id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.007 Arrest- Rolnummer: 7/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-01-27 Raadplegingen: 299 - laatst gezien 2026-06-16 02:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55quinquies van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 3 van het decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen », en 60ter van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 4 van het voormelde decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Successierechten - Waals Gewest - Vrijstellingen en verminderingen - Netto-aandeel in de woning die de overledene tot hoofdverblijf diende - Echtgenoot of de wettelijk samenwonende - Erfgenamen in de rechte lijn - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 7/2025 van 16 januari 2025 Rolnummer : 8216 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55quinquies van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 3 van het decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017 « houdende diverse fiscale wijzigingen », en 60ter van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 4 van het voormelde decreet van het Waalse Gewest van 13 december 2017, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 mei 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden, bij het vereffenen van successierechten, de artikelen 55quinquies en/of 60ter van het Wetboek der successierechten (Waals Gewest) zoals zij van toepassing waren in 2021, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat zij de wettelijk samenwonende (bedoeld in artikel 55quinquies W.W.Succ.) en/of de erfgenamen (bedoeld in artikel 60ter W.W.Succ.) van de overledene wiens hoofdverblijf niet in de gezinswoning gevestigd was sinds minstens vijf jaar op de datum van het overlijden, uitsluiten van het voordeel van de bij die artikelen ingevoerde maatregelen ten gunste van de vererving van die woning ? ». F.B., C.M. en L.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Ludovic Tricart, advocaat bij de balie te Bergen, hebben een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 23 oktober 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil E.M. en F.B., wettelijk samenwonenden, zijn eigenaar van twee woningen gelegen op de huisnummers 31 en 33 van dezelfde straat. Zij hebben gedurende 26 jaar op huisnummer 31 gewoond, maar beslissen op 21 augustus 2020 om zich met hun jongste dochter te domiciliëren op huisnummer 33, terwijl hun oudste dochter gedomicilieerd blijft op huisnummer
- Op 3 april 2021 overlijdt E.M. Hij laat als wettelijke erfgenamen de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde, F.B., en zijn twee dochters, C.M. en L.M., achter. In het kader van de nalatenschap van E.M. vraagt F.B. de vrijstelling van successierechten voor haar netto-aandeel in de woning die de overledene en zijn wettelijk samenwonende tot hoofdverblijf diende sinds minstens vijf jaar op de datum van het overlijden, waarin bij artikel 55quinquies van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, is voorzien. C.M. en L.M. vragen op hun beurt het verlaagde tarief waarin bij artikel 60ter van hetzelfde Wetboek is voorzien voor hun aandeel in volle eigendom in het onroerend goed waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad. Op 16 september 2021 vereffent de belastingadministratie de successierechten zonder de vrijstelling, noch het voordeel van het verlaagde tarief toe te kennen, omdat de overledene op het moment van zijn overlijden noch op huisnummer 31, noch op huisnummer 33 sinds minstens vijf jaar zijn hoofdverblijfplaats had. Op 10 maart 2022 maken de drie erfgenamen, nadat hun beroep bij de belastingadministratie bij beslissing van 19 november 2021 is afgewezen, voor de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, een vordering aanhangig om de beslissing van 19 november 2021 nietig te laten verklaren en om de gevraagde vrijstelling en verlaagde tarieven te laten toekennen. In het kader van dat geschil voeren zij aan dat de artikelen 55quinquies en 60ter van het Wetboek der successierechten aanleiding geven tot drie niet gerechtvaardigde verschillen in behandeling. Na de eerste twee aangevoerde verschillen in behandeling te hebben verworpen, stelt de Rechtbank aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat de artikelen 55quinquies en 60ter van het Wetboek der successierechten (Waals Gewest) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre zij, zonder redelijke verantwoording, enerzijds, de wettelijk samenwonende (artikel 55quinquies) of de erfgenamen (artikel 60ter) van een overledene die op de datum van zijn overlijden sinds minstens vijf jaar in de gezinswoning zijn hoofdverblijfplaats had, die de vrijstellingen en verlaagde tarieven waarin bij die bepalingen is voorzien kunnen genieten en, anderzijds, de wettelijk samenwonende of de erfgenamen van een overledene die op 3 de datum van zijn overlijden niet sinds minstens vijf jaar in de gezinswoning zijn hoofdverblijfplaats had, die de voormelde vrijstellingen en verlaagde tarieven niet kunnen genieten, verschillend behandelen. A.