id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.001 Arrest- Rolnummer: 1/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-01-20 Raadplegingen: 701 - laatst gezien 2026-06-18 18:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 1, §§ 1 en 2, van de wet van 19 juli 1991 « betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Vreemdelingen - Illegale vreemdeling - Burger van de Europese Unie - Aanvraag voor maatschappelijke dienstverlening - Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) - Weigering om een referentieadres toe te kennen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 1/2025 van 9 januari 2025 Rolnummer : 8115 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, §§ 1 en 2, van de wet van 19 juli 1991 « betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 december 2023, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, § 1 en § 2, vijfde lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten de artikelen 10, 11, 23 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 18, 20, 21 en 45 van het VWEU, met de artikelen 1 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 2 van het VEU en met de artikelen 7, 8, 14 en 24 van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, in zoverre het de dakloze burger van de Europese Unie zonder verblijfstitel het voordeel van een referentieadres bij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ontzegt, en bijgevolg de mogelijkheid om zijn recht op vrij verkeer van Europese werkzoekenden, zoals bedoeld in de artikelen 40 en 42 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, te doen gelden, en aldus elke sociale en administratieve re-integratie van die laatste verhindert, met schending van zijn menselijke waardigheid ? ». Memories zijn ingediend door : 2 - B.O., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Noémie Segers, advocate bij de balie te Brussel; - het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marc Legein, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Sarah Fiaccaprile, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - B.O., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Noémie Segers en mr. Katia Melis, advocate bij de balie te Brussel; - de Ministerraad. Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 23 oktober 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 20 november
- Op de openbare terechtzitting van 20 november 2024 : - zijn verschenen : . mr. Noémie Segers, voor B.O.; . mr. Marc Legein, voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil B.O., van Poolse nationaliteit, geboren in 1960, komt in 2007 binnen op het Belgische grondgebied en verantwoordt zijn recht om er te verblijven door zijn hoedanigheid van werknemer. Op 14 augustus 2007 wordt 3 hij in die hoedanigheid ingeschreven in het vreemdelingenregister van de gemeente Sint-Gillis. Tussen 6 mei 2009 en 20 maart 2012 verblijft hij op het Belgische grondgebied in de hoedanigheid van zelfstandige, met toepassing van artikel 40, § 4, 1°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Op 20 maart 2012 stelt de Dienst Vreemdelingenzaken vast dat hij niet meer voldoet aan de in die wetsbepaling vermelde voorwaarden, en beslist hij dus, met toepassing van artikel 42bis, § 1, van de wet van 15 december 1980, om diens verblijfsrecht te beëindigen. Op diezelfde dag betekent de Dienst hem een bevel om het grondgebied te verlaten. Op 31 juli 2012 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep dat B.O. tegen die beslissing heeft ingesteld. In de daaropvolgende jaren blijft B.O. verblijf houden in een gebouw dat op het grondgebied van de gemeente Sint-Gillis is gelegen. In 2018 wordt hij uit dat gebouw gezet. Op 23 november 2018 wordt hij geschrapt uit de bevolkingsregisters. Op 26 april 2021 vraagt B.O., terwijl hij sinds 2018 geen verblijfplaats meer heeft en regelmatig van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Sint-Gillis « dringende medische hulp » ontvangt waarop een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, recht heeft met toepassing van artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976), het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om hem « in te schrijven » op het adres van dat centrum, met toepassing van artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli 1991 « betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten » (hierna : de wet van 19 juli 1991). Op 17 mei 2021 weigert het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis om die aanvraag in te willigen, om reden dat de taak van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van een vreemdeling die illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijft, beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp. Bij vonnis van 2 mei 2022 verwerpt de Arbeidsrechtbank te Brussel het beroep dat tegen die weigering werd ingesteld. Zij merkt onder meer op dat, aangezien de aanvrager illegaal in België verblijft, de gemeente hoe dan ook, met toepassing van artikel 1 van de wet van 19 juli 1991, verplicht zou zijn om zijn inschrijving in de bevolkingsregisters te weigeren. Het Arbeidshof te Brussel, waarbij tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, merkt op dat de toekenning van een « referentieadres » door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, waarin artikel 1, § 2, vijfde lid, van de wet van 19 juli 1991 voorziet, een vorm van preventieve maatschappelijke