id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.011 Arrest- Rolnummer: 11/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-10 Raadplegingen: 785 - laatst gezien 2026-06-19 02:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009, in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen) - Handhaving van de gevolgen van die bepaling voor de zaken waarin de rechter de verbeurdverklaring heeft uitgesproken van de accijnsproducten die het voorwerp uitmaken van het misdrijf, en die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve beslissing op de datum van bekendmaking van het onderhavige arrest in het Belgisch Staatsblad Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 30 van de wet van 21 december 2009 « betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Bijzonder strafrecht - Accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie - Misdrijven - Verbeurdverklaring - Burgerrechtelijk gevolg - Hoofdelijke veroordeling - Ontstentenis van een mogelijkheid voor de rechter om van de verbeurdverklaring af te zien of die te matigen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 11/2025 van 30 januari 2025 Rolnummer : 8129 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 30 van de wet van 21 december 2009 « betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 21 december 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 december 2023, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 30 van de Wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 17, eerste lid van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 16 van de Grondwet, doordat het de strafrechter verplicht de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is en die aan de accijnsschorsingsregeling werden onttrokken verbeurd te verklaren waarbij, als burgerrechtelijk gevolg van deze strafrechtelijke veroordeling, alle beklaagden hoofdelijk moeten worden veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde bij de niet-overlegging van de betrokken goederen, zonder dat de strafrechter in het algemeen, op grond van verzachtende omstandigheden, geheel of gedeeltelijk kan afzien van de accijnsrechtelijke verbeurdverklaring, of de strafrechter de verbeurdverklaring kan matigen in het geval dat zij dermate afbreuk zou doen aan de financiële situatie van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige maatregel zou vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel, waardoor zij een schending met zich zou meebrengen van het eigendomsrecht ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - de nv « Solebro », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Erika Swysen, advocate bij de balie te Brussel, en door mr. Jurgen Gevers, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de nv « Holberg », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patricio Diaz Gavier, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bernard Derveaux, advocaat bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Solebro »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft bij haar vonnis van 19 november 2021 de bv « Minak », de nv « Holberg », de nv « Solebro » en de bestuurder van zowel eerstgenoemde als laatstgenoemde vennootschap en de vertegenwoordiger van de nv « Holberg » strafrechtelijk veroordeeld wegens verschillende inbreuken op de wet van 21 december 2009 « betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie » (hierna : de wet van 21 december 2009). Op fiscaal vlak veroordeelde de Rechtbank de bv « Minak », de nv « Holberg » en de bestuurder en vertegenwoordiger van de vennootschappen tot het betalen van de nog verschuldigde nalatigheidsinteresten aan de Belgische Staat. De Rechtbank wees de door de Belgische Staat gevorderde verbeurdverklaring van de onttrokken goederen en de vordering tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging ervan af omdat die straf, gelet op de financiële toestand van de bv « Minak » en zijn bestuurder, naast de aan hen opgelegde gevangenisstraf en geldboetes en de reeds door hen betaalde fiscale schulden, een onredelijke en onmenselijke straf zou uitmaken. Tegen dit vonnis werd door de nv « Holberg » en diens vertegenwoordiger hoger beroep ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel. Het openbaar ministerie ging eveneens in navolgend hoger beroep tegen het vonnis ten aanzien van de bestuurder en vertegenwoordiger van de vennootschappen. Ten slotte heeft ook de Belgische Staat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis ten aanzien van de bestuurder en/of vertegenwoordiger van de vennootschappen bv « Minak », nv « Solebro » en nv « Holberg ». ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 3 Voor het Hof van Beroep is er vervolgens discussie tussen de partijen over het feit dat de Rechtbank van eerste aanleg heeft geweigerd de verbeurdverklaring en de betaling van de tegenwaarde van de niet-overlegging van de onttrokken accijnsgoederen uit te spreken. De Rechtbank van eerste aanleg had geoordeeld dat een verbeurdverklaring van goederen, die niet meer in het vermogen aanwezig zijn, een onredelijke en onmenselijke straf zou uitmaken, rekening houdend met de andere veroordelingen en de financiële situatie van de betrokkenen. Het verwijzende rechtscollege stelt allereerst vast dat de strafrechter bij de toepassing van artikel 30 van de wet van 21 december 2009 geen verzachtende omstandigheden kan aannemen, noch de verbeurdverklaring kan matigen. Het verwijzende rechtscollege stelt vervolgens vast dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de mogelijkheid voor de rechter om al dan niet de verbeurdverklaring te kunnen matigen of verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen, onder meer wat betreft het verschil in behandeling tussen de douaneadministratie die verzachtende omstandigheden kan aannemen en de strafrechter die niet die mogelijkheid heeft. Volgens het verwijzende rechtscollege zou de mogelijkheid voor de strafrechter om geheel of gedeeltelijk af te zien van een verplichte verbeurdverklaring inzake accijnzen moeten impliceren dat ook het burgerrechtelijk gevolg, de verplichting tot het stellen van een tegenwaarde voor de niet-overlegde goederen, zou kunnen worden gematigd. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat het Grondwettelijk Hof zich nog niet over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling heeft uitgesproken. Vandaar dat het verwijzende rechtscollege de hierboven weergegeven prejudiciële vraag stelt. III. In rechte -A- A.
