id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.014 Arrest- Rolnummer: 14/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-10 Raadplegingen: 441 - laatst gezien 2026-06-17 20:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Burgerlijk recht - Verjaring - Stuiting - Ingebrekestelling - Voorwaarden - Schuldvordering die betrekking heeft op een geldsom - Verantwoording van alle bedragen die worden geëist Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 14/2025 van 30 januari 2025 Rolnummer : 8168 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 19 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 februari 2024, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Schendt artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke de bij die bepaling vereiste vermelding van de ‘ verantwoording van alle bedragen die [...] worden geëist ’ de eis zou stellen dat de schuldvordering die betrekking heeft op een geldsom, nauwkeurig wordt berekend, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een schuldeiser van een geldsom die zich ertoe zou beperken in de in artikel 2244, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde ingebrekestelling enkel een schuldvordering te vermelden die voorlopig op één euro is becijferd, niet zou voldoen aan de bij artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek gestelde voorwaarde en de akte bijgevolg geen verjaringstuitende werking zou hebben, terwijl een andere schuldeiser, die houder is van eenzelfde schuldvordering, die de betaling ervan in rechte zou eisen bij dagvaarding of bij verzoekschrift op tegenspraak en die zich ertoe zou beperken daarin enkel een schuldvordering te vermelden die voorlopig op één euro is becijferd, de verjaringstuitende werking die bij artikel 2244, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek is verbonden aan de gedinginleidende akte, volledig zou genieten ? 2) Zou artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke de bij die bepaling vereiste vermelding van de ‘ verantwoording van alle bedragen die [...] worden geëist ’ niet de eis zou stellen dat de schuldvordering die betrekking 2 heeft op een geldsom, nauwkeurig wordt berekend en zich zou verdragen met de vermelding van een schuldvordering die voorlopig op één euro is becijferd, in overeenstemming zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - Narcisse Agovic, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Eliot Huisman, advocaat bij de balie te Brussel; - de stad Brussel, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Gaëtan Vanhamme, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Gabrielle Mathues, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Narcisse Agovic; - de Ministerraad. Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Narcisse Agovic is sedert 16 maart 1995 in dienst bij de stad Brussel. Op 1 september 2006 wordt zij door dezelfde werkgever aangeworven als hulparbeidster, betrekking waarvoor zij over een dienstwoning beschikt. Ingevolge een arbeidsongeval op 17 januari 2015, dat bij vonnis is erkend, verschijnt Narcisse Agovic niet meer op haar werk. Op 18 oktober 2017 leidt de stad Brussel een procedure in tot beëindiging van haar arbeidsovereenkomst wegens medische ongeschiktheid, waarvan op 21 december van hetzelfde jaar akte wordt genomen door het gemeentecollege. Op 18 december 2018 verstuurt de raadsman van Narcisse Agovic een ingebrekestelling naar het college waarbij zowel het bedrag van de vergoeding als de grondslag van het ontslag worden betwist. In dat schrijven worden verschillende bedragen geëist die zijn uitgedrukt in maanden en weken bezoldiging, en alle zijn geraamd op één provisionele euro. Aangezien zij geen genoegdoening heeft gekregen, dient Narcisse Agovic bij de Arbeidsrechtbank te Brussel een verzoekschrift in op 17 december 2019, zijnde meer dan een jaar na de ontslagdatum. De Rechtbank verklaart de vordering onontvankelijk wegens verjaring. Zij is van oordeel dat de verplichte vermeldingen die de ingebrekestelling moet bevatten om de verjaring op geldige wijze te stuiten krachtens artikel 2244, § 2, vierde lid, 3 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek, te dezen « de verantwoording van alle bedragen die van de schuldenaar worden geëist », niet in acht worden genomen. Narcisse Agovic stelt hoger beroep in tegen dat vonnis voor het Arbeidshof te Brussel, het verwijzende rechtscollege, dat beslist om de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De appellante voor het verwijzende rechtscollege doet vóór alles gelden dat het voorschrift van artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek niet vereist dat de schuldvordering nauwkeurig moet worden geraamd of berekend; enkel de vereiste van een verantwoording wordt vermeld. Ook al zou hij anders kunnen worden geïnterpreteerd, toch maken de elementen van de ingebrekestellingsbrief het te dezen wel degelijk mogelijk om de schuldvordering te preciseren, aangezien de bedragen zijn uitgedrukt in maanden en weken bezoldiging. De tegenpartij voor het verwijzende rechtscollege beschikt echter over alle noodzakelijke elementen om dat bedrag te bepalen. De appellante voor het verwijzende rechtscollege zet dus, in ondergeschikte orde, al haar argumenten uiteen met betrekking tot een onverantwoord verschil in behandeling. A.1.