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat er geen objectieve verantwoording bestaat die toelaat te begrijpen waarom de overledene gedurende minstens vijf jaar vóór zijn overlijden in de gezinswoning zijn hoofdverblijfplaats moet hebben gehad opdat zijn erfgenamen de bij de in het geding zijnde bepalingen vastgestelde voordelen kunnen genieten. De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat het feit dat het voordeel van de bij de in het geding zijnde bepalingen vastgestelde fiscale gunstmaatregelen niet wordt toegekend, berust op een criterium (de vraag of de overledene op het moment van zijn overlijden sinds minstens vijf jaar in de woning zijn hoofdverblijfplaats had) dat niet pertinent is ten aanzien van de doelstelling van de decreetgever, die erin bestaat de overname van de gezinswoning te bevorderen en het verval ervan te vermijden. A.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen ook gelden dat de artikelen 55quinquies en 60ter van het Wetboek der successierechten, wegens die verblijfsvereiste van vijf jaar op het moment van overlijden, de wettelijk samenwonende die met de overledene samenwoonde op het moment van zijn overlijden en de wettelijk samenwonende van de overledene van wie de samenwoning vóór het overlijden eindigde, ofwel door feitelijke scheiding, ofwel door een geval van familiale, medische, professionele of sociale overmacht, ook op verschillende wijze behandelen, in zoverre de tweede niet is onderworpen aan de verblijfsvereiste van vijf jaar. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid, voor de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een overledene, om een vrijstelling van successierechten op het netto-aandeel in de woning die tot hun hoofdverblijf diende, te genieten, alsook op de mogelijkheid, voor de erfgenamen in de rechte lijn van de overledene, om een verlaagd tarief voor hun netto-aandeel in dezelfde woning te genieten. B.1.
- Artikel 55quinquies van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, bepaalt : « §
- Van het recht van successie en van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld, het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot/echtgenote of wettelijk samenwonende in de woning die de overledene en de echtgenoot/echtgenote of wettelijk samenwonende tot hoofdverblijf diende sinds minstens vijf jaar op de datum van het overlijden. Voor de toepassing van het eerste lid blijkt het feit dat de overledene en de echtgenoot of wettelijk samenwonende hun hoofdverblijfplaats hadden in kwestieus onroerend goed, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een uittreksel van het bevolkingsregister of van het vreemdelingenregister. 4 Als hoofdverblijfplaats wordt eveneens in aanmerking genomen, de laatste hoofdverblijfplaats van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden als aan hun samenwonen een einde is gekomen, hetzij door de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de wettelijk samenwonenden, hetzij door een geval van overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard. §
- Onder netto-aandeel bedoeld in § 1, eerste lid, moet worden begrepen de waarde van het deel dat de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende verkrijgt in de hoofdverblijfplaats, verminderd met de schulden. Het aandeel van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende in de schulden van de nalatenschap die specifiek zijn aangegaan om die hoofdverblijfplaats te verwerven of te behouden wordt bij voorrang aangerekend op hun deel in bedoeld goed. Het aandeel van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende in de overige schulden en begrafeniskosten wordt eerst aangerekend op de waarde van de bestanddelen van activa bedoeld in artikel 60bis, vervolgens op de waarde van de overige goederen van de nalatenschap, en ten slotte op de overblijvende waarde van het verkregen deel in de hoofdverblijfplaats. §
