← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.157

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.157 Arrest- Rolnummer: 157/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-30 Raadplegingen: 840 - laatst gezien 2026-06-19 00:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.24, B.27, B.80.2 en B.86) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen. Veiligheid van de Staat - Wetswijziging -

  1. Regeringsamendementen - Ontstentenis van raadpleging van het Onderhandelingscomité en van de Gegevensbeschermingsautoriteit -
  2. Ministerie van Defensie - Personeelsleden - Veiligheidsverificatie -
  3. Negatief veiligheidsadvies - Vakbondsstandpunt - Ontstentenis van tussenkomst van het geschillencomité -
  4. Negatief veiligheidsadvies - Gevolgen -
  5. Beroepsorgaan -
  6. Motivering van een negatief veiligheidsadvies - Beperkingen -
  7. Veiligheidsverificatie - Evaluatie van de gegevens - Wettelijke criteria - Machtiging aan de Koning Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 157/2024 van 19 december 2024 Rolnummer : 8118 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia en Willem Verrijdt, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2023, is beroep tot vernietiging van de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 2023) ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel, Yves Huwart, Vincent Bordignon, Wilfrid Decru, Wesley Claeys en Carine Flamend, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Anneleen Van De Meulebroucke, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou 2 hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 9 oktober 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 6 november
  8. Op de openbare terechtzitting van 6 november 2024 : - zijn verschenen : . mr. Philippe Vande Casteele, voor de verzoekende partijen; . mr. Bart Martel, mr. Sietse Wils en mr. Ellen Caen, advocaten bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Anneleen Van De Meulebroucke, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat het belang van de verzoekende partijen betreft A.1.
  9. De tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij beroepen zich op hun hoedanigheid van personeelslid van het ministerie van Defensie en zijn van oordeel dat zij belang hebben bij hun beroep, daar zij in die hoedanigheid onderworpen zijn aan de bestreden bepalingen. Zij zetten onder meer uiteen dat die bepalingen met zich meebrengen dat een negatief veiligheidsadvies te hunnen aanzien kan worden uitgebracht waaraan een schorsing van rechtswege in het belang van de dienst is verbonden. Zij menen dat hun belang ook volgt uit het feit dat de bestreden wet het optreden van klokkenluiders binnen het ministerie van Defensie belemmert. A.1.2.
  10. De eerste verzoekende partij, de Algemene Centrale Militair Personeel (hierna : de ACMP), zet uiteen dat zij zich tot doel stelt de belangen van haar leden te verdedigen en alle nodige acties te voeren ter verdediging van de plaats van de militair in de Natie. Zij doet gelden dat zij bij koninklijk besluit van 17 december 1990 is erkend als vakorganisatie voor de toepassing van de wet van 11 juli 1978 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel » (hierna : de wet van 11 juli 1978). A.1.2.
  11. De eerste verzoekende partij meent dat zij een rechtmatig belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, daar die bepalingen de voorwaarden van haar betrokkenheid bij de werking van de overheidsdiensten, zoals die volgen uit de wet van 11 juli 1978, in het gedrang brengen, meer bepaald door de vakbondsafgevaardigden bloot te stellen aan, onder meer, de maatregel betreffende de schorsing van rechtswege als gevolg van een negatief veiligheidsadvies. Zij merkt op dat de overheid de standpunten die een vakbondsafgevaardigde inneemt, in aanmerking zou kunnen nemen om een negatief veiligheidsadvies uit te brengen en dat een vakvereniging niet de mogelijkheid heeft om een beroep in stellen tegen zulk een advies. Zij 3 meent dat haar belang ook volgt uit het feit dat de regeringsamendementen die hebben geleid tot de bestreden bepalingen niet zijn voorgelegd aan het onderhandelingscomité bedoeld in de artikelen 2 en 6 van de wet van 11 juli
  12. Zij doet gelden dat het haar ontzeggen van een toegang tot het Hof in strijd zou zijn met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht van de Europese Unie, daar zij dan niet beschikt over een daadwerkelijk rechtsmiddel om de schending van haar vakbondsprerogatieven aan te vechten. Zij verzoekt het Hof om met toepassing van het Protocol nr. 16 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een vraag te stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de problematiek, evenals om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.1.
  13. De zesde verzoekende partij beroept zich op haar hoedanigheid van advocaat en meent dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de uitoefening van haar beroep. Haar belang blijkt volgens haar onder meer uit het feit dat een advocaat niet de mogelijkheid heeft om een personeelslid van het ministerie van Defensie bij te staan tijdens de procedure die kan leiden tot een ambtshalve schorsing van dat personeelslid, uit het feit dat de beroepsprocedure waarin de bestreden bepalingen voorzien, niet transparant is, uit het feit dat er geen doeltreffende voorziening in rechte bestaat tegen de beslissingen van het Beroepsorgaan en uit het feit dat de toegang tot het dossier aan beperkingen kan worden onderworpen. A.1.
  14. Alle verzoekende partijen menen dat hun belang bij het beroep eveneens blijkt uit het feit dat ten aanzien van de personeelsleden van het ministerie van Defensie een negatief veiligheidsadvies kan worden uitgebracht wanneer zij door hun omgeving schade zouden kunnen berokkenen aan bepaalde belangen of aan de fysieke integriteit van personen. Zij wijzen erop dat een vakbond, een vakbondsafgevaardigde, een advocaat of een ander personeelslid of ex-personeelslid van het ministerie van Defensie tot de omgeving van het desbetreffende personeelslid kunnen worden gerekend. A.1.
  15. Bij een aan het Hof gericht schrijven van 12 juni 2024 vragen de verzoekende partijen het Hof onderzoeksmaatregelen te nemen teneinde hun belang te kunnen staven. Zij verzoeken het Hof zich te richten tot de Ministerraad en de minister van Defensie met het oog op het overleggen van « de richtlijn, opgesteld door de Nationale Veiligheidsraad » met betrekking tot « de inhoud en de draagwijdte van de veiligheidsonderzoeken », aangehaald in een aan de advocaat van de verzoekende partijen gerichte brief van 27 mei 2024 van de minister van Defensie. A.
  16. Volgens de Ministerraad is het beroep minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. A.3.1.
  17. Wat de eerste verzoekende partij betreft, verwijst de Ministerraad naar het arrest van het Hof nr. 84/2002 van 8 mei 2002 (ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.084) en leidt hij eruit af dat die partij, als feitelijke vereniging, in beginsel niet de vereiste bekwaamheid heeft om een beroep tot vernietiging in te stellen, tenzij wanneer zij optreedt in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als een afzonderlijke juridische entiteit is erkend en wanneer, terwijl zij wettelijk als dusdanig betrokken is bij de werking van de overheidsdiensten, de voorwaarden zelf voor haar betrokkenheid bij die werking in het geding zijn. Hij meent dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan de wettelijke voorwaarden voor de betrokkenheid van de eerste verzoekende partij bij de werking van de overheidsdiensten. Hij meent dat de eerste verzoekende partij aldus niet doet blijken van een belang. In zoverre het Hof zou oordelen dat de eerste verzoekende partij wel zou doen blijken van een belang, voert de Ministerraad in ondergeschikte orde aan dat dat belang hoogstens zou kunnen worden aanvaard bij het eerste en het vierde middel. A.3.1.
  18. Met betrekking tot de suggestie van de eerste verzoekende partij om aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen te stellen, merkt de Ministerraad op dat noch artikel 142 van de Grondwet, noch artikel 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch de door het Hof ontwikkelde rechtspraak inzake het belang van representatieve vakorganisaties beletten dat de eerste verzoekende partij een beroep tot vernietiging instelt tegen een wettelijke bepaling die tot gevolg zou hebben dat aan haar prerogatieven van representatieve vakorganisatie wordt geraakt. Hij doet daarbij gelden dat een dergelijk beroep vanzelfsprekend pas succesvol kan zijn wanneer de verzoekende partij erin slaagt om het op een ontvankelijke wijze in te stellen en om gegronde middelen te ontwikkelen. Hij meent dat er geen reden is om van die vereisten, die het fundament uitmaken van elke rechtspleging, af te wijken ten behoeve van de eerste verzoekende partij, louter omdat zij een representatieve vakorganisatie is. Volgens hem kan er dan ook geen sprake zijn van een schending van de referentienormen die de eerste verzoekende partij aanhaalt in de door haar gesuggereerde vragen en is er volgens hem geen aanleiding om die vragen te stellen. Wat de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie betreft, wijst de Ministerraad nog erop dat die vraag geen betrekking heeft op de interpretatie of op de geldigheid van het recht van de Europese Unie, maar wel op de geldigheid van het interne recht, waarvoor het Hof van Justitie volgens hem niet bevoegd is. 4 A.3.
  19. Met betrekking tot de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij voert de Ministerraad aan dat zij onvoldoende uiteenzetten op welke wijze de bestreden wet hen rechtstreeks en ongunstig zou kunnen raken. De door die partijen ingeroepen gevolgen van een negatief veiligheidsadvies zijn, volgens hem, voor hen zuiver hypothetisch, daar zij nalaten om op concrete elementen te wijzen waaruit zou blijken dat ten aanzien van hen een negatief veiligheidsadvies zou kunnen worden uitgebracht. A.3.
  20. In zoverre de zesde verzoekende partij beweert dat zij als advocaat door de bestreden bepalingen wordt gehinderd in het bijstaan van een cliënt in het kader van de procedure die kan leiden tot een schorsing van rechtswege, is die kritiek volgens de Ministerraad veeleer een voorafname op de concrete toepassing van de bestreden wet. Hij beklemtoont dat de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de hoorplicht niet uitsluiten in het kader van het verlenen van het veiligheidsadvies en dat die bepalingen evenmin de bijstand door een advocaat uitsluiten in het kader van de beroepsprocedure bij het Beroepsorgaan. Het feit dat een advocaat mogelijk, in een specifiek en individueel geval, geen toegang zou kunnen hebben tot alle stukken van het dossier, brengt volgens hem niet met zich mee dat afbreuk wordt gedaan aan de uitoefening van het beroep van advocaat. Hij verwijst in dat kader naar rechtspraak van het Hof. A.3.
  21. De Ministerraad meent ten slotte dat het beroep tot vernietiging enkel ontvankelijk kan zijn in zoverre de bestreden bepalingen op het militair personeel van het ministerie van Defensie betrekking hebben, daar de verzoekende partijen zich enkel gegriefd achten door die bepalingen in zoverre zij op het militair personeel van toepassing zijn. Wat de ontvankelijkheid van de aangevoerde middelen en grieven betreft A.4.
  22. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen enkel middelen en grieven aanvoeren tegen de artikelen 44, 45, 46, 47, 48 en 49 van de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 7 april 2023) en meent dat het beroep tot vernietiging om die reden slechts ontvankelijk kan zijn in zoverre het is gericht tegen die artikelen. A.4.
  23. De Ministerraad voert ook aan dat de kritieken die de verzoekende partijen in hun middelen ontwikkelen, minstens gedeeltelijk doch in hoge mate, niet gericht zijn tegen de inhoud van de bepalingen van de wet van 7 april 2023, maar wel tegen de concrete toepassing die van die wet zou kunnen worden gemaakt. Hij meent dat het niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort om de grondwettigheid of wettigheid van nog met toepassing van de bestreden bepalingen te nemen beslissingen te beoordelen en dat het beroep tot vernietiging, in zoverre het is gericht tegen de toepassing die van die wet zou kunnen worden gemaakt, niet ontvankelijk is. A.4.
  24. De Ministerraad voert ten slotte aan dat de verzoekende partijen in hun middelen meerdere referentienormen vermelden, maar niet voor elk van die referentienormen uiteenzetten op welke wijze de bestreden bepalingen ermee in strijd zouden zijn. Hij meent dat de aangevoerde middelen niet ontvankelijk zijn in zoverre ze zijn afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen die referentienormen zouden schenden. A.4.
  25. De verzoekende partijen antwoorden dat zij de vernietiging vragen van de wet van 7 april 2023 en aldus niet van beslissingen die met toepassing van die wet zouden kunnen worden genomen. Zij antwoorden ook dat hun middelen wel degelijk zijn gericht tegen de gehele wet van 7 april 2023 en dat sommige bepalingen van die wet dienen te worden vernietigd omdat zij onlosmakelijk verbonden zijn met andere bepalingen die dienen te worden vernietigd. Zij doen bovendien gelden dat uit de memorie van de Ministerraad blijkt dat hij hun grieven en middelen wel degelijk heeft begrepen. Zij antwoorden ten slotte dat het optreden van de zesde verzoekende partij als advocaat niet beperkt is tot het verlenen van bijstand aan het militair personeel van het ministerie van Defensie. 5 Ten aanzien van de middelen Wat het eerste middel betreft A.
