vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 « op het notarisambt », zoals het van toepassing was ingevolge de wijziging ervan bij artikel 77, 2°, van de wet van 22 november 2022
vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie
diverse bepalingen Ibis », in zoverre het in geen
kele tegemoetkoming voorziet voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt) 2. Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK
ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 77, 2° tot 4°, van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
diverse bepalingen » (verschillende wijzigingen van artikel 117 van de voormelde wet van 16 maart 1803), ingesteld door de bv « Notaire Nathalie Compère, Société notariale »
anderen. Notariaat - Notarissen die zich in landelijke of economisch zwakke gebieden bevinden - Verlaging van de erelonen - Aankoopakten van een
ige gezinswoning - Bescheiden prijs - Tegemoetkomingsregeling - Solidariteitsregeling - Waarde van de vergoeding voor de overdracht van notariskantoren - Niet-indexering van de evenredige erelonen - Jaarlijkse bijdrage van de notarissen aan het notarieel fonds Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 17/2025 van 6 februari 2025 Rolnummer : 8029 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 77, 2° tot 4°, van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
diverse bepalingen » (verschillende wijzigingen van artikel 117 van de voormelde wet van 16 maart 1803), ingesteld door de bv « Notaire Nathalie Compère, Société notariale »
anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul
Luc Lavrysen,
de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin
Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 juni 2023 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 20 juni 2023, is beroep tot vernietiging van artikel 77, 2° tot 4°, van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
diverse bepalingen » (verschillende wijzigingen van artikel 117 van de voormelde wet van 16 maart 1803), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2022, ingesteld door de bv « Notaire Nathalie Compère, Société notariale », Marie Losseau, de bv « Géraldine Collard, société notariale », Pierre Delmotte, de bv « Boeykens Jan » (thans « Notariaat Boeykens-Vreven, notarisvennootschap »), Catherine Poncelet, de bv « Julie Zuliani, Notaire », de bv « NotFlo, notaires associés », Michael Gemmel, de bv « Shalini Fraikin, Société Notariale », de bv « François Cécile, Société Notariale », Luc Possoz, de bv « Danielle Cherpion Notaire-Notaris », Laurence Devleeschouwer, Philippe Degrooff, Véronique Fasol, de bv « Frédéric Jentges & Delphine Cogneau, Notaires associés », de bv « Notaire Roxane Notarpietro », de bv « Valérie Masson, Notaire », Jean-François Cayphas, de bv « Gaëtan Delvaux - Notaire », de bv « Benoit Odin, Notaire », de bv « Stéphanie Laudert & Bénédicte Van Maele, Notaires associés », de bv « Estienne, Gernaij & Laine - Notaires associés », de bv « Cathy Barranco, 2 Notaire », de bv « Daan Dierickx & Pierre Godts, Geassocieerde Notarissen », de bv « François Mathonet, société notariale », de bv « Notaire Gaëlle Taton », de bv « Sophie Melon, Société Notariale », Françoise Fransolet, de bv « Caroline Burette - Société notariale », de bv « Pierre Dumont & Hélène Bourguignon - Notaires associés », de bv « Olivier de Laminne de Bex, Notaire », de bv « Charlotte Labeye et Ophélie Lallemend, Société Notariale », de bv « Françoise Wera, Candice Collard, Didier Timmermans, notaires associés », de bv « Marjorie Albert, Société Notariale », de bv « Didier Nellessen et Letizia Vaccari Notaires associés », de bv « Notaire Xavier Ulrici, société notariale », de bv « Véronique Smets, société notariale », de bv « Amélie Guyot, Société Notariale », de bv « Damien Le Clercq, Société Notariale », de bv « Valentine Demblon & Sophie Coulier, notaires associés », de bv « Brice Goddin, société notariale », Remi Caprasse, de bv « Cathy Parmentier, Notaire », de bv « Maximilien Charpentier, Société Notariale », de bv « Notaires George & Dekeyser », de bv « Declairfayt Antoine & Anne, Notaires Associés », de bv « Delmotte Bastien, société notariale », de bv « Stévigny Delphine, société notariale », de bv « Patricia Van Bever et Marie-Hélène Clavareau - Notaires Associés », de bv « Florence Demoustier - Société notariale », de bv « MB Not, Société notariale », de bv « Mélissa Chabot Notaire », de bv « Nicolas Rousseaux, Notaire », Clarence Balieux, de bv « Ingrid De Winter - Notaire », Oreste Coscia, de bv « Notaire Patrick Linker », de bv « Philippe et Pascaline Dupuis, Notaires associés », de bv « François Delmarche, Notaire », de bv « Christophe Hospel - Notaire », de bv « Bernard Lemaigre, Notaire », Anne Maufroid, Denis Carpentier, de bv « Etude Flameng, Société Notariale », de bv « Muriel De Roose Notaire », de bv « Gautier Hannecart Notaire », de bv « Guy Carlier, Notaire », de bv « Virginie Dubuisson - Notaire », de bv « Olivier Minon Notaire », Emilie Blavier, de bv « Roland Mouton, société notariale », de bv « Notago, société notariale », de bv « Notalaw : société notariale », de bv « Xavier Bricout, Notaire », Jean-Pierre Derue, de bv « Amélie Lecomte & Alexandre Lecomte, notaires associés », de bv « Jules Bastin, Société notariale », de bv « Sylvain Bavier, notaire », de bv « Aurélie Haine, Notaire », de bv « Babusiaux & Pirlot Notaires Associés », de bv « Pol Decruyenaere - Notaire », de bv « Nicolas Demolin, Notaire », Gérard Debouche, de bv « Jean-Charles Dasseleer, Notaire », Jeanine Dirosa, de bv « Mathieu Durant - Notaire », de bv « Fabrice De Visch, Notaire », de bv « Jean-Louis Lhôte & Roseline Mac Callum, Notaires associés », de bv « Serge Fortez, Notaire », de bv « Société Notariale Géry Lefebvre », Hélène Ronlez, de bv « Benoit De Smet, notaire », de bvba « Aurore Difrancesco, Notaire », Emmanuelle Robberechts
de bv « Tanguy Loix Notaire », bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Guy Block, mr. Kris Wauters
mr. Thomas Mergny, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan
vertegenwoordigd door mr. Evrard de Lophem, mr. Sébastien Depré
mr. Juliette Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend
de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 6 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques
Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend,
dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten
de zaak in beraad zou worden genomen. 3 Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 november 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 11 december 2024. Op de openbare terechtzitting van 11 december 2024 : - zijn verschenen : . mr. Guy Block, mr. Kris Wauters
mr. Thomas Mergny, voor de verzoekende partijen; . mr. Maxime Chomé, advocaat bij de balie te Brussel,
mr. Juliette Van Vyve, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques
Yasmine Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 « op het notarisambt » (hierna : de wet van 16 maart 1803), zoals gewijzigd bij artikel 77, 2°
3°, van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
diverse bepalingen » (hierna : de wet van 22 november 2022), van de artikelen 10
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, met het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst
met het beginsel van de gelijke toegang van de gebruikers tot de openbare dienst, in zoverre die bepalingen een systeem van tegemoetkomingen invoeren voor bepaalde verminderingen van notariële tarieven
erelonen dat de notarissen in landelijke gebieden benadeelt. Dat middel bestaat uit twee onderdelen. A.2.1. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het voormelde artikel 117, §§ 3
4, afbreuk doet aan het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst
aan de verplichting van het notariaat
de notarissen om een gelijke toegang tot hun opdrachten van openbare dienst te waarborgen. Zij zetten uiteen dat het koninklijk besluit van 22 november 2022 « tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 16 december 1950 houdende het tarief van de honoraria der notarissen » (hierna : het koninklijk besluit van 22 november 2022) de erelonen
kosten die een notaris mag factureren voor de aankoop-
kredietakten van een
ige gezinswoning heeft verminderd
dat de wetgever, om die verlaging te compenseren, voor de aankoopakten betreffende een
ige gezinswoning waarvan de aankoopwaarde tussen 60 000 euro
4 325 000 euro bedraagt, heeft voorzien in een tegemoetkoming van het notarieel fonds, waarvan het bedrag verschilt naargelang van de aankoopwaarde binnen die schijf. De verzoekende partijen doen gelden dat de door de wetgever vastgelegde tegemoetkoming van het notarieel fonds de verlaging van de erelonen niet volledig compenseert
dat niet is voorzien in
ige tegemoetkoming voor de akten betreffende een goed waarvan de aankoopwaarde minder dan 60 000 euro bedraagt. De verzoekende partijen beklemtonen dat de erelonen betreffende de hypothecaire kredieten met betrekking tot die aankopen bovendien met 20 % werden verminderd op de eerste aankopen, zonder compensatie. Zij zetten uiteen dat de notarissen die zich in economisch zwakkere geografische gebieden of in landelijke gebieden bevinden, die verminderingen van de erelonen voor het overgrote deel van hun akten ondergaan, terwijl de notarissen die zich in economisch sterkere gebieden bevinden, die verminderingen van de erelonen niet ondergaan omdat die verminderingen geen betrekking hebben op het grootste deel van hun vastgoedtransacties. Zij leiden daaruit af dat de wetgever, door te voorzien in een tegemoetkoming waarvan het bedrag afhangt van de aankoopwaarde van het goed, heeft gekozen voor een criterium van onderscheid dat niet pertinent is om het nagestreefde doel te bereiken, namelijk het toekennen van een compensatie aan de notarissen die zijn getroffen door de verlaging van de erelonen. A.2.2. Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling ertoe leidt dat de notarissen die zich in landelijke of economisch zwakke gebieden bevinden, hun opdracht van openbare dienst niet of niet langer kunnen uitoefenen zoals zij dat deden vóór de hervorming, met name omdat zij verplicht zijn om hun personeelsbestand af te slanken of de openingsuren van hun kantoor te beperken, waardoor zij minder beschikbaar zijn
minder goed kunnen luisteren naar de personen die een beroep op hen doen. Zij voeren eveneens aan dat sommige kantoren, in het bijzonder in landelijke gebieden, sluiten of niet worden overgenomen, of verplicht worden zich te associëren, hetgeen zou kunnen leiden tot een gebrek aan notarissen in landelijke gebieden, waardoor de gebruikers meer inspanningen moeten leveren om nog de diensten van een notaris te verkrijgen, hetgeen zelfs onmogelijk zou kunnen zijn voor diegenen die niet over de financiële of materiële middelen beschikken voor de noodzakelijke verplaatsingen. De verzoekende partijen leiden uit dat alles af dat de continuïteit van de notariële openbare dienst in het gedrang wordt gebracht
dat de gelijkheid van de burgers ten aanzien van de notariële openbare dienst is verbroken. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de continuïteit van de openbare dienst een algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde is. A.2.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat de continuïteit van de openbare dienst die de notaris vervult,
kel kan worden gewaarborgd indien de notarissen voldoende worden vergoed voor de diensten die zij verlenen
indien hun erelonen minstens de kosten dekken die worden gemaakt voor die dienstverlening. Zij leggen uit dat de kosten waarmee de notariskantoren worden geconfronteerd, verband houden met de bedienden die het administratieve werk uitvoeren, met de juristen
kandidaat-notarissen die de akten opstellen, met de notarissen zelf, die de cliënten ontmoeten,
met de noodzaak voor de notarissen om op de hoogte te blijven van de wetswijzigingen die zich op tal van gebieden voordoen. A.3. De Ministerraad is van mening dat het door de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het eerste middel aangevoerde verschil in behandeling op meerdere niet-aangetoonde of zelfs onjuiste uitgangspunten berust, namelijk het uitgangspunt dat artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 tot gevolg zou hebben dat notarissen wegtrekken uit landelijke gebieden
het uitgangspunt dat die bepaling ongunstig zou zijn voor de burgers die in die gebieden wonen. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partijen geen concrete gegevens of specifieke casestudy’s aanvoeren om de hypothese dat notarissen wegtrekken uit landelijke gebieden te onderbouwen
beklemtoont dat het mogelijk is dat de vermindering van de notariskosten de vastgoedactiviteiten in die gebieden verder stimuleert, hetgeen de aangevoerde negatieve gevolgen zou kunnen compenseren. De Ministerraad is eveneens van mening dat de burgers uit de betrokken landelijke gebieden die met economische moeilijkheden worden geconfronteerd, de voornaamste begunstigden zullen zijn van de vermindering van de erelonen van de notarissen, daar de hervorming hun toegang tot eigendom kan vergemakkelijken
