id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.009 Arrest- Rolnummer: 9/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-10 Raadplegingen: 955 - laatst gezien 2026-06-18 20:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
- Vernietiging (artikelen 782bis, vijfde lid, en 1109, § 2, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 16 oktober 2022 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2023 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen », in zoverre zij niet in een aanvullende wijze van openbaarmaking van de rechterlijke beslissingen voorzien die de controle door het publiek mogelijk maakt)
- Verwerping van de beroepen voor het overige (onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.22.8, B.60.1 en B.81.6) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 oktober 2022 « tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen », ingesteld door Pierre Thiriar en anderen, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de Duitstalige Gemeenschap, door Marc Lazarus en anderen en door de Orde van Vlaamse balies. Gerechtelijk recht - Modernisering en digitalisering van justitie - Openbaarheid en kenbaarheid van de rechtspraak - Wijze van openbare bekendmaking - Beheerscomité van het Centraal register - Toegang tot de authentieke rechterlijke beslissingen in het Centraal register - Verboden met betrekking tot het gebruik van de gegevens in het Centraal register Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 9/2025 van 30 januari 2025 Rolnummers : 7957, 7982, 7983, 7984 en 7986 (versie ingevolge de beschikking tot verbetering van 18 maart 2025) In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 oktober 2022 « tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen, houdende tijdelijke versoepelingen betreffende de elektronische ondertekening door leden of entiteiten van de rechterlijke orde en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen », ingesteld door Pierre Thiriar en anderen, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de Duitstalige Gemeenschap, door Marc Lazarus en anderen en door de Orde van Vlaamse balies. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 maart 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 maart 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 8, 10, 13 en 16 van de wet van 16 oktober 2022 « tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen, houdende tijdelijke versoepelingen betreffende de elektronische ondertekening door leden of entiteiten van de rechterlijke orde en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 oktober 2022, tweede editie; opschrift gewijzigd bij artikel 37 van de wet van 31 juli 2023 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IV ») door Pierre Thiriar, Elke Van Gompel, Eric De Wachter, Marleen Van Der Voort, B.B., J.F., K.D., R.V., G.W., P.B., F.B., M. D.R., T.L., I. V.H., C.P., B.M., K.D., J.H., D.F., N.S., N.B., B.L., W.T., Y.R., M.M., A.V., T.C., K. V.H., L. V.G., A.B., M.V., E.P., D.V., O.S., I.T., G.K., E. d.K., R.D., L.D., K.L., P.M., D. V.O. en B. V.D. 2 b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 april 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 april 2023, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Alexandre Cassart, advocaat bij de balie te Charleroi, en door mr. Jean-François Henrotte, advocaat bij balie Luik-Hoei, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 8, 9 en 16 van dezelfde wet. c. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 21 april 2023 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 24 april 2023, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 16 van dezelfde wet door de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Guido Zians en mr. Andrea Haas, advocaten bij de balie te Eupen, en door Marc Lazarus, Katrin Stangherlin, Nathalie Corman, Axel Kittel, Claudia Kohnen, Andrea Tilgenkamp, Catherine Brocal en de feitelijke vereniging « Vereinigung der deutschsprachigen Magistrate », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Denis Barth, advocaat bij de balie te Eupen. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 april 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 april 2023, heeft de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Cedric Jenart en mr. Louise Janssens, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 8 en 9 van dezelfde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7957, 7982, 7983, 7984 en 7986 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - L.H. (tussenkomende partij in de zaak nr. 7957); - A.D. (tussenkomende partij in de zaak nr. 7957); - S. D.V. (tussenkomende partij in de zaak nr. 7957); - L.J., A. V.D.H., S.L., P.L. en Y.V. (tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957); - A.B., J.B. en P.T. (tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957); - de stichting van openbaar nut « Tijdschrift voor Notarissen », J. V.C., M. D.H. en G.B. (tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957); - de vzw « Association des Éditeurs Belges » en de vzw « Groep Educatieve en Wetenschappelijke Uitgevers », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jens Mosselmans, mr. Stef Feyen en mr. Clara Louski, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7982 en 7986); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Emmanuel Jacubowitz, mr. Patrik De Maeyer en mr. Clémentine Caillet, advocaten bij de balie te Brussel (in alle zaken). 3 De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7957, 7983, 7984 en 7986 hebben memories van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957; - de tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7982 en 7986; - de Ministerraad. Bij beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist : - dat de zaken nog niet in gereedheid konden worden gebracht, - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 20 december 2023 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt mee te delen over de vervanging van het bestreden artikel 16 bij artikel 38 van de wet van 31 juli 2023, en de impact daarvan op de beroepen en middelen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7982; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7983; - de verzoekende partijen in de zaak nr. 7984; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrik De Maeyer, mr. Clémentine Caillet en mr. Daisy Daniels, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft het Hof beslist : - dat de zaken in staat van wijzen waren en de dag van de terechtzitting bepaald op 26 juni 2024, waarbij alle partijen werden uitgenodigd zich ter zitting te verzekeren van bijstand om in voorkomend geval technische toelichting te verschaffen op verzoek van de leden van de zetel; - alle partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 20 juni 2024 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt mee te delen over de gevolgen van de wet van 19 december 2023 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen » en van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » op onderhavige zaken. 4 Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7982; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7986; - de tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7982 en 7986; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 26 juni 2024 : - zijn verschenen : . Pierre Thiriar, in eigen persoon, voor de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957; . mr. Alexandre Cassart, tevens loco mr. Jean-François Henrotte, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7982; . mr. Frank Judo, mr. Cedric Jenart en mr. Louise Janssens, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7986; . mr. Stef Feyen en mr. Clara Louski, tevens loco mr. Jens Mosselmans, voor de vzw « Association des Éditeurs Belges » en de vzw « Groep Educatieve en Wetenschappelijke Uitgevers »; . mr. Daisy Daniels en mr. Julien Jouve, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Patrik De Maeyer en mr. Clémentine Caillet, en Laurent Vanaert, technisch deskundige, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 18 september
- Bij beschikking van 26 juni 2024 heeft het Hof beslist : - alle partijen uit te nodigen om, in een aanvullende memorie bij aangetekende brief die uiterlijk op 10 september 2024 ter post wordt ingediend, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, alsook, via mail, aan de griffie van het Hof (griffie@const-court.be), een antwoord te formuleren op de vragen die gesteld zijn op de zitting; - de pleidooien voort te zetten op de terechtzitting van 18 september 2024 om 14.00 uur, enkel om zich nader te verklaren over de antwoorden op de gestelde vragen. 5 Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7982; - de verzoekende partij in de zaak nr. 7986; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 18 september 2024 : - zijn verschenen : . Pierre Thiriar, in eigen persoon, voor de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen in de zaak nr. 7957; . mr. Alexandre Cassart en mr. Antoine Lange, advocaat bij de balie te Charleroi, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7982; . mr. Frank Judo, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7986; . mr. Stef Feyen en mr. Clara Louski, tevens loco mr. Jens Mosselmans, voor de vzw « Association des Éditeurs Belges » en de vzw « Groep Educatieve en Wetenschappelijke Uitgevers »; . mr. Daisy Daniels, tevens loco mr. Patrik De Maeyer en mr. Clémentine Caillet, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 7957 Wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoekschrift A.1.
- De Ministerraad werpt op dat het verzoekschrift niet ondertekend is en dat het dus niet ontvankelijk is. 6 A.1.
- De verzoekende partijen betogen dat zij allen, hetzij fysiek, hetzij elektronisch (via een scan) het verzoekschrift hebben ondertekend. Zij betogen dat alle handtekeningen voldoen aan de definitie in artikel 8.1, 2°, van het Burgerlijk Wetboek en dus rechtsgeldig zijn. Onder verwijzing naar artikel 3, lid 10, en artikel 25, lid 1, van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 « betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG » merken zij op dat de handtekeningen niet mogen worden geweigerd omdat ze voldoen aan de in de verordening gestelde voorwaarden. Het tegenovergestelde zou volgens hen leiden tot overdreven formalisme inzake toegang tot de rechter. A.1.
- De Ministerraad doet afstand van de exceptie inzake de niet-ondertekening van het verzoekschrift aangezien gebleken is dat het verzoekschrift wel ondertekend is. Wat betreft de omvang van het beroep A.2.
- De Ministerraad werpt op dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord bijkomend de vernietiging vorderen van de artikelen 9 en 22 van de wet van 16 oktober 2022 « tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen, houdende tijdelijke versoepelingen betreffende de elektronische ondertekening door leden of entiteiten van de rechterlijke orde en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen » (hierna : de wet van 16 oktober 2022), terwijl zij in hun verzoekschrift uitdrukkelijk de vernietiging vorderen van enkel de artikelen 8, 10, 13 en 16 van de wet van 16 oktober
- In zoverre de verzoekende partijen aldus een bijkomend verzoek tot vernietiging richten tegen de voormelde artikelen 9 en 22, is het niet ontvankelijk. Hij voegt eraan toe dat dezelfde redenering opgaat ten aanzien van de tussenkomende partijen, die middels hun respectievelijke verzoeken van 6 april 2023, 20 april 2023 en 21 april 2023 beogen tussen te komen in de zaak nr. 7957 en daarbij eveneens de vernietiging vorderen van de artikelen 9 en 22 van de wet van 16 oktober
- De Ministerraad merkt op dat partijen die tussenkomen, gebonden zijn door de grenzen die de verzoekende partijen in hun verzoekschrift hebben gesteld. Elke argumentatie die daarbuiten gaat, is dus onontvankelijk. A.2.
- Bij een beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof de partijen verzocht hun standpunt mee te delen over de vervanging van artikel 16 van de wet van 16 oktober 2022 bij artikel 38 van de wet van 31 juli 2023 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IV » en de impact daarvan op de ingestelde beroepen en aangevoerde middelen. A.2.
- In hun aanvullende memories geven de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7983 en 7984 aan dat hun beroepen zonder voorwerp zijn geworden, aangezien het door hen bestreden artikel 16 werd vervangen. In de zaak nr. 7982 geeft de verzoekende partij in haar aanvullende memorie eveneens aan dat haar vordering tot vernietiging, wat betreft artikel 16, zonder voorwerp is geworden. In hun aanvullende memorie betogen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7957 dat de vervanging geen impact heeft op het door hen uiteengezette middel. De verzoekende partij in de zaak nr. 7986 heeft geantwoord dat zij geen standpunt dient in te nemen aangezien artikel 16 niet het voorwerp uitmaakt van haar beroep. De tussenkomende partijen in de zaak nr. 7986 hebben om dezelfde reden evenmin een aanvullende memorie ingediend. De Ministerraad is ten slotte in zijn aanvullende memorie van oordeel dat de kritieken van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7957, 7982, 7983 en 7984 vervallen, aangezien het bestreden artikel 16 werd vervangen en de grieven bovendien werden geremedieerd ingevolge de vervanging. In zijn memorie gaat hij nog in op nieuwe wetgevende initiatieven waarbij de wet van 16 oktober 2022 werd gewijzigd. Wat betreft het eerste middel A.
- De verzoekende en de tussenkomende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, in samenhang gelezen met titel II van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door de artikelen 8, 10, 13 en 16 van de wet van 16 oktober
- A.4.
- De verzoekende en de tussenkomende partijen zijn van oordeel dat artikel 149 van de Grondwet wordt geschonden door de bestreden bepalingen. 7 A.4.
- Volgens hen wordt het principe van geheime rechtspraak ingevoerd omdat er geen enkele publiciteit meer zal zijn van vonnissen en arresten van de rechterlijke orde. Zo zal er in civiele zaken geen enkele openbare uitspraak meer zijn en in strafzaken wordt enkel het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing nog in openbare terechtzitting uitgesproken. Alle vonnissen en arresten worden in een gedematerialiseerde vorm opgesteld en opgenomen in het Centraal register, de authentieke en enige bron van de beslissingen van de rechterlijke orde. Er worden dan ook geen repertoria meer bijgehouden op de griffies zodat de rechtzoekenden de rechterlijke beslissingen ook niet meer zullen kunnen inzien op de griffies. Zij wijzen erop dat het Centraal register niet openbaar is en enkel toegankelijk is voor een aantal specifiek in de wet aangewezen personen en/of specifieke doeleinden (cf. artikel 782, § 8, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 8). Hetzelfde artikel 8 van de wet van 16 oktober 2022 stelt bovendien de mededeling of verspreiding van de vonnissen en arresten die zijn opgenomen in het Centraal register, strafbaar omdat die rechterlijke beslissingen voortaan ook onder het beroepsgeheim, bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, vallen. Ingevolge het bestreden artikel 13 van de wet van 16 oktober 2022 geldt de voorgaande kritiek op het geheime karakter van de rechtspraak ook met betrekking tot de arresten van het Hof van Cassatie. Zo wordt niet alleen de openbaarheid van de rechtspraak, maar eveneens de rechtseenheid, de rechtsvorming en de rechtszekerheid onmiddellijk en daadwerkelijk bedreigd. A.4.
- Zij betogen vervolgens dat, middels artikel 782, § 8, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 8 van de wet van 16 oktober 2022, de Koning wordt gemachtigd om de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register te bepalen terwijl zulks overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet enkel aan de wetgever toekomt. A.4.