  26. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 6 van de wet van 11 juli 1978 en van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 5 en 6 van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de Conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna : de IAO) nrs. 87, 98 en 154, met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op daadwerkelijke rechtshulp, met de vakbondsvrijheid en met het recht op collectief onderhandelen. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de regeringsamendementen die hebben geleid tot de bepalingen die deel uitmaken van afdeling 2 (« Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ») van hoofdstuk IIIbis (« Veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen ») van de wet van 11 december 1998 « betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst » (hierna : de wet van 11 december 1998), zoals ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, niet werden voorgelegd aan het onderhandelingscomité bedoeld in de wet van 11 juli
  27. A.6.
  28. De verzoekende partijen zetten uiteen dat volgens artikel 2, § 1, van de wet van 11 juli 1978 de bevoegde overheden zonder voorafgaande onderhandeling met de representatieve vakorganisaties geen voorontwerpen van wet en ontwerpen van uitvoeringsbesluit mogen vaststellen die de werving, de rechten en de plichten van de militairen en hun bevordering of de betrekkingen met de vakorganisaties regelen. Zij vervolgen dat artikel 6, tweede lid, van de wet van 11 juli 1978 bepaalt dat indien een voorontwerp van wet of een ontwerp van uitvoeringsbesluit aan de afdeling wetgeving van de Raad van State om advies wordt voorgelegd, dat voorontwerp of ontwerp vergezeld dient te zijn van het protocol van het onderhandelingscomité en dat dit protocol eveneens moet worden gevoegd bij het ontwerp van wet ingediend bij het Parlement. A.6.
  29. Uit de rechtspraak van het Hof leiden de verzoekende partijen af dat het Hof bevoegd is om de grondwettigheid van wetsbepalingen te beoordelen, zij het enkel ten aanzien van de inhoud en dus niet ten aanzien van de totstandkoming ervan. Zij zijn evenwel van oordeel dat het door hen aangevoerde eerste middel ontvankelijk dient te worden verklaard, daar de niet-ontvankelijkheid van dat middel zou leiden tot een schending van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Zij menen dat artikel 142 van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof niet uitsluiten dat het Hof een wetsbepaling vernietigt wanneer in het kader van de totstandkoming ervan een artikel van titel II van de Grondwet is geschonden. Ze wijzen erop dat de in het middel vermelde referentienormen de vakbondsvrijheid en het recht op collectief onderhandelen waarborgen. A.6.
  30. Indien zou moeten worden geoordeeld dat het eerste middel niet ontvankelijk is, vragen de verzoekende partijen het Hof om met toepassing van het Protocol nr. 16 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een princiepsvraag te stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, evenals om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.7.
  31. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat het eerste middel niet ontvankelijk is omdat het Hof niet bevoegd is om de totstandkoming van een wetskrachtige norm te beoordelen. Hij wijst erop dat het Hof onder meer reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om het al dan niet raadplegen van de vakbonden te controleren. A.7.
  32. Wat de door de verzoekende partijen gesuggereerde vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie betreft, doet de Ministerraad gelden dat noch artikel 142 van de Grondwet, noch artikel 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, noch de rechtspraak van het Hof die betrekking heeft op de totstandkoming van een wet, beletten dat een representatieve vakorganisatie een beroep tot vernietiging instelt tegen een wettelijke regeling die tot gevolg zou hebben dat aan haar prerogatieven van representatieve vakorganisatie zou worden geraakt. Volgens hem kan er dan ook geen sprake zijn van een schending van de referentienormen die de eerste verzoekende partij aanhaalt in de door haar gesuggereerde vragen en is er volgens hem geen aanleiding om die vragen te stellen. Daar anders over oordelen zou volgens hem overigens impliceren dat uit die referentienormen zou moeten worden afgeleid dat elke Staat die door die referentienormen is gebonden in een mogelijkheid van een beroep tot vernietiging van een wetskrachtige bepaling 6 moet voorzien, quod non, en dat bij dat beroep niet alleen de inhoud van een wetskrachtige bepaling, maar ook de totstandkoming van die bepaling moet kunnen worden gecontroleerd, quod certe non. Wat de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie betreft, wijst de Ministerraad nog erop dat die vraag betrekking heeft op de geldigheid van het interne recht, waarvoor het Hof van Justitie niet bevoegd is. A.7.
  33. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het eerste middel niet ontvankelijk is omdat het Hof niet bevoegd is om de overeenstemming van een wet met een andere wet te beoordelen. Hij meent dat de verzoekende partijen het Hof verzoeken om de wet van 7 april 2023 te toetsen aan de wet van 11 juli
  34. A.7.
  35. De Ministerraad doet ook gelden dat het eerste middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van andere normen dan de artikelen 2 en 6 van de wet van 11 juli 1978, daar de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet op een duidelijke wijze voor elk van de in het middel vermelde referentienormen uiteenzetten in welke zin die referentienormen zouden zijn geschonden. Hij meent dat het niet volstaat om de schending van die normen aan te voeren, zonder die schending in concreto uiteen te zetten. A.8.
  36. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het eerste middel ontvankelijk is, is het volgens de Ministerraad niet gegrond. Uit artikel 4, eerste lid, 1°, van de wet van 23 april 2010 « tot tijdelijke uitvoering van de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel » (hierna : de wet van 23 april 2010) leidt hij af dat de onderhandeling waarin artikel 2, § 1, van de wet van 11 juli 1978 voorziet, en het overleg waarin artikel 7, §§ 1 en 3, van die wet voorziet, niet vereist zijn wanneer de te nemen maatregel betrekking heeft op de organisatie van ’s lands veiligheid of defensie. Hij meent dat de bestreden bepalingen ertoe strekken de veiligheid van het ministerie van Defensie en bij uitbreiding van het gehele land te beschermen, zodat er, op grond van de wet van 23 april 2010, geen onderhandeling met de vakverenigingen was vereist voorafgaand aan de aanneming van de bestreden bepalingen. A.8.
  37. De Ministerraad beklemtoont nog dat de bestreden bepalingen niet ertoe strekken de vakbondsvrijheid te beperken, dat die bepalingen geenszins beogen afbreuk te doen aan artikel 15, § 3, tweede lid, van de wet van 11 juli 1978, waaruit volgt dat vakbondsafgevaardigden niet het voorwerp kunnen uitmaken van een statutaire maatregel of van een tuchtstraf voor de handelingen die zij in die hoedanigheid stellen en die rechtstreeks verband houden met de vakbondsprerogatieven die zij uitoefenen, dat het loutere feit dat een personeelslid van het ministerie van Defensie lid van een vakbond zou zijn, op zich niet leidt tot een veiligheidsverificatie, laat staan tot een negatief veiligheidsadvies, dat een negatief veiligheidsadvies in feite en in rechte dient te worden gemotiveerd, dat tegen een beslissing betreffende een negatief veiligheidsadvies een beroep kan worden ingesteld en dat het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna : het Vast Comité I) toezicht houdt op de werking van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (hierna : de ADIV) van het ministerie van Defensie. Hij leidt uit dit alles af dat de bestreden bepalingen in geen enkel opzicht met zich meebrengen dat aan de vakbondsvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het recht op collectief overleg en op collectief onderhandelen afbreuk zou worden gedaan. A.9.
  38. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad zich ten onrechte op de wet van 23 april 2010 beroept. Zij wijzen erop dat artikel 4 van die wet de minister of de voorzitter van het betrokken comité verplicht om vast te stellen dat een van de in het eerste of het tweede lid van die bepaling bedoelde situaties zich voordoet, en om de representatieve vakorganisaties hiervan kennis te geven bij een gemotiveerd en ter post aangetekend schrijven. Aangezien de Ministerraad ter zake geen gegevens verschaft, verzoeken zij het Hof, in hun memorie van antwoord, om een onderzoeksmaatregel te nemen teneinde na te gaan of de voormelde vormvereisten werden nageleefd. Zij argumenteren bovendien dat de wet van 23 april 2010, volgens artikel 105 ervan, buiten werking is getreden en dat de bestreden wet van 7 april 2023 geen wet is die betrekking heeft op de organisatie van ’s lands veiligheid of defensie. Zij wijzen ten slotte erop dat de bevoegde minister in de parlementaire voorbereiding heeft verklaard dat over het wetsontwerp wel degelijk met de vakverenigingen is onderhandeld. A.9.
  39. Wat het verzoek tot het nemen van een onderzoeksmaatregel betreft, is de Ministerraad van oordeel dat dat verzoek dient te worden verworpen, daar het Hof niet bevoegd is om de wijze van totstandkoming van de bestreden wet te beoordelen. Voor het overige antwoordt de Ministerraad dat de wet van 23 april 2010 niet buiten werking is getreden, dat niet valt in te zien waarom de bestreden bepalingen geen betrekking zouden hebben op de organisatie van ’s lands veiligheid of defensie en dat de verzoekende partijen de parlementaire voorbereiding verkeerd lezen, daar het overleg met de vakverenigingen waarvan sprake is in die voorbereiding betrekking had op het actieplan ter voorkoming en bestrijding van extremisme binnen het ministerie van Defensie. 7 Wat het tweede middel betreft A.
  40. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » (hierna : de wet van 3 december 2017), inzonderheid de artikelen 4, 23 en 26 ervan, en van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest, met de artikelen 7 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 5 en 6 van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de IAO-Conventies nrs. 87, 98 en 154, met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op daadwerkelijke rechtshulp, met de vakbondsvrijheid, met het recht op collectief onderhandelen, en met artikel 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de regeringsamendementen die hebben geleid tot de bepalingen die deel uitmaken van afdeling 2 (« Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ») van hoofdstuk IIIbis (« Veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen ») van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, niet voor advies werden voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit. A.11.
  41. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de in het middel vermelde referentienormen het recht op eerbiediging van het privéleven, de vakbondsvrijheid, het recht op collectief onderhandelen en de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Uit artikel 36, lid 4, van de AVG leiden zij af dat de lidstaten van de Europese Unie de toezichthoudende autoriteit moeten raadplegen bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Daar de voormelde regeringsamendementen niet voor advies werden voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, zijn de bestreden bepalingen volgens hen in strijd met de in het middel vermelde referentienormen. A.11.
  42. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat niet kan worden aangevoerd dat het tweede middel niet ontvankelijk is, daar het niet-ontvankelijk verklaren ervan zou leiden tot een strijdigheid met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 36 van de AVG. A.12.
  43. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel om meerdere redenen niet ontvankelijk is. A.12.2.
  44. Volgens de Ministerraad is het tweede middel onder meer niet ontvankelijk omdat het Hof niet bevoegd is om de totstandkoming van wetskrachtige bepalingen te controleren. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 26/2023 van 16 februari 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.026) en leidt eruit af dat het Hof uitzonderingen op de voormelde principiële onbevoegdheid heeft aanvaard, meer bepaald wanneer de regels die de wijze van totstandkoming van wetten mee bepalen, moeten worden beschouwd als bevoegdheidverdelende regels, als regels die bijdragen tot de inachtneming van de federale loyaliteit of als regels die ertoe strekken de rechten en vrijheden te waarborgen die zijn erkend door titel II of door de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Hij meent dat daaruit moet worden afgeleid dat het Hof bevoegd is om de totstandkoming van wetskrachtige bepalingen te toetsen, voor zover de in het verzoekschrift aangevoerde voorschriften inzake de totstandkoming van de bestreden norm kunnen worden gelijkgesteld met referentienormen waaraan het Hof vermag te toetsen. A.12.2.