dienstverlening is in de zin van artikel 57 van de wet van 8 juli 1976, waarop een vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft geen aanspraak kan maken, rekening houdend met de in artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde wet vermelde regel. Het Arbeidshof merkt echter op dat B.O. stelt dat hij, met toepassing van de artikelen 40, § 4, 1°, en 42 van de wet van 15 december 1980, een aanvraag tot erkenning van zijn verblijfsrecht van meer dan drie maanden wil indienen, in zijn hoedanigheid van werkzoekende. Het Arbeidshof stelt vast dat de gemeente die een dergelijke aanvraag van een burger van de Europese Unie ontvangt, die burger moet inschrijven in het wachtregister en vervolgens moet nagaan of die burger werkelijk op haar grondgebied verblijft, alvorens diens verblijfsrecht te erkennen en hem in te schrijven in het vreemdelingenregister. Het Arbeidshof oordeelt dus dat de aanvraag van B.O. niet tot een erkenning van zijn recht kan leiden, aangezien hij niet over een vaste verblijfplaats beschikt waarvan de gemeente het werkelijke karakter kan nagaan. Het oordeelt evenwel dat B.O., indien hij het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zou mogen gebruiken, aan de gemeente zou kunnen bewijzen dat hij gewoonlijk op haar grondgebied aanwezig is, zich zou kunnen inschrijven bij de gewestelijke overheidsdienst voor arbeidsbemiddeling en de briefwisseling van die dienst zou kunnen ontvangen, evenals die van de administratieve diensten die belast zijn met de behandeling van zijn aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht. Op verzoek van B.O. beslist het Arbeidshof dan ook het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 onbestaanbaar is met de in de prejudiciële vraag vermelde normen. 4 A.2.
- Hij merkt op dat het Hof, bij het arrest nr. 106/2023 van 29 juni 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.106), heeft geoordeeld dat het pertinent was vreemdelingen die illegaal op het Belgische grondgebied verblijven, niet toe te laten om gebruik te maken van een « referentieadres » in de zin van artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli
- Hij wijst evenwel erop dat dat arrest is uitgesproken in een zaak die betrekking had op een vreemdeling die geen burger was van de Europese Unie, die illegaal op het Belgische grondgebied verbleef en die om medische redenen niet naar zijn land kon terugkeren. Hij is dus van mening dat de stellingname van het Hof niet kan worden overgenomen met betrekking tot zijn eigen situatie, namelijk die van een burger van de Europese Unie die het recht heeft om in het wachtregister van de gemeente te worden ingeschreven zodra hij aan die laatste zijn adres en het bewijs van zijn nationaliteit heeft meegedeeld. A.2.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege wijst erop dat een vreemdeling-burger van de Europese Unie die geen verblijfplaats heeft, een « referentieadres » moet kunnen gebruiken om een aanvraag tot erkenning van zijn verblijfsrecht in te dienen, met toepassing van de artikelen 40 en 42 van de wet van 15 december
- Zonder adres kan hij niet worden ingeschreven in het wachtregister van de gemeente. A.2.
- De appellant voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat het doel van artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 niet alleen erin bestaat de personen die legaal op het Belgische grondgebied verblijven, te verplichten om zich in te schrijven in de bevolkingsregisters. Hij merkt op dat de wijziging van die bepaling bij de wet van 24 januari 1997 « houdende wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, strekkende tot verplichte inschrijving in de bevolkingsregisters van de personen die in België geen verblijfplaats hebben » tot doel had de band tussen de personen zonder verblijfplaats en het gemeentebestuur te herstellen, om hun marginalisering te voorkomen. A.
- Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis voert aan dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.
- Het merkt op dat een bevestigend antwoord van het Hof het Arbeidshof te Brussel hoe dan ook niet zou toelaten om de aanvraag van de appellant voor het verwijzende rechtscollege gegrond te verklaren. Het verduidelijkt dat die laatste geen erkenning van zijn verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, met toepassing van artikel 40, § 4, 1°, van de wet van 15 december 1980, aangezien hij het Belgische grondgebied niet is binnengekomen om er werk te zoeken, hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten en hij er illegaal verblijft. Hij voegt eraan toe dat de appellant voor het verwijzende rechtscollege niet de bewijzen voorlegt die onontbeerlijk zijn voor een dergelijke erkenning. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis merkt voorts op dat artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 8 juli 1976 het centrum verbiedt om aan een vreemdeling die illegaal op het Belgische grondgebied verblijft enige andere maatschappelijke dienstverlening toe te kennen dan dringende medische hulp. Het stelt ook dat het arbeidshof niet bevoegd is om te beslissen over de inschrijving van een persoon in de bevolkingsregisters in het kader van het onderzoek van de gegrondheid van een aanvraag voor maatschappelijke dienstverlening, aangezien dat type van inschrijving onder de exclusieve bevoegdheid van de gemeentelijke overheid valt. A.5.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. A.5.