hun financiële last bij vastgoedtransacties kan verlichten. De Ministerraad voegt eraan toe dat bij de beoordeling van het beginsel van de continuïteit van de notariële openbare dienst rekening moet worden gehouden met verschillende aspecten, met inbegrip van de economische toegang van burgers tot de openbare dienst,
dat de notariële diensten, in tegenstelling tot andere openbare diensten zoals de medische spoeddienst, geen onmiddellijke aanwezigheid vereisen omdat vastgoedtransacties vaak een voorafgaande planning
organisatie vereisen. Hij leidt daaruit af dat de verzoekende partijen niet aantonen dat een categorie van burgers ongunstig zou worden behandeld ten opzichte van een andere. 5 A.4. In het tweede onderdeel van het eerste middel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 discriminerend is omdat het de notarissen die zich in economisch zwakkere gebieden bevinden, in het bijzonder indien zij een klein kantoor hebben, benadeelt. Zij zetten uiteen dat die meer worden getroffen door de hervorming aangezien zij meer huizen verkopen waarvan het bedrag minder dan 60 000 euro of tussen 60 000 euro
325 000 euro bedraagt. Zij merken op dat de grote kantoren, aangezien zij meer dossiers behandelen, de mogelijkheid hebben om verliezen te compenseren met de winst die wordt gemaakt op verkopen met een hogere waarde
met schaalvoordelen. Zij zetten uiteen dat de bezoldiging van de notaris al zijn behoeften moet dekken
niet symbolisch of aanvullend mag zijn
dat dat beginsel niet langer betwistbaar is, aangezien de notaris uitdrukkelijk wordt verboden
ige andere winstgevende activiteit uit te oefenen. Zij voegen eraan toe dat dat beginsel in acht moet worden genomen, ongeacht de grootte van het kantoor waarvan de notaris titularis is, aangezien de geografische spreiding van de kantoren is vastgelegd in het algemeen belang, opdat de notariële dienstverlening in het hele land wordt gewaarborgd, waarbij de wetgever overigens niet op de woonplaats van de notarissen is teruggekomen met de wet van 22 november 2022, hetgeen bevestigt dat een toegankelijke
nabije notariële openbare dienst wordt beoogd. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat de bezoldiging van de notarissen hun onafhankelijkheid moet waarborgen
rekening moet houden met de latere leeftijd waarop het ambt aanvangt, met de financiële verantwoordelijkheid die de uitoefening van dat beroep met zich meebrengt
met de noodzaak voor de notaris om zelf voor zijn pensioen te zorgen. Zij voegen eraan toe dat de bezoldiging van de notaris bij de akte rekening moet houden met « de bevoorrechte tijd, het bevoorrechte feitelijke werk, de akte
de aansprakelijkheid van de notaris ». Zij voeren aan dat in de parlementaire voorbereiding geen verantwoording te vinden is voor dat verschil in behandeling, zodat het onverantwoord is. Zij doen ten slotte gelden dat, hoewel het doel van de maatregel sociaal is, namelijk de toegang tot eigendom vergemakkelijken, het niet aan de notarissen is om die maatregel te financieren. A.5. De Ministerraad voert aan dat het bij artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 ingevoerde systeem van tegemoetkomingen een legitieme doelstelling nastreeft, namelijk het subsidiëren van de kantoren die hoofdzakelijk worden getroffen door de vermindering van de erelonen die verschuldigd zijn bij de aankoop van een
ige gezinswoning waarvan de aankoopprijs 325 000 euro niet overschrijdt. De bredere tariefhervorming in het kader waarvan het voormelde artikel 117, §§ 3
4, past, strekt ertoe het sociale karakter van de notariële tarieven te versterken. De Ministerraad voert tevens aan dat het door de wetgever in aanmerking genomen criterium van de aankoopprijs,
erzijds, objectief
, anderzijds, pertinent is omdat het de economische werkelijkheid van de activiteit van de notarissen goed weergeeft
het toelaat te bepalen welke notarissen door de vermindering van de erelonen worden getroffen. De Ministerraad voegt eraan toe dat het wel degelijk het criterium van de prijs is,
niet het criterium van het gebied waarin het notariskantoor zich bevindt, dat pertinent is. Naast het feit dat er zeer precaire stedelijke gebieden bestaan, hangt de financiële situatie van de notarissen immers af van de transacties die zij uitvoeren, ongeacht hun geografische ligging, aangezien de territoriale bevoegdheid van de notarissen niet beperkt is tot de goederen die zich in hun gebied bevinden. Volgens de Ministerraad is het bij artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 ingevoerde systeem van tegemoetkomingen evenredig met het nagestreefde doel. Het aantal verkopen van
ige woningen voor minder dan 60 000 euro is uiterst beperkt. Slechts 357 dergelijke goederen werden verkocht in 2023, hetgeen slechts 0,3862 % bedraagt van de verkopen van
ige woningen. Gelet op dat uiterst geringe aantal dient de impact van het gebrek aan compensatie voor die verkopen te worden gerelativeerd. Dat heeft een rechtstreekse invloed op het verband van evenredigheid tussen de door de wetgever genomen maatregel
het beoogde doel. De winstderving met betrekking tot die verkopen is bovendien beperkt tot 50 euro
een tegemoetkoming van het notarieel fonds voor die akten zou tot gevolg hebben dat de verkopen met een waarde van minder dan 60 000 euro die onder barema Jbis vallen, geen aanleiding zouden geven tot
ig verlies, of zelfs rendabeler zouden worden dan voorheen, hetgeen ongelijkheden zou creëren tussen de notarissen. De Ministerraad doet voorts gelden dat de gevolgen van het voormelde artikel 117, §§ 3
4, voor de economische situatie van de notarissen in het algemeen moeten worden gerelativeerd. Het voormelde artikel 117, §§ 3
4, heeft
kel een weerslag op een deel van de bezoldiging van de notaris
heeft juist tot doel de impact 6 van de vermindering van de betrokken erelonen te beperken. De economische situatie van een notariskantoor hangt bovendien niet alleen af van de erelonen, maar ook van de economische conjunctuur, de geografische ligging
de organisatie van het kantoor. Wat de geografische ligging betreft, kunnen de kantoren die zich in landelijke gebieden bevinden, hoewel zij gemiddeld een lagere omzet hebben dan de kantoren die zich in stedelijke gebieden bevinden, ook lagere kosten hebben, daar de huur
de personeelskosten minder hoog zijn. De Ministerraad merkt op dat de getuigenissen van de notarissen in het verzoekschrift zowel de economische context als de tariefhervorming beogen. Hij beklemtoont eveneens dat het Prijzenobservatorium heeft gewezen op door de notarissen gemaakte productiviteitswinsten. Wat betreft de bewering van de verzoekende partijen dat artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 in strijd is met de solidariteitsregeling krachtens welke elke notaris bijdraagt aan het notarieel fonds op basis van zijn bijdragecapaciteit, verwijst de Ministerraad naar zijn antwoord op het vijfde middel. A.6. Op het argument van de Ministerraad dat het aantal verkopen van
ige woningen voor minder dan 60 000 euro uiterst beperkt is, antwoorden de verzoekende partijen dat dat aantal in werkelijkheid meerdere honderden verkopen bedraagt sedert de hervorming
dat het discriminerende karakter van een bepaling niet afhangt van het daadwerkelijke aantal keren dat de discriminatie zich voordoet. Zij voegen eraan toe dat een notaris evenveel tijd besteedt aan het opstellen van een verkoopakte voor een onroerend goed van 60 000 euro als voor een van 600 000 euro,
zelfs meer tijd voor laaggeprijsde onroerende goederen, aangezien de betrokken bevolkingsgroep meer hulp nodig heeft dan cliënten die vertrouwd zijn met vastgoedtransacties. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de Ministerraad de werkelijkheid van de financiële gevolgen van de hervorming niet ter discussie kan stellen, aangezien die financiële gevolgen verwacht waren
werden besproken tijdens de parlementaire voorbereiding. Zij merken op dat de directeur van de federatie van notarissen in de pers eveneens gewag heeft gemaakt van de moeilijkheden van bepaalde kantoren
dat in een door een accountant opgesteld verslag wordt besloten dat de waardevermindering van een aantal kantoren ongeveer 11 tot 20 % bedraagt. A.7. De Ministerraad voert aan dat voorzichtig moet worden omgegaan met het door de verzoekende partijen voorgelegde verslag dat is opgesteld door een accountant, aangezien het geen details bevat over de toegepaste onderzoeksmethodologie, noch over de gebruikte gegevens. Volgens de Ministerraad vergt een geloofwaardige analyse een multifactoriële benadering
dient zij over een langere periode te worden uitgevoerd. Wat betreft het tweede middel A.8.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11
16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre artikel 117, §§ 3, 4
5, van de wet van 16 maart 1803 de waarde van het vermogen van de notarissen vermindert zonder afdoende compensatie, hetgeen afbreuk doet aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de betrokken notarissen. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de vergoeding voor de overdracht van een notariskantoor een vermogensrecht is, net zoals een beroepscliënteel
de advocatenkantoren, die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in zijn beslissing van 6 februari 2003 in zake Wendenburg
anderen t. Duitsland (ECLI:CE:ECHR:2003:0206DEC007163001), heeft beschouwd als
titeiten met een zekere waarde, waarop artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van toepassing is. De verzoekende partijen zetten voorts uiteen dat die vergoeding krachtens artikel 55, § 3, van de wet van 16 maart 1803 wordt berekend op basis van het inkomen van het kantoor, zodat de in het koninklijk besluit van 22 november 2022 bedoelde vermindering van de erelonen een directe weerslag heeft op die vergoeding voor de overdracht, zonder dat de bij de wet van 22 november 2022 ingevoerde compensatie het mogelijk maakt de waarde van het kantoor te behouden. Zij leggen het verslag voor van een in notariskantoren gespecialiseerde accountant waarin wordt besloten tot een waardevermindering van 11 tot 20 % van de notariskantoren. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat die waardevermindering niet wordt beschouwd als een verlies van toekomstige inkomsten, daar notariskantoren een vermogenswaarde hebben,
dus worden beschouwd als een eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 7 Zij voegen eraan toe dat elke inmenging in een vermogensrecht het algemeen belang moet dienen
een billijk evenwicht in acht moet nemen tussen het algemeen belang van de gemeenschap
de fundamentele rechten van het individu, dat geen bijzondere
buitensporige last mag dragen. Zij doen gelden dat er geen
kele verantwoording bestaat voor het gebrek aan compensatie voor de verkopen van een goed van minder dan 60 000 euro
dat de onvolledige compensatie van de andere verliezen van erelonen niet wordt verantwoord ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om gezinnen te helpen bij de aankoop van een eerste gezinswoning, aangezien andere kosten in verband met dergelijke aankopen tegelijk werden verhoogd. Zij voegen eraan toe dat toen in Frankrijk de veilingmeesters hun monopolie op het gebied van de openbare verkoop van roerende goederen werd ontnomen
hun bezoldiging aldus werd verminderd, zij een volledige vergoeding hebben ontvangen voor hun verlies, die overeenstemde met de geldelijke waardevermindering van hun « voordrachtrecht », zijnde de prijs voor de overdracht van hun kantoor. Zij beklemtonen dat het afnemen van dat monopolie maar een deel van de activiteit van dat beroep raakte, dat slechts een deel van de inkomsten vertegenwoordigde, zoals dat het geval is bij de te dezen in het geding zijnde hervorming van het notariaat,
dat notarissen een vrij beroep uitoefenen zoals veilingmeesters in Frankrijk. De verzoekende partijen preciseren nog dat zij niet vragen om elk mogelijk economisch risico uit te sluiten voor de notarissen, maar wel dat de wetgever de waarde van hun kantoor niet vermindert, ongeacht elk economisch risico. A.8.2. De verzoekende partijen geven overigens aan dat zij zich erover verwonderen dat de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij de wet van 22 november 2022, tariefbepalingen bevat, terwijl de wet van 31 augustus 1891 « houdende tarifering
invordering van de honoraria der notarissen » de tariefbevoegdheid in notariële aangelegenheden overhevelt naar de uitvoerende macht. Wat betreft de omstandigheid dat het het koninklijk besluit van 22 november 2022 is dat in de vermindering van de erelonen voorziet, doen de verzoekende partijen gelden dat het verband tussen de wet van 22 november 2022
het koninklijk besluit van dezelfde datum « zo sterk is dat de Raad van State het heeft erkend door de twee normen tegelijkertijd in werking te doen treden ». De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden wet een wijze van vergoeding invoert voor de in het koninklijk besluit van 22 november 2022 bedoelde vermindering van de erelonen die een inhouding vormt
dat, aangezien die vergoeding is beperkt tot een onbeduidend bedrag, de wetgever verantwoordelijk is. Zij zijn van mening dat het « de wet [is] die niet in overeenstemming is met het besluit ». Zij voeren voorts aan dat de waakzaamheid van de wetgever werd « verschalkt door de totale verhulling van de ‘ onderhandelingen ’ tussen [de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat]
de minister die de leden van het beroep [...] uit de hervorming hebben geweerd ». A.8.
