← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.003

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.003 Arrest- Rolnummer: 3/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-01-27 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-06-17 13:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging - Handhaving van de gevolgen van de vernietigde ordonnantie Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 oktober 2023 « tot instelling van een specifieke behandelingsprocedure van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van het interieur van het Zuidpaleis en voor de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel werd afgeleverd », ingesteld door de vzw « Inter-Environnement Bruxelles » en de vzw « Atelier de Recherche et d'Action Urbaines ». Ruimtelijke ordening - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Funderingstechniek van de metrotunnel onder het Zuidpaleis (MIVB) - Volledige afbraak van het interieur van het Zuidpaleis - Stedenbouwkundige vergunning - Afwijkende procedure Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:ECLI:EU:C:2004:12 ecli_prefixe ECLI ecli_pays ECLI ecli_cour EU ecli_annee C ecli_ordre 2004:12 Ongeldig ECLI-nummer - jaar C ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:ECLI:EU:C:2004:12 invalide Ongeldig ECLI-nummer - jaar C ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2016 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements Grondwettelijk Hof Arrest nr. 3/2025 van 16 januari 2025 Rolnummer : 8148 In zake : het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 oktober 2023 « tot instelling van een specifieke behandelingsprocedure van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van het interieur van het Zuidpaleis en voor de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel werd afgeleverd », ingesteld door de vzw « Inter-Environnement Bruxelles » en de vzw « Atelier de Recherche et d’Action Urbaines ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 januari 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 januari 2024, is beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 oktober 2023 « tot instelling van een specifieke behandelingsprocedure van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van het interieur van het Zuidpaleis en voor de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel werd afgeleverd » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 oktober 2023) ingesteld door de vzw « Inter-Environnement Bruxelles » en de vzw « Atelier de Recherche et d’Action Urbaines », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jacques Sambon en mr. Erim Açikgöz, advocaten bij de balie te Brussel. 2 Memories zijn ingediend door : - Theo Mewis, Bea Suys, Alain Blond, de bv « V.G.A. Consulting », Samira Hamouchi, Manuel Goessens, Frédéric Tombelle, El Miloud El Bouzakri El Idrissi, Hassan Kessas, de bvba « Sideral », Félicien Dufoor, Justine Gakwaya, Olivier De Roy, Abdil-Ilah El Badaoui, Ilham Chekkafi, de vzw « La Passarelle », Latifa Elmcabeni, Binta Liebman Diallo, Henk Lutjeharms en de vzw « L’Ouvrant », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Elise Merckx, advocate bij de balie te Leuven (tussenkomende partijen); - de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Manuela von Kuegelgen, mr. Céline Moreau en mr. François Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frédéric De Muynck en mr. Camille Courtois, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB); - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Bij beschikking van 6 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.

  1. De verenigingen zonder winstoogmerk « Inter-Environnement Bruxelles » (hierna : IEB) en « Atelier de Recherche et d’Action Urbaines » (hierna : het ARAU) leiden hun belang om de vernietiging te vorderen van normen met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw af uit hun statutair doel. IEB verwijst daarnaast naar haar acties in het verleden in verband met de bescherming van een kwaliteitsvol leefmilieu. Het ARAU voert aan de opdracht te hebben « op te treden in problematieken inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening ». 3 A.1.
  2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betwist het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden niet. Ten aanzien van de tussenkomst A.
  3. De Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (hierna : de MIVB) meent dat zij doet blijken van het vereiste belang om tussen te komen ter ondersteuning van de grondwettigheid van de ordonnantie van 5 oktober 2023 « tot instelling van een specifieke behandelingsprocedure van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van het interieur van het Zuidpaleis en voor de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel werd afgeleverd » (hierna : de bestreden ordonnantie), daar zij als gewestelijke instelling van openbaar nut voor het openbaar vervoer de opdrachtgever is van het deel van de werken onder het Zuidpaleis en dat zij houder is van de stedenbouwkundige vergunning waarvan de wijziging kan worden aangevraagd met toepassing van de bestreden ordonnantie. Zij is dus rechtstreeks betrokken bij die ordonnantie. A.3.
  4. De partijen die tussenkomen ter ondersteuning van het beroep tot vernietiging doen gelden dat zij doen blijken van een belang in het licht van de hoge financieringskosten door middel van de belasting voor het project van de metrolijn « Noord-Albert », hun gebruik van het openbaar vervoer, hun hoedanigheid van omwonende en de gevolgen van de afbraakwerken aan de binnenzijde van het Zuidpaleis voor de leefomgeving en het gebruik van het openbaar domein in en om het Zuidpaleis, alsook in het licht van de bescherming van het onroerend erfgoed, het verlies van bedrijvigheid in het Zuidpaleis, met name de winkels, restaurants en sportclubs, de weerslag op hun eigen economische bedrijvigheid, de inperkingen van hun recht op inspraak, de rechtsonzekerheid en de ongelijke behandeling, in zoverre hun eventuele aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning worden behandeld volgens de procedure waarin het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna : het BWRO) voorziet, en niet volgens de procedure bepaald bij de bestreden ordonnantie, die enkel van toepassing is op een specifiek project waarvan de MIVB de opdrachtgever is. A.3.
  5. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB doen gelden dat de financieringskosten van het project, de weerslag op het gebruik van het openbaar vervoer en het openbaar domein, de gevolgen van de werken en het verlies van bedrijvigheid in en om het Zuidpaleis betrekking hebben op het metroproject « Noord-Albert » en op de uitvoeringswerken, en niet op de bestreden ordonnantie. Zij betogen dat het recht op inspraak in het besluitvormingsproces van de partijen die tussenkomen ter ondersteuning van het beroep tot vernietiging hetzelfde is als het recht dat bij het BWRO wordt gewaarborgd. Zij zijn van mening dat de weerslag van de bestreden ordonnantie op de rechtszekerheid en de ongelijke behandeling hypothetisch is. Volgens hen kunnen de partijen die tussenkomen ter ondersteuning van het beroep tot vernietiging, zich niet beroepen op een reëel belang om tussen te komen, terwijl zij niet aantonen dat zij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning hebben ingediend die is onderworpen aan een effectenstudie in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, noch dat zij zich daarop voorbereiden. In voorkomend geval kunnen zij hun belang doen gelden om de stedenbouwkundige vergunning welke die van 24 mei 2019 zou wijzigen, te betwisten, maar zij tonen niet aan wat hun belang is om de bestreden ordonnantie, waarvan de inhoud louter procedureel is, te betwisten. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.
  6. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op een hoog niveau van milieubescherming, met de beginselen van het milieurecht van de Europese Unie en met de regels betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. A.5.
  7. De verzoekende partijen voeren aan dat de aanneming van de bestreden ordonnantie had moeten worden voorafgegaan door een milieueffectbeoordeling, daar de bestreden ordonnantie een vergunning is met betrekking tot een project dat aan een milieueffectbeoordeling is onderworpen krachtens de richtlijn 2011/92/EU 4 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) » (hierna : de richtlijn 2011/92/EU). Zij brengen in herinnering dat artikel 1, lid 2, c), van de richtlijn 2011/92/EU de vergunning definieert als « het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren ». Een vergunning kan de vorm aannemen van een wetgevingshandeling. Hoewel het juist is dat de bestreden ordonnantie op zich niet volledig het recht toekent om het project uit te voeren, vormt zij de eerste fase van een stapsgewijze vergunningsprocedure. Een dergelijke procedure omvat een basisbesluit en een uitvoeringsbesluit dat niet mag afwijken van de in het kader van de principiële beslissing vastgelegde parameters. De milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd in het stadium van het basisbesluit (HvJ, 7 januari 2004, C-201/02, Wells, ECLI:ECLI:EU:C:2004:12; grote kamer, 29 juli 2019, C-411/17, Inter-Environnement Wallonie ASBL en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen vzw, ECLI:EU:C:2019:622). Volgens de verzoekende partijen blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat wetgevingsmaatregelen een vergunning voor een project kunnen vormen, zelfs indien die bepalingen louter procedureel van aard zijn (HvJ, C-411/17, voormeld). A.5.
  8. De verzoekende partijen doen gelden dat de doelstelling van de bestreden ordonnantie erin bestaat de vergunning voor de gedeeltelijke afbraak van het Zuidpaleis toe te staan in het kader van de bij de stedenbouwkundige vergunning van 24 mei 2019 vergunde aanleg van het metrostation « Toots Thielemans ». Bovendien werden de aard, de omvang en de kenmerken van het project waarop de bestreden ordonnantie van toepassing is – met name de mogelijke technische opties en de interessante erfgoedelementen – reeds in ogenschouw genomen, uitgewerkt en bekrachtigd door het Gewest. Het Gewest heeft de alternatieven voor het project reeds onderzocht en verworpen. De gemachtigde ambtenaar is ermee belast zich uit te spreken over de stedenbouwkundige vergunning, maar hij heeft een beperkte beoordelingsbevoegdheid : hij kan de gedeeltelijke afbraak van het Zuidpaleis aanvaarden of weigeren. Teneinde aan de afdeling wetgeving van de Raad van State aan te tonen dat de bestreden ordonnantie niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 « betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's » valt, heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevestigd dat de ordonnantie enkel van toepassing is op een welbepaald project en dat na afloop van de vergunningsprocedure zij geen enkele uitwerking meer zal hebben. A.6.
  9. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering erkent dat de funderingstechniek van de verbindingstunnel van het metrostation « Toots Thielemans » en de ontmanteling van de binnenzijde van het Zuidpaleis een « project » zijn. A.6.
  10. Zij is evenwel van mening dat de bestreden ordonnantie geen vergunning voor dat project is, aangezien, opdat zulks het geval zou zijn, vereist is dat « de opdrachtgever [door het besluit van de bevoegde instantie] het recht verkrijgt om het project uit te voeren ». De ordonnantie verleent echter niet het recht om het erin gedefinieerde project uit te voeren, maar beperkt zich ertoe een snellere behandelingsprocedure van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning te organiseren dan die waarin het BWRO voorziet. Alleen de stedenbouwkundige vergunning die zou kunnen worden afgegeven na afloop van die uitzonderlijke procedure, zou een vergunning in de zin van de richtlijn 2011/92/EU zijn. De ordonnantie maakt evenmin deel uit van een vergunningsprocedure die in verschillende fasen verloopt. In dat geval vormt het basisbesluit op zich een vergunning waardoor de opdrachtgever rechten verkrijgt. Het verkrijgen van dat besluit vormt een absoluut noodzakelijke fase voor de verwezenlijking van het project (HvJ, 24 februari 2022, C-463/20, Namur-Est Environnement ASBL, ECLI:EU:C:2022:121). Dat is niet het geval voor de bestreden ordonnantie, aangezien daardoor op zich geen rechten worden verkregen en aangezien zonder die ordonnantie de vergunningsaanvraag zou worden onderzocht overeenkomstig met het BWRO. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betoogt dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, het Hof van Justitie niet heeft geoordeeld dat de louter procedurele wetgevingsmaatregelen vergunningen voor een project konden zijn (HvJ, C-411/17, voormeld). De in het voormelde arrest in het geding zijnde wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie » hield op zich de verlenging van de periode voor exploitatie van de kerncentrales in. Bijgevolg ging het om een materieelrechtelijke en niet procedurele maatregel. Daarenboven heeft het Hof van Justitie beklemtoond dat de door de wetgever aangenomen maatregelen de wezenlijke kenmerken van het project definieerden en dat zij niet meer in het geding dienden te worden gebracht. Het project waarop de bestreden ordonnantie betrekking heeft, kan daarentegen worden gewijzigd of in het geding worden gebracht nadat de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning samen met de effectenstudie is ingediend. De aanvrager kan het 5 project nadien nog steeds wijzigen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, kan de gemachtigde ambtenaar bovendien voorwaarden opleggen waarvoor een wijziging van het project is vereist op grond van artikel 191 van het BWRO, waarvan in artikel 25 van de bestreden ordonnantie uitdrukkelijk wordt vermeld dat het van toepassing is. A.6.