  45. De Ministerraad is van oordeel dat het te dezen aangevoerde voorschrift inzake de totstandkoming van de bestreden bepalingen niet kan worden gelijkgesteld met een referentienorm waaraan het Hof vermag te toetsen. Volgens hem brengen de verzoekende partijen in de uiteenzetting van hun middel de beweerdelijk niet- nagekomen verplichting tot voorafgaande raadpleging van de Gegevensbeschermingsautoriteit op geen enkele wijze in verband met een bepaling van titel II van de Grondwet. Maar zelfs indien het middel zo begrepen zou moeten worden dat daarin ook de schending wordt aangevoerd van artikel 22 van de Grondwet, is het volgens de Ministerraad niet ontvankelijk, daar geen van de bepalingen die in samenhang met dat grondwetsartikel worden aangevoerd te dezen een verplichting inhouden om de Gegevensbeschermingsautoriteit te raadplegen voorafgaand aan de totstandkoming van de bestreden bepalingen. Artikel 36, lid 4, van de AVG bevat weliswaar een verplichting om de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteit te raadplegen, maar dat artikel is volgens de Ministerraad te dezen niet toepasselijk, daar artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU) bepaalt dat de nationale veiligheid 8 uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat blijft en daar de bestreden regeling betrekking heeft op de nationale veiligheid. De artikelen 4, 23 en 26 van de wet van 3 december 2017 voorzien volgens hem evenmin in een verplichting om de Gegevensbeschermingsautoriteit te raadplegen. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat niet tot een ander besluit moet worden gekomen in het licht van artikel 2, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018), in samenhang gelezen met artikel 2, lid 2, a), van de AVG. Hij meent dat die bepalingen niet zo mogen worden geïnterpreteerd dat de verplichting om de Gegevensbeschermingsautoriteit te raadplegen bij de totstandkoming van de wet, te dezen toch uit artikel 36, lid 4, van de AVG zou voortvloeien, zelfs indien de bestreden wet betrekking heeft op de nationale veiligheid en die materie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het VEU uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat blijft. Hij wijst in dat kader allereerst erop dat de verzoekende partijen bij de uiteenzetting van het tweede middel de wet van 30 juli 2018 niet hebben vermeld, zodat het Hof daarmee dan ook geen rekening kan houden bij de beoordeling van het middel. Hij doet vervolgens gelden dat een nationale bepaling een Unierechtelijke bepaling niet kan wijzigen of het toepassingsgebied ervan kan uitbreiden. Artikel 2 van de wet van 30 juli 2018 kan aldus volgens hem niet zo worden gelezen dat daarmee de AVG zou zijn gewijzigd, in strijd met artikel 4, lid 2, van het VEU. Voor zover in het interne recht zou moeten worden aangenomen dat de materieelrechtelijke voorschriften van de AVG ook gelden in het kader van activiteiten die buiten de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie vallen, is dat volgens hem niet het gevolg van het recht van de Europese Unie. Hij beklemtoont dat artikel 2 van de wet van 30 juli 2018 een wettelijke bepaling is en dat van een dergelijke bepaling niet kan worden aangenomen dat zij ertoe strekt de rechten en vrijheden die zijn erkend in titel II van de Grondwet te waarborgen. Hij brengt daarbij in herinnering dat het Hof niet bevoegd is om een wet te toetsen aan andere wettelijke bepalingen. A.12.
  46. De Ministerraad meent vervolgens dat het tweede middel, minstens gedeeltelijk, niet ontvankelijk is, omdat het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen te toetsen aan andere wetskrachtige normen. Hij is van oordeel dat het middel in hoofdorde is afgeleid uit de schending van de artikelen 4, 23 en 26 van de wet van 3 december 2017 en dat het Hof niet bevoegd is om een dergelijke toetsing uit te voeren. A.12.
  47. De Ministerraad voert ten slotte aan dat het tweede middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen die referentienormen zouden schenden. A.13.
  48. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het tweede middel ontvankelijk is, is het volgens de Ministerraad niet gegrond. Hij doet allereerst gelden dat de verzoekende partijen niet aantonen dat het loutere feit van de niet-raadpleging van de Gegevensbeschermingsautoriteit, een inmenging zou kunnen inhouden in het privéleven van de personen wier gegevens krachtens de bestreden bepalingen worden verwerkt. Daarbij komt volgens hem dat er geen enkele bepaling is waarvan de schending in het middel wordt aangevoerd, waaruit blijkt dat de Gegevensbeschermingsautoriteit diende te worden geraadpleegd. A.13.
  49. In zoverre zou moeten worden aangenomen dat de AVG te dezen van toepassing is, vereist die norm volgens de Ministerraad bovendien niet dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt ingewonnen over de bestreden bepalingen. Uit de artikelen 36, lid 4, 51, lid 1, en 57, lid 1, c), van de AVG leidt hij af dat het aan de lidstaten van de Europese Unie toekomt om op basis van het nationaal recht te bepalen welke overheidsinstanties als toezichthoudende autoriteit optreden. Hij wijst erop dat de artikelen 106 en 107 van de wet van 30 juli 2018 voorzien in specifieke bepalingen voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van veiligheidsmachtigingen, -attesten en -adviezen bedoeld in de wet van 11 december
  50. Hij wijst vervolgens erop dat de artikelen 128 tot 131 van de wet van 30 juli 2018, in afwijking van de wet van 3 december 2017, het Vast Comité I als bevoegde toezichthoudende autoriteit aanwijzen. Daaruit volgt volgens hem dat het Vast Comité I, en niet de Gegevensbeschermingsautoriteit, in casu de bevoegde toezichthoudende autoriteit is. Dat volgt volgens hem trouwens ook uit artikel 4 van de wet van 3 december
  51. De bestreden bepalingen kunnen volgens hem aldus niet de artikelen 4, 23 en 26 van de wet van 3 december 2017, die betrekking hebben op de Gegevensbeschermingsautoriteit, schenden. A.13.
  52. In zoverre het Hof het tweede middel zo zou begrijpen dat daarmee, anders dan in het verzoekschrift uitdrukkelijk wordt gesteld, het gebrek aan raadpleging van de bevoegde toezichthoudende autoriteit zou worden aangevoerd, wijst de Ministerraad nog erop dat het advies van het Beroepsorgaan van 14 september 2022 dat bij de totstandkoming van de bestreden bepalingen werd ingewonnen, eveneens het advies is van het Vast Comité I en dat dit duidelijk blijkt uit de tekst van het advies. Hij doet gelden dat de minister van Defensie wel degelijk bij de voorzitter van het Vast Comité I, die overigens dezelfde is als de voorzitter van het Beroepsorgaan, een adviesaanvraag heeft ingediend met betrekking tot de ontwerpen van regeringsamendementen houdende de wijziging van de wet van 11 december
  53. 9 A.14.
  54. De verzoekende partijen antwoorden dat zij in het tweede middel wel degelijk een schending van bepalingen van titel II van de Grondwet hebben aangevoerd. Zij betwisten bovendien dat de AVG te dezen niet toepasselijk zou zijn en verwijzen daarbij naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Zij betwisten eveneens dat de bestreden bepalingen uitsluitend betrekking hebben op de nationale veiligheid en menen dat er wel degelijk een verplichting bestond om de bevoegde toezichthoudende autoriteit te raadplegen. Zij doen ook gelden dat het Vast Comité I bevoegd is voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens, maar dat de Gegevensbeschermingsautoriteit bevoegd is voor het verlenen van advies over elke aangelegenheid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Wat het advies van het Beroepsorgaan van 14 september 2022 betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat dit advies hen niet bekend was. Zij menen dat dit advies noch aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, noch aan de Raad van State is overgelegd. A.14.
  55. De Ministerraad betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de Gegevensbeschermingsautoriteit, en niet het Vast Comité I, te dezen de bevoegde instantie zou zijn om advies te verstrekken. A.
  56. Bij een aan het Hof gericht schrijven van 29 april 2024 vragen de verzoekende partijen het Hof onderzoeksmaatregelen te nemen betreffende het door de Ministerraad bij zijn memorie van wederantwoord gevoegde tweede stuk « Kennisname van het Advies van het Beroepsorgaan op 19 september 2022 ». Zij zetten uiteen dat dit stuk betrekking heeft op e-mailverkeer tussen diverse personen of diensten, waarbij de namen van de betrokkenen en de e-mailadressen onzichtbaar werden gemaakt. Zij verzoeken het Hof om een onderzoeksmaatregel te nemen met het oog op het zichtbaar maken van de betrokken namen en e-mailadressen. Zij vragen eveneens om de originele documenten, de inhoud van de afzonderlijke e-mails die in het door de Ministerraad neergelegde stuk worden vermeld en de bijlagen bij die e-mails te laten overmaken aan het Hof. Wat het derde middel betreft A.
  57. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19, 22, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 12 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de hoorplicht, met het beginsel audi alteram partem, met de beginselen van zorgvuldigheid en voorzorg, met artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met de richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 « inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/1937), inzonderheid de artikelen 10, 22 en 23 ervan, en met het Handvest, inzonderheid de artikelen 7, 8, 47, 48 en 52 ervan. A.
  58. In het eerste onderdeel van het derde middel bekritiseren de verzoekende partijen artikel 22sexies/2 van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 47 van de wet van 7 april 2023, doordat bij een veiligheidsverificatie rekening kan worden gehouden met feiten die verband houden met de persoon of diens gedrag. Zij verwijzen naar artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 mei 2018 « tot bepaling van de lijst van de gegevens en informatie die geraadpleegd kunnen worden in het kader van de uitvoering van een veiligheidsverificatie » en leiden eruit af dat ook de gegevens die in het bevolkings- en vreemdelingenregister, het rijksregister en het wachtregister van de vreemdelingen staan, in aanmerking kunnen worden genomen. Dit laat volgens hen toe dat de overheidsinstantie die een huwelijk van een personeelslid van het ministerie van Defensie met een persoon van buitenlandse nationaliteit afkeurt, een negatief veiligheidsadvies zou kunnen baseren op dat huwelijk. De bestreden bepalingen belemmeren volgens hen aldus het recht te huwen, zoals gewaarborgd door artikel 12 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.18.
  59. Het tweede onderdeel van het derde middel is gericht tegen artikel 22sexies/4, §§ 1 en 3, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 49 van de wet van 7 april
  60. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepaling in strijd is met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel audi alteram partem, met de hoorplicht, met de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het zorgvuldigheidsbeginsel. A.18.
  61. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden bepaling met zich meebrengt dat de intrekking of weigering van de instemming met een veiligheidsverificatie door de betrokkene, de kennisgeving van een negatief veiligheidsadvies en het uitblijven van een antwoord op het verzoek om instemming met een veiligheidsverificatie, een einde maken aan de procedure tot werving of indienstneming, de vorming, de procedure tot benoeming en aan de mogelijkheid voor de betrokken persoon om een functie of een betrekking te blijven 10 uitoefenen zoals bedoeld in artikel 22sexies/2, eerste lid, van de wet van 11 december
  62. Zij vervolgen dat die bepaling eveneens erin voorziet dat de kennisgeving van een negatief veiligheidsadvies aan een personeelslid van het ministerie van Defensie, van rechtswege de schorsing van dat personeelslid in het belang van de dienst met zich meebrengt. Zij bekritiseren het feit dat de voormelde maatregelen uitwerking krijgen, zonder dat de betrokkene het recht heeft om te worden gehoord. Zij doen daarbij gelden dat de wetgever daarmee afwijkt van de regeling vervat in de artikelen 51 en 57 van de wet van 28 februari 2007 « tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat- militairen van het actief kader van de Krijgsmacht ». A.19.
  63. In het derde onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 22sexies/4, §§ 1 en 3, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 49 van de wet van 7 april 2023, klokkenluiders belemmert om wanpraktijken op het werk in de openbaarheid te brengen. Zij menen dat het rapporteren van wanpraktijken in die zin zou kunnen worden geïnterpreteerd dat de klokkenluider onvoldoende waarborgen biedt voor zijn integriteit in een militair milieu, wat volgens hen aanleiding kan geven tot een schorsing van rechtswege, zonder dat de betrokken militair daarbij het recht heeft om te worden gehoord. Zij menen dat de wetgever de klokkenluiders had moeten vrijwaren van de in de bestreden bepaling vervatte maatregelen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden zij af dat klokkenluiders bescherming kunnen ontlenen aan de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.19.
  64. De verzoekende partijen menen dat de bestreden wet op onredelijke wijze afwijkt van de regeling vervat in de wet van 8 december 2022 « betreffende de meldingskanalen en de bescherming van de melders van integriteitsschendingen in de federale overheidsinstanties en bij de geïntegreerde politie » (hierna : de wet van 8 december 2022). Zij zetten uiteen dat die laatste wet de richtlijn (EU) 2019/1937 omzet en dat zowel die wet als die richtlijn bepaalde represailles ten aanzien van klokkenluiders verbieden, waaronder de schorsing, de tijdelijke buitendienststelling, het ontslag en de weigering van bevordering (artikel 28 van de wet en artikel 10 van de richtlijn). Zij wijzen erop dat de voormelde richtlijn ook bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de klokkenluiders ten volle gebruik kunnen maken van de rechten van de verdediging, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot hun dossier (artikel 22 van de richtlijn). Zij wijzen eveneens erop dat de artikelen 40 en 41 van de wet van 8 december 2022, ter uitvoering van artikel 23 van de richtlijn, voorzien in tuchtmaatregelen en strafsancties voor personen die represailles nemen ten aanzien van klokkenluiders. Zij betwisten het standpunt van de Ministerraad dat de richtlijn (EU) 2019/1937 en de wet van 8 december 2022 geen toepassing zouden kunnen vinden en verwijzen daarbij naar artikel 3, lid 2, van de richtlijn en artikel 4 van de wet, waaruit zij afleiden dat de klokkenluidersregeling wel degelijk geldt voor meldingen van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten waaraan defensie- of veiligheidsaspecten zijn verbonden. Zij betwisten eveneens het standpunt van de Ministerraad dat er te dezen geen aanknopingspunt met het recht van de Europese Unie is aangetoond. Volgens de verzoekende partijen zijn de in de bestreden bepaling beschreven maatregelen te kwalificeren als sancties, gevolgen, represailles en maatregelen die de wet van 8 december 2022 verbiedt. Zij menen dat het daardoor in het leven geroepen verschil in behandeling ten nadele van de personeelsleden van het ministerie van Defensie, niet redelijk is verantwoord. A.