niet langer op basis van het netto-inkomen, van de jaren die aan de berekening voorafgaan, de jonge notarissen
degenen die recent de overstap naar een vennootschap hebben gemaakt, benadeelt omdat het beroepskrediet dat zij moeten terugbetalen, niet meer in aanmerking wordt genomen. A.9.1. De Ministerraad beklemtoont dat het het koninklijk besluit van 22 november 2022 is dat voorziet in een verlaging van de erelonen van de notarissen, hetgeen een vermindering van de waarde van het protocol inhoudt,
dat het een reglement van de Nationale Kamer van notarissen is dat de bepalingen van de hervorming fictief toepast op de vijf jaren vóór het verzoek tot overdracht van een kantoor, waarop de verzoekende partijen zich beroepen om aan te voeren dat de inkomsten van notarissen geen « toekomstige inkomsten » zouden zijn die buiten het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol vallen. De bestreden bepalingen beperken zich daarentegen tot het regelen van een subsidiestelsel om de vermindering van de erelonen te compenseren. De Ministerraad voert aan dat, in zoverre de argumenten van de verzoekende partijen steunen op de verlaging van de erelonen
op de retroactieve toepassing van die hervorming, zij door het Hof moeten worden geweerd, aangezien het niet bevoegd is om de grondwettigheid van reglementaire normen te toetsen. 8 A.9.2. De Ministerraad voert aan dat artikel 117, §§ 3, 4
5, van de wet van 16 maart 1803
kel aanleiding kan geven tot een winstderving, hetgeen niet onder het toepassingsgebied van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol valt. De Ministerraad zet uiteen dat de bescherming van die bepaling van toepassing is wanneer bij de wet toegekende voorrechten leiden tot een legitieme verwachting om bepaalde goederen te verwerven. De Ministerraad verwijst in dat opzicht naar de voormelde beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake Wendenburg
anderen t. Duitsland, waarop de verzoekende partijen zich beroepen. Hij voert aan dat de notarissen geen legitieme verwachting konden koesteren dat de wetgever elke tariefhervorming volledig zou compenseren. Een dergelijke redenering kan niet worden gevolgd omdat zij zou inhouden dat elke fiscale hervorming met een weerslag op de erelonen van de notarissen die de wetgever niet volledig zou compenseren, een inmenging in hun recht op het ongestoord genot van hun eigendom zou uitmaken. De Ministerraad voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de notarissen een activiteit van openbare dienst uitvoeren, niet waarborgt dat hun bezoldiging in elke omstandigheid onveranderd blijft. De openbare diensten kunnen worden onderworpen aan hervormingen om het algemeen belang beter te dienen, hetgeen tariefaanpassingen met zich kan meebrengen. De omstandigheid dat het notarisambt is omlijnd, verandert niets aan het feit dat de notarissen zelfstandig een vrij beroep uitoefenen
de risico’s met betrekking tot die activiteit dragen. De Ministerraad beklemtoont overigens dat de bezoldiging van de notarissen niet uitsluitend bestaat uit gereglementeerde getarifeerde erelonen, hetgeen een financiële flexibiliteit biedt om het hoofd te bieden aan economische uitdagingen. Wat het Franse voorbeeld van de vergoeding van de veilingmeesters betreft, voert de Ministerraad aan dat het ging om een geval waarin een monopolie werd afgeschaft, hetgeen niet vergelijkbaar is met de te dezen bestreden hervorming, die ertoe strekt het tarief van de erelonen van notarissen te verminderen door te voorzien in een compensatie die die verlaging gedeeltelijk neutraliseert. A.9.3. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat, indien artikel 117, §§ 3, 4
5, van de wet van 16 maart 1803 wordt beschouwd als een inmenging in het recht van de verzoekende partijen op het ongestoord genot van hun eigendom, die inmenging een doel van algemeen nut nastreeft
evenredig is met dat doel, aangezien in een compensatie is voorzien voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning met een waarde tussen 60 000 euro
325 000 euro
aangezien, voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning met een waarde van minder dan 60 000 euro, waarvan het aantal zeer gering is, de winstderving is beperkt tot 50 euro
een tegemoetkoming van het notarieel fonds tot gevolg zou hebben dat de verkopen met een waarde van minder dan 60 000 euro die onder de schaal Jbis vallen, geen aanleiding zouden geven tot
ig verlies,
zelfs rendabeler zouden worden dan voorheen, hetgeen ongelijkheden zou creëren tussen de notarissen. De Ministerraad voegt eraan toe dat de hervorming
kel betrekking heeft op een deel van de bezoldiging van de notarissen, namelijk het deel betreffende de aankoopakten van een
ige gezinswoning waarvan de prijs 325 000 euro niet overschrijdt,
dat het bedrag van de overnamevergoeding van een notariskantoor wordt beïnvloed door verschillende factoren zoals het inkomen van het kantoor, dat afhangt van het feit of het kantoor al dan niet in een economisch zwak gebied is gelegen, maar eveneens van de mate van organisatie van de overdragende notaris. Wat de nieuwe berekeningsbasis van de jaarlijkse bijdrage aan het notarieel fonds betreft, verwijst de Ministerraad naar zijn antwoord op het vijfde middel. A.10. Op het argument van de Ministerraad met betrekking tot de voormelde beslissing in zake Wendenburg
anderen t. Duitsland antwoorden de verzoekende partijen dat dat precedent in de rechtspraak te dezen niet pertinent is omdat daarin sprake was van het einde van het pleitmonopolie van bepaalde advocaten voor de Duitse hoven van beroep, waarbij dat monopolie ongrondwettig werd verklaard omdat het in strijd was met de vrijheid van meningsuiting. Te dezen, zo beklemtonen de verzoekende partijen, steunt de vermindering van de erelonen van de notarissen niet op een ongrondwettigheid. Zij onderstrepen bovendien dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de overgangsmaatregelen in aanmerking heeft genomen waardoor de betrokken advocaten hun beroepsactiviteiten konden heroriënteren, terwijl te dezen de notarissen niet de mogelijkheid hebben om zich te heroriënteren omdat hun erelonen
hun ambt bij meerdere koninklijke besluiten zijn gereglementeerd. Wat betreft het derde middel A.11. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 117, §§ 6
7, van de wet van 16 maart 1803, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 11
52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
met de artikelen 5, lid 1, a), b)
c),
89 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking 9 van persoonsgegevens
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Dat middel bestaat uit drie onderdelen. A.12. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 117, § 6, derde lid, 1°, van de wet van 16 maart 1803, voor de akten houdende de aankoop van onroerende goederen, voorziet in een verzameling van persoonsgegevens door het notarieel fonds die niet toereikend, ter zake dienend
beperkt is tot wat noodzakelijk is voor de in artikel 117, § 6, vijfde
zesde lid, van de voormelde wet aangegeven doeleinden, zodat die bepaling het recht op het privéleven van de betrokkenen schendt. Zij zetten uiteen dat de krachtens die bepaling verzamelde
verwerkte gegevens betrekking hebben op alle aankoopakten van onroerende goederen, terwijl, ten eerste, die gegevens noch toereikend, noch ter zake dienend, noch noodzakelijk zijn voor de berekening van de jaarlijkse bijdrage aan het fonds bedoeld in artikel 117, § 4, van de voormelde wet, aangezien die bijdrage wordt berekend op basis van de omzet, die niet alleen bestaat uit de erelonen die voortvloeien uit de verkoopakten van onroerende goederen. Ten tweede zijn die gegevens noch toereikend, noch ter zake dienend, noch noodzakelijk om de in artikel 117, § 5, van de voormelde wet bedoelde bijdrage te berekenen voor elke akte houdende de aankoop van een onroerend goed waarvan de berekeningsbasis van het ereloon meer dan 374 999 euro bedraagt, aangezien die bijdrage niet verschuldigd is voor de andere akten
aangezien de nodige controles op de naleving van de voorwaarden van die bijdrage kunnen worden verricht op basis van de mededeling van
kel de betrokken aankoopakten. Ten derde zijn die gegevens niet noodzakelijk voor de berekening van de forfaitaire vergoeding die de notaris van het fonds kan vorderen krachtens artikel 117, § 3, derde lid, van de voormelde wet, aangezien die vergoeding
kel betrekking heeft op de aankoopakten van onroerende goederen met betrekking tot een
ige gezinswoning waarvan de basis voor de berekening van het ereloon tussen 60 000
325 000 euro bedraagt
aangezien de nodige controles op de naleving van de toekenningsvoorwaarden van die vergoeding kunnen worden verricht op basis van de mededeling van
kel de betrokken aankoopakten. Ten vierde
ten laatste heeft het fonds al die gegevens niet nodig om te bepalen of het al dan niet over voldoende middelen beschikt om de vorderingen gedurende meer dan een jaar te kunnen uitbetalen
, in voorkomend geval, een aanvraag tot tijdelijke verhoging of verlaging van het percentage van de jaarlijkse bijdrage van de notarissen in te dienen bij de minister van Justitie, aangezien die bijdrage is gebaseerd op de omzet van de notarissen – die niet
kel bestaat uit de erelonen die uit de verkoopakten van onroerende goederen voortvloeien –, aangezien de vorderingen van het fonds
kel worden berekend op basis van bepaalde aankoopakten van onroerende goederen
aangezien het fonds in het verleden zijn opdracht vervulde zonder over al die informatie te beschikken. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de Gegevensbeschermingsautoriteit, in haar advies met betrekking tot het wetsontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de bestreden bepalingen, heeft geoordeeld dat de voorgenomen gegevensverzameling te ruim was gezien de nagestreefde doelstelling,
kel betrekking kon hebben op de aankoopakten van onroerende goederen met de relevante kenmerken,
niet op alle aankoopakten van onroerende goederen, zodat het beginsel van minimale gegevensverwerking niet in acht was genomen. Na preciseringen van de minister heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit geoordeeld dat de wetgever, indien hij aan het fonds de taak had willen toekennen om na te gaan of elke koper van onroerend goed wel degelijk de korting op het ereloon heeft gekregen waarop hij recht heeft, uitdrukkelijk in die bevoegdheid had moeten voorzien, alsook in een verzameling van andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van die taak. De wetgever heeft dat advies niet gevolgd. A.13. De Ministerraad voert aan dat de in artikel 117, § 6, derde lid, 1°, van de wet van 16 maart 1803 opgesomde gegevens, met betrekking tot alle akten houdende de aankoop van onroerende goederen, noodzakelijk zijn opdat het notarieel fonds de opdrachten kan uitvoeren die aan het fonds zijn toegewezen. Hij beklemtoont dat de wetgever, om zich te conformeren aan het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bij de wet van 22 november 2022, artikel 117, § 1, van de wet van 16 maart 1803 heeft aangevuld met een lid waarbij aan het notarieel fonds een taak wordt toegekend om de notarissen te ondersteunen in het kader van hun sociale
maatschappelijke opdrachten, hetgeen de taak omvat om de naleving of de correcte toepassing van de van kracht zijnde wetgeving inzake tegemoetkomingen
bijdragen te waarborgen, zoals blijkt uit de verwijzing van die paragraaf 1 naar de paragrafen 3
5 van dezelfde bepaling, alsook uit de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 54). De Ministerraad verwijst naar een advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit waarin een belangrijk beginsel inzake de bescherming van persoonsgegevens naar voren wordt gebracht, namelijk het beginsel volgens hetwelk de regelgeving met betrekking tot de verwerking van die gegevens moet voldoen aan vereisten van voorspelbaarheid
nauwkeurigheid; de betrokkenen moeten duidelijk kunnen begrijpen hoe hun gegevens zullen worden verwerkt
onder welke omstandigheden die verwerkingen zijn toegestaan. Er moet echter niet 10 noodzakelijkerwijs voor elke gegevensverwerking een specifieke norm gelden die alle aspecten van de gegevensbescherming uitdrukkelijk regelt. In het geval van gegevensverwerkingen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van een taak van algemeen belang kan de voorspelbaarheid worden gewaarborgd indien de opdrachten van openbare dienst op zodanige wijze door de wetgever zijn omschreven
afgebakend dat de doeleinden van de verwerkingen als welbepaald
uitdrukkelijk omschreven kunnen worden beschouwd. Volgens de Ministerraad kan een duidelijk omschreven taak van algemeen belang aldus voldoende zijn om een doeleinde inzake gegevensverwerking vast te stellen, zonder dat elke verwerking uitdrukkelijk in de wet moet worden gespecificeerd. De Ministerraad leidt daaruit af dat de wetgever in overeenstemming met die beginselen heeft geoordeeld dat de in artikel 117, § 6, derde lid, 1°, van de wet van 16 maart 1803 bedoelde gegevensverzameling noodzakelijk is gelet op de algemene taak die artikel 117, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1803 toekent aan het notarieel fonds, met name de notarissen ondersteunen bij de toepassing van de regels met betrekking tot de bijdragen aan het fonds