  11. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar een arrest van de Raad van State waarin die laatste heeft geoordeeld dat het feit dat de aanleg van een nieuwe tramlijn in verschillende begeleidende documenten wordt vermeld, niet inhield « dat het openbaar onderzoek met betrekking tot de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning die is bedoeld om dat project concreet uit te voeren, geen nuttig effect zou hebben. De bepalingen van het BWRO met betrekking tot het effectenrapport impliceren dat het betrekking heeft op een project dat voldoende uitgewerkt is om een vergunning of certificaat aan te vragen. Een dermate belangrijke beslissing die erin bestaat een nieuwe tramlijn aan te leggen, vloeit noodzakelijkerwijs voort uit een complex proces waarin de verantwoordelijke overheden zich moeten afvragen of een dergelijke vervoerswijze, de capaciteit, de kenmerken en de locatie ervan noodzakelijk zijn. De principiële beslissingen die de keuze voor die infrastructuur hebben bepaald, moesten noodzakelijkerwijs worden genomen vooraleer het denkbaar was een project uit te werken dat kon worden ingediend met het oog op het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning. Die in de voormelde documenten vervatte principiële beslissingen zijn slechts beleidslijnen zonder rechtsgevolgen, en geen ‘ vergunningen’ in de zin van de artikelen 1, 2 en 8 van de richtlijn 2011/92/EU » (RvSt, 11 juli 2023, nr. 257.093, ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.093). Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering kan die redenering te dezen worden overgenomen. Zij betoogt eveneens dat de situatie analoog is met die van elke initiatiefnemer van een project dat in het Waalse Gewest aan een effectenstudie is onderworpen : moeten beschikken over een voldoende gedefinieerd project om het eerst aan de voorafgaande informatievergadering voor te leggen en vervolgens te onderwerpen aan de effectenstudie die moet worden uitgevoerd voordat het aanvraagdossier van de stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend. De eerste beoordelingen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest beperken de autonomie van de auteur van de effectenstudie, van het begeleidingscomité, of van de gemachtigde ambtenaar niet. In de bestreden ordonnantie wordt het project gedefinieerd teneinde het toepassingsgebied ervan af te bakenen en niet om die autonomie te beperken. A.6.
  12. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt eveneens op dat de gebruikers van het Zuidpaleis moeten verhuizen ongeacht de alternatieve techniek die in aanmerking wordt genomen voor de aanleg van het metrostation. Die verhuizing heeft geen weerslag op de toekenning van de vergunning. A.
  13. De MIVB verwijst naar de argumenten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. A.8.
  14. De verzoekende partijen antwoorden dat het in het kader van een stapsgewijze vergunningsprocedure niet vereist is dat de beslissingen die bij elk van die stappen worden genomen, op zich worden beschouwd als vergunningen in de zin van de richtlijn 2011/92/EU (onder verwijzing naar HvJ, C-463/20, voormeld). De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden ordonnantie absoluut noodzakelijk is voor de uitvoering van het project, hetgeen volgens hen wordt bevestigd door de parlementaire voorbereiding van die ordonnantie. Indien zulks niet het geval zou zijn, zou de bestreden ordonnantie geen enkel nut hebben, daar zij in geen enkele andere omstandigheid kan worden toegepast. A.8.
  15. Volgens hen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie ook dat de behandelingsprocedure van de aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning niet ertoe kan leiden dat het project fundamenteel in het geding wordt gebracht. Op het ogenblik dat de bestreden ordonnantie werd aangenomen, was het project reeds voldoende uitgewerkt om te worden onderworpen aan een effectenbeoordeling. Die beoordeling werd niet verricht, terwijl uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat zij moet worden uitgevoerd zodra het mogelijk is om de milieueffecten van het project te bepalen en beoordelen (HvJ, C-201/02, voormeld; C-411/17, voormeld). De verzoekende partijen doen gelden dat de in aanmerking genomen opties noch loutere principiële beslissingen, noch beleidslijnen zijn, maar de precieze beschrijving van het project waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, zodat de redenering uit het voormelde arrest van de Raad van 6 State nr. 257.093 niet kan worden overgenomen. Bepaalde nadere regels van het project kunnen weliswaar in het geding worden gebracht tijdens de behandeling van de vergunningsaanvraag, maar dat kan het geval zijn voor elke vergunningsaanvraag. A.
  16. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat de MIVB niet gebonden is aan het toepassingsgebied van de ordonnantie om het voorwerp van haar vergunningsaanvraag te definiëren. Zij kan een aanvraag indienen met toepassing van de in het BWRO gedefinieerde procedure. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat het feit dat bepaalde kenmerken van het project reeds bekend waren op het ogenblik dat de bestreden ordonnantie werd aangenomen, geen probleem vormt. Om een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in te dienen, is het noodzakelijk dat het project vooraf wordt gedefinieerd. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de effecten van het project. Wat betreft het tweede middel A.
  17. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op een hoog niveau van milieubescherming, met de beginselen van het milieurecht van de Europese Unie en met de regels betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden ordonnantie een verschil in behandeling tot stand brengt tussen de vergunningsaanvrager die gebruik kan maken van de bij de ordonnantie bepaalde procedure en de personen die zijn onderworpen aan de gemeenrechtelijke procedure waarin het BWRO voorziet. Volgens hen beperkt de bestreden ordonnantie eveneens de waarborgen die gepaard gaan met de behandelingsprocedure van de projecten die aan een effectenbeoordeling zijn onderworpen, hetgeen een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu vormt. A.
  18. In een eerste onderdeel betogen zij dat noch het verschil in behandeling, noch de aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau redelijk verantwoord is. De verzoekende partijen herinneren eraan dat ordonnantiegever de organisatie van een ad-hocprocedure voor de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning heeft verantwoord door economische, temporele en budgettaire overwegingen. Zij doen gelden dat de parlementaire voorbereiding geen enkel document bevat op basis waarvan kan worden verantwoord waarom de uitvoering van de initiële, eventueel gewijzigde techniek te lang zou duren en te veel zou kosten. Volgens hen is de memorie van toelichting tegenstrijdig, daar zij laat veronderstellen dat de initiële technieken konden worden uitgevoerd door middel van een aantal aanpassingen en dat enkel het verzet van de ondernemingen die belast zijn met de uitvoering van de werken, verzet waarop de overheid is gestuit, de keuze heeft verantwoord om niet te opteren voor de initiële gewijzigde techniek. Zij stellen dat een alternatief dat minder afbreuk doet aan de grondrechten, waarvoor dus geen afwijkend en uitzonderlijk juridisch kader hoeft te worden gecreëerd, zou kunnen worden verwezenlijkt. A.12.
  19. In een tweede onderdeel trachten de verzoekende partijen aan te tonen dat er een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu is. De verzoekende partijen voeren aan dat ten opzichte van het BWRO de bij de ordonnantie ingevoerde regeling in samenhang gelezen met de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn 2011/92/EU, een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau met zich meebrengt in zoverre de besturen en instanties die belast zijn met de behandeling van de aanvraag, niet over de noodzakelijke termijn beschikken om de volledigheid en de kwaliteit van de effectenbeoordeling van het project te onderzoeken en de effecten ervan op algemene wijze in ogenschouw te nemen. A.12.
  20. Ten eerste, hoewel het juist is dat de termijn waarbinnen het begeleidingscomité zijn advies moet uitbrengen, identiek is aan die waarin het BWRO voorziet, moet dat comité volgens de verzoekende partijen op gemotiveerde wijze debatteren en beraadslagen tijdens de vergadering met betrekking tot de voorbereidende nota die pas plaatsvindt twee dagen nadat dat comité de pertinente informatie heeft ontvangen. De verzoekende partijen betogen dat een dergelijke termijn, gelet op de omvang en de technische kenmerken van het project, niet kan 7 waarborgen dat het begeleidingscomité het dossier met de nodige ernst kan onderzoeken en zich kan voegen naar de eisen van de richtlijn 2011/92/EU. Zij menen dat de voordelen die de beperking van de voormelde termijn oplevert niet opwegen tegen de nadelen, aangezien het verschil slechts enkele dagen bedraagt. A.12.
  21. Ten tweede zijn de verzoekende partijen eveneens van mening dat het feit dat de bestreden ordonnantie, in tegenstelling tot het BWRO, de aan de instanties toegekende termijn om hun advies uit te brengen, doet ingaan op de datum van kennisgeving van de adviesaanvraag, wat overeenstemt met de datum van verzending in plaats van met die van ontvangst, een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu vormt. De verzoekende partijen refereren aan de door de afdeling wetgeving van de Raad van State geuite kritiek in haar advies met betrekking tot het voorontwerp van ordonnantie dat aan de oorsprong ligt van de bestreden ordonnantie. De termijn tussen de datum van verzending van een adviesaanvraag en de ontvangst ervan is afhankelijk van een reeks externe factoren in verband met de verzendingswijze en de mogelijke omstandigheden daarvan. Er is geen waarborg dat de instanties de adviesaanvraag daadwerkelijk ontvangen vóór de sluiting van het openbaar onderzoek, noch dat de termijn die hun nog wordt toegekend na de ontvangst van de adviesaanvraag toereikend is om de aanvraag zorgvuldig te kunnen onderzoeken. A.12.
  22. Ten derde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden ordonnantie, door de geraadpleegde besturen en instanties te verbieden om bijkomende studies aan te vragen, terwijl een dergelijk verbod niet is bepaald bij het BWRO, dat zulks uitdrukkelijk mogelijk maakt voor de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, alsook voor Brussel Mobiliteit, een aanzienlijke vermindering van het uit de bestaande wetgeving voortvloeiende beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu met zich meebrengt. Zij menen dat de voormelde twee instanties rechtstreeks te maken hebben met het project aangezien dat betrekking heeft op de aanleg van een metrostation en dat het Zuidpaleis vanuit erfgoedkundig standpunt een duidelijk belang heeft. Die instanties zouden ertoe kunnen worden gebracht te beraadslagen zonder dat zij over volledige en pertinente informatie over het project en de effecten ervan beschikken. Bovendien reduceert die maatregel de behandelingstermijn van de vergunningsaanvraag potentieel met zestig dagen. De maatregel is onevenredig, aangezien er had kunnen worden voorzien in de mogelijkheid om bijkomende studies aan te vragen door bijvoorbeeld de termijnen voor het uitvoeren van die studies te verkorten. De winst van 60 dagen is marginaal ten aanzien van de termijnen voor de volledige uitvoering van het project. A.
  23. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zet haar argumentatie uiteen en beoogt daarbij in eerste instantie de naleving van de standstill-verplichting en in tweede instantie de inachtneming van het beginsel van gelijkheid. De MIVB, die een argumentatie uiteenzet die grotendeels vergelijkbaar is vanuit substantieel oogpunt, maakt dan weer een onderscheid tussen de overwegingen die betrekking hebben op de aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau en die met betrekking tot de verantwoording van die vermindering, alsook van het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling. A.14.
