id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.004 Arrest- Rolnummer: 4/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-01-27 Raadplegingen: 339 - laatst gezien 2026-06-19 02:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 269, § 2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 5, b), van de programmawet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij artikel 62 van de wet van 17 maart 2019 « tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen ») Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 269, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 5, b), van de programmawet van 28 juni 2013, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelasting - Roerende voorheffing - Berekening - Uitgekeerde dividenden - Verlaagd tarief - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 4/2025 van 16 januari 2025 Rolnummer : 8154 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 269, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 5, b), van de programmawet van 28 juni 2013, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 11 januari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 januari 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voert artikel 269, § 2, van het WIB 1992, zoals ingevoerd bij de wet van 28 juni 2013, in zoverre het een onderscheid maakt tussen de volledig volgestorte inbrengen in geld en de inbrengen in natura, een discriminatie in en schendt het de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, aangezien alleen de bezitters van aandelen van een vennootschap waarvan het onderschreven kapitaal volledig is gefinancierd en volgestort door inbrengen in geld het verminderde tarief van 15 % op de na 1 juli 2013 toegekende dividenden genieten en aangezien de bezitters van aandelen van een vennootschap waarvan het onderschreven kapitaal is gefinancierd en volgestort middels de inbreng van de vordering in rekening-courant uitgesloten zouden zijn van dat nieuwe stelsel en dat verminderde tarief niet zouden genieten, terwijl er geen enkel risico van misbruik bestaat daar de rekening-courant niet kunstmatig kan worden opgedreven of overgewaardeerd en terwijl dezelfde bedrijfsleider, indien hij de verrichting had opgesplitst door zich de rekening-courant van de vennootschap te laten terugbetalen en vervolgens de aldus verkregen liquiditeiten in te brengen, het verminderde tarief van de roerende voorheffing had kunnen genieten ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bv « A.I.R.S. », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François Libert, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Isabelle Tasset, advocate bij de balie Luik-Hoei. Bij beschikking van 6 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een notariële akte van 27 november 2013 richten S.R. en R.S. een vennootschap op teneinde het beroep van privédetective uit te oefenen. In de oprichtingsakte wordt het maatschappelijk kapitaal op 18 600 euro vastgesteld, met dien verstande dat slechts 4 200 euro, namelijk een derde van dat kapitaal, wordt volgestort bij de oprichting van de vennootschap. Op 31 mei 2019 brengt R.S. 12 400 euro van zijn rekening-courant vennoot in, teneinde het niet opgevraagde kapitaal vol te storten. Op 12 september 2019 dient de vennootschap een aangifte in de roerende voorheffing op de toegekende dividenden van 100 000 euro in, in het kader waarvan zij een tarief van 15 % toepast. Op 1 september 2020 past zij hetzelfde tarief toe bij de aangifte in de roerende voorheffing op de toegekende dividenden van 60 000 euro. Op 13 december 2021 zendt de belastingadministratie aan de voormelde vennootschap een bericht van wijziging, waarbij ze het tarief van 15 % weigert wegens niet-naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 269, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), aangezien op de datum van toekenning van de dividenden het volledige maatschappelijk kapitaal moet zijn volgestort in geld. Volgens de belastingadministratie werd dat kapitaal echter gedeeltelijk in natura volgestort door de omzetting van een schuldvordering op 31 mei 2019, zodat een tarief van 30 % van toepassing is. Op 17 februari 2022 vestigt de administratie twee aanslagen voor respectievelijk 2019 en 2020 met het oog op de toepassing van dat tarief. De voormelde vennootschap betwist die aanslagen voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, het verwijzende rechtscollege. Bij haar vonnis van 11 januari 2024 stelt die Rechtbank vast dat de