbescherming van de door het gemeenschapsrecht aan de justitiabelen verleende rechten, afzonderlijk beschouwd en in samenhang genomen met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zich niet tegen de nationale regeling, bepaald in artikel 5 van de wet van [11] juli 2023 (tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973), Dit inzoverre met deze nieuwe nationale regeling het voorschrift, bepaald in voormalig artikel 17, § 1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals vervangen door de wet van 20 januari 2014 (houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State, Belgisch Staatsblad 3 februari 2014), dat ‘ Deze schorsing of deze voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; en 2° en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden ’, wordt vervangen door het nieuw meer beperkt voorschrift dat ‘ De schorsing of de voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; 2° en indien minstens één ernstig middel aangevoerd wordt waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden ’, - In acht genomen dat de nieuwe cumulatieve voorwaarde, - vervat in de aanvullende zin ‘ dat het onderzoek (van het ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden) zich leent voor een versnelde behandeling ’, - wordt verantwoord in de parlementaire memorie van toelichting als volgt (Parl. Stukken Kamer van volksvertegenwoordigers, 2022-2023, DOC 55- 3220/001, p. 16-17) : ‘ Het moet bovendien gaan om een middel “ dat zich leent tot een snelle behandeling in kortgeding ”. Deze omschrijving heeft geen betrekking op het aantal aangevoerde middelen, of op de omvang of de wijze van formulering van de toelichting bij het middel, maar wel op de aard van het aangevoerde middel. Van een partij die bijvoorbeeld een rechtstreekse schending van een richtlijn inroept in een schorsingsprocedure, mag worden verwacht dat zij ook aantoont waarom die richtlijn en niet de internrechtelijke regelgeving wordt aangevoerd (bijvoorbeeld wegens de laattijdige of onvolledige omzetting in intern recht), van de rechter in kortgeding kan niet worden geëist dat hij dit onderzoek zonder de aanwijzingen van de verzoekende partij verricht in een procedure gekenmerkt door de zogenaamde summaria cognitio. ’ ? ». A.5.
- In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de aldus bestreden voorwaarde op onevenredige wijze de toegang tot de rechter beperkt, zoals gewaarborgd bij de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU en artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. Zo kan de Raad van State volgens hen immers niet langer de schorsing en/of voorlopige maatregelen bevelen tenzij het onderzoek van het aangevoerde middel zich leent voor een versnelde behandeling. Het gaat om een te verregaande beperking van de toegang tot het administratief kortgeding bij de Raad van State en van de mogelijkheid om een schorsing en/of voorlopige maatregelen te verkrijgen, aangezien een rechtzoekende voor de Raad van State reeds een ernstig middel dient aan te voeren. De wetgever streeft geen wettig doel na en de verzoekende partijen zien niet in welke wettige doelstelling de wetgever met de bestreden voorwaarde zou nastreven. Het is in ieder geval geen wettige doelstelling om louter voorop te stellen dat van de rechter in kortgeding niet kan worden geëist dat hij dat onderzoek zonder de aanwijzingen van de verzoekers verricht in een procedure die wordt gekenmerkt door de zogenaamde summaria 5 cognitio. Of het onderzoek van het middel zich al dan niet leent voor een versnelde behandeling is noch een pertinente, noch een redelijk verantwoorde beperking van de toegang tot de Raad van State. Zelfs indien wordt aangenomen dat er een wettig doel zou zijn, dan is het nog kennelijk onredelijk om de behandeling van het administratief kortgeding in het nadeel van verzoekers te bezwaren en uit te stellen met de nieuwe, cumulatieve voorwaarde. De aangevoerde schending geldt des te meer in omgevingszaken. De bestreden voorwaarde doet volgens de verzoekende partijen ook afbreuk aan de standstill-verplichting, voortvloeiend uit artikel 3 van het Verdrag van Aarhus en uit artikel 23 van de Grondwet. Er is immers een aanzienlijke achteruitgang ingevolge de bestreden voorwaarde. In omgevingszaken is het algemeen belang overigens niet gediend door de behandeling van het administratief kortgeding in het nadeel van de verzoekers te bezwaren en zelfs uit te stellen met de bestreden voorwaarde. Aldus is volgens de verzoekende partijen de standstill-verplichting eveneens geschonden. Volgens de verzoekende partijen maakt de bestreden voorwaarde ook het onderzoek van middelen van openbare orde onmogelijk, zelfs indien die middelen van openbare orde expliciet door verzoekers zouden zijn opgeworpen, louter omdat ze zich niet lenen voor een versnelde behandeling. In dat opzicht is er sprake van een aanzienlijke achteruitgang. In omgevingszaken is het algemeen belang niet gediend door de bestreden voorwaarde waarbij het onderzoek van middelen van openbare orde is uitgesloten. A.5.
- De verzoekende partijen vragen het Hof om volgend verzoek tot advies over de uitlegging van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voor te leggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens : « Dienen artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (afgekort : EVRM) in die zin te worden uitgelegd en toegepast dat de artikelen 6, 13 en 14 EVRM zich niet verzetten tegen de nationale regeling, bepaald in artikel 5 van de wet van [11] juli 2023 (tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973), Dit inzoverre met deze nieuwe nationale regeling het voorschrift, bepaald in voormalig artikel 17, § 1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals vervangen door de wet van 20 januari 2014 (houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State, Belgisch Staatsblad 3 februari 2014), dat ‘ Deze schorsing of deze voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; en 2° en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden ’, wordt vervangen door het nieuw meer beperkt voorschrift dat ‘ De schorsing of de voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; 2° en indien minstens één ernstig middel aangevoerd wordt waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden ’, In acht genomen dat de nieuwe cumulatieve voorwaarde, - vervat in de aanvullende zin ‘ dat het onderzoek (van het ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden) zich leent voor een versnelde behandeling ’, - wordt verantwoord in de parlementaire memorie van toelichting als volgt (Parl. Stukken Kamer van volksvertegenwoordigers, 2022-2023, DOC 55- 3220/001, p. 16-17) : ‘ Het moet bovendien gaan om een middel ”dat zich leent tot een snelle behandeling in kortgeding. ” Deze omschrijving heeft geen betrekking op het aantal aangevoerde middelen, of op de omvang of de wijze van formulering van de toelichting bij het middel, maar wel op de aard van het aangevoerde middel. Van een partij die bijvoorbeeld een rechtstreekse schending van een richtlijn inroept in een schorsingsprocedure, mag worden verwacht dat zij ook aantoont waarom die richtlijn en niet de internrechtelijke regelgeving wordt aangevoerd (bijvoorbeeld wegens de laattijdige of onvolledige om zetting in intern recht), van de rechter in kortgeding kan niet worden geëist dat hij dit onderzoek zonder de aanwijzingen van de verzoekende partij verricht in een procedure gekenmerkt door de zogenaamde summaria cognitio. ’? ». A.
- In een derde onderdeel voeren zij aan dat de bestreden voorwaarde voorziet in een gelijke behandeling van alle middelen, ongeacht of zij van openbare orde zijn of niet. Zij stellen dat niet redelijkerwijs kan worden 6 verantwoord dat de bestreden voorwaarde ook geldt ten aanzien van de ambtshalve op te werpen of aan te vullen middelen van openbare orde. Aangezien de middelen van openbare orde de persoonlijke belangen overstijgen, kan en mag van de rechter worden verwacht dat dij worden onderzocht ook al zijn de aanwijzingen van de verzoeker onvoldoende of niet bestaande. A.
- In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat niet in een soortgelijke voor de verzoekers verzwarende procedurele voorwaarde en derhalve afbouw van de rechtsbescherming, wat betreft de kortgedingprocedures inzake overheidsopdrachten, is voorzien in de wet van 17 juni 2013 « betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies » (hierna : de wet van 17 juni 2013). Er is geen aanneembare reden om zulks wel voor de gemeenrechtelijke schorsingsprocedures te voorzien. A.
- In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen ten slotte aan dat de bestreden voorwaarde afbreuk doet aan het gelijkheidsbeginsel, het recht op toegang tot de rechter en de standstill-verplichting doordat zij steeds toepassing vindt ongeacht of de verweerder al dan niet het gehele administratieve dossier heeft neergelegd. Het opleggen van een strengere voorwaarde aan verzoekers in het geval van het niet-overleggen van het dossier gaat niet op, in het bijzonder omdat zij geen aandeel hebben in de praktijk van een verweerder om een administratief dossier niet neer te leggen in de loop van het kortgeding. Een eventuele verplichting tot het neerleggen van dat dossier in de loop van de vernietigingsprocedure brengt geen soelaas. Volgens de verzoekende partijen is er bovendien geen sprake van een wettige doelstelling, noch van een redelijke verantwoording om deze voorwaarde ook op te leggen wanneer het administratieve dossier niet is neergelegd. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het enige middel in de zaken nrs. 8067 en 8068 minstens gedeeltelijk onontvankelijk is. De uiteenzetting van het middel voldoet niet aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
- Zo zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 de artikelen 142 en 160 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Protocol nr. 16 bij dat Verdrag, het beginsel van voorzorg in leefmilieuzaken, de artikelen 7 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 1, 3, 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus en de artikelen 4, 6 en 9 van de richtlijn 2011/92/EU zou schenden. Evenmin zetten zij uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 16, 20, 21, 22, 22bis, 26 en 27 van de Grondwet zou schenden. In de mate waarin het enige middel is afgeleid uit een schending van die bepalingen, is het onontvankelijk. A.10.
- De Ministerraad betoogt vervolgens dat het middel van de verzoekende partijen is gesteund op de verkeerde premisse dat de bestreden bepaling een nieuwe cumulatieve voorwaarde inzake het administratief geding invoert. Volgens hem blijven de spoedeisendheid en de ernst van het middel de twee cumulatief te vervullen schorsingsvoorwaarden. Er is geen sprake van een bijkomende, cumulatief te vervullen schorsingsvoorwaarde zodat er geen sprake is van een verzwaring van de procedure. Volgens de Ministerraad is de toevoeging van de zinssnede « waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling » louter een codificatie van de rechtspraak van de Raad van State. Het is volgens hem bovendien slechts een verduidelijking van de wettelijke voorwaarde inzake de ernst van het middel. Die toegevoegde vereiste inzake het middel is verantwoord in het licht van de rechten van verdediging van de verweerder, die slechts over zeer korte termijnen beschikt om te reageren. Gelet op de verkeerde premisse, is het middel niet gegrond. A.10.