  24. Wat de aangevoerde aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau betreft, doen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB op algemeen vlak gelden dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht de bestreden ordonnantie een vermindering van het beschermingsniveau zou vormen, noch a fortiori een aanzienlijke vermindering ten opzichte van de procedure waarin het BWRO voorziet. Volgens hen stellen de verzoekende partijen enkel vast dat bepaalde termijnen waarvan er geen enkele betrekking heeft op de inspraak van het publiek, noch rechtstreeks op het publiek, korter worden. Zij tonen niet aan dat die termijnen ontoereikend zouden zijn, noch dat zij gevolgen zouden kunnen hebben voor het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB stellen dat de bestreden ordonnantie geen enkele stap van de gemeenrechtelijke procedure schrapt. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt op dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de ordonnantiegever uitdrukkelijk is nagegaan of de bestreden maatregelen een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu teweegbrachten. De wijzigingen aan zijn project waartoe de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning kan besluiten naar aanleiding van de aanbevelingen uit de effectenstudie, kunnen in die uitzonderlijke procedure worden opgenomen in het later in te dienen dossier van de stedenbouwkundigevergunningsaanvraag. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betoogt dat geen van de verkorte termijnen waarin de bestreden ordonnantie voorziet, in strijd is met de richtlijn 2011/92/EU. Enkel de betrokken besturen en instanties worden uitzonderlijk ertoe verplicht één enkel dossier sneller te behandelen dan gewoonlijk, wat geen bovenmatige werklast inhoudt. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB voeren aan dat de verzoekende partijen er niet in slagen aan te tonen dat de overheden geen volledige informatie zouden hebben, noch dat zij geen rekening zouden houden 8 met het resultaat van de raadplegingen en ingewonnen informatie, en evenmin dat de beslissing met betrekking tot de vergunningsaanvraag niet toereikend zou kunnen worden gemotiveerd. De MIVB stelt dat de ordonnantiegever rekening heeft gehouden met het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat hij het voorontwerp van ordonnantie op een aantal punten heeft aangepast. Aldus werd de termijn van acht dagen voor een beslissing van het begeleidingscomité verlengd tot vijftien dagen zodat die identiek is aan de in artikel 175/5, § 1, tweede lid, van het BWRO bepaalde termijn. Evenzo werden de termijnen die van toepassing zijn op de procedure voor de overlegcommissie verlengd en zijn zij geïnspireerd op de termijnen waarin het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 juni 1992 « betreffende de overlegcommissies » voorziet. Ten slotte werd opnieuw voorzien in het optreden van het stedenbouwkundig college. A.14.
  25. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB doen gelden dat de leden van het begeleidingscomité vanaf de datum van verzending van hun oproeping voor de eerste vergadering over een termijn van vier dagen beschikken om de voorbereidende nota voor de effectenstudie, en niet het volledige dossier, te onderzoeken. De door de verzoekende partijen aangevoerde termijn van twee dagen heeft betrekking op de daaropvolgende vergaderingen. Daar het slechts om één enkel dossier gaat, het een aanvraag tot wijziging van een stedenbouwkundige vergunning betreft waarbij voorafgaandelijk aan de afgifte ervan reeds een effectenstudie werd georganiseerd en het begeleidingscomité is samengesteld uit deskundigen, wordt niet aangetoond dat die termijn niet redelijk zou zijn. Daarenboven dient het begeleidingscomité geen beslissing te nemen op de dag van zijn eerste vergadering. De bestreden ordonnantie stelt een termijn van vijftien dagen vast vanaf de datum waarop het bestuur aan het begeleidingscomité het van de aanvrager ontvangen dossier verzendt. Het aanvangspunt van die termijn is eveneens gelijk aan de datum waarop de oproepingen van de leden van het comité voor de eerste vergadering worden verzonden. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betoogt dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht de leden van het begeleidingscomité niet in staat zouden zijn om zich met kennis van zaken uit te spreken over de alternatieven of varianten die moeten worden beoordeeld in de effectenstudie nadat zij vijftien dagen de tijd hadden om de ontvangen documenten te onderzoeken. A.14.
  26. Wat betreft de datum waarop de in de bestreden ordonnantie bedoelde termijnen ingaan, herinneren de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB eraan dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 « met betrekking tot de verzending van documenten tussen overheden vereist voor de behandeling van vergunnings- en attestaanvragen geregeld door het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening » de verplichting oplegt om, wanneer de aanvrager een elektronische versie van zijn dossier heeft ingediend, zoals te dezen het geval is, de communicatie aan de besturen of de instanties op elektronische wijze te laten plaatsvinden. De verzending en de ontvangst van de aanvraag gebeuren dus gelijktijdig. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat die omstandigheid werd vermeld in de parlementaire voorbereiding. Bovendien bepaalt artikel 3, tweede lid, van de bestreden ordonnantie dat, wanneer er wordt voorzien in de verzending van een aangetekende brief, de termijn begint te lopen op de dag na de verzending van de brief naar de woonplaats van de bestemmeling. De MIVB stelt dat de door de verzoekende partijen geformuleerde overwegingen met betrekking tot de externe moeilijkheden in verband met de verzendingen per post louter hypothetisch zijn. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt op dat de geraadpleegde instanties het dossier en de adviesaanvraag ontvangen op het ogenblik dat het ontvangstbewijs van het volledige dossier wordt verzonden, zoals dat het geval is bij de gemeenrechtelijke procedure. In het kader van de bestreden ordonnantie daarentegen hebben zij tot de sluiting van het openbaar onderzoek de tijd om hun advies uit te brengen, waardoor ze tussen 30 en 38 dagen hebben, daar het college van burgemeester en schepenen 8 dagen heeft om het openbaar onderzoek, dat na 30 dagen wordt afgesloten, te organiseren. Het BWRO voorziet dan weer in een termijn van 30 dagen. A.14.
  27. Wat het verbod voor onder meer de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, alsook voor Brussel Mobiliteit betreft om bijkomende studies aan te vragen, herinneren de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB eraan dat met toepassing van het BWRO geen van die twee instanties zou moeten worden geraadpleegd over het in de bestreden ordonnantie omschreven project. Enkel de overlegcommissie had het niet-eensluidend advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen kunnen aanvragen. De bestreden ordonnantie legt daarentegen de verplichting op die beide adviezen te vragen. Bijgevolg gaat het om een versterking, en niet om een vermindering van de waarborgen. 9 A.14.
  28. Wat betreft de door de bestreden ordonnantie mogelijk gemaakte tijdwinst, doen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB gelden dat de maximumtermijn voor het uitvoeren van de effectenstudie in het kader van de ingevoerde procedure is vastgesteld op 120 dagen, terwijl het BWRO in een termijn van zes maanden voorziet. De tijdwinst vloeit evenwel in essentie voort uit het feit dat de bestreden ordonnantie bepaalt dat de effectenstudie moet worden verricht voordat het vergunningsaanvraagdossier wordt ingediend, terwijl de in het BWRO bepaalde termijn van zes maanden begint te lopen na de indiening van de aanvraag. In het kader van de bestreden ordonnantie bedraagt de beslissingstermijn aldus 170 dagen, terwijl die 450 dagen bedraagt in het kader van het BWRO. A.15.
  29. Wat de aangevoerde discriminatie betreft, betoogt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in hoofdorde dat de verzoekende partijen noch de categorieën identificeren die verschillend zouden worden behandeld, noch de zogenaamd vergelijkbare situaties waarin die categorieën zich zouden bevinden. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betoogt dat er geen situatie is die vergelijkbaar is met het voorliggende geval, aangezien het project beantwoordt aan de vereisten van algemeen belang en het wordt gedragen door een Brusselse instelling van openbaar nut die het enige Brusselse metro- en premetronet exploiteert, waarvan een van de werken voor de aanleg van de metrolijn « Noord-Albert » die zich in een niet-betwiste technische impasse bevindt daaruit moet worden gehaald, teneinde zonder andere vertragingen te voldoen aan de nagestreefde gewestelijke en Europese doelstellingen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering meent dat het een uniek geval in de geschiedenis van het Gewest is en dat burgers die een vergunning aanvragen, niet voor dergelijke uitdagingen staan. A.15.
  30. In ondergeschikte orde doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de aanneming van de bestreden ordonnantie niet wordt verantwoord door de door de verzoekende partijen aangevoerde technische en budgettaire motieven. Het gaat enkel om contextuele elementen die de noodzaak verantwoorden om gebruik te maken van een vergunning tot wijziging van de in 2019 afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Volgens haar bestaat het enige doel van de ordonnantie erin om de tijd die nodig is om te beslissen over het feit of het al dan niet opportuun is die vergunning uit 2019 te wijzigen, zoveel als mogelijk te beperken teneinde zo snel mogelijk te bepalen hoe uit de huidige situatie, waardoor het geplande tijdschema voor de ingebruikname van de nieuwe metrolijn sinds juni 2021 vertraging oploopt, kan worden geraakt. Het komt aan de overheid die bevoegd is om zich uit te spreken over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning toe om de optie om uit die impasse te geraken, al dan niet te valideren. Het is dus de eventuele wijzigingsvergunning die in voorkomend geval moet worden verantwoord ten aanzien van de technische en budgettaire beperkingen. Tot slot stelt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat, aangezien de bestreden ordonnantie beperkt is tot het invoeren van een administratieve procedure, zij geen alternatieven voor de bouwtechniek diende te bepalen. A.15.
  31. Wat de verantwoording van de bestreden ordonnantie betreft, stelt de MIVB dat de aanneming ervan het resultaat is van een samenloop van milieugebonden, technische, tijdsgebonden en economische factoren in verband met de impasse waarin de werken aan het metrostation « Toots Thielemans » zich bevinden. Zij betoogt dat het bestaan van die factoren niet kan worden betwist. Het project voor het metrostation berust op motieven van algemeen belang, zowel in termen van mobiliteit als van inrichting van de wijk en welzijn van de bewoners. De werken hebben te kampen gehad met grote problemen die aanzienlijke vertragingen hebben teweeggebracht. Volgens de MIVB tonen de verzoekende partijen niet het tegendeel aan. Voortgaan met de oorspronkelijk geplande funderingstechniek zou onvermijdelijk hebben geleid tot een verlenging van de duur van de werken, verlenging die onverenigbaar is met de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, namelijk de metrowerken onder het Zuidpaleis zo snel mogelijk afronden in het kader van een begroting die onder controle is en met de noodzakelijke waarborgen in termen van stabiliteit en waterdichtheid van het bouwwerk. Volgens de MIVB is het om die redenen dat de ordonnantiegever het redelijk en evenredig achtte om op te treden teneinde een versnelde behandelingsprocedure van de vergunningsaanvraag in te voeren. Dat optreden is niet discriminerend en vormt geen vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu, laat staan een aanzienlijke vermindering. De situatie die zich wegens onvoorziene omstandigheden heeft voorgedaan bij de werken aan het metrostation « Toots Thielemans », verschilt objectief van de situatie van andere werken, ook al kunnen zich daar onvoorziene gebeurtenissen voordoen. Bovendien is de maatregel 10 pertinent wegens die uitdagingen, aangezien de procedure daardoor, ongeacht de afloop ervan, binnen kortere termijnen dan die welke krachtens het BWRO van toepassing zouden zijn, tot een einde kan worden gebracht. A.
  32. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden ordonnantie een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de vergunningsaanvraag die volgens de bij die ordonnantie bepaalde procedure wordt behandeld en alle andere aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning die door natuurlijke personen of door rechtspersonen, ongeacht of het privaatrechtelijke of publiekrechtelijke zijn, worden ingediend en die overeenkomstig het BWRO worden behandeld. Dat verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord, noch in het licht van de in de artikelen 2 en 3 van het BWRO vervatte doelstellingen van het beleid inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening, noch in het licht van die van de beleidslijnen betreffende de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die worden vermeld in de preambule van de richtlijn 2011/92/EU. Andere particuliere of openbare projecten zouden eveneens kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van een groot openbaar belang dat vergelijkbaar is met het belang dat wordt nagestreefd met de aanleg van een nieuwe metrolijn. De richtlijn 2011/92/EU en het BWRO voorzien niet in de mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen ervan wanneer het project betrekking heeft op de aanleg van een metrolijn. Het BWRO voorziet enkel in specifieke afwijkingen voor de uitbreiding of de bouw van schoolvoorzieningen en voor de constructie van sociale woningen. Die afwijkingen worden verantwoord in de parlementaire voorbereiding van het BWRO. De verzoekende partijen voeren aan dat, in tegenstelling tot wat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beweert, de bestreden ordonnantie is aangenomen om het hoofd te bieden aan de ondervonden technische en financiële moeilijkheden in het kader van de werken aan het metrostation. De doelstelling om de procedure voor de afgifte van een wijzigingsvergunning te versnellen, vloeit voort uit die moeilijkheden. Volgens de verzoekende partijen blijken die vaststellingen duidelijk uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie en de door de MIVB ingediende memorie. A.17.