wetgever, toen hij met de programmawet van 28 juni 2013 de inbrengen in natura uitsloot van het stelstel van het tarief van 15 %, daarmee de doelstelling nastreefde om kapitaal in geld aan te trekken in de kleine en middelgrote ondernemingen. Bovendien merkt de Rechtbank van eerste aanleg op dat het Hof bij zijn arrest nr. 134/2014 van 25 september 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.134) van oordeel was dat die maatregel redelijk verantwoord was, in zoverre de inbrengen in natura meer aanleiding kunnen geven tot misbruiken, met name door een overwaardering. Het risico van misbruik is volgens de Rechtbank van eerste aanleg evenwel beperkt in het geval van een inbreng van de vordering in rekening-courant zaakvoerder die in een munteenheid luidt, daar, enerzijds, die rekening-courant niet kunstmatig kan worden overgewaardeerd en daar, anderzijds, indien de bedrijfsleider de verrichting had opgesplitst door zich de schuld op zijn rekening-courant te laten terugbetalen en vervolgens de aldus verkregen liquiditeiten in te brengen, het verminderde tarief had kunnen worden toegepast. 3 Bijgevolg houdt de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, de uitspraak aan en stelt zij aan het Hof, op verzoek van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Volgens haar hebben de situaties waarop die vraag betrekking heeft, vergelijkbare gevolgen. Dienaangaande beklemtoont zij dat de vennootschap in het in de prejudiciële vraag vermelde geval waarin de verrichting van inbreng wordt gesplitst, de inbreng van vers geld geniet en voor de zaakvoerder het verlaagde tarief voor de roerende voorheffing kan gelden, terwijl de vennootschap in voorkomend geval een lening bij de bank kan zijn aangegaan om de schuldvordering van de zaakvoerder terug te betalen, zodat de vennootschap zich verarmt wegens de interesten die zij aan de bank moet terugbetalen. Bovendien stelt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege dat de inbreng van liquiditeiten en de inbreng van een schuldvordering twee geldstromen zijn die in dezelfde munteenheid worden uitgedrukt, namelijk de euro, met als gevolg dat de thesaurie gelijk aan de waarde ervan toeneemt. Zij betoogt overigens dat de schuldvordering in de toekomst ontegenzeggelijk zal worden omgezet in liquiditeiten, zodat het verschil in kwalificatie uitsluitend tijdsgebonden is. In elk geval staat de waardering van een schuldvordering, in tegenstelling tot de andere inbrengen in natura, zoals de inbreng van een onroerend goed, niet ter discussie. A.1.
- Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is de in het geding zijnde maatregel zogezegd verantwoord door de bedoeling van de wetgever om de kleine en middelgrote ondernemingen te herkapitaliseren, alsook door de zorg om de misbruiken die voortvloeien uit de overwaardering van inbrengen te beperken. Dat inbrengen van een schuldvordering systematisch worden uitgesloten, is echter in strijd met die doelstellingen, daar dergelijke inbrengen een herkapitalisering mogelijk maken en zich niet lenen voor een frauduleuze waardering, aangezien een geldbedrag niet kan worden overgewaardeerd. De in het geding zijnde maatregel is dan ook niet redelijk verantwoord en blijkt discriminerend te zijn. A.1.
- In antwoord op de door de Ministerraad aangevoerde argumenten stelt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege dat een vennootschap door een vermindering van de schulden kan beschikken over extra liquiditeiten om haar doelstellingen te bereiken, daar zij met een dergelijke vermindering financiële middelen kan vrijmaken die voordien voor de terugbetaling van de schulden werden ingezet. Een inbreng van een schuldvordering kan met andere woorden de netto financiële situatie van de vennootschap verbeteren, in zoverre er kapitaal beschikbaar wordt voor de ontwikkelingsbehoeften. Wat het beroep op de antimisbruikbepaling betreft waarin het door de Ministerraad aangehaalde artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) voorziet, betoogt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege overigens dat een dergelijk argument erop neerkomt dat aan de belastingplichtige het voordeel van het verminderde tarief wordt ontzegd, zelfs al zijn de wettelijke voorwaarden vervuld. Volgens haar is in werkelijkheid alleen de vraag of de inbreng in natura van een schuldvordering zich leent voor een frauduleuze waardering, te dezen pertinent, aangezien dat de reden is waarom het rechtscollege een vraag heeft gesteld aan het Hof. A.2.