- Wat het eerste onderdeel betreft, herinnert de Ministerraad nogmaals eraan dat de schorsingsvoorwaarden nog steeds dezelfde zijn, met name
(1)de spoedeisendheid en
(2)een ernstig middel. Indien aan deze twee voorwaarden is voldaan, kan een schorsing of voorlopige maatregel worden bevolen. De bestreden bepaling wijzigt niets hieraan. Er is geen sprake van een bijkomende cumulatieve voorwaarde. In de mate dat de verzoekende partijen beweren dat de bestreden bepaling zou beletten dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden akte wordt opgelegd, dan wel dat voorlopige maatregelen worden bevolen, mist het middel bijgevolg feitelijke grondslag. Niets staat eraan in de weg dat de Raad van State een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie in het kader van een administratief kortgeding en intussen de bestreden akte voorlopig in haar tenuitvoerlegging schorst, of, in afwachting van het arrest, de nodige maatregelen beveelt met het oog op het vrijwaren van de rechten van partijen. De bestreden bepaling wijzigt niets hieraan. Op geen enkele manier ontzegt zij deze mogelijkheid aan de Raad van State. Zij bevestigt alleen de rechtspraak van de Raad van State dat het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie in principe niet verenigbaar is met een kortgedingprocedure. Maar zij sluit niet uit dat in deze fase toch reeds een prejudiciële vraag wordt gesteld. Het is dan ook volstrekt ten onrechte dat de verzoekende partijen beweren dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat de Raad van State per definitie aan het Hof van Justitie geen prejudiciële vraag meer zou kunnen stellen in het 7 kader van het administratief kortgeding en dat het niet meer zou kunnen besluiten tot het opleggen van voorlopige maatregelen of geen schorsing meer zou kunnen bevelen, in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie. Er is dus geen reden om de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen. A.10.
- Wat het tweede onderdeel betreft, wordt volgens de Ministerraad niet uiteengezet op welke manier het recht op de toegang tot de rechter zou worden geschonden zodat het onderdeel om die reden alleen niet gegrond is. Bovendien beweren de verzoekende partijen ten onrechte dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat de Raad van State niet langer ambtshalve middelen van openbare orde mag opwerpen in het raam van het administratief kortgeding. In werkelijkheid verzet de bestreden bepaling zich geenszins ertegen. Die stelling vindt geen steun in de tekst van de bestreden bepaling, noch in de parlementaire voorbereiding. Wel is het zo dat een middel van openbare orde, zoals elk ander middel dat wordt opgeworpen in een vordering tot schorsing, zich moet laten verenigen met de aard van de procedure in kortgeding. Dat betekent dat ook een middel van openbare orde dermate duidelijk moet zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. Indien een middel van openbare orde inderdaad getuigt van een evidente onwettigheid, en zich dus laat verenigen met de aard van de kortgedingprocedure, zal het middel wel worden behandeld. De bevoegdheid van de Raad van State wordt dan ook op geen enkele manier « beperkt ». Bijgevolg kan ook geen sprake zijn van een gebrek aan redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel, al dan niet in omgevingszaken. Om dezelfde redenen is er ook geen sprake van een aanzienlijke achteruitgang van het recht op toegang tot de rechter. De bestreden maatregel is overigens duidelijk en doet geen bijzondere moeilijkheden ontstaan op het vlak van uitlegging. Er is dan ook geen reden om aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een advies te vragen. A.10.
- Wat het derde onderdeel betreft, herinnert de Ministerraad eraan dat de bestreden bepaling geen bijkomende cumulatieve voorwaarde instelt in het kader van het administratief kortgeding. Het middelonderdeel steunt opnieuw op deze foute premisse, zodat het enkel om die reden ongegrond is. Ten tweede wijzigt de bestreden bepaling niets met betrekking tot de behandeling van middelen van openbare orde. Noch de tekst van die bepaling, noch de parlementaire voorbereiding ervan, verwijzen naar de (behandeling van de) middelen van openbare orde. Dat is ook logisch, omdat de theorie van de middelen van openbare orde een vrucht is van de rechtspraak van de Raad van State. De bestreden bepaling kán dan ook niets wijzigen in dat verband. De kritiek van de verzoekende partijen loopt wezenlijk vooruit op de manier waarop de Raad van State in de toekomst zal omgaan met de zogenaamde middelen van openbare orde in het kader van een procedure in kortgeding. Die kritiek heeft echter geen betrekking op de bestreden bepaling zelf. Er kan in dat verband worden herhaald dat de bestreden bepaling geenszins belet dat de Raad van State ambtshalve middelen van openbare orde opwerpt in het raam van het administratief kortgeding. Het is enkel zo dat een middel (van openbare orde) zich moet laten verenigen met de aard van de procedure in kortgeding. Het derde onderdeel is niet gegrond. A.10.
- Wat het vierde onderdeel betreft, betoogt de Ministerraad dat de verzoekende partijen uitgaan van een verkeerd uitgangspunt. De vorderingen tot schorsing tegen beslissingen van de aanbestedende instanties in de zin van de wet van 17 juni 2013 worden overeenkomstig dezelfde procedurele bepalingen behandeld. Daaruit volgt eveneens dat de bestreden bepaling wel degelijk van toepassing is op de vorderingen tot schorsing die worden ingediend tegen beslissingen van de aanbestedende instanties in de zin van de wet van 17 juni
- Het vierde onderdeel is niet gegrond. A.10.
- Wat het vijfde onderdeel betreft, herhaalt de Ministerraad allereerst dat de bestreden bepaling geen bijkomende cumulatieve voorwaarde introduceert in het kader van het administratief kortgeding. Het middelonderdeel steunt opnieuw op deze foute premisse, zodat het enkel om die reden ongegrond is. Ten tweede voeren de verzoekende partijen verschillende onjuiste aannames en gevolgtrekkingen aan. De verwerende partij die geen of een onvolledig administratief dossier neerlegt, wordt in de rechtspraak van de Raad van State op verschillende manieren gepenaliseerd. Het is vooreerst vaste rechtspraak van de Raad van State dat wanneer geen administratief dossier wordt neergelegd, de door de verzoekende partij aangevoerde feiten correct kunnen worden geacht, behoudens manifeste onjuistheid. Bovendien heeft de Raad van State reeds herhaaldelijk geoordeeld dat bij gebrek aan een administratief dossier, moet worden aangenomen dat de bestreden beslissing niet steunt op de rechtens vereiste grondslag, zodat het middel ernstig is. Ten tweede is het vaste rechtspraak van de Raad van State dat het volledige administratief dossier moet worden neergelegd en dat het niet aan de verwerende partij toekomt een schifting te maken in de stukken van het dossier en alzo te beslissen wat nuttig is om de regelmatigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. De Raad van State kan in dergelijk geval de integrale neerlegging van het administratief dossier bevelen. Dit kan eveneens in het kader van een administratief kortgeding. Ten derde wordt een laattijdig neergelegd administratief dossier, of laattijdig neergelegde stukken van dat dossier, in ieder geval uit de debatten geweerd. De bestreden bepaling wijzigt niets aan of heeft geen invloed op die rechtspraak. Die 8 rechtspraak blijft dan ook onverkort van toepassing. Het is kennelijk onjuist te stellen dat de Raad van State, indien de verwerende partij geen of een onvolledig administratief dossier neerlegt, niet anders kan besluiten dan dat de opgeworpen middelen zich niet lenen tot een versnelde behandeling. Het tegendeel lijkt overigens veeleer aannemelijk, omdat een administratief dossier kan bijdragen aan de complexiteit en techniciteit van de zaak, zodat een verder onderzoek ten gronde vereist is. Uit niets blijkt dan ook dat de bestreden bepaling tot gevolg zal hebben dat de verwerende partij eigenhandig kan bepalen dat de vordering tot schorsing en/of tot het opleggen van voorlopige maatregelen zal worden afgewezen, door eenvoudigweg geen of een onvolledig administratief dossier neer te leggen. Het tegendeel is veeleer aannemelijk, gelet op het nieuwe artikel 17, § 4, vijfde lid, van de wet van 12 januari 1973, waaraan de verzoekende partijen ten onrechte voorbijgaan. Het vijfde onderdeel is niet gegrond. Wat betreft de zaak nr. 8075 A.11.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet en het beginsel van toegang tot de rechter, de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de algemene beginselen van wettigheid, redelijkheid, vertrouwen en legitieme verwachtingen, en met de artikelen 7, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.11.