de door dat fonds betaalde vergoedingen. A.14. De verzoekende partijen antwoorden dat de doeleinden van de in artikel 117, § 6, derde lid, 1°, van de wet van 16 maart 1803 bedoelde gegevensverzameling worden opgesomd in het vijfde
zesde lid van dat artikel 117, § 6, van die wet
dat het toereikende
ter zake dienende karakter van de verzamelde gegevens niet kan worden getoetst aan een verwerkingsdoeleinde dat niet in de wet zelf is vermeld, noch aan het algemene doeleinde van het fonds zoals bedoeld in paragraaf 1 van die bepaling, omdat dat doeleinde te weinig precies is omschreven
de naleving van het beginsel van minimale gegevensverwerking, overeenkomstig artikel 5, lid 1, c), van de AVG, inhoudt dat het toereikende, ter zake dienende
noodzakelijke karakter van de gegevens wordt beoordeeld ten aanzien van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. De Gegevensbeschermingsautoriteit had
kel aangegeven dat een duidelijke
uitputtende omschrijving van de taken van het fonds de doeleinden duidelijker zou kunnen maken; de wetgever heeft zich echter ertoe beperkt aan paragraaf 1 van de voormelde bepaling een algemeen doeleinde toe te voegen. Wat het door de Ministerraad geciteerde advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat het geen betrekking heeft op het beginsel van minimale gegevensverwerking
dat de Ministerraad dus een verkeerde lezing ervan maakt. A.15. In het tweede onderdeel van het derde middel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 117, § 6, derde lid, 3°, van de wet van 16 maart 1803, voor de akten houdende een verwerping van nalatenschap, voorziet in een verzameling van persoonsgegevens door het notarieel fonds die niet toereikend, ter zake dienend
beperkt is tot hetgeen noodzakelijk is voor de in artikel 117, § 6, vijfde lid, van de voormelde wet vermelde doeleinden, zodat die bepaling het recht op de bescherming van het privéleven van de betrokkenen schendt. Zij leggen immers uit dat het notarieel fonds gemachtigd is om, voor de akten houdende een verwerping van nalatenschap, de naam, de voornamen
het identificatienummer van de overledene
van de verwerper(s) te verzamelen bij de notarissen
te verwerken, terwijl die gegevens niet noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van het doeleinde dat bestaat in de berekening van het door het notarieel fonds aan de notaris terug te betalen bedrag voor elke akte houdende één of meer verklaringen van verwerping van nalatenschap die hij kosteloos heeft verleden. Zij voeren aan dat de verwerpingen van nalatenschap gevoelige akten zijn vanuit het oogpunt van de bescherming van het privéleven omdat zij passen in een familiale
bovendien vaak delicate of pijnlijke context, vooral wanneer de overleden ouder aanzienlijke schulden nalaat of wanneer de erfgenaam een moeilijke relatie had met de overledene of met de familie. De personen die een nalatenschap verwerpen, willen in het algemeen niet openbaar maken dat de ouder schulden had, dat zij weigeren om die schulden te dragen of dat er onenigheden, spanningen of familiegeheimen waren. De keuze van een erfgenaam om een nalatenschap te verwerpen houdt een persoonlijk
geheim waardenconflict in. De verzoekende partijen voeren aan dat de verzameling
de verwerking van de naam, de voornamen
het identificatienummer van de overledene een ander doeleinde nastreven dan dat waarin artikel 117, § 6, vijfde lid, van de wet van 16 maart 1803 voorziet, namelijk het notarieel fonds in staat stellen het aantal akten houdende een verwerping die de notaris voor eenzelfde nalatenschap heeft verleden, te controleren om na te gaan of hij geen nutteloze akten heeft verleden
of hij wel degelijk heeft geprobeerd om alle aangiften van nalatenschap in één akte samen te brengen, zoals zijn deontologische code hem oplegt. Zoals de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft aangegeven, had de wetgever, indien dat het doeleinde van die gegevensverzameling was, die taak moeten vermelden onder de aan het notarieel fonds toevertrouwde taken. Hij heeft dat niet gedaan. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het toevertrouwen van een dergelijke taak aan het notarieel fonds overigens had moeten worden verantwoord. Een akte houdende een verwerping houdt immers zware formaliteiten in, zodat de kosten van een dergelijke akte het forfaitaire bedrag van 100 euro dat de notaris bij het notarieel fonds kan terugvorderen, 11 ruimschoots overschrijdt. Ten slotte is de controle die de Nationale Kamer van notarissen kan uitvoeren op de naleving, door de notaris, van zijn boekhoudkundige verplichtingen, volgens de verzoekende partijen, in elk geval voldoende om dat doeleinde te bereiken. A.16. De Ministerraad voert aan dat de door het notarieel fonds krachtens artikel 117, § 6, derde lid, 3°, van de wet van 16 maart 1803 verzamelde gegevens, met inbegrip van de identificatie van de overledene, noodzakelijk zijn om het fonds in staat te stellen het aantal akten houdende een verwerping die een notaris voor eenzelfde nalatenschap heeft verleden, te controleren, daar de wetgever die taak uitdrukkelijk heeft toegewezen aan het notarieel fonds bij het aan artikel 117, § 1, van de wet van 16 maart 1803 toegevoegde lid, krachtens hetwelk het fonds de notarissen ondersteunt in het kader van hun sociale
maatschappelijke opdrachten. De Ministerraad voegt eraan toe dat, indien de notarissen worden onderworpen aan de verplichting om, waar mogelijk, alle aangiften van nalatenschap in één akte samen te brengen, dat komt omdat sommigen van hen, gelet op de specifieke aard van hun rol, hun monopolie
het vertrouwen dat het publiek in hen heeft, ertoe zouden kunnen worden aangezet om hun totale inkomsten te verhogen door het aantal behandelde akten te verveelvoudigen. Het samenbrengen van meerdere aangiften in één akte brengt eveneens kosten met zich mee voor de notaris. Het loutere feit dat zij worden verplicht om de gegevens waarin artikel 117, § 6, derde lid, 3°, van de wet van 16 maart 1803 voorziet, mee te delen aan het notarieel fonds, heeft bovendien een ontradend effect. De Ministerraad merkt op dat
kel de naam, de voornamen
het identificatienummer van de overledene worden verzameld, met uitsluiting van die van de verwerper. A.17. De verzoekende partijen antwoorden dat, zoals met betrekking tot het eerste onderdeel, het toereikende, ter zake dienende
noodzakelijke karakter van de verzamelde gegevens moet worden onderzocht ten aanzien van welbepaalde
uitdrukkelijk omschreven doeleinden,
niet ten aanzien van een slechts algemeen omschreven opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens. Zij beklemtonen dat de doeleinden van de krachtens artikel 117, § 6, derde lid, 3°, van de wet van 16 maart 1803 verzamelde gegevens worden vastgelegd in artikel 117, § 6, vijfde lid, van dezelfde wet, hetgeen blijkt uit de parlementaire voorbereiding, aangezien de wetgever, in antwoord op het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, heeft vermeld dat het beter was om de verschillende opdrachten van het notarieel fonds niet op te sommen in paragraaf 1 van het voormelde artikel 117, aangezien al die opdrachten reeds op een duidelijke
exhaustieve wijze zijn opgesomd « binnen artikel 117 zelf » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 52). Zij voegen eraan toe dat de in de paragrafen 3
5 van die bepaling omschreven opdrachten van het fonds duidelijk niet de controle omvatten van de naleving, door de notarissen, van hun verplichting om, waar mogelijk, de verklaringen van verwerping van nalatenschap in één akte samen te brengen. A.18. In het derde onderdeel van het derde middel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 117, § 7, derde lid, van de wet van 16 maart 1803 erin voorziet dat het notarieel fonds aan de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat gegevens doorgeeft om statistieken op te stellen over de vastgoedmarkt, terwijl sommige van die gegevens niet toereikend, ter zake dienend
beperkt zijn tot wat noodzakelijk is ten aanzien van de in artikel 117, § 7, vierde lid, van de voormelde wet vermelde doeleinden
zonder dat in
ige waarborg is voorzien voor de rechten
vrijheden van de betrokkenen. Die gegevens zijn het NABAN-nummer van de akten houdende de aankoop van een onroerend goed, evenals de berekeningsbasis van het ereloon of de koopprijs voor die akten. Volgens de verzoekende partijen neemt die mededeling van persoonsgegevens het beginsel van minimale gegevensverwerking niet in acht omdat die gegevens niet noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de door de notarissen gebruikte gegevens van onroerende goederen te waarborgen, daar de Notariële Aktebank dat doel reeds waarborgt. Zij voegen eraan toe dat een hypothetische synergie tussen beide systemen niet kan voldoen aan de vereiste van noodzakelijkheid. Bovendien is de verwerking van het NABAN-nummer van de akte door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat evenmin noodzakelijk om statistieken op te stellen over de Belgische vastgoedmarkt teneinde het publiek
de notarissen te informeren. De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft zich in die zin uitgesproken door aan te bevelen dat
kel informatie over de aankoopprijzen
de berekeningsgrondslag van de erelonen in afgeronde vorm wordt meegedeeld aan de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zonder
ige andere gegevens die het mogelijk maken de partijen te identificeren, aangezien het NABAN-nummer
kel met een afdoende verantwoording mag worden meegedeeld. Ten slotte heeft de wetgever, ondanks een opmerking van de Gegevensbeschermingsautoriteit in die zin, in geen
kel mechanisme voorzien zoals de verplichte aggregatie van de gegevens om de naleving van de in artikel 89 van de AVG bedoelde beginselen, in het bijzonder het beginsel van minimale gegevensverwerking, te waarborgen. In dat verband houdt de loutere vermelding dat de gegevens zullen worden vernietigd nadat het doeleinde is bereikt, geen
kele waarborg in wat betreft de verwerking zelf van de gegevens. 12 A.19. De Ministerraad voert aan dat de in artikel 117, § 7, derde lid, van de wet van 16 maart 1803 opgesomde gegevens noodzakelijk zijn voor het nastreven van het doeleinde waarin het vierde lid van die bepaling voorziet. Hij meent dat het NABAN-nummer van de aankoopakten van een onroerend goed een noodzakelijk gegeven is met het oog op de unieke identificatie van de akten
de transacties, hetgeen cruciaal is voor de juistheid van de statistieken. De Ministerraad zet uiteen dat de wetgever, om zich te conformeren aan het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, ten eerste, het nagestreefde statistische doeleinde in die zin heeft verduidelijkt dat het betrekking heeft op statistieken over de Belgische vastgoedmarkt om het publiek
de notarissen te informeren, ten tweede, een nieuw doeleinde heeft toegevoegd, namelijk het waarborgen van de kwaliteit van de door de notarissen gebruikte gegevens van onroerende goederen
het opstellen van de voormelde statistieken
, ten derde, het repertoriumnummer van de akten houdende de aankoop van een onroerend goed heeft geschrapt van de lijst met door te geven gegevens. De Ministerraad voegt eraan toe dat het feit dat artikel 117, § 7, van de wet van 16 maart 1803 erin voorziet dat de doorgegeven gegevens worden vernietigd nadat het doeleinde is bereikt, een voldoende waarborg uitmaakt. Wat de rol van de Notariële Aktebank
van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat betreft, doet de Ministerraad gelden dat de opdrachten betreffende de verzameling, het beheer
het waarborgen van de kwaliteit van de vastgoedgegevens complex kunnen zijn
een veelzijdig karakter kunnen hebben. De synergie tussen meerdere
titeiten bij het vervullen van die opdrachten biedt het voordeel dat bevoegdheden
aanvullende middelen die essentieel zijn om volledige
nauwkeurige gegevens te waarborgen, worden samengebracht, zonder dat dat in strijd is met de AVG. Wat betreft het vierde middel A.20. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel « 3, § 3 », van de Grondwet
met de beginselen « van openbare dienstverlening »
van de gelijke toegang tot de openbare dienst, in zoverre de wetgever niet heeft voorzien in een indexering van de evenredige erelonen van de notarissen. De verzoekende partijen zetten uiteen dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 november 2022 een amendement werd ingediend dat ertoe strekte de erelonen van de notarissen te indexeren, maar dat het werd verworpen. Zij voeren aan dat de notarissen, wegens die niet-indexering van hun erelonen, worden gediscrimineerd ten opzichte van andere personen die zijn belast met opdrachten van openbare dienst zoals de NMBS