- Allereerst betoogt de Ministerraad dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk de omstandigheid dat de aandelen al dan niet via een nieuwe inbreng in geld worden verworven. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 28 juni 2013 blijkt dat het doel van de wetgever erin bestond nieuw kapitaal in de vennootschappen aan te trekken. In dat opzicht is het evident dat een vennootschap niet over nieuw kapitaal beschikt wanneer de zaakvoerder deelneemt aan een kapitaalsverhoging door in het kapitaal de schulden op te nemen die hij ten aanzien van de betrokken vennootschap aanhoudt. Immers, hoewel een dergelijke verrichting tot gevolg heeft dat de schulden van de vennootschap afnemen, levert zij geen vers geld op om de ontwikkelingsdoelen van die vennootschap te bereiken. A.2.
- Bovendien voegt de Ministerraad eraan toe dat er wel degelijk sprake is van risico’s van misbruik in het geval van een inbreng van een rekening-courant zaakvoerder, aangezien het creditsaldo van die rekening de weerslag kan zijn van tal van boekhoudkundige geschriften waarvan er een aantal volledig fictief kunnen zijn, 4 zoals blijkt uit de rechtspraak. Om die reden beveelt het Instituut van de Bedrijfsrevisoren aan om de grootste waakzaamheid aan de dag te leggen in het geval van een dergelijke inbreng. A.2.
- In elk geval is het verschil in behandeling evenredig, aangezien elke vennoot die wil deelnemen aan een verhoging, de keuze heeft wat betreft de wijze waarop die verhoging wordt gefinancierd, namelijk via een inbreng in geld of een inbreng in natura. Dienaangaande merkt de Ministerraad op dat de inbreng in geld niet is onderworpen aan een overdreven zwaar formalisme waardoor het verschil in behandeling onevenredig zou worden. Wanneer de vennoot een dergelijke keuze maakt, kan hij voorrang geven aan de inbreng in geld, maar dan moet hij de gevolgen ervan dragen wat de voor- en de nadelen betreft, met name het feit dat het verminderde tarief van de roerende voorheffing niet van toepassing is. Te dezen heeft de belastingplichtige zichzelf, door een keuze die hij vrij heeft gemaakt, uitgesloten van het verlaagde tarief waarin artikel 269, § 2, van het WIB 1992 voorziet. A.2.
- Overigens merkt de Ministerraad op dat, indien de verrichting van inbreng in natura zou worden opgesplitst teneinde het verminderde tarief voor de roerende voorheffing te genieten, zoals vermeld in de prejudiciële vraag, de in artikel 344, § 1, van het WIB 1992 bedoelde antimisbruikmaatregel zou kunnen worden toegepast, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 2013, waardoor de verrichting niet zou kunnen worden tegengeworpen aan de belastingadministratie. A.2.