- Het eerste middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 in zoverre het een vermoeden van afstand van geding instelt wanneer niet (tijdig) een verzoek tot voortzetting van de procedure is ingediend na een afwijzend arrest (cfr. nieuw artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari 1973). A.11.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er sprake is van een onevenredige inperking van het recht op toegang tot de rechter in de omschreven hypothese dat verzoekers aanvankelijk een beroep tot nietigverklaring en pas vervolgens een vordering tot schorsing zouden instellen. In diezelfde hypothese worden in de vordering tot schorsing niet alle middelen opgenomen die in het vernietigingsberoep zijn uiteengezet, maar slechts die welke zich lenen tot een snelle behandeling in kortgeding. In diezelfde hypothese zou de Raad van State besluiten om die vordering tot schorsing te verwerpen. Volgens de verzoekende partijen is de toepassing van de vervaltermijn om een verzoek tot voortzetting in te dienen, rekening houdend met de sanctie indien dat niet gebeurt, niet redelijk verantwoord in het licht van de bijzonder significante verwezenlijkingen ingevolge de recente hervorming van de Raad van State. Volgens de verzoekende partijen is het in die bijzondere hypothese niet redelijk verantwoord dat het niet-indienen van een verzoek tot voortzetting de toepassing van het vermoeden van afstand van geding tot gevolg heeft. In een eerste addendum bij dat middelonderdeel beklemtonen de verzoekende partijen dat de onredelijkheid van de regeling des te meer vaststaat wanneer het vernietigingsberoep ook complexe middelen van openbare orde of aan het Unierecht ontleende middelen bevat. In een tweede addendum bij dat middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat respectievelijk volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moet worden gesteld, alsook het volgende verzoek tot advies aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet worden geformuleerd : « Verzetten artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot een rechter, het beginsel van de gemeenschapstrouw en het beginsel van effectieve rechtsbescherming van de door het gemeenschapsrecht aan de justitiabelen verleende rechten, afzonderlijk beschouwd en samen genomen, zich niet tegen de nationale regeling, bepaald in artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 (tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973) (Belgisch Staatsblad 24 juli 2023), waarbij het vervangen artikel 17, § 10 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat ‘ Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding (= het annulatieberoep) indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure (= annulatieprocedure) indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest. ’, doordat het onderzoek van het annulatieberoep na het afwijzen van het administratieve kortgeding (namelijk met het doorlopen van de annulatieprocedure) is ondergeschikt aan het indienen van een ‘ verzoek tot voortzetting van de procedure ’(binnen een termijn van 30 dagen) wanneer verzoekers zich per hypothese hebben geschikt naar de procedurele aanbeveling (van de wetgever) dat ‘ (vermits) het gewone kortgeding niet meer gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld, zullen de verzoekers kunnen aangeven welke middelen sneller 9 onderzocht zullen kunnen worden en welke middelen een complexer onderzoek vergen ’ (bewoordingen in Parl. St. Kamer van Volksvertegenwoordigers, [2022-2023,] nr. 55 3320/001, p. 16-17), en doordat de middelen van openbare orde en de middelen ontleend aan het Unierecht die beiden ‘ een complexer onderzoek vergen ’, per hypothese nochtans niet aan de Raad van State zijn voorgelegd in het administratieve kortgeding, doch enkel in het annulatieberoep waarover de Raad van State zich bijgevolg nog niet heeft uitgesproken, doch ten aanzien van hetwelk artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 (dat artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vervangt) een vermoeden van afstand van geding instelt en oplegt ? ». « Verzetten de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens zich niet tegen de nationale regeling, bepaald in artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 (tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973) (Belgisch Staatsblad 24 juli 2023), - hierna de wet van 11 juli 2023 - waarbij het vervangen artikel 17, § 10 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat ‘ Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding (= het annulatieberoep) indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure (= annulatieprocedure) indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest. ’, doordat het onderzoek van het annulatieberoep na het afwijzen van het administratieve kortgeding (namelijk met het doorlopen van de annulatieprocedure) ook is ondergeschikt aan het indienen van een ‘ verzoek tot voortzetting van de procedure ’ (binnen een termijn van 30 dagen), ook wanneer verzoekers zich per hypothese hebben geschikt naar de procedurele aanbeveling (van de wetgever) dat ‘ (vermits) het gewone kortgeding niet meer gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld, zullen de verzoekers kunnen aangeven welke middelen sneller onderzocht zullen kunnen worden en welke middelen een complexer onderzoek vergen ’ (bewoordingen in Parl. St. Kamer van Volksvertegenwoordigers, [2022-2023,] DOC 55-3320/001, p. 16-17), en doordat de middelen die ‘ een complexer onderzoek vergen ’, per hypothese dus niet aan de Raad van State zijn voorgelegd in het administratieve kortgeding, doch enkel zijn voorgelegd in het annulatieberoep waarover de Raad van State zich bijgevolg nog niet heeft uitgespreken, doch ten aanzien van hetwelk artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 (dat artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vervangt) een vermoeden van afstand van geding instelt en oplegt, tevens in acht genomen dat het nationaal algemeen procesrecht via artikel 824, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek als lex generalis bepaalt : ‘ Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering ’ ? ». A.11.
- In een tweede onderdeel voeren zij aan dat de bestreden maatregel strijdig is met het recht op toegang tot de rechter in de hypothese waarin een verzoeker bij de Raad van State zowel een vordering tot schorsing als tot oplegging van voorlopige maatregelen indient, en waarbij de vordering tot schorsing wordt ingewilligd, terwijl het verzoek tot oplegging van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Ook in die hypothese is er volgens de verzoekende partijen sprake van een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter. A.11.
- In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de wet van 11 juli 2023 noopt tot een geactualiseerde beoordeling van de beperkingen en voorwaarden inzake het administratief kortgeding. Volgens de verzoekende partijen kunnen de oude doelstellingen van het vervangen artikel 17, § 4ter, van de wet van 12 januari 1973 de thans bestreden regel niet verantwoorden. Het argument dat een afwijzing van een schorsingsverzoek aanwijzingen bevat over de afloop van het geding die de verzoeker ertoe kunnen brengen de procedure voort te zetten, is immers achterhaald door de wet van 11 juli
- De voorspelbare afwijzingsgronden wegens gebrek aan spoedeisendheid of wegens het feit dat het onderzoek van het aangevoerde middel – ook al is het ernstig – zich niet leent voor een versnelde behandeling, houden volgens de verzoekende partijen geen enkele aanwijzing in omtrent de afloop van het geding. Bovendien wordt er ingevolge de nieuwe voorwaarde geen uitspraak gedaan over de complexe middelen zodat er ook geen sprake kan zijn van enige aanwijzingen ter zake. Zij merken ook op dat de parlementaire voorbereiding geen verantwoording bevat met betrekking tot het nieuwe artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari
- In dat verband merken zij op dat een aantal procedurele wijzigingen de argumentatie inzake het onnodig rekken van de procedure ook onderuithalen. Zij verwijzen daarbij in het bijzonder naar de nieuwe regeling betreffende de procedurekalender, de doorlooptijden en de termijnen waarbinnen een verslag van het auditoraat wordt overgemaakt aan een kamer van de Raad en waarbinnen het arrest wordt uitgesproken. Het is volgens de verzoekende partijen kennelijk onredelijk om de verzoekers wier vordering is afgewezen te benadelen met het opleggen en het instellen van een vermoeden van afstand van geding. Het recht op toegang tot de rechter en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden doordat het onderzoek ten gronde, na het afwijzen van het 10 administratieve kortgeding, ondergeschikt wordt gemaakt aan een verzoek tot voortzetting van de procedure binnen 30 dagen. De oude doelstelling om de duur van de rechtspleging in te korten en de verzoekers ertoe aan te zetten de procedure niet onnodig te rekken, verantwoordt niet dat de toegang tot het beroep tot nietigverklaring wordt beperkt. Zij wijzen voorts erop dat uit het stilzwijgen van de verzoekers niet zonder meer mag worden afgeleid dat zij afstand zouden doen. Uit het louter ontbreken van een verzoek tot voortzetting mag geen wil tot afstand worden afgeleid. A.11.
- In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat door de bestreden maatregel verschillende situaties ten onrechte gelijk worden behandeld, met name doordat de verplichting om een verzoek tot voortzetting in te dienen geldt voor zowel de arresten waarin de vordering wordt verworpen wegens een gebrek aan spoedeisendheid als die waarin de vordering wordt verworpen wegens een gebrek aan ernstig middel of wanneer vastgesteld wordt dat het onderzoek van het middel zich niet leent voor een versnelde behandeling. Het is meer in het bijzonder onredelijk dat het gebrek aan verzoek tot voortzetting als er geen ernstig middel wordt aanvaard op gelijke wijze wordt behandeld als het gebrek aan verzoek tot voortzetting wanneer de Raad van State enkel heeft geoordeeld dat het onderzoek van het middel zich niet leent voor een versnelde behandeling. In de tweede situatie bevat het arrest tot afwijzing van de vordering geen aanwijzing over de vermoedelijke afloop van het geding en vormt het geen aanneembare aanzet tot het niet voortzetten van de procedure. Het is derhalve onredelijk om een vermoeden van afstand in te stellen als de Raad van State enkel heeft beslist dat het onderzoek van het middel zich niet leent voor een versnelde behandeling. Die situatie is immers volledig te onderscheiden van de situatie waarbij de Raad van State heeft beslist dat een middel niet ernstig is, hetgeen wel een aanwijzing kan zijn. A.11.
- In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen de hypothese aan waarbij de Raad van State tijdens het administratief kortgeding besluit dat de vordering spoedeisend is en er een ernstig middel voorhanden is, maar dat op grond van de belangenafweging niet wordt overgegaan tot een schorsing. De verplichting om in die hypothese toch nog een verzoek tot voortzetting in te dienen vormt volgens de verzoekende partijen een onevenredige inperking van het recht op toegang tot de rechter. Immers, in die hypothese ligt de beoogde vernietiging binnen bereik omdat het middel dan ernstig is bevonden. Er is bijgevolg een perspectief op een vernietiging. Het is, rekening houdend met de kennis van de verweerder inzake de onwettigheid en de vereiste voor de verweerder om die in te trekken, onredelijk om in die situatie de verzoeker een vermoeden van afstand van geding op te leggen wanneer hij nalaat om een (tijdig) verzoek tot voortzetting in te stellen. Het is onredelijk om het onderzoek van een reeds ingediend beroep tot nietigverklaring te laten afhangen van een verzoek tot voortzetting. A.11.
- De tussenkomende partij ondersteunt de middelen en grieven van de verzoekende partijen. A.12.
- In de mate dat de verzoekende partijen in het eerste onderdeel klagen over het feit dat in de parlementaire voorbereiding een uitdrukkelijke verantwoording voor de bestreden maatregel ontbreekt, wijst de Ministerraad erop dat die regeling niet nieuw is, maar slechts om wetgevingstechnische redenen in de wijzigingsbepaling is opgenomen. Het betreft een mechanisme dat reeds sinds 1996 deel uitmaakt van de toepasselijke procedureregels, zodat het ook geen bijkomende verantwoording behoeft. Voor zover nodig kan verwezen worden naar de verantwoording in de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 augustus 1996 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » (hierna : de wet van 4 augustus 1996). Bovendien heeft het Hof reeds herhaaldelijk bevestigd dat die regeling niet onevenredig is in het licht van de verschillende grondwettelijke waarborgen, gelet op de dubbele doelstelling om
(1)de duur van de rechtspleging in te korten en
(2)de verzoekers ertoe aan te zetten om de procedure niet onnodig te rekken. Die doelstellingen blijven ook in de huidige stand van zaken legitiem, actueel en pertinent. Het gegeven dat het gewone kortgeding niet meer gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld is overigens evenmin een nieuwe toevoeging. Dit is reeds het geval sinds de wetswijziging van 2014. In zoverre de regeling inzake het afstandsvermoeden zelf in vraag wordt gesteld door de verzoekende partijen, wijst de Ministerraad erop dat de grondwettigheid daarvan meermaals door het Hof werd bevestigd. De argumentatie van de verzoekende partijen leidt niet tot een andere conclusie. Allereerst verplicht geen enkele wetsbepaling een verzoeker voor de Raad van State om een eigen selectie te maken van de middelen die zullen worden opgeworpen in een schorsingsvordering die volgt op een reeds hangend vernietigingsberoep. Indien de verzoekers van oordeel zouden zijn dat een dergelijke selectie hen zou benadelen, staat het hen vrij al hun middelen in de eventuele vordering tot schorsing op te werpen. Het feit dat een verzoeker in de geschetste hypothese een verzoek tot voortzetting zou moeten indienen om al zijn middelen ten gronde beoordeeld te zien, kan in elk geval niet als een onevenredige inperking van het recht van toegang tot de rechter worden beschouwd. Ook in de door de verzoekende partijen geschetste hypothese is die regeling niet onevenredig in het licht van de dubbele 11 doelstelling van de wetgever om
(1)de duur van de rechtspleging in te korten en
(2)de verzoekers ertoe aan te zetten de procedure niet onnodig te rekken. Gelet op het voorgaande valt ook niet in te zien waarom de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie of het verzoek tot advies aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moeten worden gesteld. Ten slotte merkt hij nog op dat een verwijzing naar de regeling in artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek niet dienstig is, aangezien overeenkomstig artikel 2 van dat Wetboek de specifieke regeling in de wet van 12 januari 1973 van toepassing is op procedures voor de Raad van State. A.12.2. Ook in de in het tweede onderdeel voorgelegde hypothese is die regeling volgens de Ministerraad niet onevenredig in het licht van de dubbele doelstelling van de wetgever om
(1)de duur van de rechtspleging in te korten en
(2)de verzoekende partij ertoe aan te zetten de procedure niet onnodig te rekken. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat een bijzondere regeling voor elke specifiek denkbare hypothese net afbreuk zou doen aan een regeling die door zijn algemene toepasbaarheid erg duidelijk is, en geen bijzondere moeilijkheden doet ontstaan op het vlak van uitlegging. A.12.