- De in de eerste prejudiciële vraag naar voren gebrachte situaties zijn volgens de appellante voor het verwijzende rechtscollege voldoende vergelijkbaar. Zij hebben immers allebei betrekking op schuldeisers van geldsommen die die sommen willen terugvorderen en die een verjaringstermijn in dat kader wensen te stuiten. Er bestaat geen enkel objectief criterium om een onderscheid te maken tussen de bovenvermelde categorieën. De appellante voor het verwijzende rechtscollege brengt in herinnering dat het doel van de wetgever erin bestond een alternatief aan te bieden voor de procedures die enkel worden ingesteld om de verjaring te stuiten en aldus onnodige kosten te vermijden en de rechtbanken te ontlasten. Het Hof heeft die elementen bovendien vermeld in het arrest nr. 44/2021 van 11 maart 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.044). Gezien die elementen kan dus niet worden aangevoerd dat de vermelding van de verantwoording voor alle geëiste bedragen zou vereisen dat het bedrag van de schuldvordering nauwkeurig moet worden geraamd of berekend. Een dergelijke interpretatie is niet alleen in tegenspraak met de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling, maar is ook in strijd met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. De appellante voor het verwijzende rechtscollege voert ten slotte aan dat zij onevenredige gevolgen doet ontstaan voor de schuldeiser die gebruikmaakt van een ingebrekestelling, in vergelijking met de schuldeiser die één provisionele euro kan eisen via een dagvaarding teneinde met name de verjaring te stuiten. De appellante voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de hiervoor uiteengezette argumenten een nuttig antwoord bieden op beide prejudiciële vragen. Zo niet stelt zij voor om de tweede prejudiciële vraag te vervangen door een andere vraag, zoals geformuleerd in haar memorie. A.2.
- De Ministerraad beklemtoont vooraf dat het verwijzende rechtscollege volgens hem vooruitloopt op de eerste prejudiciële vraag in zoverre het instemt met de stelling van de versoepeling van het formalisme dat op de ingebrekestelling wordt toegepast. Bovendien beweert hij dat de twee prejudiciële vragen niet echt verschillend zijn maar overeenstemmen met het soms door het Hof gehanteerde mechanisme van het « dubbele dictum ». Bijgevolg beantwoordt de Ministerraad enkel de eerste prejudiciële vraag. A.2.
- De Ministerraad beweert dat de in de prejudiciële vraag bedoelde toetsingsnormen niet zijn geschonden. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de in de prejudiciële vraag naar voren gebrachte categorieën onvoldoende vergelijkbaar zijn. Zij verschillen onderling immers door de benadering en de bevoorrechte wijze van oplossing; het volstaat niet dat zij louter enkele kenmerken delen. De advocatenbrief vormt een minnelijke weg, terwijl de dagvaarding leidt tot een gerechtelijke procedure. Er kan op meerdere andere verschillen worden gewezen, zoals het feit dat de kosten van een gerechtelijke procedure veel hoger zijn, en de vaststelling dat die wegen zich niet tot dezelfde rechtsbeoefenaar richten. Aldus richt artikel 2244, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek zich in de eerste plaats tot de gerechtsdeurwaarder, die als neutrale derde ermee is belast na te gaan of de vermeldingen en vormvereisten in acht zijn genomen, terwijl paragraaf 2 van dezelfde bepaling zich richt tot de advocaat, die geen neutrale derde is. Ten slotte heeft de wetgever steeds de bedoeling gehad om beide wegen niet te laten samenvallen, zoals blijkt uit het behoud van twee onderscheiden paragrafen. 4 A.2.