  65. Het vierde onderdeel van het derde middel is gericht tegen artikel 22sexies/3, § 4, derde lid, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 48 van de wet van 7 april
  66. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat een negatief veiligheidsadvies in feite en in rechte met redenen omkleed wordt overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 11 december
  67. Uit artikel 22, vijfde en zesde lid, van die wet leiden zij af dat de desbetreffende motivering aan beperkingen is onderworpen, omdat elke inlichting waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan bepaalde belangen niet in de motivering mag worden opgenomen. Zij leiden daaruit af dat een klokkenluider geen toegang of minstens slechts een beperkte toegang heeft tot zijn dossier. Zij menen dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 22 van de richtlijn (EU) 2019/1937, naar luid waarvan de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de klokkenluider ten volle gebruik kan maken van het recht op toegang tot zijn dossier. Zij menen dat de bestreden bepaling eveneens in strijd is met artikel 8 van het Handvest, naar luid waarvan eenieder recht heeft op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op de rectificatie daarvan. Zij verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en leiden eruit af dat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in beginsel vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd. A.
  68. Het vijfde onderdeel van het derde middel is gericht tegen artikel 22sexies/4, §§ 1, 3 en 4, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 49 van de wet van 7 april
  69. De verzoekende partijen voeren 11 aan dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan het vermoeden van onschuld van een klokkenluider. Zij doen gelden dat de in die bepaling beschreven maatregelen onmiddellijk uitvoerbaar zijn, ook wanneer een beroep ertegen wordt ingesteld bij het Beroepsorgaan. Zij menen dat de bestreden bepaling aldus in strijd is met artikel 22 van de richtlijn (EU) 2019/1937, dat bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de klokkenluiders ten volle gebruik kunnen maken van het vermoeden van onschuld. A.
  70. De Ministerraad voert allereerst aan dat het derde middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepaling die referentienormen zou schenden. A.23.
  71. Wat het eerste onderdeel van het derde middel betreft, is de Ministerraad ten gronde van oordeel dat de bestreden bepaling op geen enkele wijze verhindert een huwelijk met een persoon van buitenlandse nationaliteit aan te gaan. Hij wijst erop dat wanneer het rijksregister wordt geraadpleegd, enkel het rijksregisternummer en de geboorteplaats van de echtgenoot zichtbaar zijn en geenszins zijn nationaliteit. Hij meent ten slotte dat de kritiek van de verzoekende partijen gebaseerd is op louter hypothetische verdachtmakingen, die op geen enkele wijze worden gestaafd. A.23.
  72. Wat het tweede onderdeel van het derde middel betreft, doet de Ministerraad gelden dat het beginsel van de hoorplicht een beginsel van behoorlijk bestuur is dat het bestuur en aldus op zich niet de wetgever beoogt. Hij is van oordeel dat de wetgever ervoor kan opteren om de hoorplicht niet uitdrukkelijk te regelen, in welk geval het beginsel van behoorlijk bestuur ten volle geldt. Het loutere feit dat een normatieve bepaling niet uitdrukkelijk in een hoormoment voorziet, sluit volgens hem de toepasselijkheid van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet uit. Hij wijst echter erop dat dat beginsel geen absoluut hoorrecht inhoudt, daar de hoorplicht dient te worden afgewogen tegen het algemeen belang, het belang van de dienst en de continuïteit van de dienstverlening. Hij meent ten slotte dat de kritieken van de verzoekende partijen niet zijn gericht tegen de bestreden bepaling op zich, maar tegen toekomstige toepassingen van die bepaling, waarbij die kritieken volstrekt voorbarig en hypothetisch zijn. A.23.
  73. Wat het derde onderdeel van het derde middel betreft, merkt de Ministerraad allereerst op dat de klokkenluidersregeling minstens gedeeltelijk niet toepasselijk is, daar de richtlijn (EU) 2019/1937 geen toepassing vindt in aangelegenheden van nationale veiligheid. Hij doet bovendien gelden dat de wet van 8 december 2022 niet van toepassing is op geclassificeerde gegevens en in aangelegenheden van nationale veiligheid. In zoverre de argumentatie van de verzoekende partijen betrekking zou hebben op meldingen van klokkenluiders die buiten de voormelde domeinen vallen, is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepaling klokkenluiders niet verhindert om wanpraktijken te rapporteren. Hij doet gelden dat de meldingen van een klokkenluider aan het interne meldingskanaal niet worden overgemaakt aan de ADIV, waardoor die dienst onmogelijk een negatief veiligheidsadvies kan uitbrengen op basis van een klokkenluidersmelding. De maatregel van de schorsing van een personeelslid van het ministerie van Defensie in het belang van de dienst, kan volgens de Ministerraad niet worden gekwalificeerd als een represaille ten aanzien van een klokkenluider. Zulk een represaille is volgens hem overigens niet toegelaten op grond van artikel 28 van de wet van 8 december
  74. Hij beklemtoont nog dat de wet van 11 december 1998 op limitatieve wijze de gegevens opsomt die in het kader van een veiligheidsverificatie mogen worden geconsulteerd en geëvalueerd (artikel 22sexies, § 1, eerste lid). A.23.
  75. Wat het vierde onderdeel van het derde middel betreft, zet de Ministerraad uiteen dat de bestreden bepaling uitdrukkelijk erin voorziet dat de beslissing van de chef van de ADIV betreffende het negatieve veiligheidsadvies steeds in rechte en in feite gemotiveerd moet zijn en dat die motivering overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 11 december 1998 moet gebeuren. Hij wijst erop dat de bestreden bepaling, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, niet verwijst naar artikel 22, zesde lid, van de wet van 11 december
  76. De verwijzing naar artikel 22, vijfde lid, van die wet betekent volgens hem dat een negatief veiligheidsadvies steeds de redenen moet vermelden waarop het is gebaseerd, tenzij het gaat om redenen waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan de in dat artikel vermelde belangen. In zoverre de verzoekende partijen een schending aanvoeren van artikel 8 van het Handvest, is het middel volgens de Ministerraad niet ontvankelijk, daar de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie aantonen. Maar zelfs indien het middel op dat punt ontvankelijk zou worden bevonden, is er volgens de Ministerraad geen sprake van een schending. Hij wijst erop dat de beperking op het recht van inzage afdoende bij wet is ingesteld en meent dat die beperking redelijk verantwoord is om redenen van veiligheid en vertrouwelijkheid. A.23.
  77. Wat het vijfde onderdeel van het derde middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de onmiddellijke werking van de in de bestreden bepaling beschreven maatregelen niet uitzonderlijk is en dat zulk 12 een werking ook geldt voor gelijksoortige administratieve beslissingen, zoals een negatieve evaluatie van een personeelslid, en dit op grond van het privilège du préalable. Administratieve beslissingen zijn volgens hem onmiddellijk verbindend, dwingend en uitvoerbaar, waarbij het instellen van een beroep op zich geen schorsing van de uitvoerbaarheid ervan met zich meebrengt. Hij meent dan ook dat er geen sprake is van een schending van artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 22 van de richtlijn (EU) 2019/
  78. Wat het vierde middel betreft A.
  79. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 22sexies/4, §§ 1 en 3, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 49 van de wet van 7 april 2023, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest, met artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 5 en 6 van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de IAO-Conventies nrs. 87, 98 en 154, met de vakbondsvrijheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op daadwerkelijke rechtshulp en met het recht te worden gehoord. A.25.
  80. De verzoekende partijen bekritiseren de bestreden bepaling, doordat de erin omschreven maatregelen uitwerking kunnen krijgen zonder tussenkomst van het geschillencomité bedoeld in de wet van 11 juli
  81. Zij wijzen erop dat een negatief veiligheidsadvies zou kunnen worden uitgebracht op grond van het feit dat een vakbondsafgevaardigde vakbondsstandpunten heeft ingenomen. Zij menen dat daaruit volgt dat de bestreden bepaling in strijd is met de vakbondsvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. Wat dat laatste beginsel betreft, menen zij dat er geen redelijke verantwoording is voor het ontbreken van de voorafgaande tussenkomst van het geschillencomité. Zij bekritiseren in het kader van het vierde middel nogmaals het feit dat de betrokkene geen recht heeft te worden gehoord, ditmaal met verwijzing naar artikel 86 van het koninklijk besluit van 3 december 2006 « tot uitvoering van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel » (hierna : het koninklijk besluit van 3 december 2006). A.25.
  82. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de wet van 11 juli 1978 erin voorziet dat geen enkele maatregel ten aanzien van een vakorganisatie mag worden getroffen zonder het voorafgaande advies van het geschillencomité (artikel 16, § 3) en dat de vakbondsafgevaardigden in het kader van de uitoefening van de vakbondsprerogatieven niet het voorwerp kunnen zijn van een statutaire maatregel of van een tuchtstraf (artikel 15, § 3, eerste en tweede lid). Zij doen ook gelden dat de vakorganisatie die in het geschil betrokken is of die de vergadering van het geschillencomité gevraagd heeft, aanwezig moet zijn tijdens de zitting (artikel 82 van de wet van 23 april 2010). Zij halen eveneens artikel 86 van het koninklijk besluit van 3 december 2006 aan en wijzen erop dat die bepaling waarborgt dat het geschillencomité de betrokken vakbondsafgevaardigde hoort en dat de tegen hem overwogen maatregel slechts kan worden genomen nadat het advies van het geschillencomité werd ingewonnen. A.
  83. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat het vierde middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepaling die referentienormen zou schenden. A.
  84. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat het vierde middel is gestoeld op niet-onderbouwde en louter hypothetische verdachtmakingen die betrekking hebben op de toepassing van de bestreden bepaling. Hij ziet niet in waaruit de verzoekende partijen menen te kunnen afleiden dat de bestreden bepaling de toepassing van artikel 16, § 3, van de wet van 11 juli 1978 zou uitsluiten. Hij beklemtoont daarbij dat de bestreden bepaling van toepassing is op alle personeelsleden van het ministerie van Defensie en aldus niet in het bijzonder de vakbonden en de vakbondsafgevaardigden viseert. In zoverre de verzoekende partijen het ontbreken van een recht te worden gehoord bekritiseren, verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie bij het derde middel. Hij beklemtoont dat het negatieve veiligheidsadvies niet van rechtswege wordt uitgebracht, maar steeds op een individuele beoordeling van een concreet dossier berust. 13 Wat het vijfde middel betreft A.
  85. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 22sexies/4, §§ 1 en 3, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 49 van de wet van 7 april 2023, van de artikelen 10, 11, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet. A.
  86. In een eerste onderdeel van het vijfde middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de bestreden bepaling verregaande gevolgen verbindt aan een intrekking of weigering van de instemming met een veiligheidsverificatie door de betrokkene, aan een kennisgeving van een negatief veiligheidsadvies aan de betrokkene en aan het uitblijven van een antwoord op een verzoek om instemming te verlenen met een veiligheidsverificatie, terwijl artikel 22, vierde lid, van de wet van 11 december 1998 dergelijke gevolgen niet verbindt aan de intrekking van een veiligheidsmachtiging door de bevoegde overheid. Zij menen dat de bestreden bepaling aldus een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. A.
  87. In een tweede onderdeel van het vijfde middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat een gebrek aan instemming, door de betrokkene, met een veiligheidsverificatie en een kennisgeving van een negatief veiligheidsadvies aan de betrokkene, een einde maken aan de procedure tot werving of indienstneming, de vorming, de procedure tot benoeming en aan de mogelijkheid voor de betrokken persoon om een functie of een betrekking te blijven uitoefenen zoals bedoeld in artikel 22sexies/2, eerste lid, van de wet van 11 december 1998, terwijl dergelijke gevolgen niet zijn verbonden aan het intrekken van een instemming voor een veiligheidsonderzoek door de betrokkene. Zij wijzen erop dat volgens artikel 16, § 1, derde lid, van de wet van 11 december 1998 de persoon die niet langer wenst het veiligheidsonderzoek te ondergaan of houder te zijn van een veiligheidsmachtiging zijn instemming op ieder moment kan intrekken. Zij menen dat de bestreden bepaling een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. A.