- De nv « Holberg » volgt het verwijzende rechtscollege in de noodzaak om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Zij meent dat de prejudiciële vraag in het bijzonder betrekking heeft op de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de niet-aangehaalde goederen bij de niet-wederoverlegging hiervan. Volgens haar volgt die noodzaak uit het feit dat die veroordeling een onlosmakelijk geheel vormt met de verbeurdverklaring zelf. Daarnaast wijst de nv « Holberg » op de algemene mogelijkheid voor de strafrechter om een gemeenrechtelijke verbeurdverklaring te matigen. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof waaruit volgt dat in een mogelijkheid tot matiging moet worden voorzien indien de verbeurdverklaring op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de financiële situatie van de betrokkene. Anders oordelen zou een schending kunnen uitmaken van het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht. De nv « Solebro » wijst op de equivalentie van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek en artikel 30 van de wet van 21 december
- Volgens haar is er in beide gevallen een rechtstreeks verband met het misdrijf, hetgeen wijst op de vergelijkbaarheid van beide gevallen, zodat de rechtspraak van het Hof in dat opzicht dient te worden doorgetrokken. A.
- Door het ontnemen van elke vorm van appreciatieruimte aan de strafrechter en door het niet in rekening mogen nemen van relevante feitelijke elementen, is er volgens de nv « Solebro » geen sprake van een redelijke inmenging in het eigendomsrecht. Het gaat immers om een verplichting tot het opleggen van een verbeurdverklaring zonder enige mogelijkheid tot het aannemen van verzachtende omstandigheden en ongeacht de financiële situatie van de betrokkene. Zij werpt in dat verband op dat de in het geding zijnde verbeurdverklaring een zakelijk karakter heeft. Dat volgt volgens haar mutatis mutandis uit artikel 221 van de algemene wet « inzake douane en accijnzen », gecoördineerd op 18 juli 1977 (hierna : AWDA). Zij verwijst eveneens naar de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie waaruit zou volgen dat de verbeurdverklaring door dat zakelijke karakter verplicht uitgesproken dient te worden, ongeacht wie in feite de eigenaar van het goed is, en ongeacht wie de veroordeelde belastingplichtige is. Die verplichting verhindert volgens die rechtspraak ook de gunst van opschorting of uitstel van tenuitvoerlegging. Het zakelijke karakter brengt volgens haar ook de automatische veroordeling met zich mee tot betaling van de tegenwaarde van de goederen, indien de goederen zich niet langer in het vermogen van de betrokkene zouden bevinden. De nv « Solebro » is van oordeel dat artikel 30 van de wet van 21 december 2009 bijgevolg elke ruimte voor beoordeling van de maatregel op een zodanige manier ontneemt dat het een onevenredige inmenging in het eigendomsrecht van de veroordeelde creëert. Zij verwijst ter staving hierbij naar de rechtspraak van het Europees ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 4 Hof voor de rechten van de mens waarbij wordt geoordeeld dat de verbeurdverklaring slechts bestaanbaar is met het recht op eigendom in zoverre die maatregel geen buitensporige en onredelijke last oplegt. Zij wijst ook erop dat het Grondwettelijk Hof reeds heeft geoordeeld dat de verplichte verbeurdverklaring zonder een mogelijkheid tot individualisering ongrondwettig is, in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken, wanneer die verbeurdverklaring dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de betrokkene, dat zij het eigendomsrecht schendt. Anders oordelen in het voorliggende geval zou een onverantwoord verschil in behandeling met zich meebrengen. De nv « Solebro » wijst ook op de rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van verbeurdverklaarde goederen onlosmakelijk verbonden is met de straf van verbeurdverklaring. Die burgerlijke vordering heeft niet tot doel om de schade voortkomend uit het misdrijf, maar wel om op grond van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek de schade aan de Belgische Staat te vergoeden. Zij meent dat de prejudiciële vraag ook betrekking moet hebben op die burgerrechtelijke veroordeling. Tot slot meent de nv « Solebro » dat de Ministerraad zich baseert op het verkeerde uitgangspunt dat de in de in het geding zijnde bepalingen en artikel 42, 1°, van het Strafwetboek bedoelde verbeurdverklaring een absoluut karakter heeft. Iedere wetsbepaling die een absoluut karakter kent, is onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.