  33. Wat het bestaan van een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu betreft, betogen de verzoekende partijen dat het begeleidingscomité geen vijftien dagen heeft om te beraadslagen, daar de leden ervan over maximaal vier dagen beschikken vóór de vergadering met betrekking tot de voorbereidende nota voor de effectenstudie – op basis waarvan het comité het werk van de studiegelastigde in gang zet of twee dagen vóór de andere vergaderingen – waardoor de controle op het werk van de studiegelastigde kan worden gewaarborgd. Volgens de verzoekende partijen is de termijn na de vergadering nutteloos aangezien na die vergadering geen enkele andere wordt gepland vóór het einde van de termijn van vijftien dagen. Zij menen dat uit artikel 5 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 « met betrekking tot het begeleidingscomité » (hierna : het besluit van 25 april 2019) voortvloeit dat het begeleidingscomité slechts definitief kan beraadslagen tijdens de enige geplande vergadering twee of vier dagen na de ontvangst van de pertinente documenten. Die termijnen zijn niet bestaanbaar met het zorgvuldige onderzoek van een bijzonder complexe technische kwestie waarvoor grondige ingenieursvaardigheden zijn vereist, vaardigheden waarover de leden van het begeleidingscomité niet beschikken. De verzoekende partijen voeren aan dat het voor de leden van het comité onmogelijk is om zich binnen dergelijke termijnen te laten bijstaan door een deskundige. A.17.
  34. De verzoekende partijen doen eveneens gelden dat de adviezen van Brussel Mobiliteit en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vereist zouden zijn geweest in het kader van de gewone procedure, zodat, in tegenstelling tot hetgeen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de MIVB beweren, de bestreden ordonnantie op dat vlak geen extra waarborgen biedt. Uit de artikelen 177, § 2, 3°, en 189/1, van het BWRO blijkt dat Brussel Mobiliteit een advies moet geven over de aanvragen die betrekking hebben op de inrichting van openbare ruimten. Welnu, artikel 2, § 1, van de bestreden ordonnantie bevestigt dat het betrokken project onder meer de aanleg van een bovengrondse « openbare ruimte » betreft. Aangezien het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vereist was in het kader van de procedure die tot de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning op 24 mei 2019 heeft geleid, zou bovendien voor de procedure van wijzigingsvergunning van die laatste eveneens het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nodig zijn geweest. A.17.
  35. Wat de berekening van de termijnen betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat de verzending van e-mails, net als de verzending van poststukken, onderhevig is aan toevalligheden die kunnen leiden tot een soms aanzienlijk verschil in tijd tussen het ogenblik van verzending en dat van de daadwerkelijke ontvangst. Zij 11 merken op dat artikel 173 van het BWRO bepaalt dat de ontvangst van de adviesaanvraag de adviestermijn doet ingaan, ongeacht de wijze van verzending. A.17.
  36. Ten slotte doen de verzoekende partijen gelden dat uit de uitleg die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in haar memorie geeft, blijkt dat de door de ordonnantie opgeleverde tijdwinst hoofdzakelijk voortvloeit uit de verkorting van de termijn voor het uitvoeren van de effectenstudie en uit het feit dat die studie vóór de indiening van de aanvraag wordt verricht. Zij leiden daaruit af dat het niet te verantwoorden valt dat de aan de verschillende bevoegde instanties en overheden toegekende termijnen met enkele dagen worden verkort. A.18.
  37. Wat de inachtneming van de standstill-verplichting betreft, repliceert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat noch de bestreden ordonnantie, noch het BWRO, noch het besluit van 25 april 2019 het begeleidingscomité ertoe verplichten om te beraadslagen op de dag zelf waarop het vergadert over de documenten die het heeft ontvangen. Het kan beslissen om zijn werkzaamheden tijdens een latere vergadering voort te zetten en te beraadslagen. Wat de eerste vergadering van het begeleidingscomité betreft, bepaalt artikel 9, § 1, van de bestreden ordonnantie dat het begeleidingscomité kennis moet geven van zijn beslissing binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de datum waarop het inzage krijgt in het dossier. Het comité is dus niet verplicht om tijdens de eerste vergadering zijn standpunt te bepalen. Artikel 13, § 1, van de ordonnantie legt geen termijnen op voor het toezicht op het werk van de studiegelastigde door het begeleidingscomité. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt ook op dat artikel 6, § 2, van de bestreden ordonnantie de aanvrager van de vergunning ertoe verplicht om de geografische gebieden en de alternatieve voorstellen die in het bestek van de effectenstudie moeten worden bestudeerd, uiteen te zetten. In het door het BWRO ingevoerde systeem staat het aan het begeleidingscomité om die punten te onderzoeken zonder dat het verduidelijkingen van de aanvrager krijgt. De ordonnantie biedt dus een hoger beschermingsniveau. A.18.
  38. Wat het advies van Brussel Mobiliteit betreft, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de aanleg van een bovengrondse « openbare ruimte », waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, slaat op de geplande aanleg tussen de vier gevels van het Zuidpaleis zodra het volledige interieur van het gebouw is afgebroken. Die ruimte zal toegankelijk zijn voor het publiek, maar maakt geen deel uit van het openbaar domein. De werken betreffen dus noch het wegennet, noch de uitrusting of inrichting van de weg. Wat het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen betreft, dat advies werd gevraagd in het kader van de procedure die heeft geleid tot de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning op 24 mei 2019, wegens het feit dat de handelingen en werken waarop de aanvraag betrekking heeft, het uitzicht op of vanuit de beschermde goederen wijzigden. Daar het project dat het toepassingsgebied van de ordonnantie bepaalt, betrekking heeft op de ondergrond en de binnenzijde van het Zuidpaleis, heeft het niet tot gevolg dat het uitzicht op of vanaf die beschermde goederen wordt gewijzigd. Het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zou dus niet vereist zijn geweest in het kader van de gemeenrechtelijke procedure. A.18.
  39. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de verzoekende partijen niet aangeven om welke precieze redenen eraan zou moeten worden getwijfeld dat de geraadpleegde instanties de e-mail ontvangen op de dag waarop die is verzonden, noch in welk opzicht de verzending van een e-mail minder waarborgen zou bieden dan de verzending van een aangetekend schrijven. A.18.
  40. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat, alles bij elkaar genomen, de enkele gewonnen dagen in de verschillende stadia van de procedure het mogelijk maken om de behandelingsduur daadwerkelijk en evenredig te verkorten. A.
  41. De MIVB zet een vergelijkbare argumentatie uiteen wat de ontstentenis van een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu betreft. A.20.
  42. Wat de ontstentenis van discriminatie betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in hoofdorde aan dat de categorieën van personen waarop het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling betrekking heeft, niet vergelijkbaar zijn. Zij stelt dat de werken aan de metrolijn niet kunnen worden vergeleken met andere stedenbouwkundige vergunningsaanvragen die worden ingediend door particulieren voor een project dat betrekking heeft op een privéterrein. Die aanvragers streven immers doorgaans geen doelstelling van algemeen belang na en, zelfs indien dat wel het geval is, kunnen de gevolgen van het stilleggen van dergelijke werken niet redelijkerwijs worden vergeleken met die van de stopzetting van de werken met betrekking tot het project voor het metrostation « Toots Thielemans », aangezien dat laatste een grote impact heeft op de lokale openbare ruimte en de mobiliteit in verschillende wijken. De afronding van het project raakt niet een beperkt aantal personen, maar het gehele Gewest. Om dezelfde reden zijn de metrowerken niet vergelijkbaar met de werken die betrekking hebben op schoolvoorzieningen of sociale woningen. 12 A.20.
  43. In ondergeschikte orde voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de verkorting van bepaalde aan de besturen opgelegde termijnen, evenredig is met het doel om de behandelingsprocedure van de vergunning met betrekking tot het project voor de bouw van het metrostation « Toots Thielemans » te versnellen. Enerzijds, worden de termijnen slechts met een paar dagen verkort. Anderzijds, bevat de bestreden ordonnantie extra vereisten, namelijk de organisatie van een informatievergadering voor het publiek, de verplichting om aan het begeleidingscomité van de effectenstudie voorstellen met betrekking tot geografische gebieden en te bestuderen alternatieven voor te leggen en de verplichting om Brussel Mobiliteit en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen om advies te verzoeken. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert eraan dat de bestreden ordonnantie kan afwijken van het BWRO, dat eveneens een ordonnantie is. De bestreden ordonnantie wijkt daarentegen niet af van de richtlijn 2011/92/EU. Tot slot merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de verzoekende partijen niet aangeven welke alternatieven de ordonnantiegever had kunnen toepassen. Hoe dan ook, als er dergelijke alternatieven voorhanden zijn, worden ze bestudeerd in de fase van de behandeling van de aanvraag tot wijzigingsvergunning. A.
  44. Wat de verantwoording van de aangevoerde aanzienlijke vermindering en het verschil in behandeling betreft, betoogt de MIVB dat haar proceduregeschriften niet strijdig, maar complementair zijn met die van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. De MIVB meent dat de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 van het BWRO bedoelde doelstellingen van algemeen belang niet de verplichting oplegt om alle aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning te behandelen in overeenstemming met de gemeenrechtelijke procedure. De bestreden ordonnantie werd aangenomen opdat die doelstellingen, alsook de in de gemeenschappelijke algemene beleidsverklaring van de Brusselse Regering gedefinieerde doelstellingen worden verwezenlijkt. De stopzetting van de werken doet immers een situatie ontstaan die onbestaanbaar is met de behoeften van de gemeenschap op sociaal, economisch, milieu- en mobiliteitsvlak, en in het bijzonder die van de wijk. Het behoud van die situatie zou in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening. De MIVB doet gelden dat het BWRO niet verbiedt dat, teneinde te voldoen aan de erin vervatte doelstellingen en aan de doelstellingen van algemeen belang die op gewestniveau worden nagestreefd, bepaalde procedurele afwijkingen door wetgeving worden ingevoerd. De MIVB betoogt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, de afwijkende regeling van de bestreden ordonnantie even verantwoord is als die welke wordt ingevoerd voor de bouw van schoolvoorzieningen en sociale woningen. Volgens haar tonen de verzoekende partijen niet aan dat de motieven van de ordonnantie voor kritiek vatbaar zouden zijn. De MIVB merkt op dat de preambule van de richtlijn 2011/92/EU vermeldt dat « het [...] in uitzonderlijke gevallen passend [kan] blijken voor een specifiek project vrijstelling te verlenen van de in deze richtlijn voorgeschreven beoordelingsprocedures ». Zij leidt daaruit af dat de Europese wetgever a fortiori vanuit een vergelijkbare optiek een ad-hocprocedure zou aanvaarden die ertoe strekt bepaalde termijnen tijdens de behandelingsprocedure te verkorten. Zij herinnert eraan dat de bij de bestreden ordonnantie bepaalde procedure nog steeds de verplichting oplegt om een effectenstudie uit te voeren en dat zij de termijnen die op derden van toepassing zijn in de gemeenrechtelijke procedure voor de speciale maatregelen van openbaarmaking, niet wijzigt. Tot slot meent zij dat het feit dat voor de initiële stedenbouwkundige vergunning van 24 mei 2019 geen afwijkende regeling gold, niet impliceert dat het project waarop de bestreden ordonnantie betrekking heeft, onder het gemeen recht zou moeten vallen. Voor de voormelde vergunning was geen afwijkende regeling van toepassing omdat de omstandigheden die gepaard gingen met de behandeling en de afgifte ervan, aanvankelijk niet vergelijkbaar waren met de situatie van de impasse waarin de werken zich momenteel bevinden. Toen was er dus geen bijzondere reden om voor de vergunning een behandelingsprocedure in te voeren die afwijkt van het gemeen recht. 13 -B- Ten aanzien van de bestreden ordonnantie en de context ervan B.1.