- Ten slotte voeren zij aan dat door de artikelen 8 en 13 van de wet van 16 oktober 2022 aan de feitenrechter of de cassatierechter de macht wordt verleend om artikel 149 van de Grondwet geheel of gedeeltelijk buiten werking te stellen, doordat zij de bekendmaking van hun gepseudonimiseerde beslissingen geheel of deels kunnen verbieden of doordat zij de weglating van bepaalde onderdelen van de motivering kunnen opleggen wanneer de bekendmaking de betrokkenen onevenredig zou raken in hun fundamentele rechten en vrijheden, waaronder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het gaat om een zeer verregaand rechterlijk prerogatief zonder afdoende omkadering door een beperkt toepassingsgebied, strikte en duidelijke toepassingsvoorwaarden en begeleidende maatregelen die een andere vorm van publieke controle op die rechterlijke beslissingen toelaten. A.5.
- De verzoekende en de tussenkomende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen ook strijdig zijn met andere referentienormen. A.5.
- Aangezien, enerzijds, rechterlijke beslissingen niet meer openbaar zullen zijn en zij slechts in een niet voor het publiek toegankelijke databank zullen worden opgenomen en, anderzijds, rechters kunnen beslissen om de publiciteit te verbieden of te beperken, schenden de bestreden bepalingen eveneens artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat geen enkele uitzondering op de openbaarheid van rechterlijke uitspraken toelaat. De bestreden artikelen 8 en 13 schenden eveneens artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, dat de publieke toegankelijkheid van rechterlijke beslissingen waarborgt, in zoverre die beslissingen betrekking hebben op milieuaangelegenheden. Ten slotte wordt door de artikelen 8, 10 en 13 van de wet van 16 oktober 2022 ook afbreuk gedaan aan de verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 « betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (Datagovernanceverordening) » (hierna : de Datagovernanceverordening) doordat het massaal downloaden en de verwerking van een geheel van de gegevens in het Centraal register worden verboden. A.6.
- De Ministerraad werpt allereerst een exceptie van onbevoegdheid op. Hij verwijst naar artikel 142 van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, die de bevoegdheid van het Hof bepalen. Hij is van oordeel dat het eerste middel niet ontvankelijk is wegens onbevoegdheid van het Hof, omdat het Hof in werkelijkheid wordt verzocht om de bestreden bepalingen rechtstreeks te toetsen aan artikel 149 van de Grondwet. 8 In de uiteenzetting van het eerste middel wordt door de verzoekende partijen nergens concreet uiteengezet in welke zin de artikelen van titel II van de Grondwet geschonden zouden zijn, los van enige toelichting over de vermeende schending van titel II van de Grondwet in zijn geheel. Volgens hem wordt het volledige middel in werkelijkheid gewijd aan een vermeende schending van artikel 149 van de Grondwet, en in mindere mate van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus en de Datagovernanceverordening. Het inroepen van de schending van de volledige titel II lijkt dan ook een kunstgreep om de schending van artikel 149 van de Grondwet te kunnen inroepen. De Ministerraad werpt eveneens een exceptio obscuri libelli op aangezien niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
- Hij merkt op dat de verzoekende partijen hebben nagelaten uiteen te zetten in welk opzicht titel II van de Grondwet, namelijk de artikelen 8 tot 32 van de Grondwet, geschonden zouden worden door de bestreden bepalingen. Er kan niet van de Ministerraad verwacht worden dat hij voor elk artikel van titel II zou aantonen dat de bestreden bepalingen ermee bestaanbaar zijn. A.6.
- De verzoekende partijen betwisten de excepties. Zij betogen onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van de Grondwet van 1831 dat de grondrechten in titel II onlosmakelijk verbonden zijn met artikel 149 van de Grondwet, omdat, zonder onafhankelijke en openbare rechtspraak die aan de vereisten van artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voldoet, de in titel II van de Grondwet vermelde rechten en vrijheden niet kunnen worden gewaarborgd. Ten tweede kan de exceptio obscuri libelli niet worden aanvaard aangezien zij hebben aangegeven welke referentienormen zijn geschonden, welke bepalingen die normen schenden en in welk opzicht de referentienormen door de bestreden bepalingen geschonden zijn. Zij wijzen erop dat de Ministerraad een standpunt heeft kunnen innemen over het middel, zodat het verzoekschrift geen vaagheid of onduidelijkheid bevat. Het is volgens hen niet nodig om te preciseren welke artikelen van titel II van de Grondwet door de bestreden bepalingen worden geschonden, aangezien de bestreden bepalingen alle artikelen van titel II schenden door het recht op een onafhankelijke en openbare rechtspraak aan te tasten. Wat betreft het tweede middel A.
- De verzoekende en de tussenkomende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten door de bestreden bepalingen. A.8.
- Zij zijn van oordeel dat door de bestreden bepalingen onverantwoorde verschillen in behandeling worden ingesteld. A.8.
- Zo wordt ten eerste een onverantwoord verschil in behandeling ingesteld onder rechtzoekenden naargelang zij betrokken zijn in een procedure voor de rechterlijke orde, dan wel voor rechtscolleges buiten de rechterlijke orde. Zij wijzen erop dat ingevolge de bestreden bepalingen beslissingen van de rechterlijke orde niet meer voor het publiek toegankelijk zijn, terwijl de beslissingen van andere rechtscolleges (het Grondwettelijk Hof, administratieve en supranationale rechtscolleges) wel volledig voor het publiek toegankelijk blijven. In het eerste geval is elke vorm van publieke controle op de rechtspraak onmogelijk, terwijl in het tweede geval de rechtscolleges wel onderworpen blijven aan publieke controle. A.8.
- Ten tweede wordt een onverantwoord verschil in behandeling ingesteld tussen procespartijen. Zo zal het openbaar ministerie steeds toegang hebben tot alle beslissingen van de rechterlijke orde, terwijl een beklaagde, beschuldigde of de burgerlijke partijen geen toegang meer zullen hebben tot die uitspraken. Bijgevolg wordt eveneens afbreuk gedaan aan de wapengelijkheid, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.8.
- Ten slotte wordt een onverantwoord verschil in behandeling ingesteld onder rechtzoekenden met betrekking tot de staving van hun eis of verweer naargelang zij al dan niet een beroep doen op een advocaat en naargelang die advocaat al dan niet beschikt over persoonlijke jurisprudentiedatabanken. Aldus wordt eveneens afbreuk gedaan aan de wapengelijkheid, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.8.
- De partijen, die bij hun verzoeken van 6 april 2023, 20 april 2023 en 21 april 2023 beogen tussen te komen in de zaak nr. 7957, daarin gevolgd door de verzoekende partijen in het kader van hun memorie van 9 antwoord, voegen nog eraan toe dat een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld tussen advocaten en andere juridische beroepen zoals notarissen en bedrijfsjuristen. Advocaten zullen immers toegang hebben tot de rechterlijke beslissingen in het Centraal register in de mate dat ze voor een partij optreden of opgetreden hebben, terwijl de andere juridische beroepsbeoefenaars in het kader van hun professionele werkzaamheden geen enkele toegang hebben tot het Centraal register. Nochtans heeft die laatste categorie evenveel belang om kennis te kunnen nemen van rechterlijke beslissingen in dat register. A.9.
- De Ministerraad is van oordeel dat de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.9.
- Wat het beweerde eerste verschil in behandeling onder rechtzoekenden betreft, stelt hij dat er geen sprake is van een verschil in behandeling aangezien het publiek ook voor beslissingen van de rechterlijke orde onverkort toegang zal blijven behouden. Hij merkt op dat de vraag of een rechtzoekende toegang blijft hebben tot de rechtspraak niet afhangt van de omstandigheid dat een rechterlijke beslissing al dan niet integraal in openbare zitting wordt uitgesproken. Er dient te worden nagegaan of het publiek door de bestreden bepalingen niet of minder goed controle op de beslissingen van de rechterlijke orde kan uitoefenen. De bestreden bepalingen hebben dit geenszins tot gevolg. Het bestreden artikel 8 van de wet van 16 oktober 2022 heeft betrekking op de niet voor het publiek toegankelijke, doch voor de ondersteuning en digitalisering van de rechterlijke orde bedoelde, onderdelen van het Centraal register. Die bepaling verhindert geenszins de openbaarheid van de rechtspraak via andere middelen. Op het moment dat artikel 8 in werking is getreden (30 september 2023) bepaalden de artikelen 782bis en 1109 van het Gerechtelijk Wetboek nog steeds dat de vonnissen en arresten ter zitting worden uitgesproken. Hetzelfde geldt ook in strafzaken overeenkomstig de artikelen 190, 337 en 346 van het Wetboek van strafvordering. Slechts vanaf de inwerkingtreding op 31 december 2023 van de bestreden artikelen 10 en 13 van de wet van 16 oktober 2022, en van de artikelen 4, 6 en 7 van diezelfde wet, moet in beginsel slechts het beschikkend gedeelte in openbare zitting worden voorgelezen in strafzaken, en naargelang van het geval een schriftelijke, dan wel een mondelinge uitspraak in burgerlijke zaken, waarbij in het laatste geval minstens het beschikkend gedeelte moet worden voorgelezen. Er is evenwel geen enkel verschil in behandeling, daar op hetzelfde ogenblik het niet-bestreden artikel 9 in werking zal treden waarmee de voor het publiek toegankelijke delen van het Centraal register worden ingesteld en opengesteld, zodat het publiek (professionals en rechtzoekenden) toegang zal hebben tot gepseudonimiseerde beslissingen van de rechterlijke orde. De Ministerraad verwijst in het bijzonder naar artikel 782, § 4, § 5, eerste lid, en § 8, eerste lid, 2° en 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vanaf 31 december
- De Ministerraad betoogt dat vanaf het moment dat de beslissingen van de rechterlijke orde niet meer integraal dienen te worden voorgelezen in openbare zitting, een wettelijk kader van toepassing zal zijn waarbij die beslissingen, weliswaar gepseudonimiseerd, beschikbaar worden gesteld aan het publiek. Bovendien zullen de procespartijen via het niet-publieke deel van het register integraal toegang hebben tot de beslissingen in de zaken die hen betreffen (artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, c), van het Gerechtelijk Wetboek). Het principe van de publieke rechtspraak blijft overeind. Zo wordt de gepseudonimiseerde rechtspraak in beginsel via het publieke luik van het Centraal register bekendgemaakt (artikel 10 van de wet van 16 oktober 2022). Indien dat niet mogelijk is, dient de rechter alsnog de beslissing integraal mondeling uit te spreken of ter beschikking te stellen tot het einde van de zitting (hetzelfde artikel 10). Minstens het beschikkend gedeelte dient in strafzaken mondeling te worden uitgesproken, en in geval van mondelinge uitspraak ook in burgerlijke zaken. Wat het Hof van Cassatie betreft, blijft een mondelinge uitspraak van het beschikkend gedeelte verplicht. Via het publieke luik van het Centraal register worden de arresten ontsloten. De Ministerraad wijst voorts erop dat onder andere het bestreden artikel 10 de terbeschikkingstelling van beslissingen ter griffie onverlet laat. Hij besluit dan ook dat op geen enkel moment de controlemogelijkheden van het publiek worden verminderd of bemoeilijkt. A.9.
- Wat betreft het tweede verschil in behandeling, is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepalingen niet tot gevolg hebben dat het openbaar ministerie zich ten aanzien van andere procespartijen in een bevoorrechte positie zou bevinden. Zoals hoger uiteengezet, zal het publiek steeds toegang hebben tot de rechtspraak, hetzij door de verplichte mondelinge uitspraak, hetzij via het publieke luik van het Centraal register (artikel 9, 9°, van de wet van 16 oktober 2022). Hij verwijst in dat verband eveneens naar de artikelen 190, 337 en 346 van het Wetboek van strafvordering, de artikelen 782bis en 1109 van het Gerechtelijk Wetboek, en de artikelen 4, 6 en 7 van de wet van 16 oktober 2022). Zo heeft eenieder op gelijke wijze toegang tot dat deel waarin de rechtsvragen aan bod komen. Het interne luik van het Centraal register bevat inderdaad de authentieke, niet- gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen. De toegang tot dat luik voor het openbaar ministerie, evenals voor zetelende magistraten, is niet onbeperkt. Zo hebben magistraten wel toegang tot de authentieke, niet- gepseudonimiseerde beslissingen die van henzelf uitgaan (artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, a), van het Gerechtelijk 10 Wetboek), maar dat geldt dus niet voor de staande magistratuur. De toegang voor de leden van het openbaar ministerie is beperkt tot de gevallen waarin zij overeenkomstig artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, b), van het Gerechtelijk Wetboek, een met redenen omklede aanvraag doen in het kader van een door de aanvrager gevoerd onderzoek of waarin de aanvrager beroepshalve optreedt. Met het oog op de wapengelijkheid dienen de leden van het openbaar ministerie melding te maken van de resultaten van hun opzoekingen indien het onderzoek uitmondt in een rechtspleging op tegenspraak. A.9.
- Wat betreft het derde verschil in behandeling, voert de Ministerraad aan dat het uitgaat van een verkeerde lezing van de artikelen 8 en 9 van de wet van 16 oktober
- Het publieke luik van het Centraal register is toegankelijk voor iedereen. Elke rechtzoekende alsook elke juridische professional zal toegang hebben tot alle via het publieke deel bekendgemaakte, gepseudonimiseerde beslissingen van de rechterlijke orde. Zolang het publieke luik van het Centraal register niet ingesteld is, blijft de toegang tot de rechtspraak gewaarborgd door het principe van de mondelinge uitspraak ter terechtzitting. De omstandigheid dat sommige advocaten meer toegang zouden hebben tot bepaalde rechtspraak is een logisch gevolg van de keuze van de advocaat om in kleinere of grotere samenwerkingsverbanden te werken en is tevens afhankelijk van de ervaring van de advocaat. Dat staat evenwel volkomen los van de bestreden bepalingen, die integendeel ervoor zullen zorgen dat iedereen toegang zal hebben tot meer rechtspraak. Hierdoor zal het verschil in kennis in principe aanzienlijk kleiner worden. A.9.
