id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.159 Arrest- Rolnummer: 159/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-30 Raadplegingen: 366 - laatst gezien 2026-06-16 06:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Zelfstandigen - Overbruggingsrecht - Verhoogde bedrag - Voorwaarden - Kind ten laste Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 159/2024 van 19 december 2024 Rolnummer : 8151 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 2 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2024, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Houdt de toepassing van art. 10 § 1 van de wet van 22 december 2016 inzake overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het een verschil in behandeling voorziet - ongeacht de reële situatie van de personen ten laste - tussen volgende personen : - zelfstandigen die een gezin vormen met kinderen die niet ten laste zijn volgens de wetgeving inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; - zelfstandigen die een gezin vormen met kinderen die wel ten laste zijn volgens de wetgeving inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ? ». Memories zijn ingediend door : 2 - Tommy Greunlinx, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kris Bosmans, advocaat bij de balie van Limburg; - de vzw « Group S - Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Edwin Truyens, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Liesbet Vandenplas, advocates bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Group S - Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Tommy Greunlinx, de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, baat als zelfstandige in hoofdberoep een restaurant uit. Tijdens de COVID-19-pandemie heeft hij een beroep gedaan op het overbruggingsrecht voor zelfstandigen. Bij een brief van 10 oktober 2022 heeft de vzw « Group S - Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen », de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, aan Tommy Greunlinx meegedeeld dat zij een deel van het uitbetaalde overbruggingsrecht terugvordert omdat hij het tarief voor personen met gezinslast heeft ontvangen terwijl hij geen personen ten laste heeft bij zijn ziekenfonds. Tommy Greunlinx heeft tegen die beslissing beroep aangetekend bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren. Hij meent dat hij recht heeft op het verhoogde tarief aangezien hij twee kinderen heeft met zijn echtgenote en die kinderen feitelijk ten laste zijn van hem, ook al blijkt dat niet uit een administratief document. Alvorens ten gronde uitspraak te doen, acht de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren, het noodzakelijk om de hiervoor vermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Volgens haar moet rekening worden gehouden met de doelstelling van het overbruggingsrecht, namelijk het compenseren van inkomensverlies en een daling van de koopkracht. Gelet op die doelstelling en de principes die het Hof heeft uiteengezet in zijn arrest nr. 43/2023 van 16 maart 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.043) moet met de feitelijke situatie rekening worden gehouden om het bedrag van de uitkering te bepalen. Een verschil in behandeling onder zelfstandigen naargelang ze een persoon feitelijk ten laste hebben, in de zin van de sociale wetgeving of in de zin van de fiscale wetgeving, is niet redelijk verantwoord. A.2.1. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt allereerst op dat de prejudiciële vraag op een verkeerd uitgangspunt berust, in zoverre het verwijzende rechtscollege aanneemt dat kinderen ten laste van niemand kunnen zijn in de zin van de wetgeving inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Kinderen zijn immers altijd ten laste van één gerechtigde. Het is niet mogelijk dat twee gerechtigden hetzelfde kind ten laste nemen. A.2.2. Vervolgens doet zij gelden dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 197/2019 van 5 december 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.197), met dien verstande dat in dat geval geen ongrondwettigheid moet worden vastgesteld aangezien de feitelijke context anders is. Het door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aangehaalde arrest van het Hof nr. 43/2023 is volgens haar niet relevant, aangezien in dat arrest verschillende categorieën van zelfstandigen worden vergeleken, wat hier niet aan de orde is. Voorts wijst zij erop dat ouders vrij kunnen kiezen wie van hen het kind ten laste neemt in de zin van de wetgeving inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. A.3. De Ministerraad is eveneens van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij doet gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Het berust allereerst op een objectief criterium, namelijk het hebben van ten minste één persoon ten laste bij het ziekenfonds in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (hierna : het koninklijk besluit van 3 juli 1996). Daarnaast wordt er volgens hem een legitiem doel nagestreefd. De wetgever beoogt immers een criterium te hanteren op grond waarvan kan worden bepaald of de zelfstandige een gezinslast heeft, daar kan worden aangenomen dat een zelfstandige met gezinslast die zonder inkomsten komt te vallen ten gevolge van de onderbreking of stopzetting van zijn zelfstandige activiteit door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, nood heeft aan een hogere uitkering dan een zelfstandige die zich in dezelfde omstandigheden bevindt maar geen gezinslast heeft. Aangezien het gekozen criterium, dat uitgaat van de inschrijving bij het ziekenfonds, toelaat te bepalen of een zelfstandige de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast heeft, is het verschil in behandeling bovendien pertinent. Het feit dat het begrip « gezinslast » verschillend wordt ingevuld in andere sectoren van de sociale zekerheid, doet niet anders besluiten. De keuze voor een verwijzing naar artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 en dus de inschrijving bij het ziekenfonds, valt onder de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden. Tot slot heeft het verschil in behandeling volgens de Ministerraad geen onevenredige gevolgen. Ouders kunnen immers in principe zelf vrij bepalen bij wie van hen het kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven bij het ziekenfonds. Zij kunnen dus zelf de inschrijving bij het ziekenfonds afstemmen op de werkelijke situatie. Bovendien is het onvermijdelijk dat het criterium van onderscheid slechts een benadering van de werkelijkheid inhoudt. Het is immers onmogelijk, minstens zeer moeilijk, om steeds de werkelijke verdeling van de gezinslast vast te stellen. Voor het overige wijst de Ministerraad eveneens erop dat het door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aangehaalde arrest van het Hof nr. 43/2023 niet relevant is voor de beslechting van de prejudiciële vraag. De te vergelijken categorieën van personen zijn immers niet dezelfde en dat arrest heeft betrekking op een ander probleem, namelijk het verlies van koopkracht. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen » (hierna : de wet van 22 december 2016), dat, in de versie van toepassing in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « Het maandelijks bedrag van de financiële uitkering bedraagt 1.317,52 euro. De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van 1.646,38 euro, op voorwaarde dat hij een persoon ten laste heeft in de zin van [artikel] 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Het hebben van een persoon ten laste wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling. Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het maandelijks bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt dat de begunstigde een persoon ten laste heeft, dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste regularisatie uit te voeren. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100) ». B.2.1. Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 bepaalt het maandelijkse bedrag van de financiële uitkering van het overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. Het voorziet in een basisbedrag en een verhoogd bedrag. Op het verhoogde bedrag kan krachtens de in het geding zijnde versie van die bepaling aanspraak worden gemaakt indien de begunstigde een persoon ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (hierna : het koninklijk besluit van 3 juli 1996), dat bepaalt : « De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer als bedoeld in artikel 32 van de gecoördineerde wet, wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel en in de artikelen 124, 125 en 127 : 5 1. De echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster. De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen :
- a)hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 3 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was;
- b)hij of zij [heeft] alimentatiegeld [...] verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte of onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank;
- c)hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek;
- d)hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen. 2. De persoon die samenwoont met de gerechtigde of met de werknemer of werkneemster, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 19° van de gecoördineerde wet. Zijn of haar inschrijving is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of van de in het eerste lid bedoelde werknemer, zelf de hoedanigheid van persoon ten laste heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder hetzelfde dak woont als de gerechtigde. 3. De hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar :
- a)de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld;
- b)de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat;
- c)de kinderen en geadopteerde kinderen van de in punt twee of vier bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat;
- d)de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat;
- e)de kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b),
- c)en
- d)voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon; 6
- f)de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en niet geviseerd zijn onder de punten
- a)tot en met e), voor wie de gerechtigde, de echtgenoot van de gerechtigde of de in punt 2 of 4 bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde instaat voor het onderhoud in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen. Het bewijs van de verblijfplaats in België volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die is verkregen bij het Rijksregister of uit alle bewijsmiddelen, afgeleverd door een Belgische overheid en als dusdanig erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle. 4. De ascendenten van de gerechtigde of werknemer, of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders. Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. Wat betreft de kinderen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister, volgt het bewijs van het samenwonen uit alle bewijsmiddelen als dusdanig erkend door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle ». B.2.2. Het vereiste van het hebben van een persoon ten laste in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 om aanspraak te maken op het verhoogde bedrag, is ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 28 februari 2021 « tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot wijziging van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen » (hierna : de wet van 28 februari 2021), dat met terugwerkende kracht uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2020 (artikel 6 van dezelfde wet). Voordien bepaalde artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 dat aanspraak kan worden gemaakt op het verhoogde bedrag « op voorwaarde dat hij de hoedanigheid heeft van ‘ gerechtigde met gezinslast ’ in de zin van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 ». De parlementaire voorbereiding van de wet van 28 februari 2021 vermeldt met betrekking tot die wijziging : « Om te bepalen of de zelfstandige de hoedanigheid van ‘ gerechtigde met gezinslast ’ heeft, wordt, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 22 december 2016, rekening [...] gehouden met artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, 7 gecoördineerd op 14 juli 1994 (met name het begrip ‘ gezinslast ’ in het kader van de uitkeringsverzekering). In praktijk blijkt dit echter niet haalbaar, aangezien het onderzoek naar het al dan niet hebben van gezinslast in het kader van de uitkeringsverzekering pas kan gebeuren wanneer de zelfstandige arbeidsongeschikt wordt. Daarom voorziet het wetsontwerp dat er rekening moet gehouden worden met het begrip ‘ persoon ten laste ’ in het kader van de geneeskundige verzorging. De vraag die zich stelt is te weten of betrokkene een persoon te laste heeft bij zijn verzekeringsinstelling (‘ op zijn ziekenboekje ’). Dit betreft het begrip ‘ persoon ten laste ’ in het kader van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1768/001, pp. 6 en 7). B.2.3. De wet van 22 december 2016 is opgeheven door de programmawet (I) van 26 december 2022. Ten gronde B.3.1. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zelfstandigen die een gezin vormen met kinderen die te hunnen laste zijn in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, aanspraak kunnen maken op het verhoogde bedrag, terwijl zelfstandigen die een gezin vormen met kinderen die niet te hunnen laste zijn in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 slechts aanspraak kunnen maken op het basisbedrag, ongeacht de mate waarin zij feitelijk instaan voor de kinderen. B.3.2. Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepaling aldus in die zin dat de feitelijke situatie niet bepalend is voor het hebben van een kind ten laste in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996. Bepalend is in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege of het kind ten laste van de zelfstandige is ingeschreven bij zijn verzekeringsinstelling. Die interpretatie van het verwijzende rechtscollege is niet kennelijk verkeerd. Zij wordt bevestigd in de in B.2.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding die vermeldt dat het criterium is of « betrokkene een persoon te laste heeft bij zijn verzekeringsinstelling (‘ op zijn ziekenboekje ’) ». 8 B.3.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt voorts dat de zelfstandige die het overbruggingsrecht heeft genoten, twee kinderen heeft met zijn echtgenote, die de kinderen ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.4.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.2. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.5. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet hebben van een persoon ten laste in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996. B.6. Uit de in B.2.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever dat criterium van onderscheid heeft ingevoegd omdat het vroegere criterium, dat verwees naar de gerechtigde met gezinslast in de zin van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, zijnde het begrip gezinslast in het kader van de uitkeringsverzekering, in de praktijk niet werkbaar bleek « aangezien het onderzoek naar het al dan niet hebben van gezinslast in het kader van de uitkeringsverzekering pas kan gebeuren wanneer de zelfstandige arbeidsongeschikt wordt ». De wetgever wilde een eenvoudiger criterium dat zou leiden tot een administratieve vereenvoudiging. 9 Die doelstelling is legitiem. B.7.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling laat ook toe om die doelstelling te bereiken, aangezien het criterium van onderscheid niet langer afhangt van de arbeidsongeschiktheid van de zelfstandige en eenvoudiger is dan het vroegere criterium. Alle kinderen jonger dan 25 jaar kunnen immers zonder meer ten laste zijn van de gerechtigde met toepassing van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, terwijl met toepassing van artikel 225 van hetzelfde koninklijk besluit vereist is dat zij samenwonen met de gerechtigde, geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving, en niet financieel ten laste zijn van een andere persoon die deel uitmaakt van hetzelfde gezin. Bovendien kan onder die laatste bepaling de hoedanigheid van gerechtigde met persoon ten laste zelfs verloren gaan door louter samen te wonen met een andere persoon dan een persoon ten laste. B.7.2. Ten aanzien van het doel van administratieve vereenvoudiging is het voorts ook niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever kiest voor een criterium dat slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze overeenstemt met de werkelijkheid. B.8. Tot slot heeft het in het geding zijnde verschil in behandeling ook geen onevenredige gevolgen. Ouders zijn in de regel immers vrij om te kiezen bij wie van hen hun kind wordt ingeschreven en wie het kind aldus ten laste heeft in de zin van artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996. Artikel 125 van hetzelfde koninklijk besluit voorziet slechts subsidiair in een rangorde. Het bepaalt : « Bij betwisting tussen gerechtigden omtrent de vraag bij wie een kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind, overeenkomstig artikel 126 van de gecoördineerde wet bij voorrang ingeschreven als persoon ten laste van de oudste gerechtigde. Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met [het kind] samenwoont ». Een eerder gemaakte keuze ten aanzien van een kind dat bij meerdere gerechtigden als kind ten laste kan worden ingeschreven, kan bovendien worden herzien, met dien verstande dat de 10 herziening overeenkomstig artikel 126, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 in principe niet onmiddellijk uitwerking heeft : « Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om [het] ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde. In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn ». B.9. Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016, in de versie zoals van toepassing in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 « houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 december 2024. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.159 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.197 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.043 geciteerd door: ECLI:BE:TTBRL:2025:JUG.20251215.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div