  88. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat het vijfde middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, daar de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepaling die referentienormen zou schenden. A.32.
  89. In zoverre het vijfde middel ontvankelijk zou zijn, is het volgens de Ministerraad niet gegrond. Hij is van oordeel dat de categorieën van personen die de verzoekende partijen met elkaar vergelijken, niet vergelijkbaar zijn. Hij verwijst ter zake naar de parlementaire voorbereiding en leidt eruit af dat de wetgever uitdrukkelijk van oordeel is geweest dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een veiligheidsverificatie en een veiligheidsmachtiging. Hij zet uiteen dat de veiligheidsmachtiging beoogt geclassificeerde gegevens te beschermen en dat zulk een machtiging enkel verkregen moet worden door personen die deze informatie nodig hebben voor het uitoefenen van hun ambt. Die personen ondergaan volgens hem daarom een veiligheidsonderzoek waarin wordt nagegaan of ze voldoende waarborgen inzake loyaliteit, integriteit en geheimhouding bieden om toegang te krijgen tot geclassificeerde documenten. Hij wijst erop dat het onderzoek in die context veel diepgaander en gerichter is dan het onderzoek in het kader van een veiligheidsverificatie. Hij vervolgt dat het doel van de veiligheidsverificatie daarentegen erin bestaat de medewerkers van het ministerie van Defensie te selecteren en te behouden wier gedrag en omgeving verenigbaar zijn met de veiligheidseisen van het ministerie van Defensie. Die verificatie moet volgens hem garanderen dat de geprivilegieerde toegang tot wapens, gespecialiseerde vormingen, gevoelige informatie en specifieke infrastructuur niet kan worden misbruikt en niet kan leiden tot veiligheidsrisico’s die de Belgische burger in gevaar brengen. De omstandigheid dat beide maatregelen een onderzoek naar het gedrag van de betrokken persoon vereisen, brengt volgens hem niet met zich mee dat beide door de verzoekende partijen beoogde categorieën van personen vergelijkbaar zijn. A.32.
  90. In zoverre zou moeten worden aanvaard dat de bedoelde categorieën wel vergelijkbaar zijn, meent de Ministerraad dat de bekritiseerde verschillen in behandeling redelijk zijn verantwoord. Hij herinnert eraan dat de procedure van de veiligheidsverificatie deel uitmaakt van een groter actieplan van het ministerie van Defensie ter voorkoming en bestrijding van extremisme, en is van oordeel dat de gevolgen die aan een negatief veiligheidsadvies zijn verbonden noodzakelijk zijn in het kader van die doelstelling. Hij doet gelden dat de bestreden bepalingen waarborgen dat de personeelsleden van het ministerie van Defensie bij de uitvoering van hun taken kunnen rekenen op het hoogste niveau van veiligheid, dat de partnerschappen van het ministerie van Defensie, zowel nationaal als internationaal, doeltreffend blijven en dat de samenleving in haar geheel kan rekenen op de betrouwbaarheid en integriteit van het personeel van dat ministerie. 14 A.32.
  91. De Ministerraad meent dat het, gelet op de doelstelling die met de procedure van de veiligheidsverificatie wordt nagestreefd, noodzakelijk is dat personeelsleden die zich in de in artikel 22sexies/2, tweede lid, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 47 van de wet van 7 april 2023, omschreven situaties bevinden, geschorst worden in hun functie, daar die personeelsleden een gevaar vormen voor de goede werking van het ministerie van Defensie, voor de veiligheid van de andere personeelsleden van dat ministerie en voor de veiligheid van de samenleving. Hij wijst erop dat de bestreden bepalingen voorzien in de mogelijkheid tot mobiliteit naar een andere overheidsdienst. Hij beklemtoont ook dat een veiligheidsverificatie niet bedoeld is om laakbaar gedrag te bestraffen, maar om de veiligheid van de door de wet van 11 december 1998 beschermde belangen te waarborgen. De situatie is volgens de Ministerraad anders bij de veiligheidsmachtiging die vereist is om toegang te krijgen tot geclassificeerde documenten. Wanneer het betrokken personeelslid geen veiligheidsmachtiging verkrijgt, is het volgens hem niet noodzakelijk dat dat personeelslid het ministerie van Defensie verlaat. Wat het zesde middel betreft A.
  92. Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 22sexies/1 en 22sexies/4 van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij de artikelen 46 en 49 van de wet van 7 april 2023, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 8 en 47 van het Handvest, met de rechten van de verdediging en met de artikelen 77 en 78 van de AVG. A.34.
  93. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden bepalingen het Beroepsorgaan bedoeld in de wet van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan) aanwijzen als de bevoegde instantie om kennis te nemen van een beroep tegen een negatief veiligheidsadvies. Zij voeren in essentie aan dat de aanwijzing van dat Beroepsorgaan de rechten van de verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte schendt, daar de procedure bij het Beroepsorgaan niet transparant is en daar tegen de beslissing van dat orgaan enkel een cassatieberoep bij de Raad van State openstaat. A.34.
  94. Wat het aangevoerde gebrek aan transparantie betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat een rechtzoekende en diens raadsman niet met kennis van zaken een beroep kunnen instellen bij het Beroepsorgaan tegen een negatief veiligheidsadvies, daar artikel 7, § 2, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan bepaalt dat dat orgaan de nodige interne maatregelen moet nemen om het vertrouwelijke karakter van het dossier te waarborgen. Zij leiden eruit af dat de rechtzoekende en diens raadsman geen inzage hebben in het gehele dossier. Zij bekritiseren eveneens dat de kennisgeving van de beslissing van het Beroepsorgaan aan de eiser, volgens artikel 9, derde lid, van de voormelde wet, geen enkele inlichting mag bevatten waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan de in die bepaling vermelde belangen. A.34.
  95. De verzoekende partijen bekritiseren ook het feit dat de beslissingen van het Beroepsorgaan niet vatbaar zijn voor een beroep. Zij menen dat uit de artikelen 8 en 47 van het Handvest voortvloeit dat een onafhankelijke autoriteit erop moet toezien dat de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens worden nageleefd en dat een beroep moet kunnen worden ingesteld tegen de beslissingen van de toezichthoudende autoriteit. Zij doen gelden dat het Beroepsorgaan optreedt als toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 8 van het Handvest en menen dat aldus ook een beroep bij een rechtsinstantie met volle rechtsmacht moet openstaan tegen de beslissingen van dat orgaan. Zij zijn van oordeel dat het cassatieberoep bij de Raad van State geen doeltreffende voorziening in rechte betreft, daar de Raad bij een dergelijk beroep de zaak niet ten gronde beoordeelt. Daar een schending van een grondrecht een discriminatie uitmaakt, menen zij dat de bestreden bepalingen eveneens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. A.
  96. De Ministerraad is allereerst van oordeel dat het zesde middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen die referentienormen zouden schenden. Wat de aangevoerde schending van de artikelen 8 en 47 van het Handvest betreft, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie aantonen. Om de voormelde redenen is het middel volgens hem niet ontvankelijk. A.36.
  97. In zoverre het zesde middel ontvankelijk zou zijn, is het volgens de Ministerraad niet gegrond. Hij wijst erop dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het Beroepsorgaan een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege is dat in laatste aanleg met volle rechtsmacht jurisdictionele beslissingen neemt. Hij wijst eveneens erop dat het 15 Hof reeds heeft geoordeeld dat er, behalve in strafzaken, geen algemeen beginsel bestaat dat een rechtspraak in twee instanties zou vereisen. Hij meent dat het recht op een eerlijk proces enkel vereist dat een overheidsbeslissing onderworpen kan worden aan een controle a posteriori door een rechtscollege met volle rechtsmacht. De ontstentenis van een beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen die het Beroepsorgaan na afloop van een rechtspleging op tegenspraak uitspreekt, schendt volgens hem de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet en de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet. Hij verwijst ter zake naar het arrest van het Hof nr. 14/2006 van 25 januari 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.014). De Ministerraad wijst bovendien erop dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bevestigd dat het Beroepsorgaan een administratief rechtscollege is dat in laatste aanleg beslist in betwiste zaken en dat de beslissingen van dat orgaan vatbaar zijn voor een cassatieberoep bij de Raad van State. Hij meent dan ook dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan de rechten van de verdediging, aan het recht op daadwerkelijke rechtshulp en aan de waarborgen van een doeltreffende voorziening in rechte. A.36.
  98. De Ministerraad is eveneens van oordeel dat de verzoekende partijen ten onrechte beweren dat de procedure bij het Beroepsorgaan niet transparant is en dat de betrokken personen en hun raadsman geen toegang hebben tot het gehele dossier. Hij meent dat die kritiek voorbarig is en geen betrekking heeft op de bestreden bepalingen op zich. Hij verwijst naar de artikelen 5, § 3, eerste en tweede lid, en 7, § 2, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan en meent dat uit die artikelen geenszins volgt dat de toegang tot het gehele dossier op een algemene wijze wordt beperkt. Hij verwijst bovendien naar het voormelde arrest nr. 14/2006 van het Hof en leidt eruit af dat de kritieken van de verzoekende partijen op de procedure bij het Beroepsorgaan ongegrond zijn. Wat het zevende middel betreft A.
  99. Het zevende middel is afgeleid uit de schending, door artikel 22sexies/3, § 4, derde lid, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 48 van de wet van 7 april 2023, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de algemene formele motiveringsplicht, met de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen » (hierna : de wet van 29 juli 1991), met de artikelen 8, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 159, 160 en 161 van de Grondwet. A.38.
  100. De verzoekende partijen zetten uiteen dat een negatief veiligheidsadvies volgens de bestreden bepaling in feite en in rechte met redenen wordt omkleed overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 11 december 1998 en dat die laatste bepaling erin voorziet dat de kennisgeving van de beslissing geen inlichtingen mag bevatten waarvan de mededeling schade zou kunnen toebrengen aan bepaalde belangen. Zij menen dat de rechtzoekende daardoor niet beschikt over de noodzakelijke gegevens om te kunnen beoordelen of er aanleiding is om een beroep in te stellen tegen een negatief veiligheidsadvies. Zij zijn van oordeel dat die beperking van de bij de wet van 29 juli 1991 ingevoerde algemene motiveringsplicht onredelijk en discriminerend is. A.38.
  101. De verzoekende partijen doen gelden dat het recht op een uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen een waarborg vormt tegen bestuurshandelingen die willekeurig zouden zijn genomen en dat dat recht het jurisdictioneel toezicht op bestuurshandelingen versterkt. Zij menen dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht zijn doel zou voorbijschieten wanneer de bestuurde de motieven die de beslissing verantwoorden, pas te weten kan komen na het instellen van een beroep. Uit artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 leiden zij af dat motiveringsverplichtingen die minder streng zijn dan die vervat in die wet, onwerkzaam zijn. A.
  102. De Ministerraad voert aan dat het zevende middel niet ontvankelijk is, daar het middel in hoofdorde is afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 en daar het Hof niet bevoegd is om de overeenstemming van een wet met een andere wet te beoordelen. Het zevende middel is volgens hem bovendien niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepaling die referentienormen zou schenden. A.
  103. In zoverre het zevende middel ontvankelijk zou zijn, is het volgens de Ministerraad niet gegrond. Hij zet uiteen dat een negatief veiligheidsadvies, overeenkomstig de bestreden bepaling, steeds in rechte en in feite moet worden gemotiveerd, zij het dat de kennisgeving van dat advies geen gegevens mag bevatten die schade zouden kunnen toebrengen aan een van de belangen die uitdrukkelijk worden opgesomd in artikel 22, vijfde lid, van de wet van 11 december
  104. Hij is van oordeel dat het in de specifieke context van de wet van 11 december 1998, waarbij steeds de bescherming van het algemeen belang en van de nationale veiligheid vooropstaat, kan worden verantwoord dat bij de kennisgeving van een negatief veiligheidsadvies, uitzonderlijk de redenen van dat 16 advies niet uitdrukkelijk worden vermeld. Hij wijst erop dat artikel 22, vijfde lid, van de wet van 11 december 1998 een bepaling is die vergelijkbaar is met artikel 4 van de wet van 29 juli 1991, dat eveneens voorziet in uitzonderingen op de motiveringsplicht, zij het dat de uitzonderingen vervat in artikel 22, vijfde lid, van de wet van 11 december 1998 talrijker zijn. Dat verschillende regime is volgens hem verantwoord in het licht van de finaliteit van de wet van 11 december 1998 in het algemeen en van het negatieve veiligheidsadvies in het bijzonder. Wat het achtste middel betreft A.