de deurwaarders, voor wie de federale overheid de indexering van hun respectieve tarieven heeft toegestaan. Op het argument dat de erelonen van de notarissen afhankelijk zijn van de prijzen op de vastgoedmarkt, die aan het stijgen zijn, antwoorden zij dat zulks de niet-indexering niet kan compenseren, aangezien de erelonen van de notarissen degressief zijn
er geen correlatie bestaat tussen de inflatie
de inkomens van de notarissen, daar de inflatie slechts één van de elementen is die de verkoopprijs van onroerende goederen beïnvloedt
de verkoop van onroerende goederen kan stagneren, of zelfs kelderen, bij een sterke inflatie. Zij leggen eveneens uit dat de notarissen worden geraakt door de inflatie, aangezien hun
ergie-
loonkosten (lonen van de klerken
andere bedienden) in lijn met de inflatie stijgen. De verzoekende partijen zetten uiteen dat die lacune in de wetgeving vele notarissen die zich in landelijke of kansarmere gebieden bevinden, in financiële moeilijkheden brengt, temeer daar hun tarieven niet meer zijn gewijzigd sedert 1984. Zij vermelden dat de inkomsten van die notarissen per akte met 5 % zijn gedaald sedert 2005
dat, rekening houdend met de inflatie, het inkomensverlies 39 % bedraagt. Zij zijn van mening dat dit de continuïteit van de notariële openbare dienst in het gedrang brengt omdat de notarissen worden verplicht om bedienden te ontslaan
hun gratis prestaties te beperken. A.21. De Ministerraad voert aan dat het vierde middel op een onjuiste voorstelling van de evolutie van de erelonen van de notarissen steunt omdat met verschillende elementen geen rekening wordt gehouden. Ten eerste worden de aktekosten
de vaste erelonen van de notarissen wel degelijk geïndexeerd
worden de niet-gereglementeerde erelonen vrij bepaald tussen de notaris
zijn cliënt. Ten tweede zijn de erelonen van de notarissen die niet worden geïndexeerd, degressieve evenredige erelonen, die verschillen naargelang van het bedrag of de waarde van de transactie of de verleende dienst, maar geleidelijk dalen naarmate dat bedrag stijgt. Die erelonen worden niet rechtstreeks geïndexeerd, maar zij stijgen parallel met de inflatie dankzij de stijging van de vastgoedprijzen. Door een indexering van die erelonen zouden zij tweemaal stijgen voor dezelfde factor
die stijging zou een groter effect hebben op de transacties van geringe waarde, 13 omdat een kleine procentuele stijging, in absolute termen, een grotere geldsom vertegenwoordigt op een transactie van geringe waarde. Het degressieve karakter van die erelonen heeft tot gevolg dat de stijging van het ereloon hoofdzakelijk wordt ontvangen op de verkopen van bescheiden goederen, terwijl de stijging van de erelonen beperkter is wat betreft de duurdere verkopen, hetgeen betekent dat een lichte stijging van de verkoopprijzen een daadwerkelijke impact zal hebben op het ereloon voor de notarissen die zich in economisch zwakkere gebieden bevinden. De Ministerraad beklemtoont voorts dat, hoewel een deel van de erelonen van de deurwaarders eveneens evenredig is, zij onderworpen zijn aan minimum-
maximumbedragen die regelmatig worden geïndexeerd, net zoals de minimum-
maximumbedragen van de evenredige erelonen van de notarissen worden geïndexeerd. De Ministerraad voert ten slotte aan dat de bijzonderheden in de tariefstructuur van de notariële erelonen
de aard van de door de notarissen verleende diensten hun situatie onvergelijkbaar maken met die van de deurwaarders
de NMBS. A.22. De verzoekende partijen doen gelden dat de door de Ministerraad aangevoerde verantwoordingen nergens in de parlementaire voorbereiding voorkomen, die
kel het feit vermeldt dat de stijging van de inkomsten van de notarissen zou voortvloeien uit de stijging van de verkoopcijfers. Wat betreft het vijfde middel A.23. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 117, §§ 4, 5
6, van de wet van 16 maart 1803, van de artikelen 10
11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen, door erin te voorzien dat de jaarlijkse bijdrage van de notarissen aan het notarieel fonds wordt berekend op basis van de omzet van de notarissen, zijnde hun bruto-inkomen
niet hun netto-inkomen, een onverantwoorde gelijke behandeling doet ontstaan van notarissen die zich in verschillende situaties bevinden naargelang zij investeringen
aanzienlijke kosten al dan niet moeten dragen – zoals in het bijzonder het geval is voor de notarissen die recent een kantoor hebben geopend of een vennootschap hebben opgericht. Zij doen gelden dat die regel de oorspronkelijk ingevoerde solidariteitsregeling schendt, volgens welke de notarissen bijdragen naargelang van hun bijdragecapaciteit. Zij zetten ten slotte uiteen dat de omzet de economische werkelijkheid van een onderneming niet weergeeft. Die economische werkelijkheid bestaat uit de bedragen van de door de onderneming gemaakte winst
het is in het licht van die bedragen dat het welslagen van de activiteit
de bijdragecapaciteit van de onderneming worden gemeten. A.24. De Ministerraad beklemtoont dat alle notarissen aan hetzelfde bijdragepercentage zijn onderworpen, ongeacht hun uitgaven
beroepsinvesteringen, aangezien geen
kele voorkeursbehandeling wordt toegekend. Hij voert aan dat de notarissen die verschillende investeringskeuzes maken, zich niet in verschillende situaties bevinden. Het gebruik van het criterium van de bruto-inkomsten moedigt de notarissen aan om hun professionele efficiëntie te optimaliseren
hun exploitatiekosten te beperken, zonder de oordeelkundige investeringen te ontmoedigen die het notariskantoor rendabeler maken
de snelheid
de kwaliteit van de notariële diensten overigens kunnen verbeteren. Dat criterium biedt het voordeel dat de organisatorische
fiscale keuzes van de notarissen worden geneutraliseerd. Omgekeerd moedigt een systeem op basis van het netto-inkomen de notarissen aan om zoveel mogelijk uitgaven af te trekken teneinde hun belastbaar inkomen te beperken. Volgens de Ministerraad voorkomt het berekenen van de bijdrage op basis van de omzet dus dat notarissen worden bevoordeeld of benadeeld naargelang van hun investeringskeuzes of financiële strategieën. Op het argument dat de investeringen noodzakelijkerwijs plaatsvinden tijdens de eerste jaren na de opening van een kantoor, antwoordt de Ministerraad dat elke notaris eenmaal in zijn loopbaan een overnamevergoeding moet betalen, zodat de impact, op termijn, dezelfde is voor alle notarissen. De Ministerraad doet ten slotte gelden dat het criterium van de omzet het mogelijk maakt om beter rekening te houden met de bijdragecapaciteit van elke notaris door oog te hebben voor de economische werkelijkheid van zijn activiteit, ongeacht de investeringskeuzes
de exploitatiekosten. A.25. De verzoekende partijen voeren aan dat de stelling van de Ministerraad tegenstrijdig is in zoverre zij optimalisering
efficiëntie voorstaat
tegelijk investeringen ontmoedigt, die het juist mogelijk maken efficiënter te zijn. Zij voeren tevens aan dat de Ministerraad geen rekening houdt met het feit dat de beroepsactiviteit van de notarissen onder de openbare dienst valt, zodat zij niet kunnen worden gelijkgesteld met ondernemingen die ernaar streven hun winst te maximaliseren. Zij doen ook gelden dat het argument van de Ministerraad dat elke notaris ten minste eenmaal in zijn loopbaan de last met betrekking tot de aankoop van een kantoor moet betalen, geen rekening houdt met notarissen die beslissen om te innoveren, te moderniseren of uit te breiden, hetgeen aanzienlijke investeringen inhoudt. 14 Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.26. De Ministerraad vraagt in uiterst ondergeschikte orde om, in geval van een vernietiging, de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven overeenkomstig artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof
om de wetgever over een voldoende termijn te laten beschikken zodat hij een nieuw aangepast wettelijk kader kan invoeren. De Ministerraad doet immers gelden dat een retroactieve vernietiging van die bepaling
orme problemen met zich zou meebrengen binnen het notarieel fonds, dat belast is met het berekenen
het uitkeren van de in die bepaling bedoelde compensaties, alsook juridische
financiële onzekerheid voor de hele sector. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen
de context ervan B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 77, 2° tot 4°, van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
diverse bepalingen » (hierna : de wet van 22 november 2022). Die bepaling brengt wijzigingen aan in artikel 117 van de wet van 16 maart 1803 « op het notarisambt », die ook de wet van 25 ventôse jaar XI wordt genoemd (hierna : de wet van 16 maart 1803). B.2. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, passen die bepalingen in het kader van een « alomvattende hervorming van het notariaat », die uit twee delen bestaat :
erzijds, de hervorming van de bijlage bij het koninklijk besluit van 16 december 1950 « houdende het tarief van de honoraria der notarissen » (hierna : het koninklijk besluit van 16 december 1950)
, anderzijds, de hervorming van de wet van 16 maart 1803, die met name betrekking heeft op de digitalisering
het notarieel tuchtrecht (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/003, pp. 3-5). B.3. De hervorming van het koninklijk besluit van 16 december 1950 is doorgevoerd bij het koninklijk besluit van 22 november 2022 « tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 16 december 1950 houdende het tarief van de honoraria der notarissen » (hierna : het koninklijk besluit van 22 november 2022). Zoals wordt aangegeven in het verslag aan de Koning dat aan dat koninklijk besluit voorafgaat, bestaat één van de doelstellingen die met dat deel van de hervorming wordt nagestreefd, in « het versterken van het sociaal karakter van de tarieven
de gelijke toegang tot de notaris ». In het verslag aan de Koning wordt uitgelegd binnen welke logica die doelstelling past : 15 « In zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar wordt de notaris immers door de Staat belast met een dubbele taak van openbare dienst :
erzijds een opdracht van voorbereiding
bewaring van het bewijs van overeenkomsten waaraan men de authenticiteit van overheidsakten moet of wil geven
anderzijds een informatie-
adviesopdracht, die samen een algemenere openbare dienst van voorkoming van geschillen beogen. Als openbaar ambtenaar moet de notaris de continuïteit van deze openbare dienst garanderen die moet toegankelijk zijn voor eenieder. Om deze gelijke toegang van de burger tot de notaris te garanderen zijn wettelijk geregelde tarieven onontbeerlijk. Deze tarieven steunen van oudsher op een delicate sociale constructie die tot doel heeft de toegang van iedereen tot de notaris betaalbaar te houden door een laag tarief op te leggen voor de meest courante akten (o.m. van familierechtelijke aard) die worden gecompenseerd door de hogere tarieven voor bepaalde andere akten (bijvoorbeeld kapitaalverhogingen van vennootschappen, maar ook vastgoedakten). Zo moet worden gegarandeerd dat iedereen een zelfde dienstverlening aan dezelfde prijs kan bekomen, ongeacht de vermogenstoestand. De vrijwaring van dit solidariteitsmechanisme wordt dan ook in acht genomen bij de voorgestelde wijzigingen aan dit tarief. Daarbij moet ook erkend worden dat de prijzen van de woningen blijven stijgen, wat, gelet op het evenredig karakter van onder meer de erelonen (omwille van de verhoogde aansprakelijkheid), maar ook de registratierechten
btw, ook een evenredige toename impliceert van de kosten verbonden aan de verwerving van een
ige eigen woning, ook voor de kleine
middelmatige aankopen. Daarom worden de erelonen dienaangaande herzien teneinde voor deze kleine
middelmatige aankopen (tot € 750.000) tot een vermindering te komen, die het grootst moet zijn voor de aankopen tot € 300.000. Er wordt daarbij ook op gewezen dat, in tegenstelling tot de andere vermelde kosten
rechten, het evenredig tarief van de erelonen een degressief karakter vertoont, waardoor dit minder snel stijgt naarmate de prijs toeneemt. Dit principe wordt behouden in deze hervorming ». In die context, zoals in het verslag aan de Koning wordt uiteengezet, « ligt bij deze hervorming een belangrijke focus op het goedkoper maken van de verwerving van een
ige eigen woning ». Er wordt dus voorzien in een herziening van de erelonen voor de aankoop
financiering van een
ige eigen woning, door de invoering van « bis-barema’s » die leiden tot een vermindering voor aankopen met een waarde tot 750 000 euro. De erelonen voor de verkoop van dergelijke goederen worden meer bepaald ontdubbeld in twee barema’s : « Een onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen de aankopen van een
ige woning (nieuwe barema’s Jbis
Kbis)
de andere aankopen (een nieuwe versie van de klassieke barema’s J
K). [...] De verlaagde tarieven Jbis
Kbis gelden voor de verkrijging in volle eigendom, door één of meer natuurlijke personen, van een gebouw dat uitsluitend voor bewoning is bestemd of van een in opbouw zijnde of te bouwen onroerend goed dat uitsluitend voor bewoning is bestemd
dat zij samen zullen betrekken als eigen
ige woning [...] ». 16 Er wordt voorzien in een soortgelijke ontdubbeling van het barema voor de financiering van de aankoop van een onroerend goed. B.4.
