id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.013 Arrest- Rolnummer: 13/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-10 Raadplegingen: 745 - laatst gezien 2026-06-18 21:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 187, § 1, vierde lid, in fine, van het Wetboek van strafvordering) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 187, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Strafrechtspleging - Veroordeling bij verstek - Verzet - Termijn - Burgerrechtelijke veroordelingen - Tenuitvoerlegging van het vonnis Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 13/2025 van 30 januari 2025 Rolnummer : 8159 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 187, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 februari 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 187, § 1, vierde lid, in fine, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het tot gevolg heeft dat de eiser in verzet die op zijn binnen de buitengewone termijn van verzet uitgeoefende verzet is vrijgesproken voor het misdrijf dat hem ten laste werd gelegd, het recht om zijn burgerrechtelijke veroordeling op basis van dat niet bewezen verklaarde misdrijf bij een rechtbank aanhangig te maken en, bijgevolg, een doeltreffende voorziening in rechte wordt ontzegd, aangezien hij meer dan 15 dagen na de datum van de betekening van het vonnis dat bij verstek tegen hem werd gewezen heeft kennisgenomen van die betekening, terwijl hij, op zijn ontvankelijk en gegrond verklaarde strafrechtelijk verzet, is vrijgesproken voor het misdrijf waarop die burgerrechtelijke veroordeling is gebaseerd ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner en mr. Sébastien Kaisergruber, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 25 mei 2023 veroordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, een beklaagde bij verstek tot een gevangenisstraf van drie jaar en een bijkomende geldboete, voor vrijwillige slagen en verwondingen. Op burgerrechtelijk vlak wordt de burgerlijkepartijstelling ontvankelijk en gegrond bevonden. Het vonnis wordt niet in persoon aan de beklaagde betekend. Op 9 januari 2024 tekent die laatste verzet aan bij deurwaardersexploot. Bij haar vonnis van 1 februari 2024 oordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, dat het verzet op strafrechtelijk vlak ontvankelijk is, aangezien het werd aangetekend vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van de uitgesproken straffen, met toepassing van artikel 187, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering. Ten gronde is de Rechtbank van oordeel dat er twijfel bestaat die in het voordeel van de eiser in verzet moet spelen, zodat de tenlastelegging niet is bewezen. Zij besluit tot de vrijspraak. Op burgerrechtelijk vlak daarentegen, stelt zij vast dat met toepassing van artikel 187, § 1, vierde lid, in fine, van het Wetboek van strafvordering, dat erin voorziet dat de beklaagde in verzet kan komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis, het verzet normaal gezien als onontvankelijk moet worden beoordeeld wegens de betekening van het bij verstek uitgesproken veroordelend vonnis, waarvan de eiser in verzet nochtans geen kennis had. Volgens de Rechtbank blijkt immers uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat het niet meer mogelijk is in verzet te komen tegen burgerrechtelijke veroordelingen bij het verstrijken van de gewone termijn van verzet tegen de strafrechtelijke veroordeling, die vijftien dagen bedraagt te rekenen vanaf de betekening van het vonnis. De Rechtbank stelt vast dat de eiser in verzet zich in een situatie bevindt waarin het strafrechtelijk verzet, aangetekend binnen de buitengewone verzetstermijn, ontvankelijk is en tot de vrijspraak leidt, terwijl, op burgerrechtelijk vlak, het verzet dat binnen dezelfde termijn werd aangetekend als onontvankelijk dient te worden beschouwd. Hij kan ook geen hoger beroep instellen tegen het bij verstek gewezen vonnis. Bijgevolg wordt de eiser in verzet elk jurisdictioneel beroep ontzegd wat de kwestie van zijn aquiliaanse aansprakelijkheid betreft, terwijl de grondslag van de burgerrechtelijke veroordeling, namelijk de strafrechtelijke veroordeling, is verdwenen ingevolge de vrijspraak. Alvorens recht te zeggen over de ontvankelijkheid van het verzet op burgerrechtelijk vlak, stelt de Rechtbank derhalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad verwijst inleidend naar de arresten van het Hof nrs. 163/2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.163) en 87/2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.087), waarvan de lering te dezen kan worden toegepast. 3 A.