  105. Het achtste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 22sexies/2 van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 47 van de wet van 7 april 2023, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het redelijkheidsbeginsel, met het recht op vrije keuze van een raadsman, met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest, met de AVG, met de artikelen 182 en 190 van de Grondwet, met de IAO-Conventies nrs. 87, 98 en 154 en met de vakbondsvrijheid. A.42.
  106. In een eerste onderdeel van het achtste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 182 ervan, en artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 8 van het Handvest, schendt, doordat niet is voorzien in wettelijke criteria op basis waarvan een evaluatie van de in het kader van een veiligheidsverificatie geraadpleegde gegevens dient te gebeuren en doordat de Koning ertoe wordt gemachtigd criteria vast te stellen voor het geval waarin de evaluatie van de beschikbare informatie niet toelaat om een ondubbelzinnig positief of negatief advies uit te brengen. A.42.
  107. In een tweede onderdeel van het achtste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest en met de AVG, schendt, doordat de erin gebruikte woorden « gedrag » en « omgeving » te vaag zijn en niet beantwoorden aan het wettigheidsbeginsel vervat in de vermelde referentienormen. A.42.
  108. In een derde onderdeel van het achtste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling het recht op vrije keuze van een raadsman en het recht op vrije keuze van een vakbond schendt, evenals het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij menen dat het recht op vrije keuze van een raadsman en van een vakbond zijn geschonden daar de bestreden bepaling toelaat dat de overheid, op basis van het in die bepaling vervatte woord « omgeving », gegevens met betrekking tot de advocaat, de vakbond en de vakbondsafgevaardigde van de betrokkene raadpleegt en op basis van de ingewonnen informatie kan besluiten dat de advocaat, de vakbond of de vakbondsafgevaardigde schade kan berokkenen aan een van de in artikel 3 van de wet van 11 december 1998 bedoelde belangen. De schending van de voormelde rechten vormt volgens hen eveneens een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De verzoekende partijen bekritiseren eveneens het feit dat de personen die tot de omgeving van de betrokkene behoren, niet beschikken over een beroep tegen een negatief veiligheidsadvies. A.
  109. De Ministerraad voert aan dat het achtste middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepaling die referentienormen zou schenden. A.44.
  110. In zoverre het achtste middel ontvankelijk zou zijn, is het volgens de Ministerraad niet gegrond. Wat betreft de criteria op basis waarvan een negatief veiligheidsadvies kan worden gegeven (eerste onderdeel van het middel), zet de Ministerraad uiteen dat de chef van de ADIV een eerste beoordeling uitvoert aan de hand van de door de wet bepaalde criteria, meer bepaald de criteria vervat in artikel 22sexies/2 van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 47 van de wet van 7 april
  111. Die beoordeling betreft volgens hem een beoordeling op basis van geraadpleegde gegevens getoetst aan wettelijk verankerde elementen. De notie « geraadpleegde gegevens » is volgens hem bovendien nader geregeld in artikel 22sexies van de wet van 11 december 1998 en in het koninklijk besluit van 8 mei
  112. Wanneer na het evalueren van de beschikbare informatie het advies niet ondubbelzinnig positief of negatief is, moet de chef van de ADIV zich volgens de Ministerraad vervolgens richten tot het college, dat een advies moet verstrekken aan de chef van de ADIV, die met dat advies rekening moet houden in zijn eindbeslissing. De Ministerraad meent dat het niet onrechtmatig is dat de criteria die het college hanteert bij zijn evaluatie niet reeds worden toegepast bij de eerste beoordeling van de chef van de ADIV. De door de Koning nog te bepalen criteria zijn volgens hem niet relevant voor de chef van de ADIV, daar voor de beoordeling van die laatste al criteria bestaan, meer bepaald die vervat in de wet. De criteria die de 17 Koning nog dient te bepalen beogen volgens hem ervoor te zorgen dat het advies van het college steeds op dezelfde wijze tot stand komt. Die criteria leiden volgens hem bovendien niet tot een negatief veiligheidsadvies; het zijn de in de wet bepaalde criteria die kunnen leiden tot zulk een negatief veiligheidsadvies. Volgens de Ministerraad kan de wetgever bovendien de Koning een beperkte uitvoeringsbevoegdheid toekennen. Hij is van oordeel dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in haar advies over de bestreden wet, hetzelfde heeft gesteld. Hij besluit dat er geen sprake is van een schending van artikel 182 van de Grondwet. A.44.
  113. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, merkt de Ministerraad allereerst op dat de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest en de AVG, minstens gedeeltelijk, niet toepasselijk zijn gelet op de doelstelling en het voorwerp van de te dezen bestreden regeling. Hij doet vervolgens gelden dat de bestreden bepaling voldoet aan de vereiste van voorzienbaarheid, daar de betrokken persoon zich een duidelijk beeld kan scheppen over het bestaan, de reikwijdte en de wijze van uitoefening van de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven. De betrokkene is volgens hem immers op de hoogte van, ten eerste, de aard van de gegevens die de chef van de ADIV kan raadplegen, ten tweede, het feit dat de chef van de ADIV de geraadpleegde gegevens kan analyseren en, ten derde, het feit dat de chef van de ADIV een negatief veiligheidsadvies enkel kan uitbrengen wanneer voldaan is aan de criteria vervat in de bestreden bepaling. De Ministerraad is van oordeel dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, hoewel een wettelijke bepaling voldoende nauwkeurig moet zijn geformuleerd, dit niet betekent dat alle gedetailleerde voorwaarden en procedures die de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven regelen, in het materiële recht zelf moeten worden vastgelegd. Uit die rechtspraak volgt volgens hem ook dat de vereiste graad van precisie van de betrokken wetgeving onder meer afhangt van het domein dat worden geregeld. In dat kader beklemtoont hij dat de bestreden bepaling betrekking heeft op het domein van de nationale veiligheid. De termen « gedrag » en « omgeving » dienen volgens hem te worden begrepen in het kader van de waarden van Defensie waarbij integriteit, loyauteit, respect en moed centraal staan. Hij wijst erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen kritiek heeft gegeven op het gebruik van die begrippen in de bestreden bepaling. Wat het begrip « omgeving » betreft, wijst hij erop dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat daarmee wordt verwezen naar de plaatsen, organisaties, gebeurtenissen en de mensen die het betrokken personeelslid verkiest te bezoeken. Wat het begrip « gedrag » betreft, meent de Ministerraad dat dit begrip, gelet op de context van de bestreden bepaling, voldoende duidelijk is en in zijn normale betekenis moet worden begrepen. Hij wijst bovendien erop dat dit begrip nader invulling krijgt door de omliggende voorwaarden en bewoordingen van de betrokken wetsbepaling en meer bepaald door het feit dat het moet gaan om een gedrag dat schade zou kunnen berokkenen aan bepaalde belangen of aan de fysieke integriteit van personen. A.44.
  114. Wat het derde onderdeel van het middel betreft, merkt de Ministerraad op dat de bestreden bepaling geenszins tot doel heeft om de personeelsleden van het ministerie van Defensie in hun alledaagse activiteiten te beperken. Hij is van oordeel dat de in dat onderdeel van het middel vervatte kritiek vergezocht is en dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten hoe de keuze van een advocaat of een vakbond schade zou kunnen berokkenen aan een belang vermeld in artikel 3 van de wet van 11 december 1998 of aan de fysieke integriteit van personen. Hij beklemtoont dat de evaluatie die voorafgaat aan een negatief veiligheidsadvies op objectieve wijze gebeurt. De bewering van de verzoekende partijen dat de overheid argwaan zou kunnen hebben ten aanzien van een vakbond of aanstoot zou kunnen nemen aan het optreden van een advocaat en om die reden een negatief veiligheidsadvies zou kunnen uitbrengen, mist volgens hem feitelijke en juridische grondslag en betreft volgens hem loutere speculatie. In zoverre de verzoekende partijen nog aanvoeren dat de personen die tot de omgeving van de betrokkene behoren, niet over een beroep tegen een negatief veiligheidsadvies beschikken, meent de Ministerraad dat die kritiek elke juridische grondslag mist, daar een negatief veiligheidsadvies uitsluitend gevolgen heeft voor het betrokken personeelslid en dus niet voor de personen die tot de omgeving van dat personeelslid behoren. Wat het in de memorie van antwoord van de verzoekende partijen aangevoerde nieuwe middel betreft A.
  115. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen een negende middel aan dat is afgeleid uit de schending van meerdere referentienormen. Met dat middel bekritiseren zij het feit dat het advies van het Beroepsorgaan van 14 september 2022 niet is overgemaakt aan de Raad van State, afdeling wetgeving, en evenmin aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. A.
  116. De Ministerraad meent dat het middel niet ontvankelijk is, daar het niet werd geformuleerd in het verzoekschrift, daar het Hof niet bevoegd is om een wet te toetsen aan een andere wet en daar de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen de in het middel vermelde referentienormen zouden schenden. In zoverre het middel toch als ontvankelijk zou worden beschouwd, meent de Ministerraad dat het niet 18 gegrond is. Hij is van mening dat geen enkele norm een verplichting oplegt aan de Ministerraad om een advies van het Beroepsorgaan aan de Kamer van volksvertegenwoordigers voor te leggen. Hij doet bovendien gelden dat het advies wel degelijk is meegedeeld aan de Kamer en beklemtoont nogmaals dat de AVG te dezen niet van toepassing is. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  117. In hoofdorde vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van de volledige wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 7 april 2023). In ondergeschikte orde vorderen zij de vernietiging van de artikelen 4, 7, 11, 12, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 55 en 59 van dezelfde wet. B.
  118. De wet van 7 april 2023 brengt meerdere wijzigingen aan in de wet van 11 december 1998 « betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », waarvan het opschrift bij artikel 2 van de wet van 7 april 2023 wordt gewijzigd in « wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst » (hierna : de wet van 11 december 1998). Bij artikel 2 van de wet van 2 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 2 juni 2024) werd het opschrift van de wet van 11 december 1998 opnieuw gewijzigd in « wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst ». Die wijziging heeft geen invloed op het voorwerp van de onderhavige zaak. B.