- De Ministerraad stelt allereerst dat de kritieken in het derde onderdeel niet goed kunnen worden begrepen en in elk geval niet kunnen overtuigen. De doelstellingen van de wetgever zijn niet fundamenteel gewijzigd sinds de invoering van artikel 17, § 4ter, van de wet van 12 januari 1973 bij de wet van 4 augustus
- Het is nog steeds de bedoeling om te zorgen voor een voldoende snelle afhandeling van de procedures voor de afdeling bestuursrechtspraak, en dit zowel in het schorsings- als in het vernietigingscontentieux. Er wordt voor het overige verwezen naar hetgeen reeds in A.12.1 is toegelicht. A.12.
- Wat het vierde onderdeel betreft, is de Ministerraad van oordeel dat de vergeleken categorieën van personen zich kennelijk niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. De vereiste dat het middel zich leent voor een versnelde behandeling is immers inherent aan de voorwaarde van het ernstig middel. In beide gevallen is volgens hem niet voldaan aan eenzelfde voorwaarde. Het gegeven dat een middel niet ernstig werd bevonden, laat overigens in beide gevallen niet toe te besluiten of dat al dan niet gegrond zal worden bevonden. Zoals in A.12.5 wordt uiteengezet, kan een middel dat niet ernstig werd bevonden immers niettemin gegrond worden bevonden, zonder dat de Raad van State op dat punt tegenstrijdige beschikkingen zou nemen. In elk geval kan de toepassing van de sanctieregeling om de redenen die zijn uiteengezet in A.12.1 ook in dat geval als redelijk verantwoord worden beschouwd. A.12.
- De Ministerraad verwijst, wat betreft het vijfde onderdeel, naar hetgeen in A.12.1 is uiteengezet. Ten onrechte beweren de verzoekende partijen dat het procedureel perspectief op vernietiging terdege vaststaat. Zulks is niet het geval. Het feit dat wordt vastgesteld dat een middel ernstig is, biedt geenszins de waarborg dat het middel ook gegrond zal worden bevonden, net omdat het ernstig bevinden van een middel slechts steunt op een prima facie onderzoek van het beroep, op basis van de gegevens waarover de Raad in dat stadium van de procedure beschikt. Het legaliteitsbeginsel vereist voorts geenszins dat in geval van een ernstig middel ook tot intrekking wordt besloten. Daarbij moet nog bedacht worden dat een verwerping van een vordering tot schorsing na belangenafweging ook een indicatie kan vormen van een mogelijke toepassing van artikel 14ter van de wet van 12 januari
- Ook in de voorliggende hypothese is er geen sprake van een onevenredige inperking van het recht op toegang tot de rechter. A.12.
- De tussenkomende partij ondersteunt het middel van de verzoekende partijen. A.13.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet en het beginsel van toegang tot de rechter, de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de algemene beginselen van wettigheid, redelijkheid, vertrouwen en legitieme verwachtingen, en met de artikelen 7, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.13.
- Het tweede middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 in zoverre het nieuwe artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari 1973 niet voorziet in de verlengbaarheid van de termijn van 30 dagen die aanvangt en afloopt in de gerechtelijke vakantie. A.13.
- Volgens de verzoekende partijen is de niet-verlengbaarheid van de termijn een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter, rekening houdend met het feit dat de gehele doorlooptijd van de procedure beperkt is tot 18 maanden en dat de verlenging van de termijn hooguit een verlenging van maximaal ongeveer 45 dagen impliceert. Dit geldt des te meer nu de termijn om uitspraak te doen wel rekening houdt met 12 het gerechtelijk verlof. Het doel om de duur van de rechtspleging in te korten en de verzoekers ertoe aan te zetten om de procedure niet onnodig te rekken kan niet verantwoorden dat de termijn om een voortzetting te vragen niet wordt verlengd wanneer die ingaat en afloopt in de gerechtelijke vakantie. A.13.
- De tussenkomende partij ondersteunt het middel van de verzoekende partijen. A.14.
- De Ministerraad werpt allereerst op dat, in de mate dat het tweede middel zo moet worden begrepen dat de verzoekende partijen aanvoeren dat artikel 91, tweede lid, van het Algemeen procedurereglement ten onrechte niet van toepassing is op de termijn van 30 dagen vermeld in artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari 1973, moet worden vastgesteld dat de grondwettigheidskritiek in het middel gericht is tegen het koninklijk besluit van 21 juli 2023 « tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ». A.14.
- Ten overvloede stelt de Ministerraad dat uit niets blijkt dat de regeling vervat in artikel 91, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » niet van toepassing zou zijn op de termijn bedoeld in artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari
- Het middel steunt in die zin op een onjuiste premisse. Uit de tekst van artikel 91, tweede lid, blijkt immers dat die van toepassing is op alle termijnen om proceshandelingen te stellen, die gelijk aan of korter zijn dan dertig dagen. Ook de indiening van een verzoek tot voortzetting in het kader van artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari 1973 is een proceshandeling. De termijn daarvoor bedraagt bovendien dertig dagen. Wat betreft de zaak nr. 8080 A.15.
- De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending door artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet en het beginsel van toegang tot de rechter, de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de algemene beginselen van wettigheid, redelijkheid, vertrouwen en legitieme verwachtingen, het beginsel fraus omnia corrumpit, de artikelen 7, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 1, 2, 3, 11 en 12 van het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie en met de artikelen 5 en 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie. A.15.
- Het enige middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 in zoverre artikel 17, § 3, eerste lid, van de wet van 12 januari 1973 voorschrijft dat de herziening van een arrest waarbij de schorsing of voorlopige maatregelen werden afgewezen, niet mogelijk is. A.15.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen twee discriminaties aan. Ten eerste voeren zij een discriminatie aan tussen, enerzijds, het annulatiecontentieux (artikel 14 van de wet van 12 januari 1973), en anderzijds, het schorsingscontentieux (artikel 17 van de wet van 12 januari 1973). Ten tweede voeren zij een discriminatie aan tussen, enerzijds, het contentieux voor de burgerlijke rechtscolleges, en, anderzijds, het contentieux voor de Raad van State. In de respectieve, hiervoor eerstgenoemde gevallen is een herziening mogelijk wanneer later wordt vastgesteld dat er gebruik is gemaakt van valse stukken of indien er stukken werden achtergehouden. De verzoekende partijen wijzen erop dat het gebruik van valse stukken of het achterhouden van stukken dient te worden begrepen als corruptie waaraan de overheid medeplichtig kan zijn doordat zij bij het nemen van haar besluiten zich op die elementen heeft gebaseerd. De mogelijkheid tot herziening is volgens hen een doeltreffend middel in de zin van de in het middel aangehaalde bepalingen van de internationale anti- corruptieverdragen, voor personen die ongunstig worden geraakt door een daad van corruptie. Het is volgens de verzoekende partijen dan ook kennelijk onredelijk om uit te sluiten dat arresten inzake vorderingen tot schorsing of bevelen van voorlopige maatregelen vatbaar zijn voor herziening, zelfs wanneer wordt vastgesteld dat valse stukken werden gebruikt of stukken werden achtergehouden. Het is immers in het algemeen belang dat, gelet op het beginsel van fraus omnia corrumpit, de Raad van State corruptie, evenals deloyaal procederen, strafbaar stelt. Die uitsluiting van het rechtsmiddel van herziening is volgens de verzoekende partijen des te meer onredelijk omdat de wetgever de verzoekers op allerlei manieren ertoe wil aanzetten om - na het afwijzen van een vordering tot schorsing - het beredeneerd afwijzend arrest van de Raad van State vlot te aanvaarden en dus geen verzoek tot voortzetting van de ingestelde procedure in te dienen. Zij betogen ten slotte dat de maatregel ook een onredelijke impact heeft op de uitoefening van het beroep van advocaat. De btw-plicht en de rechtsplegingsvergoedingsregeling ontraden de rechtzoekende reeds om voort te procederen, zodat advocaten hun cliënten vanuit dat oogpunt veelal zullen adviseren om de procedure niet voort 13 te zetten, gelet op de afwijzende beslissing van de Raad van State op basis van het neergelegde dossier. Volgens de verzoekende partijen weet elke advocaat in België evenwel dat sommige overheden en belanghebbenden het niet zo nauw nemen met het verbod op het gebruik van valse stukken of het achterhouden van stukken. Elke advocaat moet zich, met die kennis en teneinde zijn beroepsaansprakelijkheid te vrijwaren, indekken door steeds de voortzetting van de procedure te vragen, bij gebrek aan een rechtsmiddel om de herziening te vragen. De verzoekende partijen wijzen erop dat artikel 17, § 3, eerste lid, van de wet van 12 januari 1973 de proceseconomie, beoogd in artikel 17, § 10, van diezelfde wet, onwerkzaam maakt doordat de partijen voorzichtigheidshalve genoodzaakt zijn om voort te procederen. A.15.
- In een tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de maatregel omdat die een onverantwoorde beperking van het recht op toegang tot de rechter met zich meebrengt. Die onverantwoorde beperking van de toegang leidt overigens tot een discriminatie, aangezien rechtzoekenden in andere spoedeisende procedures, zoals het burgerlijk kortgeding, nog steeds kunnen beschikken over een rechtsmiddel inzake de herziening van een rechterlijke uitspraak. Voor het overige hernemen zij hetgeen in A.15.3 is toegelicht. A.15.
