← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.016

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.016 Arrest- Rolnummer: 16/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-10 Raadplegingen: 589 - laatst gezien 2026-06-18 10:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Terugzending naar het verwijzende rechtscollege Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Internering van personen met een geestesstoornis - Aanwijzing van de inrichting waar de internering ten uitvoer wordt gelegd - Ontstentenis van rechtsmiddelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 16/2025 van 30 januari 2025 Rolnummer : 8211 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 29 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 mei 2024, heeft de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat het de mogelijkheid van bezwaar en beroep, zoals bedoeld in de artikelen 18 en 163 tot 166 van die wet, ten aanzien van geïnterneerde personen uitsluit in die gevallen waarin de penitentiaire administratie, binnen de beoordelingsruimte die de beslissing van de Kamer tot bescherming van de maatschappij haar verleent, beslist in welke gevangenis of afdeling tot bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon van zijn vrijheid wordt beroofd waardoor deze, anders dan de veroordeelde gedetineerde, niet beschikt over een aan zijn positie aangepast rechtsmiddel om de discretionaire beslissing van de penitentiaire administratie door een onafhankelijke rechtsinstantie, met name de beroepscommissie, te laten toetsen ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 13 november 2023 heeft de strafuitvoeringsrechtbank te Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, beslist dat J.H., een geïnterneerde persoon, « onmiddellijk in volgende inrichting [wordt] geplaatst : de [afdeling tot bescherming van de maatschappij] Merksplas/Turnhout/Gent in afwachting van een geschikte reclassering ». Op 8 januari 2024 is J.H. overgeplaatst van de gevangenis van Gent naar de gevangenis van Turnhout. Op 9 januari 2024 heeft hij bezwaar ingediend tegen die overplaatsing bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Bij beslissing van 11 januari 2024 heeft de directeur-generaal het bezwaar onontvankelijk verklaard. Luidens die beslissing « [nam] de Dienst Detentiebeheer (DDB) […] ten aanzien van [J.H.] geen beslissing tot overplaatsing. Gezien hij geïnterneerd binnen een [penitentiaire instelling] verblijft, is niet de penitentiaire administratie, maar wel [de kamer voor de bescherming van de maatschappij] bevoegd ». Op 12 januari 2024 heeft J.H. tegen die laatste beslissing een beroep ingesteld bij het verwijzende rechtscollege, de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Bij zijn beslissing van 29 april 2024 heeft het verwijzende rechtscollege overwogen dat het voormelde vonnis van 13 november 2023 een discretionaire bevoegdheid toekent aan de penitentiaire administratie, in zoverre dat vonnis voorziet in de overplaatsing naar de afdeling tot bescherming van de maatschappij « Merksplas/Turnhout/Gent » en derhalve niet één specifieke inrichting aanwijst. Volgens het verwijzende rechtscollege heeft een geïnterneerde persoon, in tegenstelling tot een gedetineerde, niet de mogelijkheid om tegen zijn overplaatsing bezwaar in te dienen bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie en om vervolgens een beroep in te stellen tegen de beslissing over dat bezwaar, overeenkomstig de artikelen 163 tot 166 van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden ». Evenmin beschikt een geïnterneerde persoon over een rechtsmiddel tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot overplaatsing naar een andere inrichting. Uit artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) volgt immers dat er tegen een dergelijke beslissing geen cassatieberoep openstaat. Het verwijzende rechtscollege heeft daarom aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- A.1. Volgens de Ministerraad is het antwoord op de prejudiciële vraag niet langer nuttig voor de oplossing van het bodemgeschil. Bij beschikking van 17 juni 2024 heeft de strafuitvoeringsrechtbank te Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, immers een invrijheidstelling op proef toegekend aan J.H. Een van de 3 voorwaarden van die invrijheidstelling bestaat erin dat J.H. een vaste verblijfplaats dient te hebben, « startend in het forensisch zorgcircuit van […], en bij wijziging hiervan de nieuwe verblijfplaats [moet] meedelen aan het Openbaar Ministerie en aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, dat wil zeggen de justitieassistent, die met de begeleiding belast is ». Op 19 juni 2024 is J.H. overgebracht van de gevangenis van Turnhout naar het in die beschikking vermelde psychiatrisch zorgcentrum. J.H. beschikt bijgevolg niet langer over een belang bij zijn beroep tegen de beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire administratie van 11 januari 2024. A.2. De Ministerraad voert daarnaast aan dat de prejudiciële vraag steunt op een kennelijk verkeerd uitgangspunt en dat zij ook daarom geen antwoord behoeft. Het verwijzende rechtscollege gaat immers ervan uit dat de penitentiaire administratie over een discretionaire bevoegdheid beschikt om de inrichting aan te wijzen waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd. Uit de artikelen 19 en 35 van de wet van 5 mei 2014 volgt evenwel dat de beslissing over de plaatsing of de overplaatsing van de geïnterneerde persoon toekomt aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die één concrete inrichting dient aan te wijzen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b),

  1. c)en d), van die wet. Er kan derhalve geen sprake zijn van enige beslissingsbevoegdheid van de penitentiaire administratie. De omstandigheid dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij in het bodemgeschil meerdere inrichtingen heeft aangewezen waarnaar J.H. kan worden overgeplaatst, leidt volgens de Ministerraad niet tot een andere conclusie. De vraag of de kamer voor de bescherming van de maatschappij aldus in overeenstemming heeft gehandeld met de artikelen 19 en 35 van de wet van 5 mei 2014, betreft de toepassing van die bepalingen, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van het Hof. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de rechtsmiddelen waarover een geïnterneerde persoon beschikt met betrekking tot de aanwijzing van de inrichting waar de internering ten uitvoer wordt gelegd. B.2. De onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon (1°) die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt en (2°) die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en (3°) bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen (artikel 9, § 1, van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering », hierna : de wet van 5 mei 2014). De internering van personen met een geestesstoornis is een veiligheidsmaatregel die tegelijkertijd ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij (artikel 2, eerste lid, van dezelfde wet). B.3.1. Artikel 19 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt : 4 « De plaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b),
  2. c)en
  3. d)waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd. De overplaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b),
  4. c)en
  5. d)waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg ». B.3.2. Krachtens artikel 3, 4°, van de wet van 5 mei 2014 wordt onder « de inrichting » verstaan : «
  6. a)de psychiatrische afdeling van een gevangenis;
  7. b)de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
  8. c)het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;
  9. d)de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een overeenkomst betreffende de plaatsing zoals bedoeld in het 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet ». B.4.1. Artikel 25 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt : « De invrijheidstelling op proef is een modaliteit van uitvoering van de beslissing tot internering, waardoor de geïnterneerde persoon de hem opgelegde veiligheidsmaatregel ondergaat in een residentieel of ambulant zorgtraject mits hij de voorwaarden naleeft die hem gedurende de proeftermijn worden opgelegd ». B.4.2. Krachtens artikel 36, 2°, van de wet van 5 mei 2014 bepaalt het vonnis tot toekenning van een invrijheidstelling op proef dat de geïnterneerde persoon een vaste verblijfplaats dient te hebben, en bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk dient mee te delen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast. 5 B.4.3. Artikel 60, § 1, van de wet van 5 mei 2014 bepaalt dat de geïnterneerde persoon, in geval van een herroeping van de invrijheidstelling op proef, « in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b),
  10. c)en d), [wordt] geplaatst die wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij ». B.5.1. Artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt : « Tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot de herziening overeenkomstig artikel 62, met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling, evenals tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/7, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon ». B.5.2. Het Hof van Cassatie heeft met betrekking tot die bepaling geoordeeld : « Uit artikel 78 Interneringswet volgt dat tegen de beslissing tot de plaatsing van de eiser in de afdeling tot bescherming van de maatschappij te Merksplas, Turnhout of Antwerpen, geen cassatieberoep openstaat. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk » (Cass., 14 januari 2020, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18). B.6.1. De basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » (hierna : de basiswet) legt de basisregels vast inzake de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en inzake de daarmee samenhangende rechtspositie van de gedetineerden. B.6.2. De artikelen 17 en 18 van de basiswet bepalen : « Art. 17. De gedetineerden worden geplaatst in een gevangenis of afdeling dan wel overgeplaatst naar een gevangenis of afdeling, rekening houdend met de bestemming of andere criteria zoals bepaald in artikel 14 of 15, en voor de veroordeelden mede rekening houdend met het individuele detentieplan. Art. 18. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen. 6 [...] § 2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing die door de in § 1 bedoelde ambtenaren genomen is, kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III ». B.6.3. De artikelen 163 tot 166 van de basiswet vormen hoofdstuk III (« Bezwaar tegen de plaatsing of overplaatsing en beroep tegen de beslissing over het bezwaarschrift ») van titel VIII (« Afhandeling van klachten en van bezwaar tegen plaatsing of overplaatsing ») van die wet. Krachtens artikel 163, § 1, van de basiswet kan de gedetineerde bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie bezwaar indienen tegen de beslissing tot plaatsing of overplaatsing zoals bedoeld in de artikelen 17 en 18 ervan. De directeur-generaal brengt de gedetineerde binnen de veertien dagen schriftelijk op de hoogte van zijn met redenen omklede beslissing (artikel 164, § 2, van de basiswet). De gedetineerde kan tegen die beslissing beroep instellen bij de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (artikel 165, § 1, van de basiswet). Het beroep wordt ingesteld uiterlijk de zevende dag na de dag waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de aangevochten beslissing (artikel 165, § 2, van de basiswet). B.6.4. Artikel 167 van de basiswet vormt titel IX (« Tijdelijke bepaling ») van die wet. Die bepaling luidt : « § 1. Behoudens andersluidende bepalingen zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op de personen die krachtens de artikelen 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, in afwachting dat de rechtspositie voor deze personen bij wet geregeld is. § 2. De artikelen 17 en 18 en 163 tot 166 betreffende de plaatsing en overplaatsing zijn niet van toepassing op de in § 1 vermelde personen. [...] ». B.7. Het verwijzende rechtscollege, de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen, vraagt aan het Hof of artikel 167, § 2, van de basiswet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de 7 mens, « doordat het de mogelijkheid van bezwaar en beroep, zoals bedoeld in de artikelen 18 en 163 tot 166 van die wet, ten aanzien van geïnterneerde personen uitsluit in die gevallen waarin de penitentiaire administratie, binnen de beoordelingsruimte die de beslissing van de Kamer tot bescherming van de maatschappij haar verleent, beslist in welke gevangenis of afdeling tot bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon van zijn vrijheid wordt beroofd waardoor deze, anders dan de veroordeelde gedetineerde, niet beschikt over een aan zijn positie aangepast rechtsmiddel om de discretionaire beslissing van de penitentiaire administratie door een onafhankelijke rechtsinstantie, met name de beroepscommissie, te laten toetsen ». B.8.1. Het bodemgeschil betreft de overplaatsing van J.H., een geïnterneerde persoon, van de gevangenis van Gent naar de gevangenis van Turnhout. De strafuitvoeringsrechtbank te Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, had eerder beslist dat hij in de afdeling tot bescherming van de maatschappij « Merksplas/Turnhout/Gent » zou worden geplaatst. J.H. heeft bezwaar ingediend tegen zijn overplaatsing naar de gevangenis van Turnhout bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Dat bezwaar is onontvankelijk verklaard, waarna J.H. beroep heeft ingesteld bij het verwijzende rechtscollege. B.8.2. Uit de door de Ministerraad overgelegde stukken blijkt dat de strafuitvoeringsrechtbank te Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, op 17 juni 2024 en dus nadat het verwijzende rechtscollege de voormelde prejudiciële vraag heeft gesteld, aan J.H. een invrijheidstelling op proef heeft toegekend. Een van de daartoe opgelegde voorwaarden bestaat erin dat J.H. een vaste verblijfplaats dient te hebben, in eerste instantie in een psychiatrisch zorgcentrum. Ingevolge die beslissing dient J.H. derhalve niet langer in de gevangenis van Turnhout te verblijven. B.9. Rekening houdend met het voorgaande, is er aanleiding om de zaak terug te zenden naar het verwijzende rechtscollege, opdat het in het licht van dat nieuwe gegeven oordeelt of de prejudiciële vraag nog een antwoord behoeft. 8 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 januari 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.016 Gerelateerde publicatie(
  11. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.