- Wat het vierde verschil in behandeling betreft, werpt de Ministerraad op dat dit een nieuw (onderdeel van het) middel is en derhalve niet ontvankelijk is. Wat betreft het derde middel A.
- De verzoekende partijen en de tussenkomende partijen leiden een derde middel af uit de schending van artikel 23 van de Grondwet en de standstill-verplichting door de bestreden bepalingen. A.
- Zij bepleiten allereerst de noodzaak van preventieve juridische bijstand door allerlei initiatieven die de juridische zelfredzaamheid van de burger bewerkstelligen. Een voor het publiek toegankelijke databank met alle vonnissen en arresten moet – met behulp van technieken van artificiële intelligentie – eenieder de mogelijkheid bieden om zijn rechtspositie beter te kennen en om eventuele slaagkansen van gerechtelijke procedures in te schatten. Door niet te voorzien in een publieke, gratis toegang tot het Centraal register en door het massaal downloaden en de verwerking van een geheel van in dat register opgenomen gegevens te verbieden, wordt artikel 23 van de Grondwet geschonden. Zij verwijzen eveneens naar het recht op bescherming van een gezond leefmilieu, gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en naar artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, dat de toegang tot rechterlijke beslissingen in milieuzaken regelt. A.
- Onder verwijzing naar zijn toelichting bij de weerlegging van het tweede middel is de Ministerraad van oordeel dat artikel 23 van de Grondwet evenmin wordt geschonden. Hij herhaalt dat de toegang tot de rechtspraak publiek en gratis blijft. Eenieder, ongeacht zijn graad van welstand, behoudt het verworven recht op toegankelijke rechtspraak. Het verbod op massaal downloaden en de verwerking van een geheel van in het Centraal register opgenomen gegevens vormt geen enkele beperking op de toegang van het publiek tot rechtspraak van de rechterlijke orde, weliswaar in gepseudonimiseerde vorm. Het voormelde verbod heeft enkel betrekking op gegevens, waaronder persoonsgegevens, die nog aanwezig blijven in de gepseudonimiseerde beslissingen zoals de identiteitsgegevens van magistraten, griffieleden en advocaten. Volgens de Ministerraad beoogde de wetgever met dat verbod te vermijden dat een vorm van profilering van magistraten en advocaten zou gebeuren, hetgeen op velerlei manieren voor onverantwoorde doeleinden zou kunnen worden gebruikt. De Ministerraad stelt dat niet kan worden ingezien in welke zin er sprake zou zijn van een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van de rechtzoekenden, aangezien de toegang tot de gepseudonimiseerde rechtspraak via het Centraal register voor iedereen dezelfde zal zijn. Wat betreft het vierde middel A.
- De verzoekende partijen en de tussenkomende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van artikel 40 van de Grondwet, in samenhang gelezen met titel II van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 11 A.14.
- Zij betogen dat artikel 40 van de Grondwet de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, zoals vereist door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarborgt. Die onafhankelijkheid vormt samen met de door artikel 149 van de Grondwet gewaarborgde openbaarheid, de hoeksteen waarop de rechten en vrijheden van titel II van de Grondwet steunen. Volgens hen is er geen handhaving van de rechten en vrijheden die zijn vermeld in titel II mogelijk zonder een onafhankelijke en openbare rechtspraak. De bestreden bepalingen dienen dan ook te worden getoetst aan artikel 40 van de Grondwet en de voormelde verdragsbepaling om na te gaan of die wetsbepalingen afbreuk doen aan titel II van de Grondwet. A.14.
- Volgens hen onttrekken de artikelen 8, 10 en 13 van de wet van 16 oktober 2022 zonder enige verantwoording de krachtens artikel 168, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de griffier toegekende gerechtelijke taken door ze toe te vertrouwen aan een beheerscomité binnen de uitvoerende macht. Zo wordt immers de verantwoordelijkheid voor het bijhouden en beheren van de authentieke bron van de beslissingen van de rechterlijke orde toevertrouwd aan een beheerscomité binnen de uitvoerende macht. Aldus doen de bestreden bepalingen afbreuk aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. In dat verband merken zij nog op dat de uitvoerende macht regelmatig procespartij is voor de gewone rechtscolleges en dat de uitvoerende macht dus de authentieke bron van de rechterlijke uitspraken in geschillen waarbij zij zelf betrokken is, zal beheren. De bestreden bepalingen verstrekken eveneens aan de uitvoerende macht rechtstreeks toegang tot alle rechterlijke beslissingen van de rechters van de rechterlijke orde, hetgeen toelaat om rechtstreeks te controleren en bij te houden welke rechter welke uitspraak doet en in welke zaken. Dit knelt des te meer daar de uitvoerende macht betrokken is bij de procedures voor de aanwijzing en benoeming van rechters. Voorts stellen zij dat het niet redelijk verantwoord is om het College van hoven en rechtbanken inzage te geven in de inhoud van alle beslissingen van de rechterlijke orde. Een dergelijke toegang laat het College en de korpschefs toe het werk van rechters permanent te controleren. De verzoekende partijen en de tussenkomende partijen zijn dan ook van oordeel dat de bestreden bepalingen een controlemogelijkheid bieden waarmee een ernstige aantasting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt teweeggebracht. A.14.
- De bestreden bepalingen bieden bovendien geen enkele waarborg dat de data en de metadata die zijn vervat in het Centraal register, niet geprivatiseerd of gecommercialiseerd zullen worden. A.14.
- Ten slotte stellen zij dat het bestreden artikel 16 van de wet van 16 oktober 2022 de Koning toelaat om zich, door het formuleren van criteria om te bepalen of een arrest van het Hof van Cassatie voldoende relevant is voor de eenheid van de rechtspraak of de ontwikkeling van het recht om een vertaling te vereisen, te mengen in het oordeel van het Hof van Cassatie over de arresten die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarmee wordt eveneens de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht geschonden. A.
- De Ministerraad werpt aangaande het vierde middel de in A.6.1 vermelde excepties op en neemt mutatis mutandis de daarvoor in A.6.1 uiteengezette argumentatie over. Het vierde middel is derhalve niet ontvankelijk. A.
- De verzoekende partijen betwisten de excepties om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in A.6.
- Zaak nr. 7982 Wat betreft het eerste middel A.
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet, met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 5, lid 2, van de Datagovernanceverordening, door artikel 8 (met betrekking tot het gewijzigde artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, b), van het Gerechtelijk Wetboek; het gewijzigde artikel 782, § 8, derde lid, van hetzelfde Wetboek; het gewijzigde artikel 782, § 6, tweede lid, 6°, en vierde lid, van hetzelfde Wetboek), artikel 9, 6° (tot wijziging van artikel 782, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek), en artikel 16 (tot wijziging van artikel 28, tweede en derde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », hierna : de wet van 15 juni 1935) van de wet van 16 oktober
- A.18.
- De verzoekende partij vordert op basis van het eerste onderdeel van het eerste middel de vernietiging van artikel 782, § 6, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 8, in zoverre 12 het betrekking heeft op de in artikel 782, § 6, tweede lid, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde entiteit. Zij beoogt eveneens de vernietiging van artikel 782, § 6, zesde lid, in zoverre de daarin vermelde kiesgerechtigden worden beperkt tot de personen beoogd in artikel 782, § 6, tweede lid, 1° tot 4°, van het Gerechtelijk Wetboek. A.18.
- Zij voert in dit eerste onderdeel aan dat er met betrekking tot de organisatie van het beheerscomité van het Centraal register een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld ten nadele van advocaten doordat ze slechts over een raadgevende stem beschikken en niet kunnen deelnemen aan de verkiezing van de voorzitter en de ondervoorzitter van het beheerscomité. In dat verband wijst zij erop dat advocaten het Centraal register slechts beperkt en onder bepaalde voorwaarden kunnen consulteren. Zo hebben advocaten slechts toegang tot de niet-gepseudonimiseerde beslissingen in hun eigen dossiers, en zodra de pseudonimisering effectief zal zijn, tot de rechterlijke beslissingen zoals alle andere burgers. Zij wijst tegelijk erop dat vertegenwoordigers van het College van het openbaar ministerie met beslissende stem zitting hebben in het beheerscomité en dat zij daarbij een ruime toegang tot het Centraal register genieten (artikel 782, § 8, 3° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek). Het gaat bijgevolg om een verschil in behandeling, meer bepaald wat de wapengelijkheid betreft, dat afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces. A.18.
- Aangezien advocaten, gelet op hun rol, een bijzondere positie innemen in een gerechtelijke procedure en vaak als tegenstander tegenover leden van het openbaar ministerie optreden, zijn de voormelde categorieën vergelijkbaar. A.18.
- Het criterium van onderscheid waarop het verschil steunt, is objectief. Het gaat om twee onderscheiden activiteiten met als doel te werken voor justitie. A.18.
- Het verschil in behandeling streeft geen legitieme doelstelling na. De keuze van de wetgever om geen beslissende stem aan advocaten te geven, vloeit voort uit de bekommernis om te verhinderen dat gegevens van het Centraal register, die eigendom zijn van de rechterlijke orde, in handen zouden komen van corporatistische ondernemingen die ze ondoordacht zouden gebruiken. Dergelijke doelstelling kan het verschil in behandeling niet verantwoorden. A.18.
- In ondergeschikte orde is de verzoekende partij van oordeel dat het verschil in behandeling niet verantwoord is. De argumentatie die steunt op het uitgangspunt dat, enerzijds, advocaten enkel het standpunt verdedigen van de partij die ze in een procedure vertegenwoordigen en, anderzijds, rechters onpartijdig zijn en leden van het openbaar ministerie toch meer dan een partij in een procedure zijn, is niet geschikt om het verschil te verantwoorden. Zij merkt op dat de advocaten in het comité zitting hebben als vertegenwoordigers van de ordes van de balies, die de belangen van het geheel van de rechtzoekenden behartigen en niet van individuele cliënten. De bestreden maatregel is niet geschikt omdat hij het nagestreefde doel van de ontwikkeling van een betere rechtsbedeling niet kan verwezenlijken. Ten eerste leidt de maatregel tot een schending van de wapengelijkheid tussen advocaten en magistraten, in het bijzonder de leden van het openbaar ministerie. Ten tweede verhindert de maatregel dat een belangrijke actor binnen de rechtsbedeling de belangen van de rechtzoekenden kan doen gelden. De bestreden maatregel is evenmin noodzakelijk. Het verschil in behandeling is ten slotte ook niet evenredig. Enkel door volwaardig stemrecht kan de verzoekende partij een belangrijke rol spelen. De databank gaat nochtans een grote rol spelen bij het begrip en de ontwikkeling van het recht. Er is volgens haar geen enkel voordeel voor de verwezenlijking van het algemeen belang door de advocaten te discrimineren ten opzichte van de magistraten. A.19.
- De Ministerraad is van oordeel dat het in het eerste onderdeel voorgelegde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, zijnde de verschillende hoedanigheden van de actoren binnen justitie. De leden van het beheerscomité met een beslissende stem zijn allen lid van de magistratuur, uitgezonderd de vertegenwoordigers van de FOD Justitie. Die beslissende stem van de vertegenwoordigers van de FOD Justitie is overigens beperkt tot enkele aangelegenheden die verband houden met de interne werking van de rechterlijke orde. Hij wijst erop dat de vertegenwoordigers van de ordes van advocaten niet over een soortgelijke rol en hoedanigheid beschikken. A.19.
- Hij stelt dat de wetgever een legitiem doel nastreeft door aan de stem van de ene categorie van leden van het beheerscomité een zwaarder gewicht toe te kennen dan aan de stem van de categorie van vertegenwoordigers van de orde van advocaten. Die laatsten zijn slechts waarnemer en hebben enkel een raadgevende stem. Hij streefde daarbij naar een werkbare inrichting van het comité met het oog op de verwezenlijking van de missie van het comité. Hij wijst ter zake naar de voornaamste missie van het beheerscomité, die erin bestaat de leden van de rechterlijke orde te ondersteunen in hun wettelijke opdrachten. Het is volgens hem dan ook logisch dat het zwaartepunt in het beheerscomité wordt gelegd bij de vertegenwoordigers van de leden 13 van de magistratuur, die allen een beslissende stem hebben. Hij voegt nog eraan toe dat het, gelet op hun rol in de rechtsbedeling, eveneens logisch is dat de leden van het openbaar ministerie worden vertegenwoordigd met een beslissende stem. Hoewel advocaten, getuigen of experten ook een belangrijke rol spelen in een procedure en bij de rechterlijke besluitvorming, gaan de rechterlijke beslissingen evenwel niet van hen uit. A.19.