- In antwoord op de door de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aangevoerde argumenten stelt de Ministerraad dat een banklening verwijst naar een zeer specifieke hypothese van de in de prejudiciële vraag beoogde situatie, terwijl die vraag algemeen is geformuleerd. In ieder geval is de betrokken besloten vennootschap te dezen nooit een dergelijke lening aangegaan. Daarenboven herinnert de Ministerraad eraan dat een schuldvordering geen nieuwe thesaurie is; zo kan die schuldvordering voortvloeien uit een voor de vennootschap verrichte dienst of een uit een eerder overeengekomen lening. Tot slot merkt de Ministerraad op dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 134/2014 heeft geoordeeld dat de overwaardering slechts een van de misbruiken was die de inbrengen in natura konden teweegbrengen, zonder dat daarbij wordt uitgesloten dat er andere vormen van misbruik bestaan die de in het geding zijnde bepaling eveneens beoogt tegen te gaan. De inbrengen in geld brengen daarentegen geen dergelijke risico’s met zich mee. -B– B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 269, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals ingevoegd bij artikel 5, b), van de programmawet van 28 juni 2013 en zoals gewijzigd bij artikel 62 van de wet van 17 maart 2019 « tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen », dat luidt : « In afwijking van § 1, 1°, wordt het tarief van de roerende voorheffing op de dividenden, met uitzondering van de in artikel 18, eerste lid, 2°ter, en 3°, bedoelde dividenden, verlaagd in zoverre dat : 1° de vennootschap die deze dividenden uitkeert, een vennootschap is die op grond van de voorwaarden vermeld in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan; 2° die dividenden voortkomen uit nieuwe aandelen op naam; 5 3° die aandelen verworven zijn met nieuwe inbrengen in geld; 4° deze inbrengen in geld niet voortkomen uit de verdeling van belaste reserves die overeenkomstig artikel 537, eerste lid, worden onderworpen aan een verlaagde roerende voorheffing zoals bedoeld in datzelfde lid; 5° deze inbrengen zijn gedaan vanaf 1 juli 2013; 6° de belastingplichtige deze aandelen op naam ononderbroken in volle eigendom heeft behouden vanaf de kapitaalinbreng; 7° deze dividenden zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar of volgende na dat van de inbreng. De roerende voorheffing bedraagt : 1° 20 % voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng; 2° 15 % voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng. [...] De onderschreven sommen betreffende de verhoging van het kapitaal moeten volledig volstort zijn en er mogen bij die gelegenheid geen preferente aandelen worden gecreëerd ». B.1.
- Artikel 269 van het WIB 1992 bepaalt de aanslagvoeten van de roerende voorheffing. Wat de dividenden betreft, geldt in beginsel een aanslagvoet van 30 % (artikel 269, § 1, 1°, van het WIB 1992). Bij de programmawet van 28 juni 2013 heeft de wetgever voorzien in afwijkende tarieven van 20 % en 15 % voor de dividenden die aan bepaalde voorwaarden voldoen (artikel 269, § 2, van het WIB 1992). B.1.
- De verlaagde tarieven van de roerende voorheffing gelden slechts wanneer de dividenden worden uitgekeerd door een vennootschap « die op grond van de voorwaarden vermeld in artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine [vennootschap wordt] aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is met het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan ». Oorspronkelijk wilde de wetgever dat die twee tarieven enkel golden voor de dividenden die door kleine en middelgrote ondernemingen worden uitgekeerd (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/001, p. 5). 6 Daarnaast dienen de dividenden voort te komen uit nieuwe aandelen op naam (artikel 269, § 2, eerste lid, 2°, van het WIB 1992), dienen die aandelen verworven te zijn met nieuwe inbrengen in geld (artikel 269, § 2, eerste lid, 3°, van het WIB 1992), dienen die inbrengen te zijn gedaan vanaf 1 juli 2013 (artikel 269, § 2, eerste lid, 5°, van het WIB 1992) en dienen de onderschreven sommen volledig te zijn volgestort vooraleer de dividenden worden uitgekeerd (artikel 269, § 2, laatste lid, van het WIB 1992). Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 28 juni 2013 blijkt overigens dat de in aanmerking genomen inbrengen zowel die zijn welke worden gedaan in het kader van een kapitaalsverhoging als die welke bij de oprichting van de betrokken vennootschap tot stand zijn gekomen (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/001, p. 5). B.1.