- In een derde onderdeel voeren zij aan dat een schending van het recht op toegang tot de rechter overeenkomstig artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet kunnen worden hersteld. De onmogelijkheid tot herziening verhindert dat en is derhalve strijdig met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wat ook een discriminatie met zich meebrengt. Daarvoor is geen verantwoording mogelijk. Voor het overige hernemen zij hetgeen in A.15.3 is toegelicht. A.15.
- In een vierde onderdeel voeren zij in wezen aan dat de bestreden onmogelijkheid tot herziening, a fortiori in de context van overheidsopdrachten, afbreuk doet aan de in het middel aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie. Die verdragsbepalingen verzetten zich immers ertegen dat het rechtsmiddel van herziening wordt uitgesloten ten aanzien van de arresten in administratief kortgeding die werden gewezen op basis van achtergehouden stukken of valse stukken. Met betrekking tot de context van overheidsopdrachten verwijzen zij in het bijzonder naar artikel 9 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie. Voor die uitsluiting is volgens hen geen redelijke verantwoording mogelijk. Zij zijn van oordeel dat het bestaan zelf van een rechtsmiddel inzake herziening van de kortgedingarresten corruptie voorkomt (ook tijdens de procedures voor de Raad van State), hetgeen dus een doeltreffende maatregel betreft ter voorkoming van corruptie, zoals vooropgesteld door de aangehaalde internationale verdragen. A.16.
- De Ministerraad werpt allereerst op dat het middel gedeeltelijk onontvankelijk is. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. De verzoekende partijen zetten volgens hem niet concreet uiteen in welk opzicht artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 artikel 160 van de Grondwet en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou schenden. Het middel is in die mate onontvankelijk. A.16.
- De Ministerraad is van oordeel dat de maatregel een evenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter vormt. Hij betoogt dat de uitsluiting van het rechtsmiddel van de herziening voor wat betreft arresten gewezen in administratief kortgeding voor het eerst werd ingevoerd bij artikel 6 van de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ». Artikel 17, § 2, tweede lid, van de wet van 12 januari 1973, zoals gewijzigd door het voormelde artikel 6, bepaalde dat tegen de arresten waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement wordt bevolen, geen verzet noch derdenverzet kan worden aangetekend, en dat die arresten evenmin vatbaar zijn voor herziening. De wetgever wenste hiermee de rechtszekere toepassing van een bepaling te waarborgen, omdat de overheersende rechtspraak reeds ervan uitging dat een in de schorsingsprocedure gewezen arrest niet vatbaar is voor herziening. Vervolgens heeft artikel 6 van de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State » die uitsluiting uitgebreid tot arresten inzake een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Het toenmalige artikel 17, § 2, tweede lid, van de wet van 12 januari 1973 werd daarbij herschikt tot artikel 17, § 3, eerste lid, van de wet van 12 januari 1973, en het bepaalt dat tegen de arresten inzake een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen geen verzet noch derdenverzet kan worden aangetekend, noch zijn ze vatbaar voor herziening. De Ministerraad wijst erop dat het Hof de grondwettigheid van de voorgaande regeling reeds herhaaldelijk heeft bevestigd zodat er geen sprake is van een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter. 14 Hij is ook van oordeel dat de aangehaalde internationale verdragen inzake de bestrijding van corruptie niet tot een andere conclusie leiden. Allereerst is het Grondwettelijk Hof niet bevoegd om rechtstreeks toe te zien op de overeenstemming van de bestreden bepaling met de in het middel aangehaalde internationale verdragsbepalingen inzake de bestrijding van corruptie. In ondergeschikte orde betoogt hij dat de bestreden maatregel niet strijdig is met de aangehaalde verdragen. De aangehaalde verdragsbepalingen leggen in wezen op dat doeltreffende rechtsmiddelen beschikbaar moeten zijn in het geval van daden van corruptie. In wezen waarborgen die bepalingen dan ook het recht op toegang tot de rechter. Zoals reeds werd uiteengezet, is de uitsluiting van het beroep tot herziening tegen de arresten inzake een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen, niet strijdig met het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet en de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit niets blijkt dat de bepalingen van het Burgerlijk Verdrag inzake corruptie en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, wat betreft het recht op toegang tot de rechter, een andere draagwijdte hebben dan artikel 13 van de Grondwet of de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Minstens wordt zulks niet aannemelijk gemaakt door de verzoekende partijen. Daaruit volgt dan ook dat de bestreden bepaling niet strijdig is met die internationale verdragen. Hij stelt ten slotte dat het volstaat dat het gebruik van valse stukken of het achterhouden van stukken kan worden aangekaart in de procedure ten gronde. Zo wordt het achterhouden van stukken door het niet of onvolledig neerleggen van het administratief dossier reeds gesanctioneerd. Wanneer geen administratief dossier wordt neergelegd, oordeelt de Raad van State dat de door de verzoeker aangevoerde feiten geacht kunnen worden correct te zijn, behoudens manifeste onjuistheid. Wanneer een onvolledig administratief dossier wordt neergelegd, kan de Raad van State in voorkomend geval bevelen om de ontbrekende stukken neer te leggen. Aan die rechtspraak wordt niet geraakt door de bestreden bepaling. Dat dergelijke daden mogelijk ook als daden van corruptie kunnen worden beschouwd in de zin van de aangehaalde verdragen, doet niet anders besluiten. -B- B.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8067, 8068, 8075 en 8080 vorderen allen de gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » (hierna : de wet van 11 juli 2023). Artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 vervangt artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de wet van 12 januari 1973), dat het administratief kortgeding bij de Raad van State regelt. B.
- De beroepen zijn in wezen gericht tegen de na die vervanging geldende versies van artikel 17, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 12 januari 1973, artikel 17, § 3, eerste lid, van diezelfde wet en artikel 17, § 10, van diezelfde wet. B.
- Artikel 17 van de wet van 12 januari 1973, zoals laatst vervangen bij artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, bepaalt : « §
- De afdeling bestuursrechtspraak is als enige bevoegd om, de partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen, bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte 15 of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak. De vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt elektronisch ingediend en behandeld, in ieder geval wanneer de partijen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn als bedoeld in artikel 14, §
- De schorsing of de voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; 2° en indien minstens één ernstig middel aangevoerd wordt waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden. In afwijking van het eerste en het derde lid kunnen de schorsing of de voorlopige maatregelen niet worden gevorderd na de neerlegging van het verslag bedoeld in artikel
- Evenwel mag in dat geval elke partij die daarbij enig belang heeft aan de voorzitter van de kamer waarbij de zaak aanhangig gemaakt is een met redenen omkleed verzoek richten om met spoed een terechtzitting te bepalen. De vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen, ingediend tussen de neerlegging van het verslag en de kennisgeving ervan, wordt gelijkgesteld met het met redenen omkleed verzoek. De voorzitter spreekt zich over dit verzoek bij beschikking uit. Indien de spoedeisendheid gerechtvaardigd lijkt, stelt hij de zaak vast op korte termijn en uiterlijk binnen zestig dagen na de ontvangst van het verzoek, en kan hij de termijnen voor de neerlegging van de laatste memories aanpassen. [...] §
- Tegen de arresten inzake een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen evenals tegen de beschikking als bedoeld in paragraaf 7 kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend, noch zijn ze vatbaar voor herziening. De arresten waarbij de schorsing of voorlopige maatregelen zijn bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen. [...] §
- Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest. [...] ». 16 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4.
- De Ministerraad voert aan dat de beroepen in de zaken nrs. 8067, 8068, 8075 en 8080 onontvankelijk zijn wegens een gebrek aan belang vanwege de verzoekende partijen. B.4.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
- Aangezien in elk van de samengevoegde zaken een verzoekende partij in het verleden een administratief kortgeding voor de Raad van State heeft ingesteld en zij aannemelijk maakt dat zij dat in de toekomst opnieuw zal doen, doet die partij blijken van het rechtens vereiste belang. Nu in elk van de samengevoegde zaken ten minste een van de verzoekende partijen doet blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden artikelen, dient het Hof niet nader te onderzoeken of de overige verzoekende partijen ook beschikken over het rechtens vereiste belang. B.5.
- De Ministerraad voert aan dat de beroepen in de zaken nrs. 8075 en 8080 laattijdig zijn ingesteld en derhalve onontvankelijk zijn omdat ze gericht zijn tegen bepalingen die een loutere herneming zijn van maatregelen, die niet meer op ontvankelijke wijze kunnen worden aangevochten. B.5.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. Wanneer een wetgever in nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, kan tegen de overgenomen bepaling een beroep worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. 17 Wanneer de wetgever zich evenwel beperkt tot een louter legistieke of taalkundige ingreep of tot een coördinatie van bestaande bepalingen, wordt hij niet geacht opnieuw te legifereren en zijn de grieven ratione temporis onontvankelijk in zoverre zij in werkelijkheid tegen de voorheen reeds bestaande bepalingen zijn gericht. Bijgevolg moet worden nagegaan of het beroep tegen nieuwe bepalingen is gericht dan wel of het niet gewijzigde bepalingen betreft. B.5.
- Hoewel artikel 17, § 3, eerste lid, van de wet van 12 januari 1973 en artikel 17, § 10, van diezelfde wet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, niet inhoudelijk - behoudens wat betreft de eerstgenoemde bepaling een verwijzing naar een nieuwe paragraaf 7 die de verzoekende partijen niet bekritiseren, - verschillen van respectievelijk artikel 17, § 3, eerste lid, van de wet van 12 januari 1973 en artikel 17, § 7, van diezelfde wet, vóór de respectieve vervanging ervan, kan uit de parlementaire voorbereiding van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 niet worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om bestaande wetgeving louter te hernemen. De wetgever heeft met de wet van 11 juli 2023 beoogd de schorsingsprocedure voor de Raad van State verder te optimaliseren en te voorzien in meer maatwerk in het licht van de mate van spoedeisendheid die met de procedure samenhangt (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3220/001, pp. 9-18). Uit de parlementaire voorbereiding van die wet van 11 juli 2023 kan evenwel niet worden afgeleid dat hij beoogde om op basis van de nieuwe of gewijzigde elementen inzake de regeling met betrekking tot de schorsingsprocedure, enerzijds, het rechtsmiddel inzake de herziening van arresten inzake een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen uit te sluiten, of anderzijds, een vermoeden van afstand in te stellen wanneer geen tijdige voortzetting van de procedure wordt gevraagd na een afwijzend arrest inzake de vordering tot schorsing of het bevelen van voorlopige maatregelen. Uit het voorgaande volgt dat artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 zich ertoe beperkt de aldus bestreden bepalingen te hernummeren. In zoverre de beroepen in de zaken nrs. 8075 en 8080 zijn gericht tegen respectievelijk artikel 17, § 10, van de wet van 12 januari 1973 en artikel 17, § 3, eerste lid, van diezelfde wet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 5, zijn ze niet ontvankelijk. 18 Ten gronde B.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8067 en 8068 vorderen de vernietiging van artikel 17, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 12 januari 1973, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, in zoverre het een nieuwe, cumulatieve voorwaarde met betrekking tot de kortgedingprocedure vaststelt middels de zinssnede « waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling ». B.