  119. Met de wet van 7 april 2023 heeft de wetgever onder meer beoogd « de veiligheidsverificaties bij Defensie te versterken en uit te breiden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2443/004, p. 6). 19 De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Mevrouw […], minister van Defensie, stipt aan dat de amendementen die op het departement Defensie betrekking hebben, voortvloeien uit de gebeurtenissen van mei
  120. Door zijn persoonlijke geschiedenis, zijn extremistische meningen en de door hem gepleegde diefstal van heel wat wapens was […] verdwijning een groot veiligheidsrisico voor de Belgische samenleving. Op haar vraag voerde de Inspectie-Generaal van Defensie een intern onderzoek naar de omstandigheden die deze gebeurtenis mogelijk maakten. Parallel voerde ook het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een onderzoek gezien de betrokkenheid van de militaire inlichtingendienst ADIV en andere Belgische veiligheidsdiensten. De beide onderzoeken hebben uitgewezen dat een aantal interne disfuncties bij het departement een dergelijke situatie mogelijk gemaakt hebben. Met het oog op een oplossing heeft de Defensiestaf op haar verzoek een alomvattend actieplan ter voorkoming en bestrijding van extremisme binnen de organisatie uitgewerkt. Het bevat een aantal speerpunten voor een sterker beleid inzake de aanpak van extremisme. […] De grote rode draad doorheen het plan is preventie met het oog op het beschermen van de organisatie, haar medewerkers en haar missie. Het uitbreiden van het principe van de veiligheidsverificaties binnen Defensie is in die zin een preventieve maatregel zoals de andere, zij het een heel belangrijke. Ook vandaag kunnen al verificaties worden uitgevoerd. De wet op de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, -attesten en -adviezen voorziet in die mogelijkheid. Die wet wil de regering nu via amendementen bijsturen. Uitgaande van wat thans al bij wet mogelijk is, is het de bedoeling Defensie voortaan structureel en binnen een juridisch raamwerk toegang te geven tot de gegevens van de databanken van de Belgische veiligheidsdiensten. De bedoeling is om het principe uit te breiden, want momenteel worden reeds veiligheidsverificaties uitgevoerd. Echter, alleen personen die kandideren voor een betrekking als militair bij Defensie worden onderworpen aan een dergelijke verificatie. Het huidige voorstel houdt twee veranderingen in. Ten eerste zullen voortaan ook kandidaat-burgers onderwerp zijn van een veiligheidsverificatie. En ten tweede wordt een periodieke verificatie, namelijk om de vijf jaar, tijdens de loopbaan ingevoerd voor alle medewerkers. De uitbreiding van het systeem van veiligheidsverificaties binnen Defensie strekt ertoe om : - de veiligheid van het eigen personeel en van de Belgische samenleving te verzekeren; - Defensie toe te laten haar wettelijke opdrachten uit te voeren; - te verzekeren dat men binnen nationale en internationale samenwerkingen op een betrouwbare en integere partner kan rekenen. 20 Defensie is geen organisatie als een andere. Het is een organisatie die het prerogatief heeft om geweld te gebruiken, en daarvoor ook over de nodige, dodelijke, middelen beschikt. Niet iedereen mag dus zomaar toegang hebben tot de organisatie. De uitbreiding van de verificaties heeft tot doel de meest geschikte medewerkers, burgers en militairen, te selecteren en te behouden. Dat moet garanderen dat de geprivilegieerde toegang tot wapens, gespecialiseerde vormingen, gevoelige informatie en specifieke infrastructuur eigen aan een veiligheidsdienst als Defensie niet kan misbruikt worden en tot veiligheidsrisico’s leidt die de Belgische burger in gevaar brengen. De minister herinnert eraan dat haar ambitie is om het aantal burgers binnen Defensie gevoelig te laten stijgen. Daarom is het van belang dat ook burgers aan veiligheidsverificaties worden onderworpen. Burgers bevinden zich in alle eenheden en op alle niveaus binnen Defensie en genieten vaak van dezelfde geprivilegieerde toegang als militairen. Het is uiteraard niet normaal dat burgers van externe firma’s die bijvoorbeeld het gras komen afrijden binnen de militaire kwartieren een verificatie moeten ondergaan, maar dat deze verificatie niet plaatsvindt voor de burgers die voor Defensie werken. Een verificatie met een negatief resultaat zal uiteraard gevolgen hebben. Civiele kandidaten zullen in dat geval niet voor Defensie mogen komen werken, zoals nu al het geval is voor militaire kandidaten. Een civiel of militair personeelslid dat tijdens de loopbaan bij Defensie een negatief advies bij een verificatie krijgt, moet de organisatie verlaten. Gebeurtenissen zoals in mei 2021 of ook de recente arrestaties in Duitsland, waar zowel actieve als gewezen militairen bij betrokken zijn, maken duidelijk dat een instelling als Defensie geen compromissen kan sluiten als het op veiligheid aankomt. In sommige gevallen zullen strenge beslissingen, zoals een ontslag, noodzakelijk zijn. De minister benadrukt evenwel dat men zich rekenschap geeft van de mogelijke consequenties voor de betrokkene. Daarom wil zij een evenwichtige en rechtvaardige procedure uitwerken. Het al bestaande wettelijk raamwerk werd het meest geschikt geacht voor de uitvoering van de verificaties. Elke betrokkene zal aldus via een bij wet vastgelegde procedure een negatieve beslissing kunnen aanvechten bij het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Het wetsontwerp voorziet er in dat verband in dat de betrokkene uitvoerig ingelicht wordt over de beschikbare verweermiddelen. […] De minister benadrukt voorts dat momenteel ongeveer 70 % van het Defensiepersoneel al over een veiligheidsmachtiging beschikt omdat het geclassificeerde documenten behandelt of toegang heeft tot infrastructuur waarvoor een machtiging vereist is. Die machtiging wordt verkregen na diepgaand onderzoek, dat veel gerichter is dan de zogeheten veiligheidsverificatieprocedure. De impact van de uitbreiding van de veiligheidsverificaties moet dus ook tegen die achtergrond worden bekeken. […] […] De minister wil benadrukken dat de voorgestelde aanpassingen niet enkel gaan om de strijd tegen extremisme. Ze gaan om de strijd tegen alle dreigingen die de interne veiligheid van Defensie, haar personeel, haar opdrachten en de samenwerking met haar partners in gevaar brengen » (ibid., pp. 6-10). 21 B.4.
  121. De kritiek van de verzoekende partijen betreft in hoofdorde de wijzigingen die bij de wet van 7 april 2023 werden aangebracht in het stelsel van de veiligheidsverificaties, en is voornamelijk gericht tegen de bij de artikelen 46, 47, 48 en 49 van de wet van 7 april 2023 in de wet van 11 december 1998, onder afdeling 2 (« Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ») van hoofdstuk IIIbis (« Veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen »), ingevoegde artikelen. B.4.
  122. De artikelen 46, 47, 48 en 49 van de wet van 7 april 2023 bepalen : « Art.
  123. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 22sexies/1 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 22sexies/
  124. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “ Beroepsorgaan ” verstaan het beroepsorgaan dat is opgericht bij de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. In het kader van deze afdeling is het ministerie van Defensie verplicht het advies van het Beroepsorgaan op te volgen. ’. Art.
  125. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 22sexies/2 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 22sexies/
  126. Tenzij hij of zij houder is van een veiligheidsmachtiging, wordt elke burger of militair van het actief en reservekader die een functie of een betrekking bekleedt bij het ministerie van Defensie, elke persoon die kandidaat is voor een dergelijke functie of betrekking, elke militair die gedetacheerd is vanuit het ministerie van Defensie, en elke burgerambtenaar van het ministerie van Defensie die tijdelijk ter beschikking is gesteld van een andere dienst, onderworpen aan de veiligheidsverificatie bedoeld in artikel 22sexies. Een negatief veiligheidsadvies wordt uitgebracht indien uit de geraadpleegde gegevens blijkt dat de betrokkene onvoldoende waarborgen biedt voor zijn of haar integriteit en door zijn of haar gedrag of omgeving schade zou kunnen berokkenen : a) aan een van de belangen bedoeld in artikel 3; of b) aan de fysieke integriteit van personen, met behulp van de middelen waartoe hij of zij bij de uitoefening van zijn of haar taken toegang heeft. De chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht verleent veiligheidsadviezen met toepassing van het eerste lid. Binnen de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht wordt een college opgericht. Dit college voert een evaluatie van de beschikbare informatie uit indien deze niet toelaat om een ondubbelzinnig positief of negatief advies uit te reiken. Het college verleent vervolgens advies aan de Chef van de dienst. De regels inzake de werking van dit college en de criteria op 22 dewelke de evaluatie van de geraadpleegde gegevens is gebaseerd teneinde de aard van het veiligheidsadvies te bepalen, worden bepaald door de Koning. ’. Art.
  127. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 22sexies/3 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 22sexies/
  128. §
  129. De artikelen 22quinquies en 22quinquies/1 zijn niet van toepassing op het verlenen van de veiligheidsadviezen bedoeld in artikel 22sexies/
  130. §
  131. De bevoegde veiligheidsofficier brengt de betrokken persoon bedoeld in artikel 22sexies/2, eerste lid, op de hoogte van het feit dat hij of zij onder de toepassing valt van de verplichting tot het ondergaan van de veiligheidsverificatie bedoeld in artikel 22sexies of dat zijn of haar positief veiligheidsadvies krachtens paragraaf 6 vervalt, vraagt hem of haar om instemming en zendt, als hij die verkrijgt, het individuele verzoek over aan de chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht die de veiligheidsverificatie doet. De veiligheidsofficier stelt de betrokkene schriftelijk in kennis van de gevolgen van een weigering om zijn of haar instemming te geven voor een veiligheidsverificatie. Indien de bevoegde veiligheidsofficier zijn verplichtingen uit hoofde van het eerste lid niet nakomt ten laatste dertig werkdagen voor het verlopen van het positief veiligheidsadvies van de betrokken persoon, wordt het positieve veiligheidsadvies voor onbepaalde tijd verlengd. §
  132. Binnen dertig dagen na de vatting wordt het door de chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht verleende veiligheidsadvies schriftelijk overgezonden aan de bevoegde veiligheidsofficier. Indien het veiligheidsadvies positief is, wordt het ook schriftelijk aan de betrokkene toegezonden. §
  133. Als het veiligheidsadvies negatief is, stelt de chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht de betrokkene daarvan in kennis via een aangetekende zending. Deze kennisgeving gaat vergezeld van alle nuttige informatie over de concrete gevolgen van het negatieve advies, en over de middelen om tegen deze beslissing beroep in te stellen. Een negatief veiligheidsadvies wordt in feite en in rechte met redenen omkleed, overeenkomstig artikel 22, vijfde lid. §
  134. Indien bij het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 3 geen veiligheidsadvies werd verleend, wordt het geacht positief te zijn totdat een nieuw advies wordt uitgebracht. §
  135. Het veiligheidsadvies wordt toegekend met een geldigheidsduur van hoogstens vijf jaar en kan worden vergezeld van een voorbehoud. Dit voorbehoud kan gepaard gaan met een beperking van de geldigheidsduur van het veiligheidsadvies. §
  136. De chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht kan, vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 6, op eigen initiatief een nieuw veiligheidsadvies uitbrengen op basis van de gegevens en de inlichtingen bedoeld in artikel 22sexies. §
  137. De betrokkene kan op ieder moment aan de bevoegde veiligheidsofficier schriftelijk te kennen geven dat hij of zij niet, of niet langer, het voorwerp wenst uit te maken van een 23 veiligheidsverificatie. De veiligheidsofficier brengt dit ter kennis van de chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht. §
  138. Wat betreft de kandidaten voor een functie of een betrekking bedoeld in artikel 22sexies/2, eerste lid, alsook de betrokken personen die niet over een veiligheidsofficier beschikken, vervult de directeur-generaal van de Algemene Directie Human Resources van het ministerie van Defensie de rol die wordt toevertrouwd aan de veiligheidsofficier in dit artikel. ’. Art.
  139. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 22sexies/4 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 22sexies/
  140. §
  141. De intrekking of weigering van de instemming door de betrokkene, de kennisgeving van een negatief advies en het uitblijven van een antwoord op het verzoek om instemming bedoeld in artikel 22sexies/3, § 2, binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek, maken een einde aan : 1° de procedure tot werving of indienstneming; 2° de vorming; 3° de procedure tot benoeming; en aan 4° de mogelijkheid voor de betrokken persoon om een functie of een betrekking te blijven uitoefenen zoals bedoeld in artikel 22sexies/2, eerste lid. De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt gehandhaafd zolang de betrokkene geen houder is van een positief veiligheidsadvies. §
  142. De kandidaat voor een functie of een betrekking bij Defensie die beroep instelt, behoudt voor de duur van de procedure voor het beroepsorgaan het recht om deel te nemen aan de selectieproeven waarvoor hij of zij zich heeft opgegeven. §
  143. Wanneer het negatieve veiligheidsadvies betrekking heeft op een persoon die een functie of een betrekking bekleedt bij het ministerie van Defensie, of op een persoon die gedetacheerd is, brengt de kennisgeving ervan aan de betrokkene van rechtswege de schorsing in het belang van de dienst van de betrokkene met zich mee. De nadere regels betreffende de periode van schorsing in het belang van Defensie, het eventueel nemen van bewarende maatregelen tijdens deze periode van schorsing en de administratieve en geldelijke gevolgen die niet in dit artikel zijn vastgelegd, worden bepaald volgens het juridische regime dat van toepassing is op de arbeidsrelatie van de betrokken persoon. §
  144. De in paragraaf 1 bedoelde maatregel wordt definitief : 1° bij het verstrijken van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld bij het Beroepsorgaan, indien de betrokkene geen beroep heeft ingesteld bij het Beroepsorgaan; 2° na kennisgeving van de beslissing van het Beroepsorgaan waarbij het negatieve veiligheidsadvies wordt bevestigd; 24 3° in geval van weigering of intrekking van de instemming of in geval van het uitblijven van een antwoord op het verzoek om instemming binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. In afwijking van het eerste lid wordt de in paragraaf 1 bedoelde maatregel niet definitief wanneer : 1° de betrokkene zich in de onmogelijkheid bevond om binnen de tijdslimiet te antwoorden op de vraag naar instemming, en 2° hij daarvan bewijs levert aan de Chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, vergezeld van een zo spoedig mogelijk na het einde van de onmogelijkheid getekend formulier voor instemming, en 3° de Chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht de onmogelijkheid vaststelt. Indien de Chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid vaststelt dat er geen onmogelijkheid was om binnen de tijdslimiet te antwoorden op de vraag naar instemming, brengt hij de betrokken persoon hiervan schriftelijk op hoogte. Tegen deze beslissing kan beroep worden aangetekend bij het Beroepsorgaan. Indien mobiliteit naar een andere dienst van de federale overheid mogelijk is, behoudt de betrokkene zijn graad of een gelijkwaardige graad, alsmede de tot dan verworven rechten, zoals geldelijke rechten en pensioenrechten. De nadere administratieve regels met betrekking tot de gevolgen van het ontbreken van een positief veiligheidsadvies worden geregeld bij wet of bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. §
  145. De in paragraaf 1 bedoelde betrokkene blijft zijn of haar volledige salaris en alle statutaire voordelen die verband houden met zijn of haar functie ontvangen : 1° gedurende de termijn waarin beroep kan worden aangetekend bij het Beroepsorgaan tegen een negatief veiligheidsadvies; 2° tijdens de beroepsprocedure bij het Beroepsorgaan. §
  146. De chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid brengt de overheid die bekleed is met de bevoegdheden van Korpscommandant, de betrokken veiligheidsofficier alsook de Algemene Directie Human Resources van het ministerie van Defensie op de hoogte van de kennisgeving van negatieve adviezen, van de weigering, intrekking of het ontbreken van de instemming, van beroep ingediend bij het Beroepsorgaan en van de beslissingen van dit orgaan. ’ ». B.4.