- In ondergeschikte orde, indien de categorieën toch als vergelijkbaar zouden worden beschouwd, voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling voldoende verantwoord is. Allereerst berust het onderscheid op een objectief en pertinent criterium, en streeft het een legitiem doel na. In de parlementaire voorbereiding van de bepaling wordt immers gewag gemaakt van een dubbel doel, namelijk, enerzijds, aan de schuldeisers een alternatief bieden voor de bestaande verjaringsstuitende handelingen, door gebruik te maken van een vereenvoudigd formalisme, en, anderzijds, financiële besparingen en proceseconomie mogelijk maken voor dezelfde schuldeisers. In dezelfde parlementaire voorbereiding wordt evenwel de nadruk gelegd op het strikte, uitdrukkelijke en verplichte karakter van de vermeldingen en wordt bijgevolg gewezen op een derde doel, namelijk het vrijwaren van de belangen van de in gebreke gestelde persoon, vanuit een bekommernis om de rechtszekerheid te vrijwaren en vanuit het beginsel van een eerlijk proces. Artikel 2244, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek strekt bijgevolg ertoe het evenwicht tussen het eerste dubbele doel en de zorg om nauwkeurigheid en striktheid te waarborgen. De Ministerraad wijst erop dat het Hof, bij zijn arrest nr. 181/2014 van 10 december 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.181), de beperking ratione personae van de ingebrekestelling specifiek om redenen van vrijwaring van de rechtszekerheid geldig heeft verklaard. Een dergelijke redenering moet eveneens te dezen worden toegepast. Vervolgens beweert de Ministerraad dat de naleving van het formalisme onontbeerlijk is voor het vrijwaren van de belangen van de in gebreke gestelde persoon, die duidelijk de draagwijdte en de gevolgen ervan moet begrijpen. De rechtszekerheid is een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie, dat de zorg om voorzienbaarheid en toegankelijkheid omvat. Indien de loutere vermelding van « één [provisionele] euro » volstaat, belet niets meer om de andere voorwaarden voor de geldigheid van de ingebrekestelling te omzeilen of anders te interpreteren. In dat verband moet het formalisme worden geplaatst naast het formalisme dat bestaat met betrekking tot het recht op consumentenbescherming, dat een nauwkeurige en gedetailleerde beschrijving vereist van de bedragen die van de schuldenaar worden geëist (artikel XIX.7 van het Wetboek van economisch recht). In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling wordt trouwens verwezen naar die parlementaire voorbereiding van het voormelde artikel, ook al zijn de contractuele relaties verschillend. Die strikte interpretatie wordt bovendien bevestigd door de rechtsleer. Artikel 2244, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek vormt immers een uitzondering op de soepelheid van het gemeen recht van de ingebrekestelling. In dat verband is de Ministerraad van mening dat het voormelde arrest nr. 44/2021 niet van toepassing is op het voorliggende geval, aangezien dat arrest is gewezen in de zeer specifieke context van het Brusselse milieurecht en aangezien de geleidelijke versoepeling van het formalisme voor een van de wijzen van stuiting van de verjaring desondanks niet automatisch hetzelfde gevolg heeft voor de andere wijzen. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling evenredig is met de beoogde doelstellingen, omdat de in het geding zijnde bepaling, door strikte vereisten voor de ingebrekestelling te behouden, een evenwicht waarborgt tussen de door de schuldeiser beoogde gevolgen en de bescherming van de belangen van de schuldenaar. De advocaat die een dergelijke brief opstelt, kan redelijkerwijs geen confusie pleiten. A.2.