ige gezinswoning tot 300 000 euro. De impact van deze vermindering zal veel zwaarder zijn voor [de] notariskantoren die in verhouding meer dergelijke aktes verlijden, dit is met name in de gebieden waar de vastgoedprijzen het laagst zijn » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 51). In de parlementaire voorbereiding wordt eveneens uiteengezet : « Het solidariteitsmechanisme van het notarieel fonds [wordt] uitgebreid
de jaarlijkse bijdrage van elke notaris of notarisvennootschap aangepast. Het notarieel fonds komt tussen in het kader van sociale maatregelen, zoals de gratis verwerping van nalatenschappen, de vermindering van het ereloon bij sociale aankopen
nu ook de vermindering bij de aankoop van een
ige gezinswoning. De werking van het notarieel fonds steunt op een interne solidariteit tussen de notariskantoren, verzekert de territoriale spreiding
de aanwezigheid van de notariskantoren in het hele land
garandeert de voortzetting van kwaliteitswerk in alle gebieden » (ibid., pp. 7-8). De wetgever heeft aldus aan het « risico [willen verhelpen] dat de hervormingen heel wat druk zouden leggen op de notariskantoren in de economisch zwakkere gebieden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/003, p. 5). B.4.2. In de parlementaire voorbereiding wordt bij de toelichting van de nieuwe paragrafen 3
4 van artikel 117 van de wet van 16 maart 1803, vervangen bij artikel 77, 2°
3°, van de wet van 22 november 2022, eveneens uiteengezet : 17 « Paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid dat de nieuwe tegemoetkoming van het fonds beschrijft. Het betreft een subsidiëring van deze kantoren die vooral geïmpacteerd worden door de vermindering van het ereloon bij de aankoop van een
ige gezinswoning waarvan de aankoopprijs gelijk is aan of minder bedraagt dan 325 000 euro. Gelet op het proportioneel karakter van het notariële barema, wordt een tegemoetkoming voorzien die verschillend is, afhankelijk van de schijf waarbinnen die prijs zich bevindt,
die gedeeltelijk het verlies compenseert van de verlaging van het ereloon tussen het afgeschafte barema
de nieuwe verlaagde barema’s Jbis
Kbis van artikel 17, [punten] 81
82 van voormeld koninklijk besluit. Dit betreft zowel de akten van onderhandse als van openbare verkoop. Paragraaf 4 wijzigt de berekeningsgrondslag
-wijze
het bedrag van de huidige jaarlijkse bijdrage van alle notarissen aan het notarieel fonds. Als berekeningsgrondslag wordt de gemiddelde omzet van het betreffende notariskantoor genomen, zodat de bijdragen van elk kantoor op een evenredige manier kunnen berekend worden zowel voor een notaris die zijn activiteit als natuurlijke persoon uitoefent, als voor een professionele notarisvennootschap. De machtiging aan de Koning om de berekeningsmethode te bepalen zodat de vennootschappen van notarissen een evenwaardige bijdrage leveren is dan niet langer noodzakelijk
wordt dan ook geschrapt. De bijdrage wordt verhoogd naar 0,25 % van de omzet i.p.v. de huidige 0,5 % van het netto belastbaar inkomen (zoals ingevoerd door het ministerieel besluit van 19 juni 2017 houdende vermindering van het bijdragepercentage van de notarissen aan het notarieel fonds, in uitvoering van artikel 117, § 4, lid 3), teneinde het fonds toe te laten haar verbintenissen na te komen. De berekeningsgrondslag betreft het gemiddelde omzetcijfer van het kantoor (of de kantoren in het geval van een associatie tussen notarissen-titularis) zodat er een continuïteit in de bijdrage gegarandeerd wordt, ook bij wijziging van rechtsvorm of vennootschap » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 52). B.5.1. Artikel 117, §§ 1
2, van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij artikel 77, 1°, van de wet van 22 november 2022, dat in het kader van het thans onderzochte beroep niet wordt bestreden, bepaalt : « § 1. Bij de Nationale Kamer van notarissen wordt in de vorm van een afzonderlijke rechtspersoon een fonds opgericht, hierna te noemen het ‘ notarieel fonds ’. De Koning organiseert het toezicht op dit fonds
kan hiertoe een of meer regeringscommissarissen aanstellen. Het notarieel fonds is een solidariteitsfonds binnen het notariaat dat de notarissen ondersteunt in het kader van hun sociale
maatschappelijke opdrachten, op de wijze bepaald in de paragrafen 3 tot
ige gezinswoning waarvoor een tegemoetkoming inzake 18 registratierechten van toepassing is, wordt toegestaan aan die personen die voor het verrichten van deze aankoop een beroep doen voor een financiering voor minstens 50 [%] van de waarde, op een hypothecaire lening of een kredietopening waarvoor zij, op basis van een wettelijke bepaling, voor het verlijden van deze akte een halvering van het ereloon van de notaris kunnen genieten ». B.5.2. Artikel 117, § 3, van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 77, 2°, van de wet van 22 november 2022,
vóór de latere wijzigingen ervan, bepaalt : « De notaris die de in § 2 bedoelde vermindering van zijn ereloon moet toestaan vordert dit bedrag terug van het notarieel fonds. De notaris kan van het notarieel fonds een bedrag van 100 euro, inclusief btw, terugvorderen voor elke akte houdende één of meer verklaringen van verwerping van nalatenschap overeenkomstig artikel 4.44, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek die hij kosteloos heeft verleden met toepassing van het derde lid, indien de akte geen andere rechtshandelingen, verklaringen of vaststellingen bevat die aanleiding geven tot honorarium of salaris. Het notarieel fonds kan, mits goedkeuring door de minister van Justitie, zijn middelen ook aanwenden voor andere maatschappelijk zinvolle doeleinden of projecten uit de notariële wereld. De notaris ontvangt van het notarieel fonds een tegemoetkoming voor elke aankoopakte van een
ige gezinswoning waarvan de basis voor de berekening van het ereloon tussen 60.000
325.000 euro bedraagt
waarvoor het barema Jbis of Kbis zoals vastgesteld door artikel 17, punten 81
82 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 16 december 1950 houdende het tarief van de honoraria der notarissen van toepassing is. Dit bedrag wordt als volgt bepaald : vanaf 60.000 euro tot
met 75.000 euro : 75 euro; vanaf 75.000 euro tot
met 100.000 euro : 100 euro; vanaf 100.000 euro tot
met 125.000 euro : 125 euro; vanaf 125.000 euro tot
met 150.000 euro : 150 euro; vanaf 150.000 euro tot
met 200.000 euro : 175 euro; vanaf 200.000 euro tot
met 275.000 euro : 200 euro; vanaf 275.000 euro tot
met 300.000 euro : 150 euro; vanaf 300.000 euro tot
met 325.000 euro : 75 euro ». B.5.3. Artikel 117, § 4, van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 77, 3°, van de wet van 22 november 2022, bepaalt : 19 « Het notarieel fonds wordt gevoed door een jaarlijkse bijdrage van alle notarissen-titularis die hun notariële activiteit als natuurlijke persoon uitoefenen
van elke professionele notarisvennootschap ten belope van 0,25 % van het gemiddeld omzetcijfer van de laatste drie boekjaren van het kantoor of de kantoren in het geval van een associatie tussen notarissen-titularis, in voorkomend geval pro rata temporis herleid tot de periode van een kalenderjaar, indien de betreffende boekjaren langer of korter dan een kalenderjaar zijn. In het geval van de oprichting van een standplaats, overeenkomstig artikel 32, derde lid, wordt de bijdrage berekend op de beschikbare boekjaren van het kantoor, zolang deze minder bedragen dan drie. In het geval van een uittreding van een notaris-titularis uit een associatie of een einde van een associatie wordt de bijdrage berekend op een gelijk aandeel van elke notaris-titularis in de omzet van de associatie, in voorkomend geval aangevuld met de omzet van de kantoren, indien de associatie minder dan drie jaar bestaat. Het omzetcijfer bestaat uit de opbrengsten onder de posten 70 tot 75 in de klasse 7 in het minimum genormaliseerd rekeningenstelsel voor notarissen waarvan het model als bijlage is gevoegd bij het reglement van de Nationale Kamer van notarissen voor de organisatie van de notariële boekhouding van 9 oktober
de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » uit te voeren door een gedetailleerd overzicht te geven van de gegevens die door het notarieel fonds worden verwerkt, gegevens die de wetgever noodzakelijk heeft geacht opdat het notarieel fonds de opdrachten kan uitvoeren waarvoor het is aangesteld (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 54). 20 B.7.1. De bestreden bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2023, overeenkomstig artikel 124 van de wet van 22 november 2022. B.7.2. Artikel 48 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie
diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024) heeft meerdere wijzigingen aangebracht in artikel 117 van de wet van 16 maart
7 april 2024. Ten aanzien van de omvang
de ontvankelijkheid van het beroep B.8.1. De Grondwet
de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks
ongunstig zou kunnen worden geraakt. Het Hof moet overigens de omvang van het beroep tot vernietiging vaststellen uitgaande van de inhoud van het verzoekschrift
in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Wat betreft artikel 117, §§ 3
4, van de wet van 16 maart 1803 B.8.2. Het eerste
het tweede middel van de verzoekende partijen zijn gericht tegen de paragrafen 3
4 van artikel 117 van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij de wet van 22 november 2022. Het Hof beperkt zijn onderzoek van het eerste
het tweede middel tot artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij de wet van 22 november
het vijfde middel zijn met name gericht tegen paragraaf 5 van artikel 117 van de wet van 16 maart 1803, zoals ingevoegd bij de wet van 22 november
7, van de wet van 16 maart 1803 B.8.4. Het derde middel is gericht tegen de paragrafen 6
7 van artikel 117 van de wet van 16 maart 1803, zoals ingevoegd bij de wet van 22 november 2022. De in het derde middel geformuleerde grieven hebben echter
kel betrekking op artikel 117, § 6, derde lid,
Het vijfde middel is met name gericht tegen de voormelde paragraaf
B.8.5. Artikel 117, § 6, derde lid, van de wet van 16 maart 1803 bepaalt dat verschillende gegevens met betrekking tot akten houdende de aankoop van een onroerend goed
akten houdende een verwerping van nalatenschap die de notarissen hebben verleden, waaronder het NABAN-nummer van de akte, dat wil zeggen het identificatienummer ervan,
de naam, de voornamen
het identificatienummer van de overledene, door het notarieel fonds bij de notarissen worden verzameld
verwerkt. Artikel 117, § 7, derde lid, van de wet van 16 maart 1803 bepaalt dat het notarieel fonds verschillende gegevens met betrekking tot de voor de notarissen verleden akten houdende de aankoop van een onroerend goed, waaronder het NABAN-nummer van de akte
de koopprijs van het betrokken goed, doorgeeft aan de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat. De verzoekende partijen zijn notarissen-natuurlijke personen of rechtspersonen, erenotarissen of, wat betreft een van hen, notarisbediende. Het is in die respectieve hoedanigheden dat zij hun beroep instellen
het is op die respectieve hoedanigheden dat zij 22 zich beroepen om hun belang bij het beroep te doen gelden. Zij zetten niet uiteen in welk opzicht artikel 117, § 6, derde lid,
, derde lid, van de wet van 16 maart 1803 een rechtstreekse weerslag zou hebben op hun situatie. Door aan te voeren dat die bepaling afbreuk doet aan het recht op bescherming van het privéleven
van persoonsgegevens van de personen die gebruikmaken van notariële diensten, zetten zij niet uiteen in welk opzicht zij een persoonlijk
rechtstreeks belang hebben bij de vernietiging ervan. Aangezien de verzoekende partijen niet aantonen dat artikel 117, § 6, derde lid,
, derde lid, van de wet van 16 maart 1803 een rechtstreekse
ongunstige weerslag zou kunnen hebben op hun situatie, doen zij niet blijken van een belang bij de vernietiging van die bepaling. B.8.6. Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op artikel 117, §§ 6
7, van de wet van 16 maart
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 de artikelen 10
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten
met het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst, schendt. B.9.2. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft geen autonome werking, omdat het
kel geldt voor het « genot van de rechten
vrijheden » welke in het Verdrag zijn vermeld (EHRM, grote kamer, 19 februari 2013, X
anderen t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0219JUD001901007, § 94). De verzoekende partijen vermelden geen andere bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 ervan. 23 Te dezen voegen artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten niets toe aan het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10
11 van de Grondwet. Het Hof onderzoekt het middel bijgevolg niet in zoverre het betrekking heeft op de schending van die verdragsbepalingen. B.9.