- Hij zet in de eerste plaats uiteen dat het Hof die vraag reeds heeft beantwoord bij het voormelde arrest nr. 106/2023, waarbij het heeft geoordeeld dat het pertinent was vreemdelingen die illegaal op het Belgische grondgebied verblijven, niet de mogelijkheid te bieden om gebruik te maken van een « referentieadres » in de zin van artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli
- A.5.
- De Ministerraad zet in de tweede plaats uiteen dat de prejudiciële vraag op een kennelijk verkeerde lezing van artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 berust. Hij merkt op dat die wetsbepaling een vreemdeling-burger van de Europese Unie zonder vaste verblijfplaats en zonder verblijfstitel geenszins belet om in zijn hoedanigheid van werkzoekende een aanvraag tot erkenning van zijn verblijfsrecht in te dienen, met toepassing van de artikelen 40 en 42 van de wet van 15 december
- Hij 5 merkt op dat het gebruik van een « referentieadres » noch een voorwaarde, noch een waarborg is voor het verkrijgen van de aangevraagde erkenning. De Ministerraad merkt eveneens op dat artikel 1, § 2, van de wet van 19 juli 1991 niet tot doel heeft een vreemdeling toe te staan een « referentieadres » te gebruiken om een verblijfstitel te verkrijgen, maar een persoon die geen verblijfplaats op het grondgebied heeft en die reeds over een verblijfstitel beschikt, toe te staan een dergelijk adres te gebruiken om te voldoen aan de in artikel 1, § 1, 1°, van dezelfde wet vermelde verplichting om zijn inschrijving in de bevolkingsregisters aan te vragen. De Ministerraad onderstreept ten slotte dat steeds eerst een machtiging tot verblijf op het Belgische grondgebied moet worden verkregen voordat het gebruik van een « referentieadres » kan worden aangevraagd, en dat het voornaamste doel van artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 erin bestaat elke gemeente toe te laten om op de hoogte te zijn van de identiteit van de personen die legaal op haar grondgebied verblijven. Hij preciseert dat het gebruik van een « referentieadres » uitsluitend is bedoeld als een middel om dat doel te bereiken voor die personen die geen verblijfplaats hebben. A.5.
- De Ministerraad merkt in de derde plaats op dat de identieke behandeling die de in het geding zijnde bepaling zou doen ontstaan tussen, enerzijds, de werkzoekende burger van de Europese Unie, die zijn inschrijving in de bevolkingsregisters zou kunnen aanvragen en, anderzijds, de vreemdeling zonder verblijfstitel, die die inschrijving niet zou kunnen aanvragen, niet door het Hof kan worden onderzocht, aangezien het Arbeidshof dat de vraag aan het Hof stelt, die identieke behandeling niet heeft geïdentificeerd. -B- B.
- Artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 « betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten » (hierna : de wet van 19 juli 1991) bepaalt, sinds de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 9 november 2015 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken » : « §
- In elke gemeente worden gehouden : 1° bevolkingsregisters waarin ingeschreven worden op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die gemachtigd zijn zich er te vestigen, of die om een andere reden ingeschreven worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het in 2° bedoelde register evenals de personen bedoeld in artikel 2bis van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen; De personen die zich vestigen in een woning waarin permanente bewoning niet is toegelaten om redenen van veiligheid, gezondheid, urbanisme of ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld door de daartoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie, kunnen enkel door de gemeente voorlopig worden ingeschreven in de bevolkingsregisters. Hun inschrijving blijft voorlopig zolang de hiertoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie geen beslissing of maatregel heeft genomen om een einde te maken aan de aldus geschapen 6 onregelmatige toestand. De voorlopige inschrijving neemt een einde zodra de personen de woning hebben verlaten of een einde wordt gesteld aan de onrechtmatige toestand. 2° een wachtregister waarin worden ingeschreven op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, de vreemdelingen die een asielaanvraag indienen en die niet in een andere hoedanigheid in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven. Wanneer een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend uit de bevolkingsregisters geschrapt wordt doch in de gemeente verblijf blijft houden, wordt hij ingeschreven in het wachtregister. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inschrijving in het wachtregister voorschrijven van andere vreemde onderdanen die zich in een onzekere administratieve toestand van verblijf in België bevinden, die hun inschrijving of het behoud ervan in de bevolkingsregisters niet mogelijk maakt. De artikelen 3, 4, 5, 7 en 8 zijn toepasselijk op het wachtregister. §
- De personen bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, worden op hun aanvraag door de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven, ingeschreven op een referentieadres : - wanneer zij in een mobiele woning verblijven; - wanneer zij om beroepsredenen of bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben. Onder referentieadres wordt verstaan het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven. De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de inschrijving van een andere persoon aanvaardt als referentieadres, verbindt zich ertoe daar alle voor die persoon bestemde post of alle administratieve documenten te laten toekomen. Hierbij mag de natuurlijke persoon of de rechtspersoon geen winstbejag nastreven. Enkel verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk die minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid genieten en die zich in hun statuten tot doel hebben gesteld onder meer de belangen van één of meer rondtrekkende bevolkingsgroepen te behartigen of te verdedigen, kunnen optreden als rechtspersoon bij wie een natuurlijk persoon een referentieadres kan hebben. In afwijking van het vorige lid worden de Belgische onderdanen die verbonden zijn aan de Krijgsmacht en de gezinsleden die hen vergezellen, in garnizoen in het buitenland, en die geen verblijfplaats meer hebben in België, ingeschreven op het door de minister van Landsverdediging vastgestelde referentieadres. Op dezelfde wijze worden de personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of om het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven op het 7 adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven. Op dezelfde wijze worden gedetineerden, met name de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die zijn opgesloten in een penitentiaire inrichting en geen verblijfplaats hebben of meer hebben, ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar zij het laatst stonden ingeschreven in het [bevolkingsregister]. De gedetineerden, met name de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die nooit zijn ingeschreven geweest in de bevolkingsregisters van een gemeente, worden ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de penitentiaire inrichting ligt ». B.
- Krachtens artikel 1, § 2, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 kunnen, onder de personen die zich in de situatie bevinden zoals beschreven in artikel 1, § 2, vijfde lid, van die wet, alleen diegenen die worden beoogd in artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van diezelfde wet verzoeken om te worden ingeschreven in de bevolkingsregisters op het adres van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (Cass., 12 oktober 2020, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201012.3F.2). B.
- Artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 19 juli 1991, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 24 januari 1997 « houdende wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, strekkende tot verplichte inschrijving in de bevolkingsregisters van de personen die in België geen verblijfplaats hebben », bepaalt : « De hoofdverblijfplaats is de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft. De Koning stelt de aanvullende regels vast voor het bepalen van het hoofdverblijf en het referentieadres ». B.
- Artikel 20, § 3, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 « betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister » (hierna : het koninklijk besluit van 16 juli 1992), zoals vervangen bij artikel 1 van een koninklijk besluit van 21 februari 1997, bepaalt : 8 « De personen die, doordat zij geen of niet langer een verblijfplaats hebben, de maatschappelijke bijstand vragen in de zin van artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of het bestaansminimum waarin de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum voorziet, komen in aanmerking voor de inschrijving op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente wegens een gebrek aan voldoende bestaansmiddelen. Met het oog op hun inschrijving in de bevolkingsregisters, geeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hen een document waarin wordt bevestigd dat aan de voorwaarden voor een inschrijving op het adres van het centrum is voldaan. Na inschrijving op basis van het voormelde document, moeten de betrokken personen zich minstens een keer per trimester aanmelden bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deelt aan het college van burgemeester en schepenen mee welke personen onder hen niet meer voldoen aan de voorwaarden die vereist zijn om hun inschrijving op het adres van het centrum te behouden. Na inzage van de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overgelegde documenten, voert het college van burgemeester en schepenen hen van het bevolkingsregister af ». B.5.