- In uiterst ondergeschikte orde, indien een schending zou worden vastgesteld, voert de Ministerraad aan dat een grondwetsconforme interpretatie dan mogelijk is. Aldus, in zoverre het niet uitsluit dat een schuldvordering met betrekking tot een geldsom voorlopig wordt becijferd op één euro, zou artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek de in de prejudiciële vraag bedoelde normen niet schenden. Dit biedt trouwens ook een antwoord op de tweede prejudiciële vraag. A.3.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de stad Brussel in de eerste plaats aan dat de daarin voorgestelde situaties niet vergelijkbaar zijn, aangezien zij voortvloeien uit een verschillende procedurele keuze die onderscheiden toepassingsvoorwaarden tot gevolg heeft. Enerzijds is de dagvaarding een rechtsvordering, waarvan de voorwaarden werden versoepeld bij de wet van 16 juli 2012 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een vereenvoudiging van de regels van de burgerlijke rechtspleging », en die een gerechtelijke procedure op tegenspraak met zich meebrengt. Anderzijds dient de ingebrekestelling niet om een gerechtelijke beslissing te verkrijgen, werd zij niet versoepeld door de wetgever, en heeft zij aan de klassieke ingebrekestelling verbonden gevolgen. In ondergeschikte orde voert de stad Brussel aan dat het verschil in behandeling voldoende verantwoord is. Het doel van de in het geding zijnde bepaling bestaat erin een van de alternatieve wijzen van geschillenbeslechting, namelijk minnelijke onderhandelingen, te bevorderen teneinde de rechtbanken te ontlasten en besparingen door te voeren voor de schuldeisers. Het formalisme, in dat kader, is belangrijk en pertinent, aangezien de schuldenaar het 5 onderwerp en de omvang van de vordering precies moet kunnen kennen. Het doel bestaat immers geenszins erin de stuiting van de verjaring, noch het behoud van de rechten van de schuldeiser te allen prijze mogelijk te maken. A.3.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, is de stad Brussel van mening dat zij geen antwoord behoeft omdat daarin niet wordt vermeld welke twee categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken. Een bevestigend antwoord zou hoe dan ook leiden tot een onredelijk nadelige situatie voor de schuldenaars. A.4.
- De appellante voor het verwijzende rechtscollege betwist de interpretaties van de tegenpartijen met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag. Die vraag behoeft integendeel wel degelijk een antwoord, aangezien de beoogde interpretatie de zaak verandert. Bovendien, in tegenstelling tot hetgeen de stad Brussel aanvoert, ontbreken de beoogde situaties niet, aangezien het om dezelfde situaties gaat als die welke in de eerste prejudiciële vraag worden beoogd. A.4.
- Wat de vergelijkbaarheid van de beoogde situaties betreft, en in antwoord op het argument van de stad Brussel, brengt de appellante voor het verwijzende rechtscollege in herinnering dat er na een ingebrekestelling onderhandelingen kunnen plaatsvinden, die ertoe leiden dat de schuldvordering wordt gepreciseerd en berekend. Bovendien, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, kunnen geen conclusies worden getrokken uit de hoedanigheid van de betrokken rechtsbeoefenaars. Een gerechtsdeurwaarder kan immers wel degelijk ook voor een ingebrekestelling optreden. Omgekeerd wordt een dagvaarding doorgaans eerst voorbereid door een advocaat. Hoe dan ook is het niet langer de dagvaarding maar wel het verzoekschrift dat de bevoorrechte wijze is om een gerechtelijke procedure in te leiden. A.4.
- Wat de verantwoording van het verschil in behandeling betreft, voert de appellante voor het verwijzende rechtscollege aan dat, in tegenstelling tot hetgeen de tegenpartijen betogen, het debat wel degelijk moet worden gevoerd over de interpretatie van de regels die een strikt formalisme invoeren. Aldus wordt in artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek het substantief « verantwoording » en niet « berekening » gebruikt. Geen enkele andersluidende interpretatie kan worden aangevoerd. In dat verband is de vermelding van het consumentenrecht niet pertinent. A.