- De bestreden maatregel is bovendien geschikt en evenredig. De Ministerraad is van oordeel dat het noch onredelijk, noch onevenredig is om de vertegenwoordigers van de orde van advocaten slechts met een raadgevende stem in het comité zitting te laten hebben. Dat neemt niet weg dat de vertegenwoordigers van de orde van advocaten via hun aanwezigheid in het beheerscomité hun stem kunnen laten horen, zij het slechts als raadgever. Bijgevolg heeft het verschil in behandeling geen onredelijke gevolgen. A.20.
- De verzoekende partij vordert op basis van het tweede onderdeel van haar eerste middel de vernietiging van artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, b), en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In ondergeschikte orde vraagt zij de vernietiging van de woorden « die een resultaat opleverde » in artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, b), van het Gerechtelijk Wetboek. A.20.
- In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij onverantwoorde verschillen in behandeling aan wat betreft het instellen van het Centraal register en de toegang daartoe door de zetelende magistraten. Zij stelt dat de magistraten van de zetel beschikken over een automatische toegang tot bronnen die veel ruimer is dan de toegang van advocaten. Zij betoogt voorts dat de administratie ten behoeve van de magistraten bovendien instrumenten zal ontwikkelen die niet beschikbaar zullen zijn voor advocaten en het ruime publiek. Advocaten zullen bovendien verhinderd worden om zelf instrumenten te ontwikkelen of zich tot commerciële actoren te richten, aangezien een verbod op massaal downloaden geldt. Zij merkt op dat, voorafgaand aan de instelling van het Centraal register, de magistraten beschikten over de instrumenten die op de commerciële markt beschikbaar waren en waarop ook advocaten een beroep konden doen, zodat er wapengelijkheid heerste. Door het Centraal register en de hulpmiddelen voor de magistratuur ontstaat er een onevenwicht en een informatie-asymmetrie ten nadele van de rechtzoekenden. Immers, de magistraten beschikken over de meest performante en betrouwbare databank terwijl advocaten dat niet hebben, waardoor ze hun cliënten niet op de beste manier kunnen adviseren. Het gebruik van het Centraal register door de magistraten is ook vrij zodat de enen het systematisch zullen gebruiken, terwijl anderen dat niet zullen doen. Zij bekritiseert overigens ook het feit dat magistraten enkel de resultaten van de raadpleging van de databank dienen te melden als er een positief resultaat is, terwijl ook een negatief resultaat interessant kan zijn voor de partijen in de procedure. Zij stelt dat de debatten nog langer zullen worden naar aanleiding van de discussies over de resultaten van de opzoekingen terwijl de procedures nu reeds lang aanslepen. Ten slotte merkt zij op dat er weliswaar een tegensprekelijk debat kan worden gevoerd over de resultaten van een opzoeking, maar er is geen controle mogelijk op de methodologie van de opzoeking, behoudens door precieze verzoeken in de vorm van conclusies. Dit alles doet afbreuk aan het recht op een eerlijk debat. A.20.
- De verzoekende partij betoogt dat er, gelet op het voorgaande, bovendien op een discriminatoire wijze afbreuk wordt gedaan aan de Datagovernanceverordening. A.21.
- Wat het tweede onderdeel betreft, voert de Ministerraad in hoofdorde aan dat de vergeleken categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De door artikel 782, § 8, 2°, b), van het Gerechtelijk Wetboek ingestelde mogelijkheid van een gemotiveerde toegang tot bepaalde gegevens in het Centraal register is voorbehouden aan personen die door de FOD Justitie zijn opgenomen op een elektronische lijst van personen met een gerechtelijke functie of van personen die een opleiding tot een dergelijke functie volgen. Advocaten staan niet op die lijst. Zij mogen dus duidelijk worden onderscheiden van de categorie van personen die wel een gemotiveerde toegang hebben. A.21.
- In ondergeschikte orde, in zoverre de advocaten vergelijkbaar zouden zijn met de magistraten (in opleiding), werpt de Ministerraad op dat het criterium van onderscheid objectief is. Immers, de advocaten staan niet op de lijst bedoeld in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De maatregel streeft bovendien een legitieme doelstelling na. Het hoofddoel van de wetgever bestaat erin om via een Centraal register van rechterlijke beslissingen in elektronische vorm de wettelijke opdrachten en dus de interne werking van de rechterlijke orde te faciliteren. De maatregel is geschikt en evenredig. De wetgever heeft een billijk evenwicht gezocht tussen, enerzijds, het recht op eerbiediging van het privéleven en gegevensbescherming en, anderzijds, de belangen die verband houden met de goede rechtsbedeling. Het is plausibel dat magistraten voor hun opdrachten toegang dienen te hebben tot gegevens in het Centraal register die niet toegankelijk zijn voor het grote publiek. Advocaten hebben, gelet op hun taak om hun cliënten te adviseren en voor de rechter te vertegenwoordigen, daarentegen enkel nood aan toegang tot een substantieel deel van het 14 Centraal register teneinde zich een beeld te kunnen vormen van de actuele stand van de rechtspraak in een bepaalde materie, en met die informatie een verdediging te kunnen bouwen. Daarvoor is het voldoende om toegang te hebben tot de gepseudonimiseerde beslissingen in de databank. Volgens de Ministerraad vereist het werk van een advocaat in beginsel ook niet de toegang tot persoonsgegevens van derden. Indien advocaten toegang wensen tot authentieke rechterlijke beslissingen met betrekking tot hun cliënten, kunnen die laatsten hun die beslissingen bezorgen. De Ministerraad merkt nog op dat het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd door het feit dat in het kader van een gerechtelijke procedure, de partijen worden geïnformeerd over de resultaten van een opzoeking door een magistraat in het niet-publieke deel van het Centraal register. A.21.
- Ten slotte werpt de Ministerraad op dat de beweerde schending van artikel 5, lid 2, van de Datagovernanceverordening niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij die niet heeft gepreciseerd. Hij voegt nog eraan toe dat de samenlezing van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 47 en 52 van het Handvest niet tot een andere conclusie leidt. A.22.
- De verzoekende partij vordert op basis van het derde onderdeel van haar eerste middel de vernietiging van artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 782, § 5, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 8 en
- A.22.
- In haar derde onderdeel stelt zij dat het verbod op massaal downloaden en het daarmee samenhangend ontbreken van de ontwikkeling van hulpmiddelen van artificiële intelligentie afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces doordat advocaten en rechtzoekenden niet over hulpmiddelen beschikken die gelijkwaardig zijn aan die welke mogelijk ter beschikking worden gesteld aan magistraten. A.22.
- Zij betoogt dat artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 8, verhindert dat zoekmotoren of analysetools op basis van artificiële intelligentie ontwikkeld worden, verschillend van die welke waarschijnlijk aan het publiek en advocaten beschikbaar worden gesteld door de beheerder van het Centraal register. Zelfs indien het resultaat van opzoekingen door de rechter aan tegenspraak wordt onderworpen, dan is het niet mogelijk om de methodologie van de opzoeking en het eventueel bestaan van andersluidende resultaten op basis van een andere methodologie na te gaan. Zij is van oordeel dat openbaarheid van rechterlijke uitspraken op basis van artikel 149 van de Grondwet en de Datagovernanceverordening het principe is en dat toegang tot die gegevens een noodzakelijk corollarium betreft. Gelet op de gigantische hoeveelheid informatie, is het noodzakelijk om te kunnen beschikken over performante hulpmiddelen om ze te ordenen en ze toegankelijk te maken via het gebruik van filters of precieze zoekopdrachten. Daarnaast bestrijdt zij artikel 9 omdat het verbiedt om de identiteitsgegevens van magistraten, griffiers en advocaten te verwerken teneinde hun reële of veronderstelde professionele praktijken te evalueren, te analyseren, te vergelijken of te voorspellen. Dat belet volgens haar dat de rechtspraak die eigen is aan een bepaalde magistraat of rechtbank op een manifeste wijze kan worden aangetoond. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel niet gegrond is. Het recht op een eerlijk proces wordt volgens hem niet geschonden. Het in artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de bestreden artikelen 8 en 9, beoogde verbod heeft volgens hem enkel betrekking op het massaal downloaden en het verwerken van een geheel van gegevens, die voorhanden zijn in het Centraal register, waaronder in het bijzonder de identiteit van magistraten, advocaten en griffiers. Het doel van dat verbod bestaat erin om te vermijden dat van magistraten en advocaten profielen worden gemaakt die kunnen worden gebruikt voor onverantwoorde doeleinden. Bovendien zijn er geen onevenredige gevolgen. Het verbod beperkt op geen enkele wijze de mogelijkheden van het publiek om via het publieke luik van het Centraal register kennis te nemen van de gepseudonimiseerde, individuele rechterlijke beslissingen. Wat betreft het tweede middel A.
- De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en artikel 16 van het Handvest. Zij vordert de vernietiging van artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 782, § 5, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 8 en
- 15 A.25.
- Zij voert aan dat de beperking van de toegang tot het authentieke Centraal register en het verbod op het gebruik van zoekmotoren en artificiële intelligentie op de in het register opgenomen beslissingen dient te worden beschouwd als een onverantwoorde beperking van de uitoefening van de economische activiteit van advocaten. Het feit dat enkel de magistraten over de meest verfijnde hulpmiddelen en de meest recente rechtspraak beschikken, verhindert de advocaten om in aanloop naar een gerechtelijke procedure hun cliënten op de meest optimale wijze te adviseren en om technische hulpmiddelen ter ondersteuning van hun professionele werkzaamheden te ontwikkelen. Daarmee wordt eveneens afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces en de openbaarheid van de rechtspraak. A.25.
- De vrijheid van ondernemen van de advocaat is weliswaar niet absoluut, maar ze wordt manifest onevenredig aangetast. Zo is het bestreden verbod kennelijk onevenredig, niet alleen ten opzichte van het primaire doel om het gerechtelijke systeem te optimaliseren, maar ook ten opzichte van het secundaire doel om de persoonsgegevens in de rechterlijke beslissingen te beschermen. Advocaten zijn geen deel van het publiek zoals anderen omdat zij als deelnemers aan de behoorlijke rechtsbedeling in staat moeten zijn om hun opdracht met de best mogelijke, beschikbare middelen uit te oefenen zonder onderscheid ten opzichte van andere actoren. Door de bestreden maatregelen wordt geraakt aan de kern van het beroep van advocaat. Zij is van oordeel dat zij, gelet op de technologische ontwikkelingen, daarvoor de gegevens in het Centraal register moet kunnen gebruiken om systemen van artificiële intelligentie te voeden ten behoeve van hun economische activiteit. Zonder die mogelijkheden worden advocaten beperkt in het geven van pertinente juridische adviezen, hetgeen schadelijk is voor hun economische activiteit. Het gebrek aan toegang tot alle gegevens is niet alleen nefast voor de vrijheid van ondernemen van advocaten, maar ook voor de rechtsbedeling in het algemeen omdat advocaten de opdracht hebben om de rechten en vrijheden, evenals het respect voor de rechtsstaat te verdedigen. Een beter technisch ondersteunde advocaat kan zijn cliënten beter adviseren en in voorkomend geval onnodige juridische procedures ontraden, hetgeen tot voordeel strekt van de samenleving in het geheel en de werking van de rechtscolleges in het bijzonder. A.
- De Ministerraad is om dezelfde redenen als in A.23 zijn vermeld, van oordeel dat het tweede middel niet gegrond is. Hij voegt nog eraan toe dat de maatregel die erin bestaat het massaal downloaden maximaal tegen te gaan, beantwoordt aan de bezorgdheden van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Hij herinnert vervolgens eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat een mondelinge uitspraak slechts een van de manieren is om het publiek toe te laten controle uit te oefenen op de rechtspraak. Bijgevolg zijn meerdere vormen om de openbaarheid van de rechtspraak te waarborgen, bestaanbaar met het recht op een eerlijk proces. Daarbij moet die vorm controle door het publiek op de beslissingen van de rechtscolleges toelaten. Die doelstelling kan ook worden bereikt door de rechtspraak via de griffie of via het internet beschikbaar te stellen aan het publiek. Het is een legitieme keuze van de wetgever om de rechtspraak te publiceren en tegelijkertijd de openbare uitspraken veeleer te beperken. Het feit dat het massaal downloaden wordt verhinderd, houdt geen beperking in van de mogelijkheden van advocaten of rechtzoekenden om kennis te nemen van de rechterlijke uitspraken. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de openbaarheid van de rechtspraak. Wat betreft het derde middel A.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 149 van de Grondwet door artikel 16 van de wet van 16 oktober
- A.28.
- Zij vordert de vernietiging van artikel 28, tweede en derde lid, van de wet van 15 juni 1935, zoals vervangen bij artikel 16 van de wet van 16 oktober
- A.28.