- De Ministerraad is daarentegen van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.3.
- Hij betoogt allereerst dat er omzichtig moet worden omgegaan met het doortrekken van de bevindingen inzake de gemeenrechtelijke verbeurdverklaring naar de verbeurdverklaring die in de in het geding zijnde bepaling wordt beoogd. Hij wijst erop dat de matigingsbevoegdheid van de strafrechter veelal voortvloeit uit specifieke bepalingen van het bijzonder strafrecht zodat er geen sprake is van een algemene matigingsbevoegdheid. De wetgever heeft weloverwogen in een dergelijke bevoegdheid enkel voorzien in het geval van specifieke misdrijven. A.3.
- Hij stelt voorts dat er omzichtig moet worden omgegaan met de vergelijking tussen de gemeenrechtelijke verbeurdverklaring en de verbeurdverklaring onder het douanestrafrecht. Zo kan er geen sprake zijn van een matigingsbevoegdheid in douanemisdrijven louter omdat er in het gemeenrechtelijk strafrecht sprake is van bijzondere misdrijven waarvoor in die mogelijkheid is voorzien. Dit is het gevolg van het eigen karakter van het douanestrafrecht dat afwijkt van de titel « Straffen aan de drie soorten van misdrijven gemeen » in het Strafwetboek. A.3.
- Hij stelt vervolgens dat het Hof het verschil in bevoegdheden van, enerzijds, de douaneadministratie, en anderzijds, de strafrechter als redelijk verantwoord heeft geacht gezien het bijzondere karakter van het douane- en accijnzenstrafrecht. Ook bepaalt de AWDA dat de douaneadministratie over een matigingsbevoegdheid beschikt met betrekking tot de verbeurdverklaring, maar niet met betrekking tot de vergoeding van de tegenwaarde. Bijgevolg meent hij ook dat er hier geen sprake kan zijn van discriminatie. A.3.
- Met betrekking tot het recht op eigendom, beklemtoont hij dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen geen straf betreft, maar een burgerrechtelijk gevolg uitmaakt dat onlosmakelijk samenhangt met de verbeurdverklaring. Het feit dat zulks ook een financiële impact kan hebben op het vermogen van de veroordeelde, maakt die veroordeling nog niet gelijk aan een strafsanctie. De hoofdelijke gehoudenheid als gevolg van artikel 50 van het Strafwetboek creëert evenmin een schending van het recht op eigendom. Ze creëert daarentegen wel een zekerheid voor de Belgische Staat, alsook een waarborg voor de dader die op zijn beurt een regresrecht kan uitoefenen. Hij wijst in dit verband erop dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat er geen matigingsbevoegdheid bestaat voor de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de goederen voor de strafrechter. Het ontbreken van die bevoegdheid volgt uit de opdracht van de strafrechter om geen in concreto begroting te maken van de schade, maar de werkelijke tegenwaarde te bepalen van deze goederen. A.3.