- Wat de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling betreft, blijft de Ministerraad erbij dat het substantief « verantwoording » klaarblijkelijk een raming en een berekening van de in het geding zijnde sommen inhoudt, zo niet zou het volledig betekenisloos zijn. Bovendien is de vergelijking met de ingebrekestelling die aan consumenten wordt gericht, niet raar, aangezien de wetgever in beide gevallen de bedoeling heeft om de belangen van de schuldenaar te beschermen. Wat betreft de concrete elementen die te dezen in de ingebrekestelling zijn vervat, voert de Ministerraad aan dat het niet de schuldenaar toekomt de schuldvordering te raden, te ramen of zelf te berekenen, ook al zou de schuldenaar de werkgever van de schuldeiser zijn. De appellante voor het verwijzende rechtscollege probeert in werkelijkheid het materiële formalisme van de in het geding zijnde bepaling te omzeilen. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat het doel de verjaring te stuiten, hoewel het legitiem is, op zich niet strijdig is met de naleving van strikte voorwaarden. Hij brengt in herinnering dat het door de wetgever nagestreefde dubbele doel om een alternatief voor de gerechtelijke weg te bevorderen en daarbij besparingen te doen, moet worden afgewogen tegen de zorg om een strikt karakter van het formalisme te handhaven teneinde de belangen van de schuldenaar veilig te stellen. -B- B.1.
- In artikel 2244 van het oud Burgerlijk Wetboek worden de rechtshandelingen die de burgerrechtelijke verjaring stuiten, limitatief opgesomd. Het bepaalt : 6 « §
- Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State of een door de Staat, Gemeenschappen of Gewesten opgericht administratief rechtscollege dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht. §
- Onverminderd de artikelen 5.231 en 5.é, stuit een ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs verzonden door de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België, tevens de verjaring en doet zij een nieuwe termijn van een jaar ingaan, evenwel zonder dat de vordering vóór de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan verjaren. De stuitende werking van deze ingebrekestelling is slechts eenmalig, onverminderd andere stuitingsoorzaken. Indien de door de wet bepaalde verjaringstermijn minder dan één jaar bedraagt, is de duur van de verlenging dezelfde als deze van de verjaringstermijn. De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de verzending van de ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs. De advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser vergewist zich van de juiste gegevens van de schuldenaar aan de hand van een administratief document van minder dan een maand oud. Ingeval de bekende verblijfplaats verschilt van de woonplaats, zendt de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, een kopie van zijn aangetekende zending naar die verblijfplaats. Om een verjaringsstuitende werking te hebben, moet de ingebrekestelling volledig en uitdrukkelijk de volgende vermeldingen bevatten : 1° de gegevens van de schuldeiser : voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, in voorkomend geval, van de verblijfplaats of van de gekozen woonplaats, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek; voor een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek; 2° de gegevens van de schuldenaar : voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, in voorkomend geval, van de verblijfplaats of van de gekozen woonplaats, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek; voor 7 een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek; 3° de beschrijving van de verbintenis die de schuldvordering heeft doen ontstaan; 4° indien de schuldvordering betrekking heeft op een geldsom, de verantwoording van alle bedragen die van de schuldenaar worden geëist, met inbegrip van de schadevergoeding en de verwijlinteresten; 5° de termijn waarbinnen de schuldenaar zijn verbintenissen kan nakomen alvorens bijkomende invorderingsmaatregelen kunnen worden getroffen; 6° de mogelijkheid in rechte op te treden met het oog op de uitwerking van andere invorderingsmaatregelen indien de schuldenaar niet binnen de vastgestelde termijn reageert; 7° de verjaringsstuitende werking van deze ingebrekestelling; 8° de handtekening van de advocaat van de schuldeiser, van de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of van de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser ». Aan het Hof worden specifiek vragen gesteld over paragraaf 2, vierde lid, 4°, van de voormelde bepaling, die betrekking heeft op de bijzondere wijze van stuiting van de verjaring die de ingebrekestelling uitmaakt. B.1.