- Wat betreft de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, merkt de Ministerraad allereerst op dat noch de prejudiciële vraag, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing de te vergelijken categorieën van personen identificeren. Hij stelt die niet te kunnen bepalen, aangezien tal van invalshoeken kunnen worden beoogd. De Ministerraad stelt in ieder geval vast dat het Hof, in zijn voormelde arresten nrs. 163/2014 en 87/2021, heeft geoordeeld dat de wetgever zich op objectieve en pertinente criteria had gebaseerd om de gewone en buitengewone verzetstermijnen te bepalen. Bovendien veronderstelt de Ministerraad dat het verwijzende rechtscollege het niet nuttig heeft geacht om de te vergelijken categorieën van personen te identificeren, aangezien de prejudiciële vraag hoofdzakelijk betrekking heeft op het recht op toegang tot een rechter, dat is gewaarborgd bij de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.
- Volgens de Ministerraad ontzegt de in het geding zijnde bepaling de eiser in verzet niet zonder meer ieder beroep, in tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege verklaart. Het bestaan zelf van een termijn betekent immers niet dat dat recht wordt geschonden, anders zou moeten worden besloten tot de ongrondwettigheid van alle bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van strafvordering waarbij na te leven termijnen worden ingevoerd op straffe van onontvankelijkheid of van verval. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 189/2019 van 20 november 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.189) heeft geoordeeld, moet in werkelijkheid worden onderzocht of de wetgever, met de invoering van een termijn, het recht op toegang tot een rechter wezenlijk heeft aangetast. Volgens de Ministerraad is dat niet het geval voor de in het geding zijnde bepaling. In principe beschikt elke partij bij een strafrechtelijk proces over een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het vonnis om in verzet te komen, zowel voor de strafrechtelijke veroordelingen als voor de burgerrechtelijke veroordelingen. Bovenop die gewone termijn beschikt de eiser in verzet over een buitengewone verzetstermijn, voor de strafrechtelijke veroordelingen en voor de burgerrechtelijke veroordelingen, met dien verstande dat, voor de burgerrechtelijke veroordelingen, die termijn slechts loopt in zoverre het vonnis niet ten uitvoer is gelegd. De Ministerraad beklemtoont dat de wetgever, door een buitengewone verzetstermijn in te voeren, een grotere bescherming wou bieden aan de strafrechtelijk veroordeelde, die, in tegenstelling tot de burgerlijke partij, niet alleen patrimoniale belangen verdedigt. Bovendien staat de buitengewone verzetstermijn enkel open voor de beklaagde, met uitsluiting van de andere partijen in het strafproces. A.3.
- De Ministerraad preciseert dat de buitengewone verzetstermijn weliswaar minder uitgebreid is voor burgerrechtelijke veroordelingen dan voor strafrechtelijke veroordelingen, maar dat dat verschil moet voorkomen dat zaken even lang op burgerlijke vlak als op strafrechtelijk vlak hangende blijven, om de rechten van het slachtoffer niet volledig te schenden. Bij het voormelde arrest nr. 87/2021 heeft het Hof geoordeeld dat die verantwoording aanvaardbaar was. De Ministerraad voegt bovendien eraan toe dat de in het geding zijnde maatregel geen onevenredige gevolgen heeft. Hij preciseert dat er geen buitengewone verzetstermijn bestaat ten voordele van de andere partijen in een strafproces en de partijen in een burgerlijk proces. Het Hof heeft bovendien geoordeeld, bij het arrest nr. 29/2006 van 1 maart 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.029), dat de ontstentenis van een buitengewone verzetstermijn voor de burgerlijke partijen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond, aangezien die partijen enkel patrimoniale belangen verdedigen. Volgens de Ministerraad geldt hetzelfde voor de beklaagde die verzet aantekent tegen zijn burgerrechtelijke veroordeling, zodat er geen reden is om de buitengewone verzetstermijn waarover hij reeds beschikt te zeer te verruimen, anders zou de wetgever een verschil in behandeling doen ontstaan tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. Ten slotte beklemtoont de Ministerraad dat artikel 187, § 5, 1°, van het Wetboek van strafvordering in geval van overmacht toelaat dat het verzet dat buiten de termijn wordt aangetekend ontvankelijk wordt verklaard, zoals het Hof heeft beklemtoond in het voormelde arrest nr. 87/
- -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 187, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering. Zoals het werd vervangen bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake 4 justitie » (hierna : de wet van 5 februari 2016), bepaalt artikel 187, § 1, eerste tot vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering : « De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid ». B.
- Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. Het wezen en de doelstelling zelf van het verzet bestaan erin een persoon, die als gevolg van zijn niet-verschijnen mogelijkerwijze niet alle elementen van een zaak kent of zich daarover althans niet nader heeft kunnen verklaren, de mogelijkheid te bieden ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen. B.
- Krachtens artikel 187, § 1, eerste en vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering, hebben de veroordeelde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij vijftien dagen de tijd om verzet aan te tekenen tegen een bij verstek uitgesproken strafvonnis. Die termijn loopt vanaf de regelmatige betekening van de bij verstek gewezen beslissing. B.4.
- Het tweede en vierde lid van hetzelfde artikel voorzien echter in een buitengewone verzetstermijn, uitsluitend voor de bij verstek veroordeelde aan wie het vonnis niet in persoon werd betekend, terwijl de burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij enkel beschikken over de gewone termijn van verzet waarin het eerste lid voorziet. 5 B.4.
- Wanneer het vonnis niet aan de persoon werd betekend, kan de bij verstek veroordeelde verzet aantekenen, wat de veroordeling tot de straf betreft, binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis kreeg. B.4.
- Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan de bij verstek veroordeelde nog in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf zijn verstreken. Als de bij verstek veroordeelde kennis krijgt van de betekening nadat de straf is verjaard, kan hij de verstekbeslissing niet meer op strafgebied aanvechten (Cass., 22 februari 1994, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940222.9). B.4.
- Wat betreft de burgerrechtelijke veroordelingen, bepaalt artikel 187, § 1, vierde lid, in fine, van het Wetboek van strafvordering dat de bij verstek veroordeelde aan wie het vonnis niet in persoon is betekend slechts in verzet kan komen « tot de tenuitvoerlegging van het vonnis ». B.4.
- Daaruit moet worden afgeleid dat de bij verstek veroordeelde in verzet kan komen, wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis (Cass., 20 december 1967, ECLI:BE:CASS:1967:ARR.19671220.5). Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan het verzet worden aangetekend, wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, totdat de verjaringstermijn van de straf is verstreken (Cass., 7 oktober 1992, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19921007.6; 9 januari 2007, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.4), tenzij het vonnis ten uitvoer is gelegd, in welk geval hij na de tenuitvoerlegging geen verzet meer kan aantekenen op burgerrechtelijk gebied. De wetgever heeft niet nader bepaald wat onder « de tenuitvoerlegging van het vonnis » moet worden verstaan. De parlementaire voorbereiding van de wet van 9 maart 1908 « tot wijziging van de artikelen 151, 187 en 413 van het Wetboek van strafvordering » vermeldt in dat verband : « Het zou buitensporig zijn twijfel te laten bestaan over de rechten van de burgerlijke partij totdat de verjaringstermijn van de straf is verstreken. Het ontwerp creëert een bevoorrechte positie voor de beklaagde. Wanneer hij bij verstek wordt veroordeeld, is dat meestal te wijten aan zijn fout of nalatigheid. Men dient dan ook rekening te houden met de belangen van de 6 burgerlijke partij die het slachtoffer is van het misdrijf. Het ontwerp legt een tussenoplossing vast door het buitengewoon recht van verzet tegen de burgerrechtelijke veroordelingen slechts toe te kennen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. Het gaat om de oplossing die in burgerlijke zaken is vastgelegd bij artikel 158 van het Wetboek van burgerlijke rechtspleging. Het gaat hier om de definitieve tenuitvoerlegging en niet om de eerste uitvoeringsmaatregelen, zoals een inbeslagneming. Dat volgt uit de gelijkenis tussen de teksten, die werd bevestigd in de verklaringen van dhr. minister van Justitie in de Kamer. Er zullen mogelijk, in feite, tegenstrijdige rechterlijke beslissingen zijn wegens de regel die wij thans onderzoeken, en dat nadeel zal zich voordoen wanneer, na tenuitvoerlegging van een correctioneel vonnis waarbij de conclusies van de burgerlijke partij worden ingewilligd, de veroordeelde op een later tijdstip in verzet zal komen tegen zijn veroordeling en een vrijspraak zal verkrijgen. Het is evenwel onmogelijk de rechten van het slachtoffer volledig te miskennen door de burgerrechtelijke aanspraken even lang onbeslist te laten als de