- De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending door de bestreden bepaling van de artikelen 10, 11, 13, 16, 19, 20, 21, 22, 22bis, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 142 en 160 van de Grondwet, de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het voormelde Verdrag, het Protocol nr. 16 bij het voormelde Verdrag, het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot de rechter en het standstill-beginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van voorzorg in leefmilieuzaken, de artikelen 7, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), de artikelen 4 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU) en het samenwerkingsbeginsel, de artikelen 191 en 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), het beginsel van effectieve rechtsbescherming van de door het Unierecht aan de justitiabelen verleende rechten, de artikelen 1, 3, 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus), de artikelen 4, 6, 9 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) » (hierna : de richtlijn 2011/92/EU), en met artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari
- B.8.
- De Ministerraad voert aan dat het enige middel in beide zaken minstens gedeeltelijk onontvankelijk is omdat de uiteenzetting ervan niet voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
- Zo zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 142 en 160 van de Grondwet, de artikelen 6, 8, 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Protocol 19 nr. 16 bij dat Verdrag, het beginsel van voorzorg in leefmilieuzaken, de artikelen 7 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 1, 3, 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus of de artikelen 4, 6 en 9 van de richtlijn 2011/92/EU zou schenden. Evenmin zetten zij uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 16, 20, 21, 22, 22bis, 26 en 27 van de Grondwet zou schenden. In de mate waarin het enige middel is afgeleid uit een schending van die bepalingen, is het volgens de Ministerraad onontvankelijk. B.8.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.8.
- De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 16, 20, 21, 22, 22bis, 26 en 27 van de Grondwet zou schenden. Evenmin lichten zij toe in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 8, 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Protocol nr. 16 bij dat Verdrag of het voorzorgsbeginsel in leefmilieuzaken, de artikelen 7 en 52 van het Handvest, artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie of artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zou schenden. In de mate waarin het enige middel is afgeleid uit een schending van die bepalingen, is het onontvankelijk. Voor het overige onderzoekt het Hof het enige middel in de mate dat het aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voldoet. B.
- Het enige middel bestaat uit vijf onderdelen. De verzoekende partijen bekritiseren de toevoeging in artikel 17, § 1, derde lid, 2°, dat het onderzoek van het middel zich moet lenen voor een versnelde behandeling omdat de nieuwe vereiste afbreuk zou doen aan het Unierecht, waaronder de samenwerkingsplicht tussen rechtscolleges (eerste onderdeel), de toegang tot de rechter op een onevenredige wijze en in strijd met de standstill-verplichting zou beperken (tweede onderdeel), in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zowel op de middelen van openbare orde als op andere middelen van toepassing zou zijn (derde onderdeel), 20 niet zou gelden voor kortgedingprocedures inzake overheidsopdrachten, voorzien in de wet van 17 juni 2013 « betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies » (hierna : de wet van 17 juni 2013) (vierde onderdeel) en ook toepassing zou vinden, ongeacht of de verweerder het administratief dossier al dan niet geheel heeft neergelegd (vijfde onderdeel). Wat betreft het tweede onderdeel van het enige middel B.
- Het Hof onderzoekt eerst het tweede onderdeel van het enige middel waarin de verzoekende partijen aanvoeren dat de bestreden vereiste dat het onderzoek van het middel zich leent voor een versnelde behandeling de toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, bij artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU en bij artikel 9 van het Verdrag van Aarhus op onevenredige wijze beperkt. Die onevenredige beperking van de toegang tot de rechter zou ook afbreuk doen aan de standstill-verplichting, die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet en artikel 3 van het Verdrag van Aarhus. B.
- Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot de rechter bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging. Artikel 13 van de Grondwet en het algemene rechtsbeginsel waarborgen het recht op toegang tot de rechter meer algemeen voor elk geschil dat betrekking heeft op een recht of een verplichting, ongeacht of het burgerlijk van aard is in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 21 De toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat de toegang tot de rechter dermate wordt beperkt dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van een dergelijke beperking met het recht op toegang tot de rechter hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 36; 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406, § 70; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712, § 64; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, § 58). De regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Güneş t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2011:0524JUD002739606, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807, § 19; 18 oktober 2016, Miessen t. België, voormeld, § 66). Artikel 47 van het Handvest voorziet eveneens in een recht op een doeltreffende voorziening. Aan die bepaling dient dezelfde draagwijdte te worden gegeven als aan de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (HvJ, grote kamer, 19 november 2019, C-585/18, C-624/18 en C-625/18, A. K. t. Krajowa Rada Sądownictwa en CP en DO t. Sąd Najwyższy, ECLI:EU:C:2019:982, punt 117). B.12.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 22 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : [...] 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; [...] 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; [...] ». B.12.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van elke wetgever de maatregelen te bepalen die hij adequaat en opportuun acht om dat doel te verwezenlijken. Een ruime toegang tot de rechter in omgevingszaken draagt bij tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en tot de bescherming van de gezondheid van de mens (HvJ, 7 november 2013, C-72/12, Gemeinde Altrip, ECLI:EU:C:2013:712, punt 46). Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet is in dat opzicht eveneens relevant met betrekking tot de toegang tot de rechter in omgevingszaken. B.
- Artikel 9 van het Verdrag van Aarhus bepaalt : «
- Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat eenieder die meent dat zijn of haar verzoek om informatie ingevolge artikel 4 veronachtzaamd, ten onrechte geheel of gedeeltelijk afgewezen of anderszins niet beantwoord is in overeenstemming met de bepalingen van dat artikel, toegang heeft tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan. In de omstandigheden waarin een Partij in een dergelijk beroep bij een rechterlijke instantie voorziet, waarborgt zij dat een dergelijke persoon tevens toegang heeft tot een bij wet ingestelde 23 snelle procedure die kosteloos of niet kostbaar is, voor heroverweging door een overheidsinstantie of toetsing door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan anders dan een rechterlijke instantie. Eindbeslissingen ingevolge het eerste lid zijn bindend voor de overheidsinstantie die de informatie bezit. De redengeving geschiedt schriftelijk, in ieder geval wanneer toegang tot informatie wordt geweigerd ingevolge dit lid.
- Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a) die een voldoende belang hebben dan wel b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b). De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.
- Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.
- Aanvullend op en onverminderd het voorgaande eerste lid, voorzien de in het voorgaande eerste, tweede en derde lid bedoelde procedures in passende en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een dwangmiddel tot rechtsherstel en zijn zij billijk, snel en niet onevenredig kostbaar. Beslissingen ingevolge dit artikel zijn schriftelijk of worden schriftelijk vastgelegd. Beslissingen van rechterlijke instanties, en waar mogelijk van andere organen, zijn voor het publiek toegankelijk. 24
- Om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel te bevorderen waarborgt elke Partij dat aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke herzieningsprocedures en overweegt zij het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen ». Artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU bepaalt : «
- De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die : a) een voldoende belang hebben, dan wel b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.
- De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.
- Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de vereisten van artikel 1, lid 2, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a), van dit artikel. Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b), van dit artikel.
- De bepalingen van dit artikel sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht. Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.
- Ter verhoging van de effectiviteit van het bepaalde in dit artikel dragen de lidstaten er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties ». B.14.
- Artikel 17, § 1, derde lid, van de wet van 12 januari 1973, zoals vervangen bij het bestreden artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, bepaalt dat een schorsing of een voorlopige maatregel enkel kan worden bevolen indien voldaan is aan de voorwaarde met betrekking tot 25 de spoedeisendheid van de behandeling (1°) en aan de voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden (2°). B.14.
- Artikel 17, § 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1973, vóór de vervanging ervan bij het bestreden artikel 5, bepaalde : « Deze schorsing of deze voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; 2° en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden ». B.14.