- Tot vóór de wet van 16 oktober 2022 werden de arresten van het Hof van Cassatie, die werden gewezen in het Nederlands of het Frans systematisch vertaald naar de andere taal. Wanneer een rechterlijke beslissing die in het Duits is gewezen, wordt bestreden voor het Hof van Cassatie, beschikt dat Hof evenwel over een discretionaire bevoegdheid om de taal van de rechtspleging te bepalen (artikel 27bis van de wet van 15 juni 1935). Artikel 28 van de wet van 15 juni 1935 voorzag eveneens in een systematische vertaling van de arresten naar het Duits van voorzieningen tegen een rechterlijke beslissing die in het Duits was gewezen, ook al verliep de rechtspleging in een andere taal. De bestreden bepaling laat het Hof van Cassatie nu toe om op een arbitraire wijze te bepalen of arresten van dat Hof, die in het Nederlands of het Frans zijn gewezen, vertaald moeten worden naar de andere taal, en of een voorziening tegen een rechterlijke beslissing die in het Duits is gewezen, vertaald dient te worden naar het Duits. Dat houdt in dat, enerzijds, een deel van de rechtspraak van het Hof van Cassatie – die fundamenteel is voor de rechtseenheid – niet meer eenvoudig toegankelijk zal zijn voor een deel van de Belgische 16 bevolking, en, anderzijds, een Duitstalige rechtzoekende aan het einde van zijn reeds doorlopen procesgang in het Duits, zou kunnen worden geconfronteerd met een arrest van het Hof van Cassatie, gewezen in het Frans of het Nederlands, doch niet vertaald naar het Duits. Zo wordt een deel van de Belgische bevolking het recht ontnomen om kennis te nemen van de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Ook wordt het voeden van systemen inzake artificiële intelligentie tegengegaan, terwijl die systemen zoveel mogelijk gegevens nodig hebben om op performante wijze zoekopdrachten te kunnen uitvoeren. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 59/94 van 14 juli 1994 (ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.059) is de verzoekende partij van oordeel dat de in het middel aangehaalde bepalingen zijn geschonden. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het middel niet gegrond is. Volgens hem kan de bestreden maatregel op een grondwetsconforme wijze worden geïnterpreteerd zodat er geen sprake is van een schending. De bestreden bepaling onderwerpt de vertaling naar het Duits aan dezelfde voorwaarden als de vertalingen naar het Frans of het Nederlands, zijnde de pertinentie van het arrest van het Hof van Cassatie voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Hij verwijst ook naar de parlementaire voorbereiding waarbij de minister zich bewust is van de noodzaak om de arresten van het Hof van Cassatie naar het Duits te vertalen wanneer de bestreden rechterlijke beslissing in het Duits is gewezen. De bestreden maatregel dient dan ook zo te worden begrepen dat een vertaling naar het Duits van het arrest van het Hof van Cassatie vereist is indien de bestreden rechterlijke beslissing in het Duits is gewezen, zonder dat die vertaling afhankelijk is van enige andere bijkomende voorwaarde. Zaak nr. 7983 A.
- De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 4, 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 16 van de wet van 16 oktober
- A.31.
- De verzoekende partij betoogt dat uit een oppervlakkige lezing van de bestreden bepaling de verkeerde indruk blijkt dat inzake vertalingen van arresten van het Hof van Cassatie naar eender welke taal dezelfde regeling geldt. Er is echter geen sprake van een gelijke behandeling aangezien de uitgangsposities niet dezelfde zijn. De facto ligt bij in het Nederlands of het Frans gevoerde procedures in ieder geval een cassatiearrest voor in de taal van de reeds voorafgaande procedures. Bij Duitstalige procedures zou dit slechts mogelijk zijn onder de zeer restrictieve voorwaarden van de nieuwe wet. Dat zou betekenen dat de rechtzoekende van een in het Duits gevoerde procedure niet langer onvoorwaardelijk aanspraak kan maken op minstens een naar het Duits vertaald arrest van het Hof van Cassatie. Aldus is er volgens haar eveneens sprake van een achteruitgang van hun taalrechtelijke behandeling. A.31.
- Onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding merkt zij op dat de minister de bestreden regeling in die zin lijkt in te vullen dat er enkel nog een vertaling naar het Duits zal zijn indien de bestreden rechterlijke beslissing in het Duits was gewezen. Volgens haar is er geen objectieve en redelijke verantwoording voor het aangevoerde verschil in behandeling, in het bijzonder in het licht van de bij artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde gelijkwaardigheid van de taalgebieden. A.31.
- De verzoekende partij stelt dat eveneens afbreuk wordt gedaan aan de uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende standstill-verplichting wanneer de bestreden regeling betrekking heeft op procedures binnen het bereik van de rechten die bij die grondwetsbepaling zijn gewaarborgd. Zij betoogt dat de arresten van het Hof nr. 182/2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182) en nr. 99/2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.099) naar analogie relevant zijn en met zich meebrengen dat cassatiearresten naar het Duits dienen te worden vertaald, zo niet is er sprake van een verminderde bescherming. A.31.
- Ten slotte meent zij dat afbreuk wordt gedaan aan het recht op een eerlijk proces. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 120/2019 van 19 september 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.120) is zij van oordeel dat de regeling leidt tot een oneerlijk proces omdat de Duitstalige rechtzoekenden de vertaling van het cassatiearrest naar het Duits ontnomen wordt. In zoverre het een strafprocedure betreft, worden bovendien nog andere waarborgen in het gedrang gebracht. Zo geldt ten aanzien van een vervolgde persoon overeenkomstig artikel 6, lid 3, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de waarborg om een uitspraak te verkrijgen in zijn eigen taal. Een proces kan niet eerlijk zijn wanneer de beschuldigde de rechterlijke beslissing niet na vertaling in zijn eigen taal kan verkrijgen. Dat geldt des te meer wanneer het gaat om een van de drie grondwettelijk erkende nationale talen van België. 17 A.
- De Ministerraad is om dezelfde redenen als die welke in A.29 zijn vermeld, van oordeel dat het enige middel niet gegrond is. Zaak nr. 7984 A.
- De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door artikel 16 van de wet van 16 oktober
- A.34.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling een discriminatie tot stand brengt doordat arresten van het Hof van Cassatie die volgen op een bestreden beslissing die in het Duits is gewezen niet langer onvoorwaardelijk naar die taal zullen worden vertaald en bijgevolg Duitse vertalingen van die beslissing slechts onder dezelfde voorwaarden als vertalingen naar het Nederlands of het Frans kunnen worden verkregen. Zij wijzen op de artikelen 27 en 27bis van de wet van 15 juni
- Die bepalingen hebben tot gevolg dat een Franstalige of een Nederlandstalige rechtzoekende een cassatiearrest kan verkrijgen in de taal van de bestreden rechterlijke beslissing. Een Duitstalige rechtzoekende beschikt niet over dat privilege. Die Duitstalige wordt bovendien ook benadeeld door het feit dat de procedure voor het Hof van Cassatie niet in het Duits gevoerd kan worden. Hij beschikte enkel over de mogelijkheid om een vertaling naar het Duits te verkrijgen op basis van artikel 28 van de wet van 15 juni
- Die mogelijkheid is evenwel geschrapt door de bestreden regeling. Het is vervolgens ook mogelijk dat een Duitstalige magistraat die in een Duitstalige kamer van een rechtbank zetelt en kennis moet nemen van een cassatiearrest tegen een rechterlijke beslissing, wordt geconfronteerd met een arrest in een voor hem vreemde taal. Hoewel de Duitstalige magistraat per definitie ook het Frans beheerst, is dat niet noodzakelijk ook het geval wat betreft het Nederlands. Aldus kan die magistraat worden geconfronteerd met een cassatiearrest in een taal die hij niet probleemloos begrijpt. Hetzelfde risico bestaat wanneer een cassatievoorziening in het Duits wordt ingesteld en het Hof van Cassatie beslist om de procedure in een taal te voeren die de magistraat niet begrijpt. Ook indien het in voorkomend geval grondwetsconform zou zijn dat arresten van het Hof van Cassatie waarin de bestreden rechterlijke beslissingen in het Nederlands of het Frans zijn gewezen, niet vertaald worden naar de andere taal, is het evenwel strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat cassatiearresten tegen rechterlijke beslissingen die in het Duits zijn gewezen niet naar het Duits worden vertaald. Dergelijke onverantwoorde gelijke behandeling wordt overigens niet verantwoord in de parlementaire voorbereiding. A.34.
- Zij zijn van oordeel dat de bestreden regeling ook leidt tot een oneerlijke procedure ten aanzien van rechtzoekenden in Duitstalige procedures omdat zij anders worden behandeld dan Franstalige of Nederlandstalige rechtzoekenden. In zoverre het strafzaken betreft, worden ook andere waarborgen schonden. Zij verwijzen voorts naar artikel 6, lid 3, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de vervolgde persoon waarborgt dat deze de uitspraak in zijn zaak kan verkrijgen in de taal die hij begrijpt. Zo niet is er geen sprake van een eerlijk proces. Dat geldt des te meer indien het gaat om een van drie officiële landstalen. A.34.
- Zij stellen ten slotte dat eveneens afbreuk wordt gedaan aan de uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende standstill-verplichting wanneer de bestreden regeling betrekking heeft op procedures binnen het bereik van de rechten die bij die grondwetsbepaling zijn gewaarborgd. Zij betogen dat de voormelde arresten van het Hof nrs. 182/2008 en 99/2010 naar analogie relevant zijn en met zich meebrengen dat cassatiearresten naar het Duits dienen te worden vertaald, zo niet is er volgens hen sprake van een verminderde bescherming. Zij stellen dat, vóór de bestreden wetswijziging, een Duitstalige rechtzoekende die voor het Hof van Cassatie geen rechtspleging in het Duits kon verkrijgen, het absolute recht had om een vertaling van dat cassatiearrest naar het Duits te verkrijgen zodat dat arrest aansluit bij de taal waarin de bestreden rechterlijke beslissing reeds werd gewezen. Na de wetswijziging bestaat dat absolute recht niet meer zodat er sprake is van een aanzienlijke achteruitgang. Bovendien is het op basis van de parlementaire voorbereiding niet duidelijk of er een redelijke verantwoording voor die achteruitgang bestaat. A.
- De Ministerraad is om dezelfde redenen als die welke in A.29 zijn vermeld, van oordeel dat het enige middel niet gegrond is. 18 Zaak nr. 7986 Wat betreft het eerste middel A.
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 149 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door artikel 782, § 8, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd en gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 16 oktober
- A.
- Zij wijst erop dat artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, b), van het Gerechtelijk Wetboek, zolang de debatten niet zijn gesloten, ten behoeve van de personen die zijn opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst en die een gemotiveerde aanvraag hiertoe indienen, voorziet in een voorwaardelijk recht van toegang tot het Centraal register om een noodzakelijke opzoeking (binnen het kader van een onderzoek dat zij voeren, van een aanhangige zaak waarin zij zetelen of waarin zij beroepshalve optreden) te doen naar authentieke, niet-gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen. Zij voegt eraan toe dat artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, c), van het Gerechtelijk Wetboek de advocaat enkel en alleen die authentieke rechterlijke beslissingen laat raadplegen waarin diens cliënt als procespartij is opgenomen, en op geen enkele manier in de mogelijkheid voorziet om bij het beheerscomité een gemotiveerde aanvraag te doen teneinde een opzoeking te kunnen uitvoeren in het kader van zijn taak als verdediger van de rechten van zijn cliënt in een concrete zaak. Dat onderscheid inzake toegang tot het Centraal register is volgens haar onverantwoord en doorstaat de toets aan het discriminatieverbod niet. A.38.
- De verzoekende partij is van oordeel dat de vergeleken categorieën van personen vergelijkbaar zijn omdat ze allen met inachtneming van deontologische verplichtingen een taak van algemeen belang uitoefenen door een belangrijke rol op te nemen binnen de gerechtelijke procesvoering en aldus een bijdrage te leveren aan de rechtsbedeling. Dat geldt des te meer in strafzaken waar het openbaar ministerie een procespartij is tegenover de verdachte, van wie de advocaat de verdediging opneemt. A.38.
- In het algemeen streeft de wetgever legitieme doelstellingen na bij het oprichten van een Centraal register, waaronder de doelstelling om toegang te verlenen aan de personen die de wettelijke toelating ervoor krijgen en de doelstelling om het recht op eerbiediging van het privéleven te waarborgen door strenge voorwaarden te koppelen aan de toegangsaanvraag. De uitsluiting van de advocaten om authentieke rechterlijke beslissingen te kunnen raadplegen, dient volgens de verzoekende partij echter geen legitiem doel. Zij betwist dat het onderscheid tussen personen met een gerechtelijk ambt en personen met een ambt om personen in rechte te vertegenwoordigen voor de hoven en de rechtbanken, een legitieme doelstelling nastreeft. Het verlenen van toegang aan de magistraten zou bovendien ertoe strekken een juridisch kader te bieden voor een bestaande informele, niet wettelijke praktijk van raadplegingen door hoven en rechtbanken. Een dergelijke doelstelling kan de uitsluiting van advocaten niet verantwoorden. A.38.
- Het personele toepassingsgebied van het bij artikel 782, § 8, eerste lid, 2°, b), van het Gerechtelijk Wetboek strikt beperkte recht van toegang tot authentieke rechterlijke beslissingen is niet pertinent. Er wordt geen afdoende verantwoording gegeven waarom de toegang van de advocaat beperkt is tot het raadplegen van authentieke rechterlijke beslissingen in zaken waarin zijn cliënt als partij is vermeld. De uitsluiting van advocaten uit de groep van personen die op basis van die bepaling toegang kunnen vragen tot de authentieke beslissingen, is weliswaar adequaat om de groep van gebruikers van het Centraal register te beperken, maar het steunt niet op een pertinent criterium. De verzoekende partij betwist overigens dat de onderscheiden aard van het ambt pertinent is om het onderscheid, wat betreft de toegang tot de authentieke rechterlijke beslissingen in het Centraal register, tussen de staande magistratuur en advocaten te verantwoorden. Zij wijst erop dat ook advocaten in het algemeen belang een belangrijke rol opnemen in de rechtsbedeling. Ook kan het onderscheid niet steunen op een vermoeden inzake loyaal optreden omdat ook advocaten in overeenstemming met hun deontologische verplichtingen, loyaal dienen op te treden. A.38.