- Bij de wet van 23 mei 2013 « tot wijziging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek teneinde aan de ingebrekestellingsbrief van de advocaat, van de gerechtsdeurwaarder of van de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen, een verjaringsstuitende werking te verlenen » (hierna : de wet van 23 mei 2013) werd een verjaringsstuitend karakter toegekend aan de ingebrekestelling verzonden door de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder die daartoe is aangesteld door de schuldeiser of de persoon die in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser. In de parlementaire voorbereiding van die hervorming wordt gepreciseerd : « Dit voorstel is uiteraard niet bedoeld om advocaten om te vormen tot ministeriële ambtenaren, maar wel om een van hun bijzondere buitengerechtelijke akten bijzondere wettelijke gevolgen toe te kennen. Zo worden soms nutteloze gerechtelijke procedures vermeden en worden magistraten niet van hun oorspronkelijke opdracht afgehouden, en krijgen de rechtzoekenden de kans om aanzienlijke financiële besparingen te doen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2010, nr. 5-145/1, p. 2). 8 In diezelfde parlementaire voorbereiding wordt de nadruk gelegd op het feit dat de handelingen bedoeld in artikel 2244 van het oud Burgerlijk Wetboek volkomen regelmatig moeten zijn om een verjaringsstuitende werking te kunnen hebben : « In het voorgestelde systeem wordt de ingebrekestelling onder bepaalde, strikte voorwaarden, een belangrijke akte omwille van de gevolgen inzake het bestaan van het betwiste recht » (ibid.). In haar advies merkt de afdeling wetgeving van de Raad van State op : « Door een nieuwe verjaringsstuitende regeling in te voeren, te weten een ingebrekestelling verstuurd bij aangetekende brief – met ontvangstbewijs – door de advocaat van de schuldeiser naar de schuldenaar van deze laatste, trekt het wetsvoorstel de logische lijn door die aan de basis ligt van de omschrijving van de gronden voor stuiting van de verjaring. Naar het idee van de indiener van het voorstel handelt de schuldeiser immers niet meer met het oogmerk om een schuldvordering die hij niet meer binnen de wettelijke verjaringstermijn zal kunnen invorderen voor de rechter te brengen, maar is het de bedoeling dat hij een bewarende maatregel kan nemen ten aanzien van zijn schuldbewijs, op basis van vereenvoudigde vormregels. Daarvoor is het dus niet meer vereist om inzonderheid gebruik te maken van een dagvaarding waarbij een gerechtsdeurwaarder wordt betrokken » (Parl. St., Senaat, 2010-2011, nr. 5-145/3, pp. 3-4). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat de vermelding van de « verantwoording van alle bedragen die […] worden geëist » vereist dat de schuldvordering die betrekking heeft op een geldsom, nauwkeurig wordt berekend en de raming op één provisionele euro dus uitsluit, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit de feiten van de in het geding zijnde zaak blijkt dat, hoewel een deel van de schuldvorderingen is geformuleerd in termen van weken en maanden bezoldiging, de vermelding, in fine, van een provisioneel bedrag van één euro de geëiste schuldvordering onbepaald maakt op het ogenblik van het versturen van de ingebrekestelling. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die mate. 9 B.2.
- De appellante voor het verwijzende rechtscollege betwist die interpretatie. Zij is van mening dat de raming op één provisionele euro van de geëiste geldsom of geldsommen op adequate wijze tegemoetkomt aan de vereiste van de in het geding zijnde voorwaarde. B.2.
- Onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen komt het in de regel het verwijzende rechtscollege toe de bepalingen te interpreteren die het toepast. De in B.2.1 vermelde interpretatie is niet kennelijk verkeerd. Zoals de Ministerraad opmerkt, kan een strikte formalistische voorwaarde per definitie immers niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij genoegen kan nemen met een onbepaald karakter. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag derhalve in de door het verwijzende rechtscollege voorgelegde interpretatie. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek in zoverre het een verschil in behandeling zou creëren tussen, enerzijds, de schuldeiser van een geldsom die in een ingebrekestelling wordt vermeld en voorlopig op één euro is becijferd en, anderzijds, een schuldeiser die langs gerechtelijke weg de betaling zou eisen van eenzelfde schuldvordering die voorlopig op één euro is becijferd. In het eerste geval wordt de verjaringstermijn niet op geldige wijze gestuit door de ingebrekestelling, terwijl de verjaringstermijn, in het laatste geval, wordt gestuit door de dagvaarding of het verzoekschrift op tegenspraak. B.4.
- Die twee categorieën van personen zijn vergelijkbaar. In beide gevallen heeft een persoon die beweert houder te zijn van een vorderingsrecht, de intentie om de verjaring met 10 betrekking tot de invordering van die geldsom te stuiten, waarvan het bedrag voorlopig is vastgesteld in afwachting van aanvullende preciseringen. B.5.