- Ingeval, volgens de gegevens van het bevolkingsregister of van het vreemdelingenregister, de in § 1, eerste lid, gestelde voorwaarden zijn vervuld, past de ontvanger deze vrijstelling ambtshalve toe. Indien de overledene, de echtgenoot/echtgenote of wettelijk samenwonende, zijn hoofdverblijfplaats niet heeft kunnen behouden in het gebouw, als bedoeld in § 1, derde lid, of indien een einde is gekomen aan het samenwonen door overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard, moet de toepassing van de vrijstelling uitdrukkelijk worden gevraagd in de aangifte van nalatenschap en, in voorkomend geval, moet de overmacht of de dwingende reden worden bewezen ». Artikel 60ter van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, bepaalt : « §
- Indien de erfopvolging van de overledene minstens één aandeel in volle eigendom in het onroerend goed bevat waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad sinds minstens vijf jaar op datum van zijn overlijden en dat onroerend goed, geheel of gedeeltelijk bestemd voor bewoning en in het Waalse Gewest gelegen, verkregen wordt door een erfgenaam, een legataris of een begiftigde in de rechte lijn, wordt het successierecht dat van toepassing is op de netto-waarde van zijn aandeel in die woning, na aftrek, in voorkomend geval, van de waarde van het beroepsdeel van dat onroerend goed onderworpen aan het verlaagde percentage van artikel 60bis, vastgesteld volgens het tarief aangegeven in onderstaande tabel. Hierin wordt vermeld : onder littera a : het percentage geldend voor de overeenstemmende schijf; onder littera b : het totaalbedrag van de belasting op de voorgaande schijven. 5 Tabel met betrekking tot het preferentiële tarief voor de netto-aandelen in woningen Erfgenaam, begiftigde[,] legataris in de rechte Schijf van het netto-aandeel lijn Van tot en met A B EUR EUR Pct. EUR 0,01 25.000,00 1 - 25.000,01 50.000,00 2 250,00 50.000,01 160.000,00 5 750,00 160.000,01 175.000,00 5 6.250,00 175.000,01 250.000,00 12 7.000,00 250.000,01 500.000,00 24 16.000,00 Meer dan 500.000,00 30 76.000,00 §
- Voor de toepassing van § 1 blijkt het feit dat de overledene zijn hoofdverblijfplaats had in kwestieus onroerend goed, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een uittreksel van het bevolkingsregister of van het vreemdelingenregister. Het voordeel van het verlaagd tarief blijft behouden zelfs indien de overledene zijn hoofdverblijfplaats niet in kwestieus onroerend goed heeft kunnen handhaven wegens overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard. §
- Onder netto-waarde dient de waarde van het aandeel in de woning bedoeld in § 1 te worden verstaan, verminderd met het saldo van de schulden en de begrafeniskosten na toerekening op de goederen bedoeld bij artikel 60bis, zoals bepaald in artikel 60bis, § 2, met uitsluiting van die, welke in het bijzonder betrekking hebben op andere goederen. §
- Ingeval, volgens de gegevens van het bevolkingsregister of van het vreemdelingenregister, de bij dit artikel bedoelde voorwaarden zijn vervuld, past de ontvanger dit verlaagde tarief ambtshalve toe. Indien de overledene zijn hoofdverblijfplaats door overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard niet heeft kunnen behouden in kwestieus onroerend goed, als bedoeld in § 2, tweede lid, moet de toepassing van het verlaagd tarief uitdrukkelijk worden gevraagd in de aangifte van nalatenschap en, in voorkomend geval, moet de overmacht of de dwingende reden worden bewezen ». B.
- De eerstgenoemde bepaling stelt vrij van het recht van successie en van overgang het netto-aandeel dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende verkrijgt in de woning die de overledene en de echtgenoot of wettelijk samenwonende tot hoofdverblijf diende sinds minstens vijf jaar op de datum van het overlijden. De tweede bepaling onderwerpt het netto-aandeel in het onroerend goed waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad sinds minstens vijf jaar op datum van zijn overlijden, aan een verlaagd tarief indien dat 6 onroerend goed, geheel of gedeeltelijk bestemd voor bewoning en in het Waalse Gewest gelegen, verkregen wordt door een erfgenaam, een legataris of een begiftigde in de rechte lijn. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen blijkt dat artikel 55quinquies van het Wetboek der successierechten de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de overledene beoogt toe te laten « in zekere mate het behoud van die hoofdverblijfplaats te waarborgen » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 972/1, p. 3), en dat artikel 60ter van hetzelfde Wetboek tot doel heeft « de schenking en de nalatenschap van de gezinswoning met een gunstig tarief aan te moedigen » (Parl. St., Waals Parlement, 2005-2006, nr. 279/1, p. 2). B.4.