  45. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 oktober 2023 « tot instelling van een specifieke behandelingsprocedure van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van het interieur van het Zuidpaleis en voor de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel werd afgeleverd » (hierna : de bestreden ordonnantie). De bestreden ordonnantie organiseert een procedure die afwijkt van die welke door het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna : het BWRO) wordt ingevoerd, teneinde de behandeling van een eventuele aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot een bepaald project, namelijk de ontmanteling van de binnenzijde van het Zuidpaleis en de aanleg van een « bovengrondse openbare ruimte », alsook de eventuele afgifte van die vergunning mogelijk te maken binnen een kortere termijn dan die waarin het BWRO voorziet. B.1.
  46. Het toepassingsgebied van de bestreden ordonnantie vertoont de bijzonderheid dat het tot een specifiek project is beperkt, namelijk de volledige afbraak van de binnenzijde van het Zuidpaleis, met uitzondering van de gevels, die gepaard gaat met de aanleg van een bovengrondse openbare ruimte in het kader van de aanpassing, door de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (hierna : de MIVB), van de funderingstechniek van de metrotunnel onder het Zuidpaleis (artikel 2, § 1). B.2.
  47. Het project met betrekking tot de ontmanteling van de binnenzijde van het Zuidpaleis past in het kader van de bouw van het nieuwe metrostation « Toots Thielemans » dat deel uitmaakt van het project voor de metrolijn « Noord-Albert » die het Albertplein in Vorst met het Noordstation verbindt. Daarbij moeten tunnels worden aangelegd om het station te verbinden met het premetrostation Lemonnier. Die tunnels zullen onder meer onder het Zuidpaleis lopen. 14 B.2.
  48. Op 24 mei 2019 kreeg de MIVB een stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van het project. De werken hebben evenwel aanzienlijke vertragingen opgelopen onder meer wegens een conflict dat sinds 2021 gaande is tussen het consortium van ondernemingen dat belast is met de uitvoering van de werken en de MIVB met betrekking tot het feit of de uitvoering van de gekozen techniek voor de bouw, namelijk de bijzondere funderingstechniek van het « jet grouting », haalbaar is. Die techniek moest waarborgen dat het Zuidpaleis, en ook de binnenzijde ervan, niet zou worden aangetast door de werken. B.2.
  49. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie blijkt dat het gebruik van de techniek van « jet grouting » « bijzonder ingewikkeld zou zijn, bijzonder veel bijkomende kosten met zich zou meebrengen en te lang zou duren, waardoor de werken aanzienlijk langer zouden voortduren, wat in strijd is met het algemene (sic) belang » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-751/1, p. 3). Het consortium van ondernemingen dat belast is met de uitvoering van de werken weigert bovendien om de stabiliteit van het werk te waarborgen (ibid.). Bijgevolg overweegt de MIVB om gebruik te maken van de zogenoemde alternatieve techniek van « secanspalen » om de tunnel aan te leggen. Voor de toepassing van die techniek moet de binnenzijde van het Zuidpaleis worden ontmanteld teneinde de tunnel te bouwen door « langs boven » te gaan. Om die bouwtechniek te kunnen gebruiken, moet de MIVB een wijzigingsvergunning van de op 24 mei 2019 afgegeven stedenbouwkundige vergunning krijgen. B.
  50. Teneinde te verantwoorden dat er gebruik wordt gemaakt van een afwijkende behandelingsprocedure van die eventuele aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie uiteengezet : « Ondanks alle voorzorgs-, verzachtende en begeleidingsmaatregelen voor de wijk die de MIVB en het gewest hebben genomen, kan niet worden ontkend dat het huidige bouwterrein, dat sinds juni 2021 stilligt, een zekere impact op de wijk heeft. Bewoners, handelaars, gebruikers en studenten maken zich met name zorgen over deze situatie en het gewest is van oordeel dat een snelle tussenkomst noodzakelijk is. Als er niet wordt ingegrepen, zou de situatie een tiental jaar kunnen voortduren, wat onaanvaardbaar is. Anders moet alles in het werk 15 worden gesteld om de wijk zo snel mogelijk opnieuw een kwaliteitsvolle stadsinrichting te geven, met name via verbeterde plaatselijke mobiliteit. [...] [...] De hierboven uiteengezette dwingende behoeften en legitieme bekommernissen vereisen een snelle vergunningsafgifte. Het verkrijgen van een vergunning binnen de bestaande wetgeving, namelijk door het BWRO toe te passen, zou er voor zorgen dat ze wordt afgeleverd in een termijn die niet verenigbaar is met de nagestreefde doelen. In het beste geval tegen het eerste semester van 2025 en meer waarschijnlijk in het laatste trimester van
  51. Dus twee tot drie jaar extra met stilgelegde werken, die overigens al sinds juni 2021 stilliggen. In deze omstandigheden is een wetgevende ingreep ook noodzakelijk vanuit dat oogpunt. De rechten en deelname van het publiek moeten voor alle duidelijkheid worden gewaarborgd in dat specifieke kader. Daarom wordt in de hoofdstukken II en III van de ontwerpordonnantie voorgesteld om een zogenaamde ‘ fasttrackprocedure ’ aan te nemen. Deze procedure omkadert het onderzoek van de vergunningaanvraag door de behandelingstermijn wel te verkorten, maar terzelfdertijd de garantie op burgerparticipatie en een transparante procedure zo hoog mogelijk te houden, door ook te voorzien in een effectenstudie » (ibid. pp. 5-6). B.
  52. Luidens de parlementaire voorbereiding wil « de voorgestelde tekst [...] een redelijke, evenwichtige middenweg voorstellen tussen verschillende opties die duidelijk vatbaarder zijn voor kritiek of niet wenselijk zijn, namelijk : - een tussenkomst van het Parlement om de technische wijziging en de ontmanteling van het Zuidpaleis van elke vergunning vrij te stellen, naar het voorbeeld van de op 4 december 2020 goedgekeurde ordonnantie tot toekenning van een uitzonderlijke vrijstelling van stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning om de voormalige hoofdzetel van de NAVO te kunnen gebruiken voor het proces van de terreuraanslagen dat er momenteel plaatsvindt; - opteren voor een door het Parlement afgeleverde vergunning. Een dergelijke vergunning bestaat niet in het BWRO, hoewel het Europese recht ze niet verbiedt; - de toepassing van het BWRO ‘ binnen de bestaande wetgeving ’, dus zoals het nu bestaat : er moet worden toegegeven dat de afleveringstermijnen van de vereiste vergunning voor de herneming van de werken ertoe leiden dat deze optie de voorkeur niet uitdraagt omdat 16 ze in vergelijking met de geselecteerde optie erg nadelig is voor het algemene (sic) belang » (ibid., p. 7). Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.
  53. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden ordonnantie, van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 20, 21 en 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en met de artikelen 2 tot 8 en 11, alsook de bijlagen I, II en III van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) » (hierna : de richtlijn 2011/92/EU). De verzoekende partijen voeren aan dat de aanneming van de bestreden ordonnantie had moet worden voorafgegaan door een effectbeoordeling, aangezien die ordonnantie een vergunning zou vormen met betrekking tot een project dat aan een milieueffectbeoordeling is onderworpen krachtens de richtlijn 2011/92/EU. B.6.
  54. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.6.
  55. De artikelen 20 en 21 van het Handvest waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in het Unierecht. Zij voegen te dezen niets toe aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6.
  56. Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet waarborgt het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. 17 Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. B.6.
  57. Artikel 191 van het VWEU bepaalt : «
  58. Het beleid van de Unie op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen : - behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; - bescherming van de gezondheid van de mens; - behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.
  59. De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. [...] ». Artikel 37 van het Handvest waarborgt het recht op een hoog niveau van milieubescherming en op de verbetering ervan. Daar de richtlijn 2011/92/EU de in artikel 191, leden 1 en 2, van het VWEU vermelde doelstellingen en beginselen tot uitvoering brengt, alsook het in artikel 37 van het Handvest verankerde recht, houdt het Hof bij zijn onderzoek rekening met die bepalingen. B.6.
  60. De richtlijn 2011/92/EU heeft betrekking op de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. De artikelen 2 tot 5 van die richtlijn bepalen de projecten die aan de milieueffectbeoordeling worden onderworpen – waarbij wordt verwezen naar de bijlagen I, II en III van de richtlijn –, de inhoud van die beoordeling en de verplichtingen 18 van de lidstaten dienaangaande. Artikel 6, lid 1, van die richtlijn legt de verplichting op om de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of hun lokale of gewestbevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, te raadplegen, en het stelt de regeling ervan vast. De leden 2 tot 7 van dat artikel regelen de voorlichting en de inspraak van het publiek in de procedure inzake afgifte van de vergunning. Artikel 7 heeft betrekking op de grensoverschrijdende raadplegingen. Artikel 8 bepaalt dat de ingewonnen informatie en de raadplegingen naar behoren in aanmerking moeten worden genomen in het kader van de vergunningsprocedure. Tot slot betreft artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU het recht op toegang tot de rechter ten aanzien van de leden van het betrokken publiek. B.7.
  61. Artikel 2, lid 1, eerste zin, van de richtlijn 2011/92/EU verplicht de lidstaten ertoe « de nodige maatregelen [te treffen] om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend ». B.7.
  62. De « vergunning » wordt gedefinieerd als « het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren » (artikel 1, lid 2, c). Het « project » is onder meer « de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken » (artikel 1, lid 2, a)). De vergunning kan de vorm aannemen van een wetgevingshandeling (HvJ, grote kamer, 29 juli 2019, C-411/17, Inter-Environnement Wallonie ASBL en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen vzw, ECLI:EU:C:2019:622). B.7.
  63. Wat vergunningsverleningen in verschillende fasen betreft, houdt het Hof van Justitie van de Europese Unie rekening met het feit dat de beoordeling van de milieueffecten moet plaatsvinden « alvorens een vergunning wordt verleend » (artikel 2, lid 1, van de richtlijn 2011/92/EU) en de bevoegde instantie « in een zo vroeg mogelijk stadium » rekening zou moeten houden met de gevolgen van het project voor het milieu (overweging 2). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld : 19 « Wanneer het nationale recht bepaalt dat de vergunningprocedure verloopt in verschillende fasen, te weten door het treffen van een basisbesluit en voorts een uitvoeringsbesluit dat niet mag afwijken van de in het basisbesluit vastgelegde parameters, moet het milieueffect dat het project kan hebben, als zodanig worden onderscheiden en beoordeeld in de procedure met betrekking tot het hoofdbesluit. Enkel indien deze effecten pas in de procedure met betrekking tot het uitvoeringsbesluit kunnen worden onderscheiden, moet de beoordeling tijdens die procedure plaatsvinden » (HvJ, 7 januari 2004, C-201/02, Wells, ECLI:EU:C:2004:12, punt 52). Bij zijn arrest van 24 februari 2022 in zake Namur-Est Environnement ASBL (C-463/20, ECLI:EU:C:2022:121) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat een eerste besluit – te dezen een afwijking van de maatregelen met betrekking tot de bescherming van dier- en plantensoorten waarin de van toepassing zijnde regelgeving voorziet, met het oog op de exploitatie van een steengroeve – zo kan worden begrepen dat het « onder de vergunning van [het] project valt », hoewel het afzonderlijk beschouwd geen « besluit van de bevoegde instantie of instanties [is] waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren » gelet op de banden die het met dat laatste besluit heeft (punt 44). Opdat het eerste besluit kan worden gekwalificeerd als een vergunning, is, enerzijds, vereist dat het project niet kan worden verwezenlijkt zonder dat de opdrachtgever dat eerste besluit heeft verkregen en, anderzijds, dat de voor de vergunning van een dergelijk project bevoegde instantie de mogelijkheid behoudt om de milieueffecten ervan strenger te beoordelen dan in het eerste besluit is gebeurd (punt 66). B.8.