correctionele » (Parl. St., Senaat, 1907-1908, nr. 56, pp. 4-5). B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 187, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « in zoverre het tot gevolg heeft dat de eiser in verzet die op zijn binnen de buitengewone termijn van verzet uitgeoefende verzet is vrijgesproken voor het misdrijf dat hem ten laste werd gelegd, het recht om zijn burgerrechtelijke veroordeling op basis van dat niet bewezen verklaarde misdrijf bij een rechtbank aanhangig te maken en, bijgevolg, een doeltreffende voorziening in rechte wordt ontzegd, aangezien hij meer dan 15 dagen na de datum van de betekening van het vonnis dat bij verstek tegen hem werd gewezen heeft kennisgenomen van die betekening, terwijl hij, op zijn ontvankelijk en gegrond verklaarde strafrechtelijk verzet, is vrijgesproken voor het misdrijf waarop die burgerrechtelijke veroordeling is gebaseerd ». B.
- Uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat het bij verstek uitgesproken vonnis ten uitvoer is gelegd, zo niet zou de prejudiciële vraag zonder nut zijn. Het Hof beantwoordt de vraag in die hypothese. B.
- Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, mag het recht om in verzet te komen tegen een verstekvonnis weliswaar worden omgeven met procedurele vereisten bij het aanwenden van rechtsmiddelen, maar mogen die vereisten het de beklaagde niet onmogelijk maken de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden. De regels met betrekking tot het naleven van termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, beogen een behoorlijke rechtsbedeling en inzonderheid ook de rechtszekerheid te waarborgen (zie, met name, GwH, nr. 163/2014, 7 6 november 2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.163; nr. 87/2021, 10 juni, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.087). In het laatstgenoemde arrest heeft het Hof erop gewezen dat de rechten van de verdediging in een proces niet enkel vanuit het standpunt van de beklaagde moeten worden beoordeeld, maar ook vanuit het standpunt van de burgerlijke partij en het slachtoffer, wier situatie ten gevolge van het aantekenen van het verzet door de beklaagde eveneens kan worden beïnvloed. B.
- Uit de in B.4.5 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever rekening wilde houden met de belangen van de burgerlijke partij die het slachtoffer is van het misdrijf en dat hij daarom heeft gekozen voor een « tussenoplossing » door het buitengewoon recht van verzet tegen de burgerrechtelijke veroordelingen slechts toe te kennen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. Ook het Hof van Cassatie heeft bevestigd dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt « te voorkomen dat de belangen van de burgerlijke partij in het ongewisse blijven ofwel tot het verstrijken van de buitengewone termijn waarover de beklaagde beschikt om in verzet te komen tegen een verstekvonnis dat aan hem niet in persoon is betekend, ofwel tot het verstrijken van de termijn van verjaring van de straf » (Cass., 9 januari 2007, voormeld). B.
- De wetgever heeft een objectief en pertinent criterium van onderscheid gehanteerd door het verzet op burgerrechtelijk gebied, binnen de buitengewone termijn, slechts toe te laten zolang het vonnis niet ten uitvoer is gelegd. Met die « tussenoplossing » heeft hij een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen het recht van de bij verstek veroordeelde om te worden gehoord en de patrimoniale belangen van het slachtoffer, die niet tot in het oneindige onbeslist kunnen blijven. Het komt aan de feitenrechter toe te beoordelen of het bij verstek uitgesproken vonnis daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd, wat betreft de burgerrechtelijke veroordeling. B.
- Rekening houdend met het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepaling niet is afgeweken, doet de in het geding zijnde bepaling niet op discriminerende wijze afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 187, § 1, vierde lid, in fine, van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.013 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1967:ARR.19671220.5 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19921007.6 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940222.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.4 ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.029 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.163 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.189 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div