- De bewoordingen van het bestreden artikel 17, § 1, derde lid, van de wet van 12 januari 1973, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, zijn bijna identiek aan die van artikel 17, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, vóór de vervanging ervan. Naast enkele taalkundige aanpassingen, is het enige inhoudelijke verschil gelegen in de woorden « waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en ». Door die toevoeging wordt niet alleen vereist dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat prima facie de nietigverklaring kan verantwoorden, maar het onderzoek van het aangevoerde middel moet zich overeenkomstig de uit artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 voortvloeiende inhoudelijke toevoeging, lenen voor een versnelde behandeling. B.14.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Deze omschrijving heeft geen betrekking op het aantal aangevoerde middelen, of op de omvang of de wijze van formulering van de toelichting bij het middel, maar wel op de aard van het aangevoerde middel. Van een partij die bijvoorbeeld een rechtstreekse schending van een richtlijn inroept in een schorsingsprocedure, mag worden verwacht dat zij ook aantoont waarom die richtlijn en niet de internrechtelijke regelgeving wordt aangevoerd (bijvoorbeeld wegens de laattijdige of onvolledige omzetting in intern recht); van de rechter in kortgeding kan niet worden geëist dat hij dit onderzoek zonder de aanwijzingen van de verzoekende partij verricht in een procedure gekenmerkt door de zogenaamde summaria cognitio. Gedacht kan ook worden aan een technisch middel dat op een complexe kwestie betrekking heeft die niet zonder de aanstelling van een deskundige kan worden uitgeklaard. 26 Zo ook zal een middel waarin een prejudiciële vraag opgeworpen wordt, tenzij er gegronde redenen zijn om al in het stadium van het kortgeding een prejudiciële vraag te stellen, veeleer in de procedure ten gronde worden onderzocht, net zoals het middel waarin onderzoeksdaden gevorderd worden die meer tijd vergen dan de tijd die is toegemeten om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. Daarbij wordt erop gewezen dat een zaak nooit definitief wordt beslecht tijdens een kortgeding, maar er altijd bij voorraad uitspraak wordt gedaan. Die procedure geldt specifiek voor beroepen die de Raad van State snel moet behandelen, teneinde zo snel mogelijk te voorkomen dat effectief een ernstig nadeel, dat volgens de verzoekende partij kan worden teweeggebracht door de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling, ontstaat. Aangezien, ten slotte, het gewone kortgeding niet meer gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld, zullen de verzoekers kunnen aangeven welke middelen sneller onderzocht zullen kunnen worden en welke middelen een complexer onderzoek vergen. Op te merken valt dat sommige advocaten nu reeds dat onderscheid maken tussen de middelen die ze in hun enig verzoekschrift opwerpen en de Raad van State in zijn rechtspraak al heeft aangegeven welke middelen niet onderzocht konden worden binnen de korte termijn van een kortgeding » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3220/001, pp. 16-17). De minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing heeft ter zake verklaard : « De minister beklemtoont dat AVOCATS.BE zich in haar nota als voorbereiding op het overleg in mei 2022 zich reeds had verzet tegen de vereiste dat een ernstig middel ‘ dat zich leent tot een snelle behandeling in kortgeding ’ voorhanden moest zijn om een schorsing te verkrijgen. Tijdens het overleg op 15 juni 2022 hebben de Raad van State en de medewerkers van de minister uitgelegd dat sommige van de bij een schorsingsprocedure aangevoerde middelen zich inderdaad niet lenen tot een behandeling binnen de korte termijn waarbinnen de Raad over de zaak moet beslissen. We hebben het dan bijvoorbeeld over de onderzoeksmaatregelen, de aanwijzing van een deskundige enzovoort. Het is dan ook van belang dat de aangevoerde middelen daadwerkelijk kunnen worden onderzocht en dat dienaangaande kan worden beslist binnen de beoogde termijn van drie maanden. Het gaat daarbij reeds om vaste rechtspraak van de Raad van State. De advocaten zijn zich al van die problematiek bewust, aangezien zij in hun vorderingen tot vernietiging en tot schorsing aangeven dat sommige middelen zich alleen in het kader van het verzoekschrift tot vernietiging tot een onderzoek ten gronde lenen. Dat betekent dus niet dat die andere middelen niet meer zullen worden onderzocht, maar wel dat dit onderzoek in het kader van de procedure tot vernietiging zal plaatsvinden. Uit dat oogpunt wordt dus geen afbreuk gedaan aan de huidige regelgeving, noch aan voorwaarden voor de schorsingsprocedure. De minister geeft aan dat in de memorie van toelichting bepaalde preciseringen zijn verstrekt om tegemoet te komen aan de opmerking die AVOCATS.BE daarover heeft geformuleerd. Zo wordt in de toelichting bij artikel 5, in punt 15 gepreciseerd dat een aan het Grondwettelijk Hof voorgelegde prejudiciële vraag ‘ veeleer in de procedure ten gronde [zal] worden onderzocht ’, ‘ tenzij er gegronde redenen zijn om al in het stadium van het kortgeding 27 een prejudiciële vraag te stellen ’. In tegenstelling tot wat AVOCATS.BE lijkt te suggereren, is de ontworpen regeling in overeenstemming met artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat de Raad van State in bepaalde gevallen verplicht een prejudiciële vraag te stellen. Bovendien heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp daarover geen enkele opmerking geformuleerd, zodat die regeling ook vanuit het oogpunt van de rechten van verdediging aanvaardbaar is. Ten slotte merkt de minister op dat, in tegenstelling tot wat AVOCATS.BE beweert, het uiteindelijk de auditeur en vervolgens de Raad toekomt om te beoordelen welke middelen zich tot een snelle behandeling in kortgeding lenen en welke niet » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3220/006, pp. 5-6). B.
- Het administratief kortgeding strekt ertoe de effectiviteit van de door de Raad van State geboden rechtsbescherming te versterken en sluit aan bij de beginselen geformuleerd in de aanbeveling nr. R
(89)8 van 13 september 1989 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de Lid-Staten betreffende de voorlopige rechtsbescherming in administratieve aangelegenheden (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1300/1, pp. 1, 7-8, 21 en 25). In die aanbeveling wordt onder meer gesteld dat, wanneer een bestuurshandeling wordt betwist voor een rechtsprekende instantie en deze zich nog niet heeft uitgesproken, de verzoeker de mogelijkheid moet hebben om aan diezelfde instantie of aan een andere bevoegde rechterlijke instantie te vragen zich uit te spreken over voorlopige maatregelen met betrekking tot die bestuurshandeling, dat de voor die instantie te volgen procedure een snelle procedure is, dat, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de procedure op tegenspraak wordt gevoerd en dat belanghebbende derden erin tussen kunnen komen. B.16.
- De procedure tot schorsing van een administratieve handeling of het bevelen van voorlopige maatregelen, die geregeld is bij het voormelde artikel 17 van de wet van 12 januari 1973, is een accessorium van het beroep tot vernietiging van die akte. Een administratieve handeling kan dus slechts worden geschorst indien zij door de Raad van State kan worden vernietigd krachtens artikel 14, eerste lid, van dezelfde wet. Voorlopige maatregelen kunnen slechts worden bevolen indien een schorsing of een annulatie niet volstaan om de belangen van de verzoeker veilig te stellen. Overigens kan de schorsing of een voorlopige maatregel slechts worden bevolen indien ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging kunnen verantwoorden. 28 B.16.
- Het administratief kortgeding, vastgesteld in artikel 17 van de wet van 12 januari 1973, heeft tot doel te voorzien in een mogelijkheid om te vermijden dat een administratieve akte onomkeerbare rechtsgevolgen zou hebben alvorens een procedure tot nietigverklaring wordt ingesteld of ondanks het instellen daarvan. B.16.
- De wetgever beoogde bij de invoering en de uitbreiding van het administratief kortgeding dat eender welk ernstig middel - een begrip waarvan de invulling werd afgestemd op een soortgelijke vereiste in de schorsingsprocedure voor het Hof - als schorsingsgrond kon dienen (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 790/1, p. 6; Senaat, 1990-1991, nr. 1300/1, p. 25). Een middel dient te worden begrepen als een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden bestuurlijke rechtshandeling wordt geschonden. Om als « ernstig » te worden beschouwd, moeten de aangevoerde middelen van dien aard zijn dat zij op het eerste gezicht tot de vernietiging moeten kunnen leiden (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1300/2, p. 9). Het middel moet derhalve gegrond lijken na een eerste onderzoek van de elementen waarover de Raad van State in dat stadium van de procedure beschikt. B.
- Hoewel kortgedingprocedures in voorkomend geval ressorteren onder artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 47 van het Handvest, of ruimer, het algemeen rechtsbeginsel inzake toegang tot de rechter, dienen zij niet noodzakelijk aan alle daaruit voortvloeiende waarborgen te voldoen. Zo zijn de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instantie een onmisbare en absolute waarborg in dergelijke procedures, maar kunnen andere procedurele waarborgen slechts van toepassing zijn voor zover ze verenigbaar zijn met de aard en het doel van de kortgedingprocedure (EHRM, grote kamer, 15 oktober 2009, Micallef t. Malta, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606, §§ 78-86). B.18.
- Artikel 17, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 12 januari 1973, zoals vervangen bij het bestreden artikel 5 van de wet van 11 juli 2023, houdt in dat de Raad van State een middel niet in aanmerking neemt wanneer het onderzoek ervan niet past binnen de versnelde behandeling in het kader van een administratief kortgeding. B.18.
- De bestreden vereiste heeft tot gevolg dat een door een rechtzoekende aangevoerd middel in het administratief kortgeding voor de Raad van State geen aanleiding kan geven tot het bevel dat de tenuitvoerlegging van een bestuurlijke rechtshandeling of van voorlopige 29 maatregelen wordt geschorst indien het onderzoek ervan niet past binnen een versnelde behandeling. In wezen komt die voorwaarde erop neer dat de Raad van State een middel niet als ernstig aanmerkt omdat hij van oordeel is dat het onderzoek ervan niet past binnen de versnelde behandeling in kortgeding. Hoewel die vereiste niet rechtstreeks de toegang tot het kortgeding zelf (vordering tot schorsing of opleggen van voorlopige maatregelen) regelt, zou zij tot gevolg kunnen hebben dat zij het onderzoek en de inwilliging van die vordering verhindert. Bijgevolg dient die vereiste te beantwoorden aan de voorwaarden die voortvloeien uit de in B.11 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen of algemeen rechtsbeginsel. Het Hof dient bijgevolg na te gaan of die vereiste geen ontoelaatbare bijkomende beperking van de toegang tot de rechter en van het recht op een effectief rechtsmiddel met zich meebrengt. Daarbij moet, zoals in B.12 is vermeld, eveneens rekening worden gehouden met de vaststelling dat de toegang tot de rechter in omgevingszaken bijdraagt tot de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, zoals gewaarborgd in artikel 23 van de Grondwet. B.19.
- Wanneer de wetgever een administratief korgedingprocedure organiseert, dient hij erover te waken dat de voorwaarden tot inwilliging van een vordering in kortgeding een billijk evenwicht houden tussen, enerzijds, het recht op toegang tot de rechter, met inbegrip van het recht op een effectief rechtsmiddel, en anderzijds, de eigenheid van de procedure. Hoewel een administratieve kortgedingprocedure gelet op de aard zelf ervan noopt tot een versnelde behandeling van de vordering van een rechtzoekende en daarbij ook rekening dient te worden gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de beperkte tijd en middelen voor verweer en onderzoek, mag dit niet ertoe leiden dat de toegang tot de rechter van de rechtzoekende en het recht op een effectief rechtsmiddel om onomkeerbare gevolgen van een administratieve akte te vermijden, op een onevenredige wijze worden beperkt. B.19.