  64. De bestreden ordonnantie : - onderwerpt het project aan een milieueffectenstudie krachtens rubriek nr. 21 van bijlage A van het BWRO en definieert de specifieke nadere regels voor die effectenstudie (artikelen 4 tot 15), - bepaalt dat er een informatievergadering voor het publiek wordt georganiseerd tijdens de effectenstudie (artikelen 16 tot 19), - wijst de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest als bevoegde overheid aan om de stedenbouwkundige vergunning af te geven (artikel 20), 20 - voert een ad-hocbehandelingsprocedure van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in, door onder meer verschillende termijnen die van toepassing zijn op de met de behandeling van de aanvraag belaste overheden en instanties te verkorten (artikelen 21 tot 26), - bepaalt de termijn waarbinnen de gemachtigde ambtenaar een beslissing moet nemen en de regels volgens welke daarvan kennis wordt gegeven (artikel 27), - regelt de administratieve beroepsprocedure voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (artikelen 28 en 29), - bepaalt dat de regels van het BWRO en de uitvoeringsbesluiten ervan op residuele wijze van toepassing zijn wanneer ze niet in strijd zijn met de in de ordonnantie vastgestelde beginselen en machtigt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ertoe de proceduretermijnen waarin het BWRO voorziet en die niet in de bestreden ordonnantie zijn bedoeld, met maximum een derde te verkorten (artikelen 30 en 31). B.8.
  65. Hoewel de bestreden ordonnantie is aangenomen in antwoord op de vertragingen die een specifiek project oploopt en het toepassingsgebied ervan beperkt is tot de eventuele aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot dat project, blijkt uit het voormelde dat zij een op een administratieve vergunning van toepassing zijnde regeling invoert. Een dergelijke regeling kan noch worden gelijkgesteld met een « basisbesluit » of een principiële beslissing met betrekking tot het project, noch met een eerste besluit dat door de opdrachtgever moet worden verkregen opdat die laatstgenoemde de toestemming krijgt om het project te verwezenlijken. In tegenstelling tot die besluiten is een op een administratieve vergunning van toepassing zijnde regeling niet de eerste stap van de vergunning, dat wil zeggen van de opheffing van het verbod om de werken uit te voeren, maar het juridische kader waarbinnen die vergunning kan worden verleend. Om dezelfde reden kan de bestreden ordonnantie, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, niet worden gelijkgesteld met de wet van 28 juni 2015 « tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie », die geen procedure van administratieve vergunning invoert, maar de datum van stopzetting van een kerncentrale met 10 jaar uitstelt. 21 Daaruit volgt dat de bestreden ordonnantie kennelijk geen besluit is dat « onder de vergunning van [een] project valt » dat aan een milieueffectbeoordeling is onderworpen krachtens de richtlijn 2011/92/EU. B.9.
  66. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat de aard, de omvang en de kenmerken van het bij de bestreden ordonnantie geregelde project reeds in ogenschouw werden genomen, uitgewerkt en bekrachtigd door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Zij betogen dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de Regering de alternatieven reeds heeft onderzocht en verworpen. B.9.
  67. Het is juist dat in de in B.2.3 tot B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding het door de MIVB gedragen project en de redenen waarom die laatste voortaan de techniek van « secanspalen » bevoorrecht boven andere technieken, worden beschreven. Daarin wordt ook vermeld dat « de [...] uiteengezette dwingende behoeften en legitieme bekommernissen [...] een snelle vergunningsafgifte [vereisen] » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-751/1, p. 6). Bovendien wijst de bestreden ordonnantie de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (artikel 20) en, in administratief beroep, de Regering van dat Gewest (artikel 28) aan als de bevoegde overheden om de vergunning af te geven. De MIVB, die de potentiële vergunningsaanvraagster is, is onderworpen aan het gezag van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, die over de mogelijkheid beschikt om, wanneer de commissarissen van de Regering beroep aantekenen, de beslissingen van de raad van bestuur en het beheerscomité te vernietigen (artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 november 1990 « betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest »). De Brusselse Hoofdstedelijke Regering kan dus in twee verschillende hoedanigheden optreden in dat dossier. B.9.
  68. In het licht van de omvang van het betrokken project diende de bijbehorende beleidslijn noodzakelijkerwijs te worden vastgesteld door het Brusselse Hoofdstedelijke 22 Gewest vooraleer het project dat moest worden ingediend in het kader van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd uitgewerkt. Die beleidslijn loopt niet vooruit op de inhoud van de beslissing met betrekking tot de eventuele aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die zou kunnen worden aangenomen door de gemachtigde ambtenaar of, in voorkomend geval, door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in beroep. De overheid die bevoegd is om een stedenbouwkundige vergunning af te geven, moet de stedenbouwkundige regels toepassen rekening houdend met de doelstellingen en met inachtneming van de specifieke vereisten ervan, de in het middel bedoelde grondwettelijke en Europese normen en de beginselen van behoorlijk bestuur. B.9.
  69. De bestreden ordonnantie, die op grondwetsconforme wijze moet worden begrepen, machtigt de overheden die bevoegd zijn om over de betrokken stedenbouwkundigevergunningsaanvraag te beslissen, niet ertoe om van de voormelde beginselen en normen af te wijken. Wanneer daarenboven, zoals te dezen, de voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning bevoegde overheid eveneens betrokken is bij het project waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, komt het aan de Raad van State toe om in het bijzonder erop toe te zien dat die overheid de voormelde beginselen en normen, in het bijzonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van onpartijdigheid en de beginselen van redelijkheid en evenredigheid, naleeft. B.
  70. Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.11.
  71. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 20, 21 en 37 van het Handvest, met artikel 191 van het VWEU, met de artikelen 2 tot 8bis, 9, 9bis en 11 en met de bijlagen I, II en III van de richtlijn 2011/92/EU. 23 B.11.
  72. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de bestreden ordonnantie een niet-verantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning die gebruik kan maken van de in de bestreden ordonnantie bedoelde procedure, namelijk de MIVB, en de aanvragers van een stedenbouwkundige vergunning, natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen, die zijn onderworpen aan de gemeenrechtelijke procedure waarin het BWRO voorziet en dat het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate en zonder redelijke verantwoording door die ordonnantie wordt verminderd. B.11.
  73. In eerste instantie onderzoekt het Hof de inachtneming van de standstill-verplichting die voortvloeit uit het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, in samenhang gelezen met de artikelen 5, 6 en 8, 8bis en 9bis van de richtlijn 2011/92/EU, met artikel 191 van het VWEU en met artikel 37 van het Handvest, en in tweede instantie, de naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Aangezien het verzoekschrift niet verduidelijkt op welke wijze de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 2 tot 4, 7, 8 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU en de bijlagen ervan zouden zijn geschonden door de bestreden ordonnantie, houdt het Hof geen rekening ermee in zijn onderzoek. De inachtneming van de standstill-verplichting B.
  74. De verzoekende partijen klagen aan dat er in drie opzichten sprake is van een aanzienlijke vermindering van het door de van toepassing zijnde wetgeving geboden beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu : - De termijn die aan de instanties wordt toegekend om hun advies uit te brengen, vangt aan op de datum waarop kennis wordt gegeven van de adviesaanvraag, datum die overeenstemt met die van verzending in plaats van met die van ontvangst. Die grief heeft betrekking op artikel 3, eerste lid, van de bestreden ordonnantie; 24 - De termijn waarover de leden van het begeleidingscomité beschikken om de pertinente documenten te onderzoeken en het dossier te bespreken van het project dat aan de milieueffectenstudie is onderworpen, is korter dan die waarin het BWRO voorziet en maakt het niet mogelijk een nauwkeurig onderzoek te verrichten in overeenstemming met de eisen van de richtlijn 2011/92/EU. Die grief heeft betrekking op artikel 8, §§ 2 en 3, en op artikel 9, § 1, van de bestreden ordonnantie; - Het is de geraadpleegde besturen en instanties, in het bijzonder de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, alsook Brussel Mobiliteit, verboden om een bijkomende studie aan te vragen, terwijl het BWRO uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet. Die grief heeft betrekking op artikel 22, § 2, tweede lid, van de bestreden ordonnantie. Volgens de verzoekende partijen is de veroorzaakte aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu onevenredig met de marginale tijdwinst welke die maatregelen opleveren. B.
  75. Het Hof onderzoekt achtereenvolgens de drie voormelde grieven. B.
  76. Artikel 12/1, eerste en vierde lid, van het BWRO bepaalt : « Voor de toepassing van dit Wetboek, worden de termijnen gerekend vanaf de dag na de dag van ontvangst van een akte, een aanvraag, een advies of een beroep, behalve wanneer bepaald is dat een termijn uitdrukkelijk begint te lopen vanaf een andere datum. [...] Voor de toepassing van dit Wetboek wordt de kennisgeving gerekend vanaf de datum van verzending, behalve in geval van andersluidende bepaling ». Artikel 3, eerste lid, van de bestreden ordonnantie bepaalt dan weer dat « de termijnen vanaf de kennisgeving van een handeling, aanvraag, advies, aanhangigmaking of beroep [moeten] worden berekend ». Wanneer evenwel de verzending van een aangetekende brief is vereist, « wordt de termijn berekend vanaf de dag die volgt op degene waarop de brief aan de bestemmeling is aangeboden » (artikel 3, tweede lid). Artikel 2, § 1, laatste streepje, van de bestreden ordonnantie definieert de kennisgeving als de verzendingsdatum op grond van artikel 12/1, vijfde [lees : vierde] lid, van het BWRO. 25 De vergunningsaanvraag wordt op elektronische wijze ingediend (artikel 21, § 1, tweede lid, van de bestreden ordonnantie), zodat het de gemachtigde ambtenaar toekomt om de aanvraag op elektronische wijze naar de betrokken besturen en instanties te sturen (artikel 22 van de bestreden ordonnantie junctis de artikelen 3, § 2, en 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 « met betrekking tot de verzending van documenten tussen overheden vereist voor de behandeling van vergunnings- en attestaanvragen geregeld door het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening » en de artikelen 8, tweede lid, en 12 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 maart 2022 « betreffende de digitalisering van de behandelingsprocedures van de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten, stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen en de aanverwante beroepen die door de bepalingen van het BWRO worden geregeld »). Behalve in het geval van het advies van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening moet worden gehouden met een laattijdig uitgebracht advies als het bestuur of de instantie die werd geraadpleegd geen advies heeft verstuurd naar de gemachtigde ambtenaar op de dag waarop het openbaar onderzoek wordt afgesloten (artikel 22, § 3, van de bestreden ordonnantie). In de parlementaire voorbereiding van artikel 3 van de bestreden ordonnantie wordt vermeld dat, « tenzij uitdrukkelijk anders vermeld in de ordonnantie, [...] documenten elektronisch [worden] verzonden; de datum van verzending valt dus samen met de datum van ontvangst » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-751/1, p. 16). Uit het voorgaande volgt dat de termijnen die worden opgelegd aan de besturen en instanties die ermee belast zijn een advies uit te brengen over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, beginnen te lopen op de dag van de elektronische verzending van de adviesaanvraag waarbij een afschrift van het aanvraagdossier wordt gevoegd. B.15.