- Het ten aanzien van advocaten ingevoerde onderscheid is evenmin evenredig in het licht van de doelstelling van de wetgever. Zij verwijst daarvoor in eerste instantie naar haar uiteenzetting over het gebrek aan pertinentie van het onderscheid. Ten tweede merkt zij op dat in de rechtspraak van het Hof de principiële gelijkheid tussen het openbaar ministerie en andere procespartijen wordt bevestigd, in het bijzonder wat betreft de 19 wapengelijkheid en het recht op een eerlijk proces. Ten derde voert zij aan dat zij geen bevraagde stakeholder was bij het opstellen van het wetsontwerp. Over het beheer, de werking en de aanwending van het Centraal register werd zij niet geconsulteerd. Ten vierde wijst zij erop dat de wetgever zelf ook heeft ingezien dat het ingevoerde onderscheid onevenredig was in het licht van de beginselen van eerlijke procesvoering. Zo bepaalt artikel 782, § 8, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat wanneer een magistraat een opzoekingsresultaat wil gebruiken in zijn besluitvorming, alle partijen in de procedure daarvan in kennis dienen te worden gesteld teneinde het recht op tegenspraak te vrijwaren. Die verplichting geldt evenwel niet in de fase van het onderzoek waar magistraten opzoekingen mogen doen zonder enige meldingsplicht. Ook geldt de verplichting niet wanneer de resultaten niet worden gebruikt. Er is volgens haar een ruime vrijheid om het Centraal register te consulteren zonder dat dit noodzakelijk het voorwerp is van een tegensprekelijk debat, omdat het een subjectieve invulling door de rechter betreft of de resultaten van de opzoeking louter als een inspiratie of achtergrond dienden, dan wel of die resultaten daadwerkelijk betrokken werden in de besluitvorming. Ten slotte is het gemaakte onderscheid onevenredig omdat het verschillende inbreuken op het wettigheidsbeginsel en het delegatieverbod als onderdeel van het beginsel van de scheiding der machten inhoudt. De wetgever laat immers aan het beheerscomité over om te beslissen over de gemotiveerde aanvragen van de magistraten. In dat orgaan ligt het zwaartepunt evenwel bij de vertegenwoordigers van de rechterlijke macht zelf. Bovendien wordt aan de Koning de machtiging gegeven om de criteria te bepalen voor het beoordelen van de gemotiveerde aanvragen van gerechtelijke beambten. Dergelijke verregaande delegaties aan de uitvoerende macht en zelfs aan de beheerder is niet bestaanbaar met het wettigheidsbeginsel en de scheiding der machten. Zij verwijst daarbij naar haar toelichting bij het derde onderdeel van het tweede middel. A.
- De tussenkomende partijen sluiten zich aan bij de uiteenzetting van het eerste middel door de verzoekende partij, maar zij betogen dat de daarbij beoogde uitbreiding van de toegang tot het Centraal register niet kan worden beperkt tot de advocaten. Zij voegen eraan toe dat ook (juridische) uitgevers een belangrijke rol spelen in het rechtsbegrip en de rechtsontwikkeling. Zij betreuren dat zij net zoals de advocaten niet de jure toegang hebben tot het Centraal register. Zij betogen dat juridische uitgevers vectoren zijn van informatie tussen rechtsbronnen en beroepsbeoefenaars en dat zij een duidelijke meerwaarde creëren. Zo worden via uitgevers vonnissen en arresten geannoteerd. Die annotaties zijn van groot belang voor een goed begrip van het recht. Indien uitgevers geen (onbeperkte) toegang voor het verwerken van de rechtspraak zouden krijgen, dan komt de annotatiepraktijk mogelijkerwijs in gevaar, hetgeen nefast is voor het rechtsbegrip en de rechtsontwikkeling. Daarnaast zorgen uitgevers voor talrijke rechtspraakbundels, hetgeen volgens hen bijdraagt tot een goed zicht op de belangrijkste rechtspraak. Om die bundels samen te stellen is evenwel meer nodig dan het consulteren van één individueel gepseudonimiseerd arrest of vonnis. Integendeel, dergelijke publicaties vereisen de verwerking van gehelen van gegevens in het Centraal register. Ook staat de bestreden regeling nieuwe ontwikkelingen in de weg. Zo kunnen mogelijkerwijs niet langer hyperlinks worden gelegd naar de rechtspraak omdat het kan worden gezien als een massale verwerking van gegevens in het Centraal register. Zo wordt het gebruik of de ontwikkeling van artificiële intelligentie tegengegaan, hetgeen nadelig is voor bepaalde beroepsgroepen zoals advocaten, maar ook voor alle rechtsonderhorigen. A.
- De Ministerraad werpt allereerst op dat de kritiek van de tussenkomende partijen omtrent het gebrek aan toegang tot authentieke beslissingen voor (juridische) uitgevers, zoals door hen geformuleerd, niet ontvankelijk is, aangezien het gaat om een nieuw middel. Immers, de weerlegging van de kritiek vereist een toets aan het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van een categorie van personen waar in het verzoekschrift nog geen sprake van was. A.41.
- De Ministerraad merkt vooraf op dat het vaststaat en niet wordt betwist dat het publiek, hierin inbegrepen rechtzoekenden en juridische beroepsbeoefenaars (waaronder advocaten) krachtens artikel 9 van de wet van 16 oktober 2022 een onbeperkte toegang zullen genieten tot de gepseudonimiseerde beslissingen die uitgaan van de rechterlijke orde. Hij stelt evenwel vast dat de verzoekende partij uitgaat van de premisse dat de toegang tot de authentieke, niet-gepseudonimiseerde beslissingen een voordeel biedt in het kader van de procesvoering, in vergelijking met een loutere toegang tot de niet-gepseudonimiseerde beslissingen. De gepseudonimiseerde beslissingen stemmen, wat betreft de inhoud, volledig overeen met de authentieke beslissingen, met uitzondering van volgende gegevens : de identiteitsgegevens van natuurlijke personen (uitgezonderd de magistraten, leden van de griffie en advocaten); elk element dat toelaat de natuurlijke personen (uitgezonderd de magistraten, leden van de griffie en advocaten) rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren binnen de limieten van leesbaarheid en begrijpbaarheid; de identiteitsgegevens van magistraten, leden van de griffie of advocaten of ieder ander element dat toelaat hen rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren, op beslissing van de korpschef van het gerecht na advies van het openbaar ministerie indien de verspreiding ervan de 20 veiligheid van magistraten, leden van de griffie en advocaten of hun entourage in het gedrang zou brengen; in strafzaken die betrekking hebben op de in artikel 137 tot 141ter, 324bis en 324ter van het Strafwetboek bedoelde misdrijven, de identiteitsgegevens van magistraten, leden van de griffie of advocaten of ieder ander element dat toelaat hen rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren. Het verschil tussen de authentieke en de gepseudonimiseerde beslissingen schuilt volgens hem dan ook in de aanwezigheid, respectievelijk afwezigheid van elementen die toelaten de natuurlijke personen en, onder bepaalde omstandigheden, de magistraten, leden van de griffie en de advocaten te identificeren. De inhoud van de rechterlijke beslissingen en de redeneringen die voorafgaan aan het beslechten van rechtsvragen is dus identiek in beide versies van de beslissingen. De Ministerraad ziet niet in op welke wijze het al dan niet kunnen beschikken over de identiteit van de betrokken natuurlijke personen enige invloed kan hebben op de kwaliteit van de belangenbehartiging van cliënten waarvoor advocaten optreden. Voor zover advocaten kennis zouden willen hebben van eerdere authentieke beslissingen waarbij hun cliënten betrokken waren, kunnen deze authentieke beslissingen door de cliënten zelf worden overgemaakt, desgevallend via hun toegang tot het Centraal register. Met deze vaststelling dient rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of de bestreden bepalingen het recht op een eerlijk proces ondermijnen. A.41.
- Hij is vervolgens van oordeel dat advocaten en de personen die zijn vermeld op de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek beoogde elektronische lijst, behoren tot verschillende categorieën die in het licht van de doelstelling van het bestreden artikel 8 niet voldoende vergelijkbaar zijn. Onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding betoogt hij dat de wetgever door de oprichting van het niet voor het publiek toegankelijke luik van het Centraal register ernaar streefde om de werking van de rechterlijke orde te vergemakkelijken en de leden van de rechterlijke orde instrumenten aan te reiken die de kwaliteit van de rechtspraak als openbare dienst ten goede komen. Daarnaast wordt er ook aandacht besteed aan journalistieke en wetenschappelijke doeleinden. Hoewel advocaten worden beschouwd als medewerkers van het gerecht, behoren ze niettemin niet tot de rechterlijke orde en bevinden ze zich niet in een vergelijkbare situatie als de leden van die orde. Het verbeteren van hun werking wordt niet beoogd door het bestreden artikel 8, maar wel door artikel 9, dat de toegang tot gepseudonimiseerde beslissingen instelt. Hij voegt nog eraan toe dat niet de eventuele hoedanigheid van procespartij determinerend is voor de toepassing van de bestreden regeling, maar wel het al dan niet uitoefenen van een gerechtelijk ambt, hetgeen past in de organisatie van de openbare dienst van de rechtspraak. Zo maken advocaten geen deel uit van de rechterlijke orde. Zij hangen derhalve ook niet af van de overheid, wat hun organisatie en werking en dus de goede rechtsbedeling betreft. Advocaten bevinden zich dus niet in een vergelijkbare situatie. Leden van het openbaar ministerie kunnen dan ook niet worden gelijkgesteld met advocaten wat betreft de toegang tot het niet-publieke luik van het Centraal register. Er schuilt een manifest verschil in de proceshoedanigheid van het openbaar ministerie, dat de naleving van de wet dient te benaarstigen in het belang van de samenleving, terwijl advocaten voornamelijk de belangen van hun cliënten vooropstellen. Bovendien gaat de rol van het openbaar ministerie verder dan een loutere proceshoedanigheid. Zo dient het openbaar ministerie krachtens artikel 140 van het Gerechtelijk Wetboek te waken over de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken. Het betreft een taak ter ondersteuning van de werking van de rechterlijke orde, hetgeen aansluit bij de doelstelling van de bestreden regeling. A.41.
- In ondergeschikte orde, in zoverre zou kunnen worden beschouwd dat de advocaten vergelijkbaar zijn met de leden van de rechterlijke orde (en magistraten in opleiding), dient te worden vastgesteld dat beide categorieën niet verschillend worden behandeld in het licht van de beginselen inzake wapengelijkheid en eerlijke procesvoering. Ten eerste is het verschil tussen de authentieke beslissingen en de gepseudonimiseerde beslissingen enkel gelegen in de aanwezigheid, respectievelijk afwezigheid van persoonsgegevens van de bij de beslissing betrokken natuurlijke personen. Een advocaat zal in het kader van zijn belangenbehartiging van zijn cliënt steeds steunen op de inhoud van de rechtspraak en niet op de persoonsgegevens van de natuurlijke personen die betrokken waren bij voormelde rechtspraak. Er kan niet worden ingezien in welk opzicht het beschikken over persoonsgegevens van natuurlijke personen die betrokken waren bij eerdere beslissingen een relevant element zou kunnen zijn om de uitkomst van een nieuwe beslissing te beïnvloeden. Bovendien kan een advocaat over de authentieke beslissingen waarbij zijn cliënt betrokken is, beschikken via zijn cliënt, die toegang heeft tot die beslissingen. Ook dient een resultaat van een opzoeking in het Centraal register door een lid van de rechterlijke orde te worden meegedeeld aan alle partijen zodat daarover tegenspraak kan worden gevoerd. Aldus beschikken alle partijen over dezelfde wapens. Aldus hebben advocaten toegang tot exact dezelfde inhoud van jurisprudentie als de andere partijen en actoren in een proces. 21 A.41.
- In ondergeschikte orde, in zoverre er sprake zou zijn van een verschil in behandeling, dient te worden vastgesteld dat het gehanteerde criterium van onderscheid voor de toegang tot het interne luik van het Centraal register objectief is. De wetgever heeft de hoedanigheid van beoefenaar (al dan niet in opleiding) van een gerechtelijk ambt gehanteerd als criterium voor de categorieën van personen die een gemotiveerde aanvraag tot opzoeking kunnen doen in het interne luik van het Centraal register. A.41.
- De Ministerraad brengt vervolgens in herinnering dat het bestreden artikel 8 en het niet-bestreden artikel 9 van de wet van 16 oktober 2022 ertoe strekken de werking van de rechterlijke macht te vergemakkelijken en te verbeteren door digitalisering, de openbaarheid van de rechtspraak te waarborgen zodat een controle door het publiek mogelijk blijft, en de persoonsgegevens te beschermen van de natuurlijke personen die betrokken waren bij een gerechtelijke beslissing. Die doelstellingen zijn legitiem. A.41.