- Tot slot stelt hij dat de mogelijkheid om de tegenwaarde te kunnen matigen een mogelijke inbreuk zou inhouden op het recht op eigendom van de Belgische Staat. De overheid zou dan immers niet in staat zijn om zo de werkelijke tegenwaarde te ontvangen van de goederen die aan haar toekomt. ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 30 van de wet van 21 december 2009 « betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie » (hierna : de wet van 21 december 2009). B.2.
- Artikel 30 van de wet van 21 december 2009 bepaalt : « Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal het bedrag van de verschuldigde accijns, met een minimum van 625 euro. Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn bestemd om te worden geleverd hier te lande, zijn uitgeslagen tot verbruik zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen. In geval van herhaling worden de geldboete en de gevangenisstraf verdubbeld. Benevens vorenvermelde straf worden de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te plegen in beslag genomen en verbeurdverklaard. De teruggave van verbeurdverklaarde goederen wordt verleend aan de persoon die eigenaar was van die goederen op het moment van de inbeslagname en die aantoont dat zij vreemd is aan het misdrijf ». B.2.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever beoogde om de inhoud van die bepaling af te stemmen op de artikelen 220 tot 224 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd op 18 juli 1977 (hierna : de AWDA) (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2258/001, p. 12). De in het geding zijnde verbeurdverklaring heeft, evenals de in de voormelde bepalingen van de AWDA opgenomen verbeurdverklaring, onder meer betrekking op het voorwerp van een misdrijf, namelijk de goederen die aan de accijnsheffing zijn onttrokken. Net zoals de gemeenrechtelijke verbeurdverklaring van het voorwerp van het misdrijf in artikel 42, 1°, van ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 6 het Strafwetboek, heeft de in artikel 30 van de wet van 21 december 2009 opgenomen verbeurdverklaring betrekking op goederen die een rechtstreekse band vertonen met het misdrijf, namelijk de goederen waarop de inbreuk op de wet van 21 december 2009 werd gepleegd. Net zoals haar equivalent in het gemeen strafrecht, gaat het bovendien om een verplichte verbeurdverklaring. B.2.
- Krachtens hetgeen in B.2.2 is vermeld en overeenkomstig artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009, dient de rechter die een overtreding van de bepalingen van de wet van 21 december 2009 bewezen acht, de goederen waarop de accijnzen verschuldigd zijn, integraal verbeurd te verklaren, waardoor de Belgische Staat van rechtswege eigenaar wordt van die goederen. In dat verband kunnen met betrekking tot de verbeurdverklaring, bepaald in artikel 221 van de AWDA, uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 19 januari 2016, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3; 28 juni 2016, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2; 4 oktober 2016, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1) volgende elementen worden afgeleid. Zij heeft een zakelijk karakter aangezien het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de goederen. Op de veroordeelden rust de verplichting om de Belgische Staat in het bezit van die goederen te stellen. Die plicht geldt bovendien hoofdelijk ten aanzien van alle voor het betrokken misdrijf veroordeelden. Teneinde de rechten van de Belgische Staat te vrijwaren, dient de rechter op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 44 en 50 van het Strafwetboek de verplichte verbeurdverklaring bovendien te koppelen aan een veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen indien de Belgische Staat niet (tijdig) in het bezit van die goederen wordt gesteld. Die veroordeling tot betaling van de tegenwaarde geldt overigens niet als een straf, maar als een burgerrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke verbeurdverklaring. Aangezien zij een loutere toepassing vormt van artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek, dient de schadevergoeding de Belgische Staat terug te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou bevinden indien de goederen wel in zijn bezit zouden zijn gebracht, zodat de rechter niet bevoegd is om die vergoeding te matigen op grond van verzachtende omstandigheden of op grond van de financiële situatie van de daders. ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 7 Ten gronde B.3.
- Met zijn prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 16 van de Grondwet, in zoverre het de rechter verplicht de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is en die aan de in het geding zijnde accijnsregeling werden onttrokken, verbeurd te verklaren waarbij, als burgerrechtelijk gevolg van die strafrechtelijke veroordeling, alle betrokkenen hoofdelijk moeten worden veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde bij de niet-overlegging van de betrokken goederen, zonder dat hierbij verzachtende omstandigheden of matiging in rekening kan genomen worden, indien die verbeurdverklaring dermate afbreuk zou doen aan de financiële situatie van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige maatregel zou vormen. B.3.
- Uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt gevraagd om te onderzoeken of de strafrechter in het algemeen, op grond van verzachtende omstandigheden, geheel of gedeeltelijk moet kunnen afzien van de accijnsrechtelijke verbeurdverklaring, dan wel of de strafrechter de verbeurdverklaring moet kunnen matigen in het geval dat zij dermate afbreuk zou doen aan de financiële situatie van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige maatregel zou vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel, waardoor zij een schending met zich zou meebrengen van het eigendomsrecht, dat is gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.3.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat er door het verwijzende rechtscollege geen andere omstandigheid dan de financiële situatie van de betrokkene wordt beoogd. Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot die situatie. Voorts beschouwt het verwijzende rechtscollege de verbeurdverklaring en het burgerrechtelijk gevolg inzake de eventuele plaatsvervangende schadevergoeding als een onlosmakelijk geheel. Het Hof houdt hiermee rekening bij zijn onderzoek van de prejudiciële vraag. ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 8 B.4.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». Artikel 17 van het Handvest bepaalt : «
- Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.
- Intellectuele eigendom is beschermd ». B.4.
- Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en artikel 17 van het Handvest een draagwijdte hebben die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, ermee rekening houdt. B.4.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom (eerste alinea, eerste zin). Een belasting of een andere heffing houdt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van eigendom in. ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 9 Bovendien vermeldt artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol dat de bescherming van het eigendomsrecht « echter op geen enkele wijze het recht [aantast] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.5.
- De door de rechter bevolen verbeurdverklaring van een goed vormt een inmenging in het recht van de eigenaar ervan op de eerbiediging van zijn eigendom (EHRM, beslissing, 12 mei 2009, Tas t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0512DEC004461406). Wanneer een dergelijke verbeurdverklaring van een goed een straf is die ertoe strekt om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren, valt zij onder het toezicht op het gebruik van eigendom in overeenstemming met de tweede alinea van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (EHRM, beslissing, 2 februari 2010, Monedero e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0202DEC003279806; 5 juli 2001, Phillips t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0705JUD004108798, § 51). B.5.
- In een dergelijk toezicht moet bij de wet zijn voorzien en het moet één of meer wettige doelstellingen nastreven (EHRM, beslissing, 12 mei 2009, Tas t. België, voormeld). Toezicht op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang moet ook een « billijk evenwicht » tot stand brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van de grondrechten van het individu : er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Tot de elementen waarmee rekening dient te worden gehouden om dat « billijk evenwicht » te beoordelen in verband met de verbeurdverklaring van een goed waarvan op onwettige wijze gebruik is gemaakt, behoren de houding van de eigenaar van dat goed en de gevolgde procedure (EHRM, beslissing, 12 mei 2009, Tas t. België, voormeld; 13 oktober 2015, Ünsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A.Ş. t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2015:1013JUD000350308, § 38). B.
- Ofschoon de wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt in het kader van het strafrechtelijk beleid en de bestrijding van fraude, schendt een verbeurdverklaring het recht op ongestoord genot van eigendom indien zij op de persoon aan wie ze is opgelegd een ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 10 buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie, in het licht van de gepleegde inbreuk (EHRM, beslissing, 2 februari 2010, Monedero e.a. t. Frankrijk, voormeld; 26 februari 2009, Grifhorst t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0226JUD002833602, §§ 102 en 105). B.7.1 De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van het douane- en accijnsstrafrecht, dat behoort tot het bijzonder strafrecht en waarmee de wetgever, via een eigen systeem voor strafrechtelijke opsporing en vervolging, de omvang en de frequentie van de fraude wil bestrijden in een bijzonder technische en vaak grensoverschrijdende materie die mede grotendeels door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst. De bestraffing van de inbreuken op de douane- en accijnsgoederen wordt vaak bemoeilijkt door het hoge aantal personen dat bij de handel is betrokken en door de mobiliteit van de goederen waarop de rechten verschuldigd zijn. In dat kader heeft de wetgever op douane- en accijnsmisdrijven zeer zware straffen gesteld om te beletten dat fraude zou worden gepleegd met het oog op de enorme winst die men ermee kan maken. Ter verantwoording van het zware karakter van de straf werd steeds staande gehouden dat die niet alleen een individuele straf met een ernstig ontradend karakter voor de dader zou uitmaken, maar ook het herstel van de verstoorde economische orde en het verzekeren van de heffingen van de verschuldigde belastingen zou beogen. B.7.
- Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die onredelijk is, vermag de democratisch gekozen wetgever het repressief beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsvrijheid van de rechter uit te sluiten. De wetgever heeft meermaals geopteerd voor de individualisering van straffen door, wat de strengheid van de straf betreft, de rechter de keuze te laten en het hem mogelijk te maken rekening te houden met de omstandigheden van de zaak. Het staat evenwel aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 11 B.
- De in het geding zijnde verbeurdverklaring heeft betrekking op het voorwerp van een misdrijf, namelijk de goederen die aan de accijnsheffing onttrokken zijn. Zij is, anders dan de geldboete, uitsluitend een bijkomende vermogensstraf. Zij impliceert een definitief bezitsverlies van de verbeurdverklaarde goederen ten voordele van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Zij gaat uit van de gedachte dat crimineel gedrag op civielrechtelijk vlak niet mag worden beloond. De verplichting om de verbeurdverklaring uit te spreken in geval van misdaad of wanbedrijf wordt verantwoord door het feit dat die « misdrijven ernstig genoeg zijn » (Parl. St., Senaat, 1851-1852, nr. 70, p. 25). Het verplichte karakter van bepaalde vormen van verbeurdverklaring noopt de wetgever ertoe de effectieve tenuitvoerlegging van die straf wettelijk te garanderen. B.
- De bijzondere verbeurdverklaring van de accijnsproducten die wegens een inbreuk op de van toepassing zijnde accijnsregeling het voorwerp van een misdrijf uitmaken, uitgesproken met toepassing van artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009, is, gelet op hetgeen in B.7.1 en B.8 is vermeld, op zich niet onbestaanbaar met het recht op het ongestoord genot van de eigendom. B.
- De door de rechter op te leggen verbeurdverklaring kan echter, in bepaalde gevallen, dermate afbreuk doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, waardoor die verbeurdverklaring een schending met zich meebrengt van het eigendomsrecht. Het eigendomsrecht is geschonden wanneer er een manifest onevenwicht bestaat tussen, enerzijds, de omvang en de gevolgen van de verbeurdverklaring voor de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd, en, anderzijds, de gepleegde inbreuk en de doelstellingen die met de verbeurdverklaring worden beoogd, tevens rekening houdend met het in B.7.1 vermelde bijzondere en ontradende karakter en het collectieve herstelkarakter van het douane- en accijnsstrafrecht. B.
- Gelet op het voorgaande, is artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en met artikel 17, lid 1, van het Handvest, doch enkel in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, wanneer die straf dermate afbreuk ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 12 doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.
- De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen. B.
- Teneinde de moeilijkheden te vermijden die uit de in B.11 geformuleerde vaststelling van ongrondwettigheid kunnen voortvloeien en aldus rechtsonzekerheid te voorkomen, dienen de gevolgen van artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 te worden gehandhaafd voor de zaken waarin de rechter de verbeurdverklaring heeft uitgesproken van de accijnsproducten die het voorwerp uitmaken van het misdrijf, en die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve beslissing op de datum van bekendmaking van het onderhavige arrest in het Belgisch Staatsblad. ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 13 Om die redenen, het Hof - zegt voor recht : Artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 « betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie » schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. - handhaaft de gevolgen van die bepaling voor de zaken waarin de rechter de verbeurdverklaring heeft uitgesproken van de accijnsproducten die het voorwerp uitmaken van het misdrijf, en die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve beslissing op de datum van bekendmaking van het onderhavige arrest in het Belgisch Staatsblad. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.011 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 ECLI:CE:ECHR:2001:0705JUD004108798 ECLI:CE:ECHR:2009:0226JUD002833602 ECLI:CE:ECHR:2009:0512DEC004461406 ECLI:CE:ECHR:2010:0202DEC003279806 ECLI:CE:ECHR:2015:1013JUD000350308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div