  77. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat de bedoelde termijnen geen betrekking hebben op het publiek. De adviezen van de in artikel 22, § 2, van de bestreden ordonnantie vermelde besturen en instanties kunnen evenwel een waarborg vormen voor de inachtneming van het recht dat derden 26 hebben op de bescherming van een gezond leefmilieu, zodat de bestreden bepaling afbreuk kan doen aan dat recht. B.15.
  78. De bestreden maatregelen hebben tot doel ervoor te zorgen dat het project waarop de bestreden ordonnantie betrekking heeft, kan worden voltooid binnen een termijn die niet aanzienlijk langer is dan de termijn waarin oorspronkelijk was voorzien. Daar, zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erkent, de datum van de verzending en die van de ontvangst van elektronische communicatie in beginsel samenvallen, heeft de bestreden bepaling in essentie tot gevolg dat het risico van een storing in die communicatie of in de informaticasystemen die ze verzenden of ontvangen, wordt gelegd bij het bestuur of de instantie die de communicatie ontvangt. Hoewel een dergelijk risico wellicht beperkt is, is het niet uitgesloten dat de geraadpleegde besturen en instanties een elektronisch verzonden adviesaanvraag niet of laattijdig ontvangen, en dat zij daardoor niet over de mogelijkheid beschikken om tijdig een advies uit te brengen met betrekking tot de vergunningsaanvraag. Met name wanneer er gebruik wordt gemaakt van e-mail als communicatiemiddel, bestaat er geen zekerheid dat de adviesaanvraag daadwerkelijk is verzonden naar en ontvangen door de bestemmeling, en evenmin beschikt de afzender over de mogelijkheid om te bewijzen dat en wanneer hij die adviesaanvraag heeft verzonden (zie in die zin ook RvSt, 9 februari 2016, nr. é.777, ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.é.777). Bij de behandeling van de vergunningsaanvraag dient de gemachtigde ambtenaar evenwel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, waaronder de zorgvuldigheidsplicht. Die verplichting vereist dat de gemachtigde ambtenaar, in zoverre hij voor de verzending van een adviesaanvraag gebruik zou maken van elektronische communicatiemiddelen die geen afdoende waarborgen bieden inzake veiligheid en rechtszekerheid, zich ervan vergewist dat de geraadpleegde besturen en instanties de adviesaanvraag daadwerkelijk hebben ontvangen, bijvoorbeeld door een ontvangstbevestiging te vragen. Zonder dat het nodig is te onderzoeken of de bestreden bepalingen een aanzienlijke vermindering met zich meebrengen van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met in het middel 27 aangevoerde bepalingen, volstaat het vast te stellen dat die bepalingen redelijk verantwoord zijn ten aanzien van de legitieme doelstellingen die door de ordonnantiegever worden nagestreefd. B.16.
  79. In het kader van het BWRO en de door de bestreden ordonnantie ingevoerde regeling moet het begeleidingscomité erop toezien dat de studiegelastigde een volledige en kwaliteitsvolle studie levert (artikel 175/4, § 1, eerste lid, van het BWRO en artikel 7, § 2, van de bestreden ordonnantie). B.16.
  80. Artikel 175/5, § 1 van het BWRO bepaalt : « Gelijktijdig met de verzending van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier [...], convoceert het bestuur belast met stedenbouw het begeleidingscomité. Binnen vijftien dagen na verzending van het ontvangstbewijs voor het volledige dossier [...], stelt het begeleidingscomité de vergunningaanvrager in kennis van zijn beslissing aangaande de volgende punten : 1° [...] het of de geografische gebied(en) dat onderzocht moet worden in de effectenstudie [...]; 2° het alternatief of de alternatieven en/of variant(en) die in de effectenstudie beoordeeld moet(en) worden; 3° de termijn waarin de effectenstudie afgesloten moet worden, met dien verstande dat, tenzij in behoorlijk gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden, verbonden met de te beoordelen effecten, deze termijn niet langer mag zijn dan zes maanden vanaf de verzendingsdatum van de beslissing van het begeleidingscomité; 4° de keuze van de opdrachthouder van de studie ». Artikel 4 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 « met betrekking tot het begeleidingscomité, bedoeld in artikel 175/4 van het BWRO en in artikel 22 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen » bepaalt : « De leden van het begeleidingscomité en de personen die verzocht worden aan de werken van dit comité deel te nemen, worden minstens acht dagen voor elke vergaderingen samengeroepen door de secretaris. Behoudens anders beslist wordt door het begeleidingscomité, worden de documenten die ter goedkeuring aan het begeleidingscomité voorgelegd moeten worden, minstens acht dagen voor elke vergadering bezorgd aan alle leden ». 28 B.16.
  81. Artikel 8, § 2, van de bestreden ordonnantie bepaalt dat het bestuur het door de aanvrager ingediende dossier met betrekking tot het project dat aan de effectenstudie is onderworpen, aan het begeleidingscomité bezorgt binnen een termijn van twee dagen na de indiening. Het begeleidingscomité wordt binnen dezelfde termijn opgeroepen voor een vergadering die binnen vier dagen na de bijeenroeping plaatsvindt. Het begeleidingscomité geeft kennis van zijn beslissing over het voorstel tot keuze van de studiegelastigde, het geografische gebied dat in overweging moet worden genomen in de studie en de alternatieven of varianten die in de effectenstudie moeten worden beoordeeld binnen vijftien dagen na de datum waarop het bestuur aan dat comité kennis heeft gegeven van het dossier (artikel 9, § 1, van de bestreden ordonnantie). B.16.
  82. In de twee vergeleken regelingen beschikt het begeleidingscomité over een termijn van vijftien dagen om zijn beslissing te nemen. In de door het BWRO ingevoerde regeling hebben de leden van het begeleidingscomité meer tijd om hun eerste vergadering voor te bereiden, maar is de termijn tussen die vergadering en de dag waarop het comité zijn beslissing moet nemen, korter. Bovendien heeft de bestreden ordonnantie geen betrekking op alle projecten die de leden van het begeleidingscomité eventueel zouden moeten onderzoeken, maar op één enkel project dat in die ordonnantie wordt geïdentificeerd. Bovendien, zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opmerkt, belet niets in die ordonnantie, noch in het BWRO, dat op residuele wijze van toepassing is, dat het begeleidingscomité een of meer bijkomende vergaderingen belegt. Het beschikt ook over de nodige tijd om deskundigen uit te nodigen om deel te nemen aan zijn werkzaamheden. In het licht van het voorgaande brengen artikel 8, §§ 2 en 3, en artikel 9, § 1, van de bestreden ordonnantie geen aanzienlijke vermindering van het door de van toepassing zijnde wetgeving geboden beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu met zich mee. B.17.
  83. Artikel 177, §§ 1 en 2, 2° en 3°, van het BWRO bepaalt : « §
  84. Op hetzelfde moment dat het bewijs van ontvangst van het volledige dossier wordt verzonden, stuurt de gemachtigde ambtenaar een adviesaanvraag naar de besturen en de instellingen waarvan het advies vereist is met toepassing van het Wetboek of de toepassingsbesluiten ervan en hij voegt er een kopie van het aanvraagdossier bij. 29 §
  85. Onder voorbehoud van § 4 moeten de volgende besturen en instellingen worden geraadpleegd in de volgende hypothesen : [...] 2° de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, indien de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken betreffende de beschermde delen van een goed dat op de bewaarlijst ingeschreven is of beschermd is, of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is; dit advies is in zoverre eensluidend voor de gemachtigd ambtenaar; 3° Brussel Mobiliteit, indien de aanvraag handelingen en werken aan wegen en openbare ruimten betreft zoals bedoeld in artikel 189/
  86. Het advies gaat over de overeenstemming van de aanvraag met het gewestelijke en het gemeentelijke mobiliteitsplan ». Artikel 189/1 van het BWRO definieert de « handelingen en werken aan wegen en openbare ruimten » als « alle interventies in de openbare ruimte en aan het wegennet met betrekking tot de markering, de uitrusting of de inrichtingen ». Artikel 22, § 2, eerste lid, van de bestreden ordonnantie legt dan weer de verplichting op om de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, alsook Brussel Mobiliteit te raadplegen zonder dat het daarvoor voorwaarden vaststelt. Het tweede lid van die bepaling voorziet evenwel erin dat « de geraadpleegde besturen en instanties [...] geen bijkomende studie [kunnen] aanvragen ». B.17.
  87. Zonder dat het nodig is te onderzoeken of de bestreden bepaling een aanzienlijke vermindering van het bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op de bescherming van een gezond leefmilieu met zich meebrengt, volstaat het vast te stellen dat die bepaling redelijk verantwoord is ten aanzien van de legitieme doelstellingen die de ordonnantiegever nastreeft. De bestreden ordonnantie heeft tot doel de behandelingsprocedure van een stedenbouwkundigevergunningsaanvraag voor de ontmanteling van de binnenzijde van het Zuidpaleis en de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aan de MIVB werd afgegeven, sneller te laten verlopen, en dat teneinde mogelijk te maken dat de metrolijn Noord-Albert kan worden geopend binnen een termijn die niet bovenmatig langer is dan de termijn waarin oorspronkelijk is voorzien. Met andere woorden, het gaat erom de gebruikers binnen een redelijke termijn snel 30 en efficiënt openbaar vervoer aan te bieden in een geografisch gebied waar er geen metroverbinding is (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-751/1, pp. 1, 5 en 8). In het licht van die doelstellingen vermocht de ordonnantiegever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat het niet nodig was de geraadpleegde instanties de mogelijkheid te bieden om bijkomende studies aan te vragen, waardoor de behandeling van de betrokken aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning langer zou hebben geduurd. De bestreden maatregel heeft geen onevenredige gevolgen. Daaruit volgt dat artikel 22, § 2, tweede lid, van de bestreden ordonnantie de in het middel aangevoerde bepalingen niet schendt. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie B.
  88. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.19.
  89. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betoogt dat de verzoekende partijen de categorieën die verschillend zouden worden behandeld, niet identificeren, noch de vergelijkbare situaties waarin die categorieën zich zouden bevinden. B.19.
  90. Uit het verzoekschrift en de memorie van antwoord van de verzoekende partijen blijkt dat die laatstgenoemden van mening zijn dat de bestreden ordonnantie een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de MIVB die voor het project waarop de ordonnantie betrekking heeft, gebruik kan maken van de bij die ordonnantie ingevoerde afwijkende 31 procedure, en de vergunningsaanvragers die de bij het BWRO bepaalde procedure moeten naleven. De exceptie wordt verworpen. B.
  91. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verbiedt principieel niet dat het toepassingsgebied van een wetgeving wordt beperkt tot één enkele persoon in het kader van een specifieke situatie. Om te bepalen of het eruit voortvloeiende verschil in behandeling redelijk verantwoord is, moet het Hof nagaan of dat verschil berust op pertinente criteria van onderscheid die betrekking hebben op kenmerken die de door de betrokken wetgeving geregelde individuele situatie onderscheiden van alle vergelijkbare situaties. B.21.