- De keuze om advocaten, in tegenstelling tot leden van de rechterlijke orde, uit te sluiten van de mogelijkheid om een gemotiveerd verzoek in te dienen teneinde kennis te nemen van authentieke beslissingen waar zij zelf niet bij betrokken waren, is redelijk verantwoord in het licht van de nagestreefde doelstellingen. De wetgever heeft de afweging gemaakt tussen het recht op privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, enerzijds, en de belangen die gepaard gaan met een correcte rechtsvinding en een behoorlijke rechtsbedeling, anderzijds. Hij heeft gezocht naar een verantwoord evenwicht tussen openbaarheid van rechtspraak en controle op de rechtsprekende functie, enerzijds, en de bescherming van persoonsgegevens, anderzijds. Het is volstrekt aannemelijk dat leden van de rechterlijke orde af en toe toegang nodig zullen hebben tot het interne luik van het Centraal register. Advocaten daarentegen hebben voor hun werkzaamheden (adviseren van hun cliënten en het verdedigen van hun belangen voor de rechtscolleges) toegang nodig tot de materiële inhoud van rechterlijke beslissingen om een zicht te kunnen hebben op de stand van de rechtspraak in de materie die hen aanbelangt en op basis daarvan een verdediging te kunnen voeren. Die doelstelling kan perfect worden behaald door de toegang tot de gepseudonimiseerde beslissingen in het publieke luik van het Centraal register. Met het oog op de belangenbehartiging heeft een advocaat nood aan inhoudelijke rechtspraak en niet aan persoonsgegevens van de bij die rechtspraak betrokkenen. De werkzaamheden van advocaten vereisten in beginsel niet dat persoonsgegevens van derden aan hen of hun cliënten zouden worden meegedeeld. Evenmin komt de wapengelijkheid in het gedrang daar resultaten van een opzoeking in het niet-publieke luik worden meegedeeld aan de partijen in het proces. Wat de toegang van leden van het openbaar ministerie betreft, brengt de Ministerraad hun rol bij het benaarstigen, in het algemeen belang, van de toepassing van de wet in herinnering. Hij wijst voorts erop dat de toegang van het openbaar ministerie, dat optreedt in het algemeen belang, beperkt blijft tot leden van de rechterlijke orde, die worden geacht loyaal op te treden wanneer zij beschikken over persoonsgegevens, in tegenstelling tot advocaten, die een particulier belang nastreven waarbij persoonsgegevens gedeeld kunnen worden met cliënten die ermee kunnen doen wat zij willen. Advocaten zouden in het geval van de door de verzoekende partij nagestreefde toegang wel de mogelijkheid hebben om persoonsgegevens te verzamelen zonder dat de resultaten van de opzoeking een dergelijke toegang verantwoorden. Het bestreden verschil heeft geen onevenredige gevolgen. Dat is evenmin het geval met betrekking tot het beginsel van de wapengelijkheid. Advocaten bevinden zich niet in een duidelijk nadelige positie ten opzichte van het openbaar ministerie. Beide partijen hebben immers toegang tot het gepseudonimiseerde luik van het Centraal register. Voor zover het openbaar ministerie na een voorafgaande aanvraag toegang zou hebben verkregen tot gegevens uit het niet-publieke luik, dan zijn die gegevens onderworpen aan tegenspraak. Het openbaar ministerie zal dus niet over meer middelen beschikken dan de andere procespartijen. A.41.
- De Ministerraad is, rekening houdend met het voorgaande, van oordeel dat geen afbreuk wordt gedaan aan artikel 149 van de Grondwet, noch aan artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij verwijst voor het overige, met betrekking tot de weerlegging van de kritiek inzake een schending van het beginsel van de scheiding der machten, naar zijn standpunt in het kader van het tweede middel. Wat betreft het tweede middel A.
- De verzoekende partij leidt een eerste onderdeel van een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14, 19, 22, 32, 33, 37, 105, 108 en 149 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 11 en 47 van het Handvest, en met de artikelen 14, 17 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke 22 rechten, door artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 782, § 5, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd en gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van de wet van 16 oktober
- A.43.
- De verzoekende partij stelt dat de bestreden bepalingen het massaal downloaden en de verwerking van een geheel van in het Centraal register opgenomen gegevens in het algemeen verbieden terwijl de mogelijkheid om voor het publiek toegankelijke informatie op te slaan en te verwerken naar believen deel uitmaakt van de kern van het recht op vrije meningsuiting en de eerbiediging van het privéleven. Zij wijst erop dat het massaal downloaden en verwerken van gegevens als vrijheidsrecht voortvloeit uit verschillende bepalingen van de Grondwet en analoge grondrechten in internationale verdragen. Zo rusten er positieve verplichtingen op de wetgever om het massaal downloaden en het verwerken van vonnissen en arresten als voor het publiek toegankelijke informatie te bevorderen. De verzoekende partij verwijst hierbij naar artikel 149 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die respectievelijk de openbaarheid van de rechtspraak, de openbaarheid van een uitspraak en een openbare behandeling waarborgen. Zij verwijst eveneens naar artikel 47 van het Handvest. Daarnaast wijst zij op de Datagovernanceverordening en op artikel 5, lid 1, van de richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 « inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (herschikking) ». Aangezien het Centraal register een werkingsinstrument van en voor de FOD Justitie uitmaakt, valt de inhoud ervan volgens haar onder artikel 32 van de Grondwet, dat de openbaarheid van bestuursdocumenten waarborgt. Daarnaast rusten er op de overheid negatieve verplichtingen die voortvloeien uit het recht op vrije meningsuiting en het recht op privéleven omdat de overheid zich niet op een disproportionele wijze mag mengen in de manier waarop personen zich publieke informatie eigen maken en die vervolgens als persoonlijke of professionele informatie willen ordenen, beschikbaar maken en verspreiden. A.43.
- Het is volgens haar vaststaande rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat een « onbeperkt verbod » als beperking van grondrechten niet is toegestaan, a fortiori wanneer uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat er geen grondig debat heeft plaatsgevonden over een dergelijk verbod. Zij merkt op dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever bij de bestreden maatregel een antwoord wilde bieden op een opmerking in het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit en op bezorgdheden van het College van de hoven en rechtbanken. Het advies is volgens haar beperkt tot aanbevelingen omtrent het verstrekken van gegevens aan marktdeelnemers die actief zijn in de ontwikkeling van algoritmen voor commerciële doeleinden zodat strikte beperkingen met betrekking tot de doeleinden waarvoor persoonsgegeven in de context van de training van algoritmen kunnen worden verwerkt dienden te worden opgelegd. Voorts werd in het advies aangegeven dat de voldoende pseudonimisering/anonimisering diende te worden gewaarborgd, ook op technisch vlak. Zij betoogt dat de wetgever het kind met het badwater heeft weggegooid en volgens haar werd er onvoldoende rekening gehouden met de andere grondrechten. Zij wijst erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen opmerkingen heeft geformuleerd. A.43.
- Het door de wetgever ingeroepen doel van de bescherming van de magistratuur en zelfs de advocatuur is niet objectief en niet legitiem. De verzoekende partij ziet niet in hoe een magistraat geschaad zou worden als uit een AI-analyse blijkt dat hij of zij steeds een bepaalde richting uitgaat. Dit zou integendeel de magistraat helpen om zichzelf in vraag te stellen. Ten slotte is een quasi-absoluut verbod onevenredig met het beoogde doel indien dat aanvaardbaar was geweest. Het is immers mogelijk om door middel van uitvoeringsregelgeving technische beperkingen in te bouwen die het massaal downloaden en verwerken van een geheel van vonnissen en arresten zouden kunnen indammen. Een principieel verbod op dergelijke verwerkingen (zonder een uitzondering voor een aantal specifieke categorieën van personen), dat nog eens strafrechtelijk wordt beteugeld, dient als onevenredig te worden beschouwd. A.
- De tussenkomende partijen sluiten zich thans aan bij de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het tweede middel. Zij voegen eraan toe dat het verbod op massaal downloaden en verwerken van een geheel van gegevens door de wetgever wordt verantwoord onder verwijzing naar het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Zij menen dat de wetgever in dat advies dingen heeft gelezen die er niet staan. Zij betogen dat het advies nergens een dergelijk verbod heeft vooropgesteld of vereist. De Gegevensbeschermingsautoriteit uitte volgens hen enkel de bekommernis dat niet perfect geanonimiseerde gegevens in handen zouden vallen van bepaalde malafide derden die ze zouden kunnen aanwenden voor commerciële doeleinden. Hoe die bekommernis een quasi-absoluut verbod kan verantwoorden, wordt niet toegelicht. Bovendien blijkt uit het advies dat er technische opties zijn die kunnen verhinderen dat beslissingen die niet volmaakt anoniem zijn, kunnen worden verwerkt door eenieder. 23 De wetgever heeft zich te eenzijdig laten leiden door de bekommernis van die Autoriteit om persoonsgegevens te beschermen en heeft daarbij de afweging met andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, uit het oog verloren. Zij zijn dan ook van oordeel dat de wetgever de belangen niet correct heeft afgewogen. A.45.
- De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is. A.45.
- De vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, wordt volgens de Ministerraad niet beperkt. De bestreden bepalingen voorzien immers in een in beginsel onbeperkte toegang tot gepseudonimiseerde rechterlijke beslissingen waardoor het publiek meer dan ooit kennis zal kunnen nemen van rechtspraak en zodoende controle zal kunnen uitoefenen op de werkzaamheden van de rechterlijke macht. Het verbod op het massaal downloaden en verwerken van gegevens die zijn vervat in die rechterlijke beslissingen belet het publiek niet om kennis te nemen van de inhoud van de gepseudonimiseerde beslissingen via het publieke luik van het Centraal register. Er worden dan ook geen limieten opgelegd aan de mogelijkheid voor het publiek om kennis te nemen en te geven van informatie, aangezien die informatie voor iedereen toegankelijk zal zijn. De wetgever heeft overigens in lijn met de overwegingen in de verordening EU 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de algemene verordening gegevensbescherming) een gepast evenwicht gezocht tussen de bescherming van persoonsgegevens en de vrijheid van meningsuiting door, enerzijds, erin te voorzien dat eenieder toegang heeft tot gepseudonimiseerde rechtspraak en, anderzijds, een voorwaardelijke toegang mogelijk te maken tot individuele persoonsgegevens in het kader van journalistieke doeleinden. Het feit dat de wetgever kiest voor een strafbaarstelling van het massaal downloaden en het verwerken van een geheel van in het Centraal register opgenomen gegevens, is geenszins tegenstrijdig met de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid verzet zich niet tegen het bestraffen van misdrijven die plaatsvinden ter gelegenheid van het gebruik van die vrijheid. De strafbaarstelling valt overigens te verantwoorden. De wetgever wil erop toezien dat gegevens van het niet-publieke luik en gepseudonimiseerde gegevens in het publieke luik niet om de verkeerde redenen worden aangewend. Hij wijst erop dat in Frankrijk eenzelfde verbod op profilering van rechterlijke actoren bestaat. Het verbod op massaal downloaden en verwerken moet dan ook worden gelezen in het licht van het feit dat een dergelijke techniek de makkelijkste weg is om vervolgens algoritmes die een profilering zouden kunnen toelaten, op de « big data » los te laten. Het verbod op massaal downloaden en verwerken belet overigens niet dat individuele beslissingen nog steeds voor het publiek toegankelijk zullen zijn. Er is dus geen beperking van de vrijheid van meningsuiting. In zoverre er toch sprake zou zijn van een beperking van de vrijheid van meningsuiting, dan wordt zij vastgesteld bij een voldoende nauwkeurige wet en streeft zij een legitiem doel na dat erin bestaat persoonsgegevens van de bij de rechterlijke beslissingen betrokken personen (wat de niet-toegankelijke gegevens betreft), magistraten en andere actoren van de rechtsbedeling (wat de voor het publiek toegankelijke gegevens betreft) te vrijwaren van misbruik. De beperking is ook redelijk verantwoord. Zo wordt de toegang tot de gepseudonimiseerde beslissingen gevrijwaard. Daarnaast wordt in een voorwaardelijke verwerkingsmogelijkheid voorzien voor journalistieke doeleinden. De wetgever vermocht te oordelen dat louter technische maatregelen niet volstonden om persoonsgegevens van magistraten en advocaten te beschermen en dat tevens diende te worden voorzien in een strafrechtelijk verbod op het massaal downloaden en verwerken. Dat verbod wordt overigens slechts bestraft met een geldboete. A.45.
- De Ministerraad ziet niet in op welke wijze de bestreden bepalingen afbreuk zouden doen aan artikel 22 van de Grondwet. In ieder geval zou een beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven vastgesteld zijn bij een voldoende nauwkeurige wet, waarbij een legitiem doel wordt nagestreefd. Bovendien zou de maatregel redelijk verantwoord zijn. Hij ziet evenmin in hoe de bestreden bepalingen artikel 32 van de Grondwet zouden schenden, aangezien die grondwetsbepaling enkel betrekking heeft op documenten van administratieve overheden, waartoe de hoven en rechtbanken niet behoren. Artikel 32 van de Grondwet kan dus niet worden geschonden. Overigens is inzake de openbaarheid van bestuursdocumenten in een aantal uitzonderingen voorzien ter bescherming van het privéleven van natuurlijke personen. A.45.
- De Ministerraad werpt op dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet ontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat de verzoekende partij op geen enkele wijze duidt in welk opzicht er sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel. In 24 ondergeschikte orde is hij bovendien van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Er worden immers geen twee categorieën geïdentificeerd ten opzichte waarvan een onderscheiden behandeling zou worden ingesteld. A.
- De verzoekende partij leidt een tweede onderdeel van het tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 782, § 5, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd en gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van de wet van 16 oktober
- A.47.