- De wetgever heeft de verlaging van het tarief van de roerende voorheffing vergezeld doen gaan van een wachttermijn zodat het tarief van 20 % enkel geldt « voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng » (artikel 269, § 2, tweede lid, 1°, van het WIB 1992) en het tarief van 15 % dan weer enkel betrekking heeft op « de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng » (artikel 269, § 2, tweede lid, 2°, van het WIB 1992). Die wachttermijnen beginnen pas te lopen vanaf de datum van de inbreng zelf en niet vanaf die van de daadwerkelijke volstorting van het onderschreven bedrag (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2351/003, pp. 33 en 122). B.2.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre « alleen de bezitters van aandelen van een vennootschap waarvan het onderschreven kapitaal volledig is gefinancierd en volgestort door inbrengen in geld het verminderde tarief van 15 % op de na 1 juli 2013 toegekende dividenden genieten en [in zoverre] de bezitters van aandelen van een vennootschap waarvan het onderschreven kapitaal is gefinancierd en volgestort middels de inbreng van de vordering in rekening-courant uitgesloten zouden zijn van dat nieuwe stelsel en dat verminderde tarief niet zouden genieten, terwijl er geen enkel risico van misbruik bestaat daar de rekening-courant niet kunstmatig kan worden opgedreven of overgewaardeerd en terwijl dezelfde bedrijfsleider, indien hij de verrichting had opgesplitst door zich de rekening- courant van de vennootschap te laten terugbetalen en vervolgens de aldus verkregen 7 liquiditeiten in te brengen, het verminderde tarief van de roerende voorheffing had kunnen genieten ». B.2.
- Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat aan het Hof enkel een vraag wordt gesteld over de in artikel 269, § 2, eerste lid, 3°, van het WIB 1992 vermelde voorwaarde dat de verlaagde tarieven van de roerende voorheffing enkel gelden indien die dividenden voortkomen uit aandelen die zijn verworven met nieuwe inbrengen in geld, waardoor de inbrengen in natura zijn uitgesloten. B.3.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale zaken. Het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken verbiedt de wetgever niet een fiscaal voordeel toe te kennen aan sommige belastingplichtigen, op voorwaarde dat het aldus ingevoerde verschil in behandeling redelijk kan worden verantwoord. B.3.
- Het komt de wetgever toe de aanslagvoet van de belasting vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaal-economische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de bevoegdheid van de wetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. De belastingwetgever kan daarenboven geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Hij vermag de diversiteit ervan benaderend en vereenvoudigend te omschrijven. 8 B.
- De prejudiciële heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de bezitters van aandelen van een vennootschap waarvan het kapitaal volledig is gefinancierd en volgestort door inbrengen in geld en, anderzijds, de bezitters van aandelen van een vennootschap waarvan het onderschreven kapitaal is gefinancierd en volgestort middels de inbreng van de vordering in rekening-courant, in zoverre de laatstgenoemden de verlaagde tarieven van de roerende voorheffing niet genieten voor de door hen ontvangen dividenden. B.
- Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald op het betreffende type inbreng, naargelang die inbreng werd gedaan in geld of in natura, wat het geval is voor de vorderingen in rekening-courant. B.6.
- In verband met het stelsel waarin artikel 269, § 2, van het WIB 1992 voorziet, vermeldt de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 28 juni 2013 : « Met het punt 2° van dit artikel wenst de Ministerraad, in het kader van het relanceplan van de economie en meer bepaald van de kmo’s, het onderschrijven van verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van kmo’s aan te moedigen door het toekennen van een verlaagde roerende voorheffing (en van het tarief van de personenbelasting) op dividenden uitgekeerd aan de houders van nieuwe aandelen gecreëerd in het kader van deze verhogingen van het kapitaal mits meerdere voorwaarden worden nageleefd. [...] Teneinde nieuwe kapitalen in deze vennootschappen aan te trekken, worden enkel de inbrengen in geld beoogd » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/001, p. 5). B.6.
- In antwoord op een parlementaire vraag preciseerde de minister van Financiën eveneens in verband met de uitsluiting van de inbrengen in natura van het stelsel van artikel 269, § 2, van het WIB 1992 : « De door u bedoelde maatregel dient om nieuwe kapitalen voor kmo’s aan te trekken. Daarbij wordt alleen de inbreng in geld beoogd. Bij de omzetting van een schuldvordering is er geen sprake van vers geld dat ter beschikking van de vennootschap wordt gesteld. Kapitaalverhogingen die voortvloeien uit de omzetting van schuldvorderingen kunnen dan ook niet in aanmerking komen voor die regel » (Integraal Verslag, Kamer, 29 april 2015, CRIV 54 COM 150, p. 16). 9 B.6.