- Aangezien de vereiste dat het onderzoek van het middel zich moet lenen voor een versnelde behandeling een beperking vormt van het recht op toegang tot de rechter, dient zij restrictief te worden geïnterpreteerd. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, was het niet de bedoeling van de wetgever te beletten dat middelen die betrekking hebben op een complexe of technische 30 kwestie zouden worden onderzocht in het kader van het schorsingscontentieux. Uit de in B.14.4 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever drie hypothesen wilde beogen. Ten eerste worden de middelen beoogd die, wegens de complexe of technische aard ervan, bijkomende « aanwijzingen » vereisen vanwege de verzoekende partijen. De wetgever zet de verzoekende partijen bijgevolg ertoe aan om didactischer te zijn wanneer hun middelen betrekking hebben op dergelijke kwesties zodat het door de rechters uitgevoerde onderzoek prima facie in gunstige omstandigheden kan verlopen. Hij is immers van mening dat « van de rechter in kortgeding [niet] kan [...] worden geëist dat hij dit onderzoek zonder de aanwijzingen van de verzoekende partij verricht in een procedure gekenmerkt door de zogenaamde summaria cognitio » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3220/001, p. 16). Met andere woorden, indien de verzoekende partijen willen dat een complex of technisch middel wordt onderzocht in het kader van het administratief kortgeding, dienen zij de nodige toelichting te geven opdat het onderzoek van het middel zich zou lenen voor een versnelde behandeling. Uit de in B.14.4 geciteerde parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat die voorwaarde geen betrekking heeft op de omvang van de uiteenzetting van het middel, noch op de formulering ervan. De middelen die meer toelichting vereisen, zijn dus niet principieel uitgesloten. Ten tweede worden de middelen beoogd die betrekking hebben op een technische en « complexe kwestie [...] die niet zonder de aanstelling van een deskundige kan worden uitgeklaard ». Vanuit die invalshoek kunnen enkel de technische middelen waarvoor de aanwijzing van een deskundige noodzakelijk is, worden beschouwd als middelen waarvan het onderzoek zich niet leent voor een versnelde behandeling. Ten derde worden de middelen beoogd waarin een prejudiciële vraag wordt opgeworpen, tenzij er gegronde redenen zijn om reeds in het stadium van het kortgeding een prejudiciële vraag te stellen. Uit het voorgaande blijkt dat de toepassing van de bestreden voorwaarde niet ertoe kan leiden dat de Raad van State, in het kader van een administratief kortgeding, principieel weigert om de middelen die betrekking hebben op een complexe of technische kwestie en de middelen waarvan het onderzoek een onderzoeksmaatregel of een prejudiciële vraag vereist, te onderzoeken. 31 Het staat bovendien aan de Raad van State om de bestreden voorwaarde op een wijze toe te passen die verenigbaar is met recht op toegang tot de rechter. B.19.
- Door voor te schrijven dat de in B.19.2 vermelde middelen niet worden onderzocht en derhalve niet in aanmerking kunnen komen om als ernstig te worden beschouwd – ongeacht of ze raken aan de openbare orde – om reden dat het onderzoek ervan zich niet zou lenen voor een versnelde behandeling, heeft de wetgever een maatregel genomen die pertinent en redelijk verantwoord is om het doel te realiseren dat erin bestaat om middelen daadwerkelijk te kunnen onderzoeken en over de ernst ervan te beslissen binnen de beoogde korte termijn van het administratief kortgeding. Het administratief kortgeding strekt ertoe om op korte termijn een voorlopige uitspraak te verkrijgen over het geschil door een schorsing of voorlopige maatregelen te bevelen wanneer de spoedeisendheid vaststaat en het aangevoerde middel ernstig wordt geacht. De versnelde behandeling van het geschil is inherent aan die procedure en vereist beperkingen van de in het bodemgeschil geboden waarborgen, zoals het beperkte karakter van het onderzoek en het door de rechter uitgevoerde onderzoek om het middel als ernstig aan te merken. Rekening houdend met de voormelde context, de specifieke aard van de procedure en de in B.19.2 vermelde interpretatie, wordt het recht op een effectief rechtsmiddel en toegang tot de rechter niet op een onevenredige wijze beperkt door de bestreden voorwaarde. Evenmin wordt afbreuk gedaan aan de standstill-verplichting aangezien de wetgever niet zonder redelijke verantwoording heeft geoordeeld dat het onderzoek van een middel zich moet lenen voor een kortgedingprocedure, hetgeen de effectiviteit van de versnelde behandeling waarborgt. Het tweede onderdeel is niet gegrond. Wat betreft het derde, vierde en vijfde onderdeel van het enige middel B.19.
- De verzoekende partijen leiden een derde, vierde en vijfde onderdeel van het enige middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de grondwets- en verdragsbepalingen inzake het recht op toegang tot de rechter en met de uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende standstill-verplichting. Zij voeren aan dat de bestreden vereiste dat het onderzoek van het middel zich moet lenen voor een versnelde 32 behandeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 ervan, schendt doordat zij zonder onderscheid wordt toegepast naargelang het gaat om een middel van openbare orde of een ander middel (derde onderdeel), ze in kortgedingprocedures wordt toegepast ten aanzien van alle aangelegenheden, behoudens overheidsopdrachten (vierde onderdeel), en ze zonder enig onderscheid wordt toegepast naargelang het administratief dossier is neergelegd of niet (vijfde onderdeel). B.19.
- Wanneer de wetgever de toegang tot de rechter beperkt door het instellen van de voorwaarde betreffende de verenigbaarheid van het onderzoek van een middel met de aan de kortgedingprocedure inherente versnelde behandeling, dient hij erover te waken dat hij dat niet op een discriminerende wijze doet. Wat het beweerde verschil in behandeling betreft naargelang de kortgedingprocedure al dan niet betrekking zou hebben op een administratieve akte die onder het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2013 valt, dient te worden vastgesteld dat de wetgever bij de wet van 17 juni 2013 in snelle en doeltreffende procedures beoogde te voorzien om onwettige handelingen van de aanbestedende instanties tegen te gaan en de kandiderende of inschrijvende ondernemingen hiertegen te beschermen. Uit de gecombineerde lezing van de wet van 17 juni 2013 en de wet van 12 januari 1973 blijkt overigens dat de wetgever de voorwaarden met betrekking tot de verhaalsmogelijkheden bij de Raad van State inzake aangelegenheden van openbare aanbestedingen heeft afgestemd op de gemeenrechtelijke regelingen voor de Raad van State, tenzij hij uitdrukkelijk andersluidende voorwaarden in de wet van 17 juni 2013 heeft bepaald. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, dient dus te worden vastgesteld dat, ook al wijkt de in artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 beoogde kortgedingprocedure bij de Raad van State, wat betreft de vereiste van spoedeisendheid, af van de in artikel 17, § 1, derde lid, van de wet van 12 januari 1973 bepaalde voorwaarden voor het bevelen van de schorsing van een administratieve akte of het opleggen van voorlopige maatregelen, zulks niet wegneemt dat dit niet het geval is wat betreft de voorwaarde inzake de verenigbaarheid van het onderzoek van het middel met de kortgedingprocedure, zodat in wezen het beweerde verschil in behandeling niet bestaat. Wat de overige beweerde verschillen in behandeling inzake de toepassing van de bestreden voorwaarde betreft, is er evenmin sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. De wetgever vermocht zonder het gelijkheidsbeginsel te miskennen te oordelen dat hij niet in een 33 uitzondering op die voorwaarde diende te voorzien indien het middel betrekking heeft op een middel van openbare orde, noch in het geval dat het administratief dossier niet is neergelegd door de tegenpartij. Het criterium om middelen uit te sluiten van het onderzoek in een kortgedingprocedure op grond van de verenigbaarheid ervan met een versnelde behandeling, is objectief en pertinent. In het licht van de nagestreefde doelstelling is het niet relevant om een onderscheid te maken naargelang het een middel van openbare orde of een ander middel is. Het publieke beschermingsdoel en de kenmerken van een middel van openbare orde leiden in het licht van de nagestreefde doelstellingen niet tot een andere conclusie. Het is overigens niet zonder redelijke verantwoording dat de bestreden voorwaarde ook kan worden toegepast in het geval waarin het administratieve dossier geheel of gedeeltelijk ontbreekt. De verzoekende partijen gaan overigens ten onrechte ervan uit dat het ontbreken van een administratief dossier het onderzoek van de ernst van een middel per definitie en automatisch in het nadeel van de rechtzoekende onmogelijk maakt. Het is aan de rechter om zich geval per geval over de ernst van een middel uit te spreken op basis van de in de stand van de procedure al dan niet beschikbare stukken, en in voorkomend geval, zelfs bij ontstentenis van het administratief dossier. In dat opzicht dient te worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ontstentenis van een administratief dossier niet eraan in de weg staat dat een middel als ernstig wordt beschouwd (RvSt, 1 december 2003, nr. 125.888, ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.888) en dat ook in kortgedingprocedures als algemeen principe wordt aangenomen dat het ontbreken van dat dossier ertoe leidt dat de door de verzoekende partijen aangehaalde feiten bewezen worden geacht, tenzij ze kennelijk onjuist zouden zijn (RvSt, 22 juni 1999, nr. 81.134, ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.134; 9 maart 2006, nr. 156.091, ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.091). Het derde, vierde en vijfde onderdeel van het enige middel zijn niet gegrond. Wat betreft het eerste onderdeel van het enige middel B.19.
- De verzoekende partijen leiden een eerste onderdeel van het enige middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 142 van de Grondwet, artikel 4 van het VEU, de beginselen van gemeenschapstrouw en samenwerking, artikel 267 van het VWEU en het beginsel van effectieve rechtsbescherming 34 van de door het Unierecht aan de justitiabelen verleende rechten doordat de bestreden voorwaarde zou verhinderen dat de Raad van State prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dan wel aan het Grondwettelijk Hof zou stellen. B.19.
- Allereerst kan uit het Unierecht niet worden afgeleid dat rechtscolleges in kortgedingprocedures verplicht zouden zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 24 mei 1977, C-107/76, Hoffmann-La Roche AG, ECLI:EU:C:1977:89, punten 5-6; 27 oktober 1982, C-35/82, Morson en Jhanjan, ECLI:EU:C:1982:368, punt 10). Uit de vermelde rechtspraak kan immers worden afgeleid dat in summiere en spoedeisende procedures, die slechts voorlopige rechtsbescherming beogen te bieden, aan de uit de doelstellingen van artikel 267 van het VWEU voortvloeiende eisen wordt voldaan wanneer elke in de summiere procedure voorlopig besliste rechtsvraag in een gewone procedure ten gronde aan een nieuw onderzoek kan worden onderworpen en de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie in die procedure ten gronde tot gelding komt. Het Unierecht schrijft daarnaast voor dat geen enkele nationale maatregel de rechter vermag te verhinderen om voorlopige maatregelen te nemen indien er een antwoord wordt afgewacht op een prejudiciële vraag betreffende de uitlegging van het Unierecht die aan het Hof van Justitie wordt gesteld, antwoord waarvan het bestaan van de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan, afhankelijk is. De volle werking van het Unierecht vereist immers dat de rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, voorlopige maatregelen moet kunnen gelasten ter waarborging van de volle werking van de te geven rechterlijke uitspraak. De nuttige werking van het stelsel van artikel 267 van het VWEU zou immers worden verzwakt indien de nationale rechter, die in afwachting van uitspraak van het Hof op zijn prejudiciële vraag de behandeling van een zaak schorst, tot zijn eigen uitspraak na