- Volgens haar stellen de bestreden bepalingen een ongerechtvaardigd onderscheid in ten aanzien van de uitzonderingen op een algemeen verbod op massaal downloaden en verwerken van de gegevens in het Centraal register. Zij leidt uit de samenlezing van artikel 782, § 8, eerste lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 782, § 4, tweede lid, 6°, 7° en 8°, van hetzelfde Wetboek af dat massaal downloaden en verwerken van vonnissen en arresten na toelating toch mogelijk is voor drie doeleinden : de ondersteuning van de rechterlijke orde, historische of wetenschappelijke doeleinden en journalistieke doeleinden. Personen zoals advocaten die de gegevens willen verwerken voor andere doeleinden zoals de effectieve rechtsbescherming van cliënten kunnen geen beroep doen op een uitzonderingsgrond. Die ongelijke behandeling is volgens haar onverantwoord. A.47.
- Het betreft een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. Personen die voor juridische dienstverlening massaal toegang zouden wensen tot vonnissen en arresten zijn niet fundamenteel verschillend van personen die dat zouden wensen voor historische, wetenschappelijke of journalistieke doeleinden. Indien die categorieën van personen toch fundamenteel zouden verschillen, dan moet dat verschil eerder aanleiding geven tot meer toegangs- of verwerkingsmogelijkheden voor advocaten dan voor journalisten, historici of wetenschappers. A.47.
- De uitsluiting van de juridische dienstverlening dient geen wettig doel. Dat geldt des te meer aangezien de verwerking wel is toegestaan voor journalistieke doeleinden. Het is niet aanvaardbaar dat een volledige verwerking wordt toegestaan aan journalisten en niet aan advocaten. A.47.
- De criteria van onderscheid zijn noch objectief, noch pertinent. Immers, het risico dat massaal downloaden of verwerken door advocaten zou meebrengen, verschilt op geen enkele wijze van het risico van een dergelijke mogelijkheid voor journalisten, wetenschappers en historici. A.47.
- Ten slotte heeft het onderscheid onevenredige gevolgen. Ten eerste wordt er een wapenongelijkheid ingesteld tussen advocaten en leden van de rechterlijke orde. Ten tweede kan niet redelijkerwijs worden verklaard waarom het verzoek van journalisten, historici of wetenschappers zwaarder zou wegen dan een verzoek van advocaten om voor concrete doelen dezelfde mogelijkheden te verkrijgen teneinde vonnissen en arresten te laten analyseren. A.
- De tussenkomende partijen sluiten zich aan bij het tweede onderdeel van het tweede middel, in zoverre het ertoe strekt het Hof te horen zeggen dat de beweerde discriminatie inzake de uitzonderingen op het verbod enkel kan worden geremedieerd in de mate dat bijkomende categorieën van personen, zoals advocaten en, voor zover als nodig, uitgevers, in aanmerking dienen te komen voor het verkrijgen van een afwijking op het principieel verbod op massaal downloaden en verwerken van een geheel van gegevens. Indien het Hof zou oordelen dat het ontbreken van een uitzondering op het verbod ten aanzien van advocaten verantwoord zou zijn, dan betekent dit geenszins dat de uitzonderingsgrond voor wetenschappelijke doeleinden een discriminatie zou vormen. Indien aan uitgevers geen uitzonderingsgrond via machtiging zou kunnen worden toegestaan, dan zouden uitgevers veel zwaarwichtiger worden geraakt dan advocaten aangezien de ondernemingsvrijheid van uitgevers disproportioneel wordt aangetast indien zij niet meer zouden kunnen overgaan tot het publiceren (verwerken) van vonnissen en arresten. Om die reden is de uitzondering voor wetenschappelijke doeleinden verantwoord. In zoverre het Hof het tweede onderdeel toch gegrond zou achten, dan dient de vernietiging van de bestreden bepalingen te worden beperkt in de mate dat zij advocaten niet toelaten om aanspraak te maken op een uitzondering op het verbod. A.49.
- De Ministerraad is van oordeel dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet gegrond is. A.49.
- Wat de uitzonderingen betreft op het verbod op massaal downloaden en verwerken kunnen enerzijds de personen worden geïdentificeerd die gegevens zouden willen kunnen downloaden en verwerken ten behoeve van juridische dienstverlening (advocaten) en, anderzijds, personen die gegevens zouden willen verwerken ten behoeve van de werking van de rechterlijke orde of voor journalistieke of wetenschappelijke doeleinden. Hij stelt 25 dat advocaten weliswaar kunnen worden vergeleken met journalisten en wetenschappers, maar geenszins met de leden van de rechterlijke orde. A.49.
- Uit de samenlezing van artikel 782, § 8, eerste lid, 5°, en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek met artikel 782, § 4, tweede lid, 6°, 7° en 8°, van hetzelfde Wetboek leidt de Ministerraad af dat er geen verschil in behandeling bestaat met journalisten omdat de verwerking voor journalistieke doeleinden slechts toegelaten is ten aanzien van gespecificeerde individuele persoonsgegevens en het onder geen beding toegelaten is om massaal gegevens te downloaden en te verwerken. De beperkte verwerkingsmogelijkheid voor journalistieke doelen valt dus niet onder het principiële toepassingsgebied van het verbod op massaal downloaden en verwerken en kan dus niet als een uitzondering op dat verbod worden beschouwd. Het massaal downloaden en verwerken voor journalistieke doeleinden is eveneens verboden krachtens artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Wat de verwerking van een geheel van gegevens voor wetenschappelijke doeleinden en doeleinden ter ondersteuning van de rechterlijke orde betreft, is er echter wel een verschil in behandeling. Evenwel is het volgens de Ministerraad niet uitgesloten dat de orde van advocaten, evenals uitgeverijen, via de beheerder toegang krijgen tot individuele gegevens of gehelen van gegevens voor wetenschappelijke doeleinden. A.49.
- Volgens de Ministerraad is het criterium van onderscheid duidelijk en objectief. De beheerder zal immers eenvoudig kunnen vaststellen of een verzoek tot verwerking van gegevens uitgaat van wetenschappelijke, journalistieke of voor de rechterlijke orde ondersteunende doeleinden, dan wel of het verzoek andere doeleinden moet dienen. A.49.
- De wetgever streeft ook een legitiem doel na door een verbod in te stellen op massaal downloaden en verwerken. Het verbod strekt ertoe de persoonsgegevens van de bij de rechtspraak betrokken personen, magistraten en andere actoren van de rechtsbedeling te vrijwaren van misbruik en grootschalige verwerking, waardoor onder meer profilering mogelijk zou worden gemaakt. Het is eveneens legitiem om in uitzonderingen op het verbod te voorzien voor bepaalde doelstellingen. Zo is de bevordering van de werking van de rechterlijke orde een legitiem doel dat verantwoordt dat in een uitzondering wordt voorzien op het verbod op het massaal downloaden en het verwerken van een geheel van gegevens. Het legitieme karakter van de uitzondering voor wetenschappelijke en journalistieke doeleinden vloeit voort uit de overwegingen 50 en 153 van de algemene verordening gegevensbescherming. A.49.
- De uitzonderingen op het verbod zijn te verantwoorden vanuit de doelstellingen die de wetgever ermee nastreeft. De wetgever vermocht te oordelen dat de verwerking van persoonsgegevens door de overheid garanties tegen misbruiken biedt die niet kunnen worden geboden wanneer algoritmes vanuit privé-initiatief zouden worden ontwikkeld. Het feit dat er niet in een uitzondering is voorzien op het verbod op massaal downloaden en verwerken van gegevens voor advocaten die het persoonlijk belang van hun cliënten nastreven, heeft ook geen onredelijke gevolgen. Het is voor advocaten immers niet verboden om individuele gegevens uit voor het publiek toegankelijke beslissingen te downloaden en te verwerken, enkel de grootschalige verwerking waardoor profilering van magistraten mogelijk zou worden, is voor hen verboden. Dat risico bestaat volgens de Ministerraad niet bij een toelating voor wetenschappelijke doeleinden of ter ondersteuning van de rechterlijke orde. Bovendien hebben advocaten onbeperkt toegang tot de gepseudonimiseerde beslissingen waarmee zij de verdediging van hun cliënten in goede banen kunnen leiden. Het publieke luik van het Centraal register stelt advocaten voldoende in staat om hun taken in goede omstandigheden uit te oefenen. A.
- De tussenkomende partijen sluiten zich aan bij het derde onderdeel van het tweede middel. Zij merken op dat, in zoverre het Hof noch het eerste onderdeel, noch het tweede onderdeel van het middel gegrond zou achten, dan in ieder geval de redenering van de verzoekende partij over de strafbaarstelling moet worden gevolgd. Zij voegen nog eraan toe dat de beweerde onduidelijkheid niet louter illusoir is, maar in de praktijk reeds leidt tot angst en vrees bij magistraten om rechtspraak te delen. De strafbaarstelling wordt in de praktijk immers als te onduidelijk en onvoorzienbaar beschouwd. A.
- De verzoekende partij leidt een derde onderdeel van het tweede middel af uit de schending van artikel 12, tweede lid, en artikel 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 37, 105 en 108 ervan. 26 A.52.
- De verzoekende partij is van oordeel dat de bestreden bepalingen het downloaden of verwerken op zodanig onduidelijke en onvoorzienbare wijze strafbaar zouden stellen, zonder bovendien de essentiële elementen van de strafbaarstelling te regelen, waardoor zowel het formeel als het materieel wettigheidsbeginsel wordt geschonden. A.52.
- Artikel 782, § 8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek maakt een voorbehoud op het principiële verbod op het massaal downloaden en de verwerking van een geheel van in het Centraal register opgenomen gegevens, voor journalistieke doeleinden, voor doeleinden van ondersteuning van de rechterlijke orde en voor historische en wetenschappelijke doeleinden, in zoverre die personen gemachtigd zijn « overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden ». De delegatie aan de beheerder schendt het formeel wettigheidsbeginsel in strafzaken, in samenhang gelezen met de scheiding der machten, doordat de essentiële elementen van de strafbaarstelling niet worden geregeld maar worden overgedragen en die overdracht verder gaat dan elementen met een beperkte of technische aard, en doordat de prerogatieven van de uitvoerende macht worden geschonden door de wetgevende en de rechterlijke macht. In casu worden de essentiële elementen van de strafbaarstelling overgedragen aan de beheerder. Het is pas wanneer men de voorwaarden kent op basis waarvan men ertoe gemachtigd kan worden toegang tot het Centraal register te krijgen om massaal te downloaden of te verwerken, dat men de essentiële elementen kent. Aldus zijn minstens de strafbare feiten onvoldoende duidelijk door de wetgever zelf geregeld. Het betreft bovendien geen delegatie aan de Koning, maar aan de « beheerder », namelijk het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde opgericht bij de Federale Overheidsdienst Justitie. Een dergelijke delegatie roept drie vragen op. Zo mengt de wetgever zich rechtstreeks in de interne keuken van de uitvoerende macht wanneer hij rechtstreeks regelgevende bevoegdheden toekent aan onderdelen van de uitvoerende macht. Dit druist in tegen de prerogatieven van de Koning, zoals gewaarborgd bij de artikelen 33, 37, 105 en 108 van de Grondwet. Ten tweede kan een overdracht van regelgevende bevoegdheden aan overheidsdiensten enkel voor maatregelen met een beperkte of technische draagwijdte, hetgeen in casu niet het geval is. Ten derde is de beheerder voornamelijk samengesteld uit magistraten. Zo wordt een substantiële regelgevende bevoegdheid overgedragen aan de rechterlijke macht, hetgeen een schending van de scheiding der machten inhoudt. A.52.
- In de meest ondergeschikte zin voldoen de bestreden bepalingen ook niet aan het materieel wettigheidsbeginsel. De zinsnede « behoudens de krachtens het eerste lid voorziene uitzonderingen, zijn het massief downloaden en de verwerking van een geheel van in het Centraal register opgenomen gegevens, verboden » is immers zo vaag dat het onduidelijk is wat de uitzonderingen zijn op basis waarvan wel massaal gedownload of verwerkt zou mogen worden. Artikel 782, § 8, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek geeft enkel weer wie toegang heeft tot het Centraal register. Het blijft dus onduidelijk of de uitzondering voor het massaal downloaden van toepassing is op alle in het eerste lid vermelde personen of enkel op diegenen die daarvoor een bijkomende toelating krijgen. Er wordt met andere woorden voor een uitzondering op een strafbare gedraging verwezen naar de toelating tot een essentieel verschillende handeling zonder enige toelichting in de parlementaire voorbereiding. A.53.
- De Ministerraad is van oordeel dat het derde onderdeel van het tweede middel niet gegrond is. A.53.
- Hij stelt dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het formeel wettigheidsbeginsel in strafzaken. Het strafbare feit betreft het zonder machtiging massaal downloaden of verwerken van een geheel van in het Centraal register opgenomen gegevens. De specifieke voorwaarden die met die machtiging gepaard gaan, kunnen niet als essentiële elementen van de strafbaarstelling worden aangemerkt. Het is voor eenieder duidelijk dat men zich aan een misdrijf schuldig maakt wanneer men zonder machtiging op massale wijze een geheel van gegevens downloadt of verwerkt. Voorts betwist de Ministerraad dat er sprake is van een te verregaande delegatie van regelgevende bevoegdheid. Zo verzetten de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet zich niet ertegen dat in een technische materie specifieke uitvoerende bevoegdhede
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.