- Bovendien voert de Ministerraad aan dat de wetgever, enerzijds, nieuw kapitaal heeft willen aantrekken en, anderzijds, met de voorwaarde van een inbreng in geld misbruiken heeft willen voorkomen. B.6.
- Daaruit blijkt dat de wetgever met de betreden maatregel verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van bestaande kmo’s en het oprichten van nieuwe kmo’s heeft willen aanmoedigen, en dit « in het kader van het relanceplan van de economie en meer bepaald van de kmo’s ». Dienaangaande wenste hij de inbreng van « vers geld » in de betrokken vennootschap te bevorderen en dus de inbrengen in natura uit te sluiten. B.6.
- De door de wetgever nagestreefde doelstellingen houden te dezen dus verband met het sturen en het corrigeren van het sociale en het economische beleid, doelstellingen die hij, zoals is vermeld in B.3.2, vermag na te streven bij het nemen van fiscale maatregelen. B.7.
- Bij zijn arrest nr. 134/2014 van 25 september 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.134) heeft het Hof geoordeeld dat het in B.4 aangehaalde verschil in behandeling redelijk verantwoord was in het licht van de voormelde doelstellingen : « Zoals in herinnering is gebracht in B.7, vermag de wetgever bij het nemen van fiscale maatregelen doelstellingen na te streven die verband houden met het sturen en het corrigeren van het sociale en het economische beleid. Uit de algemene context van de bestreden maatregel kan worden afgeleid dat de wetgever, ter ondersteuning van de economische groei, de spaarders heeft willen aanmoedigen om hun spaargeld aan te wenden voor investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen. Het bekritiseerde verschil in behandeling is aldus niet zonder redelijke verantwoording. Overigens vermag de wetgever, bij het bepalen van de nadere voorwaarden van een fiscale maatregel, te kiezen voor die voorwaarden die het minst aanleiding kunnen geven tot misbruiken. Te dezen kan redelijkerwijze ervan worden uitgegaan dat inbrengen in natura, ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen met betrekking tot het verstevigen van het maatschappelijk kapitaal van kleine en middelgrote ondernemingen, meer aanleiding kunnen geven tot misbruiken dan inbrengen in geld, onder meer wegens mogelijke overwaarderingen van inbrengen in natura. De omstandigheid dat reeds een algemene antimisbruikbepaling bestaat (artikel 344, § 1, van het WIB 1992), verhindert de wetgever bovendien niet om bij het nemen van een bepaalde fiscale maatregel te voorzien in specifieke voorwaarden die beogen specifieke misbruiken te voorkomen » (B.18). B.7.
- De omstandigheid dat de in het geding zijnde inbreng in natura, in de zaak die aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing ligt, bestaat in een inbreng van een vordering in rekening-courant, kan niet leiden tot een andere conclusie, aangezien een dergelijke inbreng 10 misbruiken met zich kan meebrengen, bijvoorbeeld middels een manipulatie van de boekhoudkundige geschriften. Het risico van misbruik is daarentegen beperkt in geval van een inbreng in geld. B.7.
- Hoewel het juist is dat, zoals is vermeld in de prejudiciële vraag, de bezitters van aandelen van de eisende vennootschap voor het verwijzende rechtscollege theoretisch de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde vermindering hadden kunnen genieten indien zij de verrichting hadden « opgesplitst » – onder voorbehoud van de hypothese van fiscaal misbruik beoogd in artikel 344, § 1, van het WIB 1992 (zie Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2853/001, p. 8) –, neemt zulks niet weg dat die mogelijkheid niet werd toegepast en dat dient te worden aangenomen dat een bezitter van aandelen van een vennootschap die beslist om een inbreng van een vordering in rekening-courant te doen onder dezelfde omstandigheden als de bezitter van aandelen van de besloten vennootschap in het geding, de voor- en nadelen ervan heeft afgewogen. B.
- Artikel 269, § 2, eerste lid, 3°, van het WIB 1992 is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 269, § 2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 5, b), van de programmawet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij artikel 62 van de wet van 17 maart 2019 « tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen », schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.004 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div