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 ingevoerde regeling om de in het koninklijk besluit van 22 november 2022 bepaalde verminderingen van de notariële erelonen te compenseren, een discriminatie doet ontstaan tussen de notarissen die zich in landelijke of economisch zwakke gebieden bevinden, in het bijzonder indien zij een klein kantoor hebben,
de andere notarissen. B.10.2. Het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust
het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel
de gevolgen van de betwiste maatregel
met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen
het beoogde doel. B.10.3. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid in sociaaleconomische aangelegenheden. Wanneer hij in het kader van een alomvattende hervorming van het notariaat een solidariteitsmechanisme invoert tussen notarissen om een verlaging van de erelonen waarin bij koninklijk besluit voor sociale doeleinden is voorzien, 24 gedeeltelijk te compenseren, valt het onder zijn beoordelingsbevoegdheid om de bedragen
de voorwaarden van de tegemoetkomingen te bepalen die onder dat solidariteitsmechanisme ressorteren. Het Hof mag de daarbij gemaakte beleidskeuzes
de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts afkeuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.10.4. Artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 voorziet in een tegemoetkomingsregeling voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning, waarvan de basis voor de berekening van het ereloon tussen 60 000
325 000 euro bedraagt. De afbakening van het toepassingsgebied van die regeling berust op een objectief criterium. De keuze om erin te voorzien dat het bedrag van die tegemoetkoming wordt vastgelegd volgens de schijf waarbinnen de prijs zich bevindt, berust eveneens op een objectief criterium. B.10.5. Het toepassingsgebied van die regeling is eveneens pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel. Daar het doel van artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 erin bestaat de bij het koninklijk besluit van 22 november 2022 bedoelde verlaging van de erelonen gedeeltelijk te compenseren voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning waarvan de aankoopprijs gelijk is aan of lager is dan 325 000 euro, is het pertinent dat voor die akten in tegemoetkomingen wordt voorzien. Gelet op het doel van de alomvattende hervorming dat erin bestaat het sociale karakter van de notariële tarieven te versterken, is het eveneens pertinent erin te voorzien dat de verlaging van de erelonen betrekking heeft op de aankoopakten van een
ige woning met een bescheiden prijs. Het bedrag van de tegemoetkomingen wordt vastgelegd volgens de schijf waarbinnen de aankoopprijs zich bevindt, hetgeen pertinent is gelet op het proportionele karakter van het notariële barema. B.10.6. Het door de wetgever nagestreefde doel om de in het koninklijk besluit van 22 november 2022 bedoelde verlaging van de erelonen gedeeltelijk te compenseren
het doel van de alomvattende hervorming om het sociale karakter van de notariële tarieven te versterken, zijn legitiem. B.10.7. Het Hof dient nog te onderzoeken of artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 geen onevenredige gevolgen heeft. 25 Zoals uit de in B.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt, compenseren de bij artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 ingevoerde tegemoetkomingen de in het koninklijk besluit van 22 november 2022 bedoelde verlaging van de erelonen gedeeltelijk, in het kader van een solidariteitsmechanisme tussen notarissen. Die tegemoetkomingen betreffen de aankoopakten van een goed waarvan de prijs tussen 60 000
325 000 euro ligt. De verzoekende partijen bekritiseren het gedeeltelijke karakter van de beoogde tegemoetkomingen
achten ze onvoldoende, maar beweren niet dat de bedragen ervan onbeduidend zijn. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt, kan hem niet worden verweten dat hij voor een gedeeltelijke compensatie heeft gekozen, aangezien die niet kennelijk onvoldoende is. Dat geldt des te meer daar, zoals de Ministerraad opmerkt, de ontvangen erelonen voor de akten waarvoor die tegemoetkomingen gelden maar een deel van de inkomstenbronnen van de notarissen vormen, zodat de daaruit voortvloeiende winstderving kan worden gecompenseerd door de winst die wordt gemaakt op de andere notariële activiteiten. In dat verband blijkt uit de analyse van het Prijzenobservatorium over « de werking van de notariële sector in België », die op 21 april 2021 is gepubliceerd
door de Ministerraad is aangevoerd, dat « voor het notariaat [...] het ondernemingsrisico [...] veelal lager [lijkt] te liggen dan voor andere intellectuele beroepen in minder gereguleerde markten »
dat de rendabiliteit van het notariaat « hoger [ligt] dan deze van een aantal andere intellectuele beroepen met een economische inslag ». Volgens die analyse van het Prijzenobservatorium lijkt de rendabiliteit van de notariskantoren in Brussel (18,3 %) hoger dan die van de notariskantoren in Wallonië (16,4 %) of in Vlaanderen (15,5 %). Dat verschil is niet aanzienlijk. Het Prijzenobservatorium merkt eveneens op dat « tussen geassocieerde
niet-geassocieerde notariaten [...] geen groot verschil in ondernemingsmarge [oogt] » (FOD Economie, Prijzenobservatorium, Analyse van de prijzen - De werking van de notariële sector in België, Instituut voor de nationale rekeningen, 2021, internetversie, geraadpleegd op 16 augustus 2024, p. 45). In zoverre artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 de bedragen beperkt van de tegemoetkomingen waarin het voorziet, heeft het bijgevolg geen onevenredige gevolgen voor de notarissen die zich in landelijke of economisch zwakke gebieden bevinden, in het bijzonder indien zij een klein kantoor hebben. 26 B.10.8. Artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 voorziet daarentegen in geen
kele tegemoetkoming voor de aankoopakten van een woning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt. De Ministerraad doet gelden dat de winstderving voor die akten beperkt is
dat een tegemoetkoming in bepaalde gevallen zelfs zou leiden tot overcompensatie. De doelstelling om overcompensatie te vermijden, verantwoordt echter niet dat in geen
kele compensatie wordt voorzien. De Ministerraad merkt eveneens op dat die aankopen slechts een klein percentage vertegenwoordigen van de aankopen waarop de bepaling betrekking heeft. Hij betwist echter noch het bestaan van een aantal dergelijke aankopen, noch de bewering van de verzoekende partijen dat die aankopen meer betrekking hebben op de notarissen die zich in landelijke geografische gebieden bevinden. Voor de notarissen voor wie, wegens hun geografische situatie, de grootte van hun kantoor of van hun cliënteel, de aankoopakten van een woning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt, een aanzienlijker deel van hun activiteit uitmaken dan voor de andere notarissen, komt het totale gebrek aan compensatie van de verlaging van de erelonen, ook al is de winstderving beperkt, boven op het reeds zeer beperkte karakter van hun erelonen voor die akten. Noch de parlementaire voorbereiding, noch de memories van de Ministerraad verantwoorden dit. Integendeel, tijdens de parlementaire voorbereiding hebben sommige volksvertegenwoordigers zich zorgen gemaakt over het gebrek aan een tegemoetkoming voor de woningen waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt
heeft de minister zich ertoe verbonden de regeling te evalueren
, in voorkomend geval, in de toekomst in te grijpen (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/007, pp. 8-9). Een dergelijke ingreep heeft later plaatsgevonden aangezien de wetgever, bij artikel 48 van de in B.7.2 vermelde wet van 28 maart 2024, zonder terugwerkende kracht heeft voorzien in een tegemoetkoming van 50 euro voor de aankoopakten van een woning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt. Het gebrek aan compensatie in artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803, zoals het vóór die wijziging van kracht was, is niet verantwoord ten opzichte van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de verlagingen van de erelonen te compenseren. 27 B.10.9. Artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij artikel 77, 2°, van de wet van 22 november 2022
vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 maart 2024, in zoverre het in geen
kele tegemoetkoming voorziet voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt, schendt de artikelen 10
11 van de Grondwet. Het tweede onderdeel van het middel is voor het overige niet gegrond. B.11.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel doen de verzoekende partijen gelden dat de bij artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 ingevoerde solidariteitsregeling discriminerend is in zoverre zij afbreuk doet aan het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst
aan de verplichting van de notarissen om een gelijke toegang tot hun opdrachten van openbare dienst te waarborgen. B.11.2. Het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst is een bijzondere toepassing van het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie dat wordt gewaarborgd door de artikelen 10
11 van de Grondwet. B.11.3. Het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling tussen de personen die gebruikmaken van notariële diensten in landelijke of economisch zwakke gebieden
de personen die gebruikmaken van notariële diensten in andere gebieden, voor zover het is bewezen, vloeit voort uit een maatregel die, zoals in B.10.4
B.10.5 is vermeld, berust op pertinente
objectieve criteria. B.11.4. Dat verschil in behandeling heeft geen onevenredige gevolgen voor de personen die gebruikmaken van notariële diensten in landelijke of economisch zwakke gebieden. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen de notarissen die zich in economisch zwakke gebieden bevinden, ertoe brengen hun personeelsbestand af te slanken of de openingsuren van hun kantoor te beperken, waardoor zij minder beschikbaar zijn
minder goed kunnen luisteren naar de personen die een beroep op hen doen. Zij voeren eveneens aan dat sommige kantoren sluiten of niet worden overgenomen. Het feit dat een beperkt aantal kantoren zou sluiten
dat de openingsuren van bepaalde kantoren zouden worden beperkt, zou echter niet volstaan om de toegang tot een notariskantoor overdreven moeilijk te maken. De wetgever vermocht dus redelijkerwijs te oordelen dat het risico van een lichte stijging van 28 de moeilijkheden van bepaalde gebruikers om zich te verplaatsen, redelijk is gelet op het doel van de alomvattende hervorming teneinde het sociale karakter van de notariële tarieven te versterken. Dat geldt des te meer daar de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden, zoals in B.10.3 is vermeld. B.11.5. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het tweede middel B.12.1. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 de artikelen 10, 11
16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), schendt omdat het de waarde van de vergoeding voor de overdracht van notariskantoren vermindert. B.12.