- Artikel 40 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), zoals vervangen bij artikel 19 van de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 25 april 2007), bepaalt : « §
- Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de burger van de Unie zou kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hem van toepassing. §
- Voor de toepassing van deze wet wordt onder burger van de Unie verstaan, een vreemdeling die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit en verblijft in of zich begeeft naar het Rijk. §
- Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende maximaal drie maanden in het Rijk te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten te vervullen dan vermeld in artikel 41, eerste lid. §
- Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven indien hij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervult en hij : 1° hetzij in het Rijk werknemer of zelfstandige is of het Rijk binnenkomt om werk te zoeken, zolang hij kan bewijzen dat hij nog werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld; 9 […] ». B.5.
- Artikel 41, § 1, van de wet van 15 december 1980, zoals vervangen bij artikel 18 van de wet van 19 maart 2014 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 19 maart 2014), bepaalt : « Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de burger van de Unie op voorlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, of indien hij op een andere wijze kan laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet. Als de burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terugdrijving over te gaan in de gelegenheid om binnen redelijke grenzen de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op een andere wijze te laten vaststellen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet ». B.5.
- Artikel 42 van de wet van 15 december 1980, zoals vervangen bij artikel 25 van de wet van 25 april 2007 en vervolgens onder meer gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging », bepaalt : « §
- Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie […] overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier. […] §
- Voor de burgers van de Unie wordt het recht op verblijf van meer dan drie maanden geconstateerd door een verklaring van inschrijving. Zij worden al naargelang het geval ingeschreven in het vreemdelingenregister of in het bevolkingsregister. […]. §
- De verklaring van inschrijving […] [wordt] afgegeven volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Zij moeten ten laatste worden aangevraagd bij het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van binnenkomst bij het gemeentebestuur van de plaats waar men verblijft. Indien na het verstrijken van deze periode, geen verklaring van inschrijving […] wordt 10 aangevraagd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies ». B.5.
- Artikel 42bis, § 1, van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij artikel 26 van de wet van 25 april 2007 en vervolgens gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 19 maart 2014, bepaalt : « Er kan een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie door de minister of zijn gemachtigde indien hij niet meer voldoet aan de in artikel 40, § 4, […] bedoelde voorwaarden […]. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan. […] Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezinssituatie en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst ». B.5.
- Artikel 44ter, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij artikel 17, 2°, van de wet van 8 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », bepaalt : « Wanneer een burger van de Unie […] niet of niet meer het recht heeft om op het grondgebied te verblijven, kan de minister of zijn gemachtigde hem, met toepassing van artikel 7, eerste lid, een bevel geven om het grondgebied te verlaten ». B.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege, om het voorgelegde geschil te beslechten, moet oordelen of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat partij is in het geding, al dan niet verplicht is om aan de natuurlijke persoon die partij is in hetzelfde geding het in artikel 20, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 bedoelde document, namelijk het « document waarin wordt bevestigd dat aan de voorwaarden voor een inschrijving op het adres van het centrum is voldaan », af te geven. Het Hof wordt derhalve verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van artikel 1, § 1, en § 2, vijfde lid, van de wet van 19 juli 1991, in zoverre die wetsbepaling de afgifte van 11 het voormelde document aan een vreemdeling-burger van de Europese Unie die zonder verblijfstitel op het grondgebied verblijft, zou verbieden. B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt eveneens dat de aanvrager van dat document sinds meerdere jaren illegaal op het Belgische grondgebied verblijft, en dat de door hem geformuleerde aanvraag tot afgifte van het document een aanvraag is betreffende maatschappelijke dienstverlening in de zin van artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976). B.
- Krachtens artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van die wet, zoals vervangen bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003 en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 7 januari 2002 « tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een wijziging van de Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn », is de taak van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp. Artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 8 juli 1976 verbiedt dus het verwijzende rechtscollege om het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ertoe te verplichten het in artikel 20, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 bedoelde document af te geven aan een persoon die illegaal op het grondgebied verblijft. Bijgevolg zou een eventuele vaststelling van ongrondwettigheid van de wetsbepaling waarover de prejudiciële vraag wordt gesteld niet ertoe kunnen leiden dat een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ertoe zou zijn gehouden dat document af te geven aan de natuurlijke persoon die partij is in het geding dat aan die vraag ten grondslag ligt. B.
- Het antwoord op de prejudiciële vraag is dus klaarblijkelijk niet nuttig voor de oplossing van het geschil. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.001 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201012.3F.2 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div