- Uit de in B.1.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever bepaalde formaliteiten die hij buitensporig vond in het kader van een stuiting van de verjaring, heeft willen versoepelen, namelijk hoofdzakelijk het gebruik van een dagvaarding in rechte via een gerechtsdeurwaarder, en daarbij tevens de nadruk te leggen op de zorg om de regelmatigheid van de aangewende middelen. Het doel van de wetgever bestaat erin de minnelijke invordering van schuldvorderingen te bevorderen, maar ook de gerechtelijke achterstand te bestrijden, waarbij proceseconomische en kostenbesparende overwegingen een rol spelen. B.5.
- De wetgever vermocht evenwel op legitieme wijze te oordelen dat de ingebrekestelling als wijze voor stuiting, een specifieke behandeling vereiste. De ingebrekestelling is immers een eenzijdige rechtshandeling die bestaat in een aanmaning van de schuldenaar in krachtige bewoordingen, waarbij de schuldeiser hem op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze herinnert aan de noodzaak om zijn verplichting uit te voeren. De aldus aangemaande schuldenaar moet, teneinde op adequate wijze tegemoet te komen aan de ingebrekestelling en zijn verplichting uit te voeren, zo nauwkeurig mogelijk worden geïnformeerd over de aard en de omvang ervan. Bijgevolg vermocht de wetgever, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 mei 2013, redelijkerwijs te oordelen dat die mogelijkheid, om redenen van rechtszekerheid en vrijwaring van de belangen van de schuldenaar, moest worden onderworpen aan de naleving van bepaalde strikte en dwingende voorwaarden, met inbegrip van de precisering en de verantwoording van de geëiste bedragen. Omgekeerd tast een schuldvordering die voorlopig op één euro is becijferd in een dagvaarding of een verzoekschrift op tegenspraak niet de belangen van de schuldenaar aan, noch de rechtszekerheid, aangezien de ingeleide gerechtelijke procedure alle partijen, met inachtneming van het beginsel van de tegenspraak, de mogelijkheid zal bieden om hun argumenten te doen gelden en de in het geding zijnde schuldvordering te preciseren. Bovendien leidt die procedure tot het optreden van een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht en alle feitelijke, juridische en procedurele aspecten van de zaak kan onderzoeken. 11 B.5.
- Het onderwerpen aan een strikt formalisme van een akte waarvan de rechtsgevolgen belangrijk zijn, heeft geen onevenredige gevolgen voor de schuldeiser, temeer daar de wet die mogelijkheid heeft toevertrouwd aan beroepscategorieën die kunnen toezien op de naleving van de wettelijke voorwaarden en de risico’s kunnen evalueren van de verjaring van de schuldvordering waarvan zij de betaling nastreven, alsook het gedrag dat dient te worden aangenomen om een dergelijke verjaring te voorkomen. Zulks geldt eveneens voor de schuldeisers die, vanuit sociaaleconomisch oogpunt, als de zwakke partij in de relatie met hun schuldenaars worden beschouwd, zoals dat te dezen het geval kan zijn inzake arbeidsrecht. In die situatie komen, bij gebrek aan zekerheid over het bedrag van de geëiste som, de goedkope en gemakkelijke toegang tot de bevoegde rechtbanken via een verzoekschrift op tegenspraak, of zelfs via een gedeformaliseerd verzoekschrift (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek), alsook de uitzondering, ter zake, op het vertegenwoordigingsmonopolie van de advocaten, tegemoet aan de zorg om de belemmeringen en de logheid te verminderen teneinde hun rechten te vrijwaren. B.
- Om die redenen is het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording. B.
- Artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de overeenstemming van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in een interpretatie die strikt het tegenovergestelde is van de in B.2.1 vermelde interpretatie. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat die prejudiciële vraag een ondergeschikt karakter heeft ten opzichte van de eerste vraag en dat zij ertoe strekt het Hof de mogelijkheid te geven om het bestaan van een grondwetsconforme interpretatie vast te stellen indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord. B.
- Bijgevolg behoeft de tweede prejudiciële vraag, rekening houdend met het antwoord dat op de eerste prejudiciële vraag is gegeven, geen antwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2244, § 2, vierde lid, 4°, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 januari
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.014 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.181 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div