  92. In haar advies over het voorontwerp van ordonnantie dat tot de bestreden ordonnantie heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op : «
  93. Het voorontwerp van ordonnantie berust op de idee dat de wetgever een specifieke procedure moet organiseren voor de indiening en de behandeling van een vergunningsaanvraag betreffende een specifiek en welomschreven project, om snel tot een oplossing te komen voor een welbepaalde problematiek in verband met lopende bouwwerkzaamheden die naar het oordeel van de steller van het voorontwerp duidelijk van gewestelijk belang zijn, maar waarbij zich fundamentele problemen voordoen en die sinds juni 2021 stilliggen, met aanzienlijke (risico’s op) feitelijke en financiële schade tot gevolg. Het nagestreefde doel lijkt dus wel legitiem, maar de voorstelling van zaken die aan het voorontwerp ten grondslag ligt, kan bezwaarlijk worden aanvaard. In de aldus gevolgde logica zou de wetgever namelijk, telkens wanneer op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bouwwerkzaamheden die een zekere omvang hebben of die ‘ van gewestelijk belang ’ worden beschouwd, vertraging oplopen en die vertraging allerhande schade zou kunnen veroorzaken, op wettige en rechtsgeldige wijze een ad-hocprocedure mogen organiseren – in casu met betrekking tot de afgifte van een wijzigingsvergunning – om het probleem sneller op te lossen dan op grond van het geldende recht mogelijk zou zijn. Los van het feit dat een wetgevende norm normaliter niet bedoeld is om eenmalige, specifiek omschreven en specifiek aangewezen situaties te regelen, dreigt een dergelijke regeling te ontsporen, inzonderheid ten aanzien van het beginsel inzake gelijkheid en non- discriminatie, en impliceert ze een klaarblijkelijk risico op rechtsonzekerheid alsook op onbestendigheid en onvoorzienbaarheid van de geldende norm. In die logica zou immers elk project, naargelang van het belang ervan, kunnen worden geregeld met een specifieke wetgeving. Een ander gevolg van zo’n aanpak per geval, is het risico op een stijgend aantal rechtszaken. Dat geldt des te meer daar volgens de logica die de steller van het voorontwerp volgt, snel moet worden gehandeld om een spoedeisende situatie bij te sturen, en dus elk van die specifieke 32 toekomstige wetgevingen per definitie volgens een spoedprocedure tot stand zou komen, zonder dat de stellers van die wetgevingen de tijd hebben kunnen nemen om de problematiek in kwestie grondig te overdenken. Die moeilijkheden zouden grotendeels kunnen worden ondervangen indien de wetgever, in plaats van een of meerdere oneshotwetgevingen, een algemene regeling zou invoeren die in het BWRO zelf zou worden geïntegreerd en die van toepassing zou zijn op alle gevallen waarin, vanwege dwingende redenen van algemeen belang, de procedure voor de behandeling en afgifte van een vergunning sneller zou moeten verlopen dan voorzien in het gemene recht. Zo zou men, met inachtneming van het internationale en Europese recht en in het bijzonder van artikel 23 van de Grondwet, een afwijkende procedure moeten organiseren die toepasselijk zou zijn op alle projecten die voldoen aan algemene en abstracte criteria. Het moet gaan om criteria die vooraf door de wetgever zijn opgesteld en op grond waarvan, indien daaraan is voldaan, met name ten aanzien van het beginsel inzake gelijkheid en non-discriminatie verantwoord kan worden dat een snellere of andere procedure wordt gehanteerd dan die welke generaliter toepasselijk is. De regering dient dus op basis van concrete elementen die eigen zijn aan een specifiek project, aan te tonen dat in het betreffende geval voldaan is aan de wettelijk vastgestelde criteria en dat de wettelijk bepaalde voorwaarden voor gebruikmaking van de afwijkende versnelde procedure derhalve zijn vervuld. Een dergelijke regeling zou de hierboven vermelde problemen beperken, althans die welke verband houden met de inachtneming van het beginsel inzake gelijkheid en non-discriminatie, het gebrek aan voorzienbaarheid van de norm en het gebrek aan rechtszekerheid » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-751/1, pp. 51-52). B.21.
  94. In de memorie van toelichting bij de bestreden ordonnantie wordt op die opmerking van de Raad van State geantwoord : « Wat de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie betreft, werd uitvoerig uiteengezet, en de Raad van State herhaalt ze, waarom de situatie waarmee de MIVB en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sinds juni 2021 geconfronteerd worden, op zijn minst uitzonderlijk en uniek is. Te meer omdat de technische, financiële en tijdsgebonden problemen die moeten worden opgelost of beperkt, volgens de discretionaire beoordeling van de gewestregering niet rechtvaardigen dat het gemene recht wordt gevolgd, waardoor de vergunningsprocedure voor de hervatting van de werken met een aangepaste techniek op een totaal ongepaste manier zou worden verlengd. Gelet op deze zeer specifieke context, is er geen bewijs van enig ‘ misbruik ’ of risico op herhaling. In dit opzicht is het advies van de Raad van State gebaseerd op een soort vooroordeel, aangezien elke situatie in feite anders is (zie de situatie van de NAVO-site hierboven). We zien evenmin de juridische onzekerheid die hieruit zou voortvloeien, aangezien dit ‘ one shot ’-wetgeving is die het voorwerp kan zijn van rechtszaken maar geen aanleiding zal geven tot cascadegeschillen, aangezien ze slechts één keer van toepassing zal zijn. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat de Raad van State er niet gewoon op wijst dat de bescherming van derden, in het bijzonder omwonenden en belanghebbenden, volledig 33 wordt gehandhaafd (met name door middel van het openbaar onderzoek), maar zelfs wordt versterkt door mechanismen zoals de openbare informatievergadering. Het opnemen van een meer algemene regeling voor projecten van gewestelijk belang in het BWRO is natuurlijk een ideaal, maar blijft theoretisch, aangezien de goedkeuring van een dergelijke ambitieuze wetgeving een uitgebreidere raadpleging zou vereisen en een tijdsbestek zou vergen dat onverenigbaar is met de op te lossen situatie. Bovendien wordt in de toelichting gesteld dat de voorgestelde tekst als ‘ proefwetgeving ’ zou kunnen dienen met het oog op de uiteindelijke, meer structurele opname van een soortgelijke regeling in het BWRO. Om al deze redenen is het moeilijk in te zien hoe het oplossen van het specifieke geval van het Zuidpaleis door middel van een specifieke ordonnantie die alleen van toepassing is op het Zuidpaleis, een schending zou vormen van het beginsel van [gelijkheid en niet-]discriminatie met betrekking tot vergelijkbare situaties, aangezien die niet bestaan. Bovendien zou de toepassing van het BWRO in zijn huidige vorm in strijd zijn met de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, die ook impliceren dat verschillende situaties verschillend in plaats van gelijk worden behandeld. Om al deze redenen, afzonderlijk of tezamen genomen, wordt het gelijkheidsbeginsel niet geschonden » (ibid., pp. 13-14). B.21.
  95. Bovendien betoogt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in haar memories dat er geen sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met het voorliggende geval, en in het bijzonder dat de werken aan de metrolijn « Noord-Albert » niet kunnen worden vergeleken met de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning die worden ingediend door particulieren voor een project dat betrekking heeft op een privéterrein. Ter staving van die analyse voert zij aan dat : - het project voldoet aan dwingende doelstellingen van algemeen belang die gewoonlijk niet worden nagestreefd door particulieren; - het project wordt gedragen door een Brusselse instelling van openbaar nut die het enige Brusselse metro- en premetronet exploiteert; - de werken inzake de aanleg van de metrolijn « Noord-Albert » zich in een technische impasse bevinden; - het noodzakelijk is om de nagestreefde gewestelijke en Europese doelstellingen te verwezenlijken zonder bijkomende vertragingen; 34 - de voltooiing van de werken niet een beperkt aantal personen betreft, maar het hele Gewest; - de gevolgen van de stopzetting van de betrokken werken niet vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit de stillegging van de werken met betrekking tot de projecten die door andere aanvragers worden verwezenlijkt, aangezien die stopzetting zware gevolgen heeft voor de lokale openbare ruimte en de mobiliteit in verschillende wijken. B.22.
  96. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De specifieke kenmerken van het project van de MIVB en de context waarin dat project werd ontwikkeld, kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.22.
  97. De door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beschreven kenmerken zijn weliswaar in beginsel niet terug te vinden in de projecten die door particulieren worden gedragen en die worden uitgevoerd op een privéterrein. In tegenstelling tot hetgeen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanvoert, is de categorie van personen die wordt vergeleken met de MIVB, wanneer zij als opdrachtgever van het betrokken project optreedt, evenwel niet beperkt tot de particulieren die een project van beperkte omvang uitvoeren op een privéterrein, maar behelst ze alle aanvragers van een stedenbouwkundige vergunning die ertoe zijn gehouden gebruik te maken van de bij het BWRO ingevoerde procedure, of het nu gaat om natuurlijke of rechtspersonen en ongeacht of hun statuut privaat- of publiekrechtelijk is – met inbegrip van de MIVB voor de andere projecten waarvoor zij een stedenbouwkundige vergunning zou aanvragen. B.22.
  98. Hoewel het juist is dat de kenmerken van het in de bestreden ordonnantie bedoelde project uitzonderlijk zijn, zijn ze daarom niet enig in hun soort en verantwoorden zij bijgevolg niet dat een regeling wordt ingevoerd die van toepassing is op een administratieve vergunning voor één specifiek project. Andere projecten die aan dwingende vereisten van algemeen belang voldoen, kunnen immers een groot aantal personen betreffen en, in geval van vertragingen of impasses bij de voltooiing van de werken, zware gevolgen hebben voor de lokale openbare ruimte en de 35 mobiliteit in verschillende wijken. Naargelang van factoren zoals de omvang van het project, de ligging ervan, het belang van de verwezenlijking ervan voor het algemeen belang, het aantal betrokken personen, de aard van de ondervonden problemen bij de verwezenlijking en de termijnen die moeten worden nageleefd, kan onder meer worden gedacht aan bepaalde omvangrijke werken met betrekking tot andere metro- en premetrostations, stations en het spoorwegnet, wegtunnels, viaducten en voetgangerszones. Buiten het domein van de mobiliteit worden met projecten zoals de bouw van een afvalwaterzuiveringsinstallatie, een elektriciteitscentrale, een gaspijpleiding, een hoogspanningslijn, een afvalverbrandingsinstallatie, een sportstadion of nog gebouwen waarin een internationale organisatie wordt ondergebracht, eveneens dwingende doelstellingen van algemeen belang nagestreefd. In bepaalde gevallen kan de verwezenlijking ervan ten goede komen aan het gehele Gewest en bij vertragingen zware gevolgen hebben voor de lokale openbare ruimte en de betrokken wijken. Die projecten kunnen worden gedragen in het kader van een publiek-private samenwerking of in voorkomend geval door privaatrechtelijke rechtspersonen. B.22.
  99. De overwegingen die blijken uit de parlementaire voorbereiding en de memories van de partijen kunnen bijgevolg het door de bestreden ordonnantie in het leven geroepen verschil in behandeling niet verantwoorden. B.
  100. Daaruit volgt dat het tweede middel gegrond is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De bestreden ordonnantie moet worden vernietigd. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.
  101. Rekening houdend met de zware gevolgen die de stopzetting van de betrokken werken heeft voor de lokale openbare ruimte en de mobiliteit in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met de budgettaire gevolgen, met de tijd die de ordonnantiegever nodig heeft om opnieuw te onderzoeken of het opportuun is een afwijkende regeling in te voeren en in voorkomend geval een nieuwe wetgeving aan te nemen en teneinde geen bijkomende vertragingen te veroorzaken, dienen, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de gevolgen van de vernietigde ordonnantie te worden gehandhaafd. 36 Om die redenen, het Hof - vernietigt de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 oktober 2023 « tot instelling van een specifieke behandelingsprocedure van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van het interieur van het Zuidpaleis en voor de wijziging van de vergunning die op 24 mei 2019 door de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel werd afgeleverd »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde ordonnantie. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 januari
  102. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.003 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.093 ECLI:EU:C:2004:12 ECLI:EU:C:2019:622 ECLI:EU:C:2022:121 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.674 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.231 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.