- De bij de in het geding zijnde bepalingen vastgestelde voorwaarde dat de overledene en zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, wat de eerste bepaling betreft, of de overledene alleen, wat de tweede betreft, sinds minstens vijf jaar op datum van het overlijden hun hoofdverblijfplaats in de woning moeten hebben gehad, is geïnspireerd op de wetgeving die van toepassing is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (Parl. St., Waals Parlement, 2005-2006, nr. 279/1, pp. 6-7 en 11; 2017-2018, nr. 972/1, p. 3). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest was in die voorwaarde voorzien bij artikel 60ter van het Wetboek der successierechten, in de versie ervan die van toepassing is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zoals ingevoegd bij artikel 11 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 20 december 2002 « tot wijziging van het Wetboek der successierechten » en vóór de wijziging ervan bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 juli 2023 « tot wijziging van het Wetboek der successierechten en van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten met het oog op het aanpassen van de Brusselse fiscale regelgeving aan de nieuwe gezinsstructuren en het bevorderen van de overdrachten tussen generaties » (hierna : de ordonnantie van 6 juli 2023). De memorie van toelichting bij artikel 11 van de voormelde ordonnantie van 20 december 2002 preciseerde : « De termijn van vijf jaar is gesteld om te vermijden dat men louter om fiscale redenen bij het naderen van het levenseinde naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou verhuizen. De voornoemde lokalisatieregel voorziet trouwens ook een termijn om fiscale shopping tegen te gaan » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 2002-2003, A-360/1, p. 9). 7 B.4.
- De ordonnantiegever heeft vervolgens de ordonnantie van 6 juli 2023 aangenomen, waarvan artikel 10 de verblijfsvoorwaarde van minstens vijf jaar op de datum van het overlijden schrapt. Daaromtrent vermeldt de memorie van toelichting : « [De] bezorgdheid van een verhuis aan het einde van het leven is thans niet langer relevant, in de mate dat zowel het Waalse Gewest als het Vlaamse Gewest soortgelijke gunstregimes kennen. De verhuizing naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dus niet langer gemotiveerd door de enkele toepassing van artikel 60ter. Overigens, zodra de belasting gelokaliseerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is het niet alleen het verlaagd tarief dat wordt toegepast : de volledige nalatenschap wordt belast en genereert inkomsten ten voordele van het Gewest » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2022-2023, A-709/1, p. 14). Ten gronde B.
- Met de prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of de artikelen 55quinquies en 60ter van het Wetboek der successierechten, zoals zij van toepassing zijn in het Waalse Gewest, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de echtgenoot of de wettelijk samenwonende (artikel 55quinquies) of de erfgenamen in de rechte lijn (artikel 60ter) van de overledene van wie de hoofdverblijfplaats niet in de gezinswoning gevestigd was sinds minstens vijf jaar op de datum van het overlijden, uitsluiten van het voordeel van respectievelijk de vrijstelling en het verlaagde tarief van het recht van successie en van overgang op de verwerving van die woning, terwijl diezelfde categorieën van personen dat voordeel wel genieten indien op het ogenblik van het overlijden aan de verblijfsvoorwaarde van minstens vijf jaar is voldaan. B.6.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 8 B.6.
- Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de decreetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag de beleidskeuzen van de decreetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij zonder redelijke verantwoording zouden zijn. Bovendien dient een fiscale wet een verscheidenheid aan toestanden noodzakelijkerwijze op te vangen in categorieën die met de werkelijkheid slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze overeenstemmen. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat de woning op de datum van het overlijden al dan niet sinds minstens vijf jaar tot hoofdverblijf diende van de overledene respectievelijk van de overledene en de echtgenoot of wettelijk samenwonende van de overledene. B.
- Uit hetgeen is vermeld in B.4.1, blijkt dat die verblijfsvoorwaarde van minstens vijf jaar op de datum van het overlijden fiscale shopping beoogt tegen te gaan en te vermijden dat personen louter om fiscale redenen bij het naderen van het levenseinde naar het Waalse Gewest verhuizen. Die doelstelling is legitiem. Bovendien vermag de decreetgever de toekenning van een fiscaal voordeel afhankelijk te maken van de voorwaarde van een minimumverblijfsduur. B.
- De in het geding zijnde verblijfsvoorwaarde heeft geen onevenredige gevolgen, daar de decreetgever in verschillende uitzonderingen heeft voorzien. Krachtens artikel 55quinquies, § 1, derde lid, van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, wordt eveneens als hoofdverblijfplaats in aanmerking genomen, de laatste hoofdverblijfplaats van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden als aan hun samenwonen een einde is gekomen, hetzij door de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de wettelijk samenwonenden, hetzij door een geval van overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard. Krachtens artikel 60ter, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek blijft het verlaagde tarief dan weer behouden zelfs indien de overledene zijn hoofdverblijfplaats niet in de betrokken woning heeft kunnen handhaven wegens overmacht of om dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard. 9 B.
- De in het geding zijnde bepalingen zijn bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 55quinquies en 60ter van het Wetboek der successierechten, in de versie ervan die van toepassing is in het Waalse Gewest, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div