  147. Met betrekking tot de inwerkingtreding van de voormelde artikelen bepalen de artikelen 57 en 59 van de wet van 7 april 2023 : 25 « Art.
  148. De artikelen 44 tot 49 treden in werking op een door de Koning te bepalen datum, met dien verstande dat deze datum niet vroeger kan zijn dan de inwerkingtreding van de bepalingen tot regeling van het verlies van de functie of de betrekking bedoeld in artikel 22sexies/4, § 4, en dat tussen de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en de datum van inwerkingtreding een termijn van maximaal vijf jaar moet verstrijken. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 44 tot 49 ten aanzien van kandidaten voor een functie of een betrekking bij het ministerie van Defensie in werking één maand na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad ». « Art.
  149. Personen zoals bedoeld in artikel 22sexies/2, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen die niet in het bezit zijn van een geldige veiligheidsmachtiging of een geldig positief veiligheidsadvies op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel 22sexies/2, worden binnen twee maanden na de inwerkingtreding van dit artikel 22sexies/2 door de bevoegde veiligheidsofficier op de hoogte gesteld van het feit dat zij onder de toepassing vallen van de verplichting tot het ondergaan van de veiligheidsverificatie bedoeld in artikel 22sexies van dezelfde wet. Zij beschikken over een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van deze kennisneming, om hun instemming en het individuele verzoek via de bevoegde veiligheidsofficier aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht over te zenden. De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht moet de krachtens het eerste lid gevraagde veiligheidsadviezen niet uitbrengen binnen de termijn bepaald krachtens artikel 22sexies/3, § 3, van dezelfde wet. Hij beschikt over een termijn van twee jaar om alle adviezen uit te brengen, met voorrang voor personen die nooit het voorwerp hebben uitgemaakt van een veiligheidsonderzoek of -verificatie. Het positieve veiligheidsadvies dat reeds vóór de inwerkingtreding van deze wet aan sollicitanten met de hoedanigheid van militair is verstrekt, is geldig gedurende vijf jaar vanaf de datum van verstrekking ». B.4.
  150. Artikel 12 van de na het indienen van het onderhavige beroep aangenomen wet van 2 juni 2024, die eveneens wijzigingen aanbrengt in de wet van 11 december 1998, bepaalt : « Afdeling 6, luidende ‘ Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ’, van het nieuwe hoofdstuk IV omvat de artikelen 22sexies/1 tot 22sexies/4 van dezelfde wet die als volgt worden hernummerd : artikel 39, artikel 40, artikel 41 en artikel 42 ». De in B.4.2 aangehaalde artikelen 22sexies/1 tot 22sexies/4 van de wet van 11 december 1998 worden bij die wet aldus hernummerd tot de artikelen 39 tot
  151. B.4.
  152. De artikelen 13 tot 16 van de wet van 2 juni 2024 bepalen : 26 « Art.
  153. In artikel 22sexies/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, wordt het eerste lid opgeheven. Art.
  154. In artikel 22sexies/2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, wordt het woord ‘ 22sexies ’ vervangen door het woord ‘ 32 ’. Art.
  155. In artikel 22sexies/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord ‘ 22sexies ’ wordt telkens vervangen door het woord ‘ 32 ’; 2° het woord ‘ 22quinquies ’ wordt telkens vervangen door het woord ‘ 27 ’; 3° het woord ‘ 22quinquies/1 ’ wordt telkens vervangen door de woorden ‘ 28, 29, 30, 31, 33, 34, 36, 37 en 38 ’; 4° het woord ‘ 22sexies/2 ’ wordt telkens vervangen door het woord ‘ 40 ’; 5° het woord ‘ 22sexies/3 ’ wordt telkens vervangen door het woord ‘ 41 ’. Art.
  156. In artikel 22sexies/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord ‘ 22sexies/3 ’ wordt telkens vervangen door het woord ‘ 41 ’; 2° het woord ‘ 22sexies/2 ’ wordt telkens vervangen door het woord ‘ 40 ’ ». B.4.
  157. Uit de voormelde bepalingen van de wet van 2 juni 2024 blijkt dat de wetgever bij die wet niet inhoudelijk heeft willen legifereren met betrekking tot de in de onderhavige zaak bestreden artikelen 22sexies/1 tot 22sexies/4 van de wet van 11 december
  158. De wetgever heeft die artikelen in essentie hernummerd en de erin vervatte verwijzingen naar andere artikelen van de wet van 11 december 1998 geactualiseerd. Uit de bij de wet van 2 juni 2024 gevoegde concordantietabel blijkt bovendien dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om met de opheffing, bij artikel 13 van die wet, van artikel 22sexies/1, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 dat laatste artikel inhoudelijk te wijzigen. De in dat artikel vervatte bepaling wordt immers overgenomen in het nieuwe artikel 1bis, 26°, van de wet van 11 december 1998, dat bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder : […] 27 26° ‘ het beroepsorgaan ’ : het beroepsorgaan dat is opgericht bij de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen en veiligheidsadviezen ». B.4.
  159. Daar de wetgever bij de wet van 2 juni 2024 de artikelen 22sexies/1 tot 22sexies/4 van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, inhoudelijk niet heeft gewijzigd, leidt de wet van 2 juni 2024 niet ertoe dat het onderhavige beroep zonder voorwerp wordt. In wat volgt verwijst het Hof naar de nummering van de artikelen van de wet van 11 december 1998, in de versie ervan zoals gewijzigd bij de wet van 7 april 2023, gevolgd door een vermelding tussen haakjes van de nieuwe nummering ingevolge de wet van 2 juni
  160. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.5.
  161. De Ministerraad betwist het belang van alle verzoekende partijen. B.5.
  162. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.5.
  163. De tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij beroepen zich op hun hoedanigheid van personeelslid van het ministerie van Defensie en menen dat zij belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, daar zij, in die hoedanigheid, onder het toepassingsgebied van die bepalingen vallen. B.5.
  164. Die partijen kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bepalingen van de wet van 7 april 2023 die voor het personeel van het ministerie van Defensie voorzien in een verplichting om een veiligheidsverificatie te ondergaan, waarbij een dergelijke verificatie in voorkomend geval aanleiding kan geven tot, onder meer, een schorsing van rechtswege van het personeelslid in het belang van de dienst. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, doet de omstandigheid dat niet vaststaat dat ten aanzien van hen een negatief veiligheidsadvies zal worden uitgebracht, geen afbreuk aan hun belang. Een risico van een negatief veiligheidsadvies volstaat te dezen immers om te doen blijken van een belang. 28 B.5.
  165. Uit de omstandigheid dat de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij behoren tot het militair personeel van het ministerie van Defensie, kan, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, niet worden afgeleid dat het door die partijen ingestelde beroep enkel ontvankelijk is in zoverre de bestreden bepalingen betrekking hebben op het militair personeel van het ministerie van Defensie en aldus niet in zoverre die bepalingen betrekking hebben op het burgerpersoneel van dat ministerie. Daar de bestreden bepalingen van toepassing zijn ten aanzien van alle personeelsleden van het ministerie van Defensie, ongeacht of zij behoren tot het militair personeel dan wel tot het burgerpersoneel, doen de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij, in hun algemene hoedanigheid van personeelslid van het ministerie van Defensie, blijken van een voldoende belang bij de vernietiging van die bepalingen. B.5.
  166. Daar het belang van de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij vaststaat, is het niet nodig om het belang van de eerste en de zesde verzoekende partij te onderzoeken. Om dezelfde reden is er geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de verzoekende partijen, geformuleerd in hun aan het Hof gerichte brief van 12 juni 2024, tot het nemen van onderzoeksmaatregelen. B.6.
  167. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen niet tegen elke bepaling van de wet van 7 april 2023 middelen en grieven aanvoeren, dat zij in hun middelen niet steeds uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen de in de desbetreffende middelen vermelde referentienormen zouden schenden en dat hun kritiek veelal niet de inhoud van de bestreden bepalingen betreft, maar de concrete toepassing die van die bepalingen zou kunnen worden gemaakt. Hij is van oordeel dat het beroep slechts ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen bepalingen waartegen middelen en grieven worden aangevoerd, in zoverre wordt uiteengezet in welke zin de bestreden bepalingen de in de middelen vermelde referentienormen zouden schenden en in zoverre de kritiek van de verzoekende partijen de inhoud van de bestreden bepalingen betreft. B.6.
  168. Het Hof dient de omvang van een beroep tot vernietiging te bepalen op basis van de inhoud van het verzoekschrift. 29 Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.6.
  169. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.6.
  170. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. Het Hof is aldus bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen aan de voormelde referentienormen, maar niet om te beoordelen of de manier waarop een wetskrachtige bepaling zou kunnen worden toegepast, die referentienormen schendt. De kritiek die de verzoekende partijen in hun middelen ontwikkelen, dient aldus betrekking te hebben op de inhoud van de bestreden bepalingen en niet op de wijze waarop die bepalingen zouden kunnen worden toegepast. B.6.
  171. Het Hof onderzoekt de door de verzoekende partijen aangevoerde middelen in zoverre zij aan de in B.6.3 en B.6.4 vermelde vereisten voldoen. B.7.
  172. De verzoekende partijen voeren in hun aanvullende memorie een negende middel aan dat niet in hun verzoekschrift is geformuleerd. B.7.
  173. Het staat niet aan de verzoekende partijen in een aanvullende memorie de middelen, zoals door henzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen. Een bezwaar dat, zoals te 30 dezen, in een aanvullende memorie wordt aangebracht maar dat verschilt van datgene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, is dan ook een nieuw middel en is niet ontvankelijk. B.7.
  174. Het in de aanvullende memorie van de verzoekende partijen aangevoerde negende middel is niet ontvankelijk. B.
  175. In zoverre de Ministerraad bij sommige middelen aanvoert dat het Hof niet bevoegd is om de wijze waarop een wetskrachtige norm tot stand komt, te beoordelen en evenmin om wetskrachtige normen te toetsen aan andere wetskrachtige normen, valt het onderzoek van de desbetreffende excepties samen met het onderzoek ten gronde. Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.9.
  176. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 6 van de wet van 11 juli 1978 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel » (hierna : de wet van 11 juli 1978) en van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 5 en 6 van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de Conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna : de IAO) nrs. 87, 98 en 154, met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op daadwerkelijke rechtshulp, met de vakbondsvrijheid en met het recht op collectief onderhandelen. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de regeringsamendementen die hebben geleid tot de bepalingen die deel uitmaken van afdeling 2 (« Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ») van hoofdstuk IIIbis (« Veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen ») van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij de wet van 7 april 2023, niet werden voorgelegd 31 aan het onderhandelingscomité bedoeld in de wet van 11 juli 1978 en dit in strijd met de artikelen 2 en 6 van die laatste wet. B.9.
  177. Ingevolge de wet van 2 juni 2024 maken de door de verzoekende partijen beoogde bepalingen van de wet van 11 december 1998 niet langer deel uit van afdeling 2 van hoofdstuk IIIbis van die wet, maar van afdeling 6 (« Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ») van hoofdstuk IV (« Veiligheidsadviezen ») ervan. Zoals is vermeld in B.4.7, heeft die wijziging evenwel geen invloed

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.