niet langer op basis van het netto-inkomen, van de jaren die aan de berekening voorafgaan, in strijd is met de artikelen 10
11 van de Grondwet omdat het de jonge notarissen
diegenen die recent de overstap naar een vennootschap hebben gemaakt, benadeelt, aangezien het beroepskrediet dat zij moeten terugbetalen, niet meer in aanmerking wordt genomen. Die grief valt samen met de grief die het voorwerp uitmaakt van het vijfde middel
wordt hierna onderzocht. Het Hof beperkt zijn onderzoek van het tweede middel bijgevolg tot artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart
immateriële roerende activa die verband houden met de organisatie van het kantoor
het ereloon op uitgiften
het uitvoeringsereloon, moeten tegen vergoeding aan de in opvolging benoemde notaris worden overgedragen binnen de in artikel 54, eerste lid, gestelde termijn. [...] [...] § 3. a) Het bedrag van de in § 1, a), bepaalde vergoeding is gelijk aan twee
een halve maal het gemiddelde, geïndexeerde
eventueel gecorrigeerde, inkomen over de laatste vijf jaar van het kantoor. b) In geval van associatie is het bedrag van de vergoeding gelijk aan twee
een halve maal het aandeel van de geassocieerde notaris in het inkomen van het kantoor bedoeld onder a), zoals dit aandeel is vastgesteld in het vennootschapscontract. c) De Koning bepaalt de regels inzake berekening
indexering van het gemiddeld inkomen van het kantoor bedoeld in a)
b), alsmede de criteria van de eventuele correctie naar beneden toe om economische of billijkheidsredenen, onder meer wanneer de overdracht gebeurt door afstand van aandelen zoals bepaald in § 1, b). Het bedrag van de overnamevergoeding wordt vastgesteld in een verslag opgemaakt door een bedrijfsrevisor of een extern accountant, aangewezen door de Nationale Kamer van notarissen. Deze revisor of extern accountant mag vooraf geen mandaat uitgeoefend hebben in het betrokken kantoor. De aangewezen revisor of extern accountant omschrijft alle bestanddelen die deel uitmaken van het over te nemen notariskantoor. d) De minister van Justitie stelt de regels vast voor de mededeling aan de kandidaat-notarissen van het bedrag van de vergoeding bedoeld in a). Deze mededeling geschiedt in ieder geval minstens eenentwintig dagen voor het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 43, § 1 ». B.14.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen
op de wijze bij de wet bepaald
tegen billijke
voorafgaande schadeloosstelling ». B.14.2. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang
met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet
in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen
kele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen
boeten te verzekeren ». 30 B.14.3. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin)
tegen elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). Dat artikel doet geen afbreuk aan het recht dat een Staat heeft om die wetten uit te vaardigen welke hij noodzakelijk acht om toezicht uit te oefenen op het gebruik van de eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is
kel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang
die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. De lidstaten beschikken ter zake over een grote appreciatiemarge (EHRM, 2 juli 2013, R.Sz. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0702JUD004183811, § 38). B.14.
belangen die activa vormen, kunnen eveneens doorgaan voor « eigendomsrechten »
dus voor « eigendom » volgens het voormelde artikel (EHRM, 23 februari 1995, Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1995:0223JUD001537589, § 53; grote kamer, 25 maart 1999, Iatridis t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:1999:0325JUD003110796, § 54). Het beroepscliënteel, opgebouwd door het werk, heeft het karakter van een privaat recht
wordt beschouwd als een vermogenswaarde (EHRM, 30 november 1987, H. t. België, ECLI:CE:ECHR:1987:1130JUD000895080, § 47, b); 16 oktober 2018, Könyv-Tár Kft e.a. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2018:1016JUD002162313, § 31). De goodwill is een element om een beroepskantoor te waarderen (EHRM, 13 maart 2012, Malik t. Verenigd Koninkrijk, 31 ECLI:CE:ECHR:2012:0313JUD002378008, § 93; 16 oktober 2018, Könyv-Tár Kft e.a. t. Hongarije, voormeld, § 31). Behalve in sommige omstandigheden waarin de legitieme verwachting eigendom te verkrijgen kan worden beschermd, maken toekomstige inkomsten evenwel zelf
kel « eigendom » uit zodra zij werden verkregen of er daartegen een juridisch afdwingbare schuldvordering bestaat (EHRM, 6 oktober 2022, Juszczyszyn t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:1006JUD003559920, § 344). B.15.2. De verzoekende partijen verwijten artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 dat het de vermindering van de erelonen waarin het koninklijk besluit van 22 november 2022 voorziet, onvoldoende compenseert
, zodoende, de inkomsten van de betrokken kantoren verlaagt, hetgeen de waarde van de vergoeding voor de overdracht van de notariskantoren doet dalen. Die grief, die steunt op de waardevermindering van het kantoor die wordt geschat onder verwijzing naar de toekomstige inkomsten, is in werkelijkheid een verzoek om het verlies van toekomstige inkomsten gelijk te stellen met het verlies van eigendom. De notarissen vermochten geen legitieme verwachting te koesteren dat hun erelonen nooit lager zouden worden ingeschat. De grief van de verzoekende partijen valt bijgevolg buiten het toepassingsgebied van artikel 16 van de Grondwet
van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.16. Het aangevoerde retroactieve karakter van de hervorming dat het voorwerp uitmaakt van de tweede grief van de verzoekende partijen, vindt zijn oorsprong in het reglement « inzake de correctie naar beneden van toepassing op de schattingen van notariskantoren, rekening houdend met de impact van de hervorming van het notariaat 2022 », dat de Nationale Kamer van notarissen op 27 oktober 2022 heeft aangenomen,
niet in de bestreden bepaling. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de grondwettigheid van een reglement van de Nationale Kamer van notarissen, zelfs indien dat reglement is aangenomen in het kader van een hervorming waarvan het wetgevend deel wordt bestreden voor het Hof. B.
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel « 3, § 3 », van de Grondwet
met de beginselen « van openbare dienstverlening »
van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst, omdat de notarissen aldus worden gediscrimineerd ten opzichte van andere personen die belast zijn met opdrachten van openbare dienst zoals de NMBS
de deurwaarders, wier tarieven worden geïndexeerd. B.19. Artikel 3 van de Grondwet bevat geen paragraaf 3
uit het middel blijkt niet in welk opzicht de bestreden wetgeving in strijd zou zijn met artikel 3 van de Grondwet, dat betrekking heeft op de drie gewesten die België omvat, noch welke andere bepaling van de Grondwet zou worden beoogd. B.20.1. De tarifering van de erelonen van de notarissen vindt haar wettelijke grondslag in artikel 1 van de wet van 31 augustus 1891 « houdende tarifering
invordering van de honoraria der notarissen », krachtens hetwelk « de regering is gemachtigd de honoraria, vacaties, rechten van rol of afschrift, reis-, verblijfs- of voedingskosten die aan de notarissen verschuldigd zijn wegens de instrumentaire of andere akten van hun ambtsbediening, te tariferen ». Het is het voormelde koninklijk besluit van 16 december 1950 dat, in de bijlage erbij, dat tarief bepaalt, dat
kel geldt voor de akten die onder het notarisambt sensu stricto vallen
voor de activiteiten die het accessorium ervan zijn (artikel 1). De erelonen worden vastgelegd in artikel 17 per soort van opgemaakte akte. Er wordt in verschillende tariferingsformules voorzien. De tarieven kunnen aldus worden vastgelegd tussen een minimum-
een maximumbedrag of evenredig zijn, in welk geval zij worden bepaald op basis van de uitgedrukte waarde in de betrokken akte. De evenredige erelonen zijn degressief per schijf
worden, volgens de aard van de akte, berekend onder verwijzing naar de in artikel 6 bedoelde schalen. B.20.2. Krachtens artikel 19, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 16 december 1950 « [worden] de vaste honoraria bedoeld in artikel 3
de forfaitaire bedragen die zijn 33 vastgesteld in artikel 2, § 2 [...] om de twee jaar op 1 januari van rechtswege aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen ». Daaruit volgt dat de vaste erelonen
de forfaitaire kosten van de notarissen worden geïndexeerd. Er is daarentegen in geen
kele automatische indexering voorzien voor de evenredige erelonen. B.
ige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om uitspraak te doen over de vraag of een koninklijk besluit of de bijlage bij een koninklijk besluit al dan niet bestaanbaar is met die bepalingen van de Grondwet. Zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in B.21, dient het verschil in behandeling waarover het Hof wordt gevraagd zich uit te spreken, te dezen niet te worden toegeschreven aan een norm met wetgevend karakter, maar aan de bijlage bij een koninklijk besluit. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat, wanneer een wetgever een machtiging verleent, aangenomen dient te worden – behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin – dat hij de gemachtigde
kel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. Het staat aan de bevoegde rechter na te gaan of de gemachtigde de hem toegekende machtiging al dan niet te buiten is gegaan. B.
niet hun netto-inkomen, een onverantwoorde gelijke behandeling doet ontstaan tussen notarissen die zich in verschillende situaties bevinden naargelang zij investeringen
aanzienlijke kosten al dan niet moeten dragen, zoals in het bijzonder het geval is voor de notarissen die recent een kantoor hebben geopend of een vennootschap hebben opgericht. B.25.1. Zoals in B.10.3 is vermeld, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid in sociaaleconomische aangelegenheden. Wanneer hij in het kader van een alomvattende hervorming van het notariaat een solidariteitsmechanisme invoert tussen notarissen om verlagingen van erelonen waarin bij koninklijk besluit voor sociale doeleinden is voorzien, gedeeltelijk te compenseren, valt het onder zijn beoordelingsbevoegdheid om de berekeningswijze te bepalen van de bijdragen waarmee dat solidariteitsmechanisme wordt gefinancierd. Het Hof mag de daarbij gemaakte beleidskeuzes
de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts afkeuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.25.2. De keuze van de wetgever om voor alle notarissen erin te voorzien dat het de omzet, in plaats van het netto-inkomen, is die als basis dient voor de berekening van de jaarlijkse bijdrage aan het notarieel fonds, berust op een objectief criterium. Het criterium, dat hetzelfde is voor alle notarissen, is eveneens pertinent, aangezien het, zoals de Ministerraad opmerkt, het voordeel biedt dat de organisatorische
fiscale keuzes van de notarissen worden geneutraliseerd in tegenstelling tot het criterium van het netto-inkomen. De wetgever heeft bovendien rekening gehouden met de bijzondere situatie van de notarissen die recent een kantoor hebben geopend, aangezien hij in artikel 117, § 8, vijfde lid, van de wet van 16 maart 1803 heeft bepaald dat « de nieuwbenoemde notaris-titularis die zijn activiteit als natuurlijke persoon of in een eenpersoons professionele notarisvennootschap uitoefent » geen jaarlijkse bijdrage betaalt voor het eerste jaar van zijn benoeming
, voor het tweede jaar, de helft van die bijdrage betaalt. 35 De keuze van de wetgever is bijgevolg redelijk verantwoord. B.
ige gezinswoning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt, met de beperkte periode waarin artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij artikel 77, 2°, van de wet van 22 november 2022, van kracht is geweest vooraleer de wet van 28 maart 2024 het wijzigt om in een tegemoetkoming voor die akten te voorzien,
met het geringe bedrag van de tegemoetkoming die verschuldigd is voor de in die bepaling bedoelde eerste schijf, dient het verzoek van de Ministerraad om de gevolgen van de te vernietigen bepalingen te handhaven niet te worden ingewilligd. 36 Om die redenen, het Hof 1. vernietigt artikel 117, § 3, derde
vierde lid, van de wet van 16 maart 1803 « op het notarisambt », zoals het van toepassing was ingevolge de wijziging ervan bij artikel 77, 2°, van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
diverse bepalingen »
vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie
diverse bepalingen Ibis », in zoverre het in geen
kele tegemoetkoming voorziet voor de aankoopakten van een
ige gezinswoning waarvan de prijs minder dan 60 000 euro bedraagt; 2. verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands
het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 februari 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.017 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:1987:1130JUD000895080 ECLI:CE:ECHR:1995:0223JUD001537589 ECLI:CE:ECHR:1999:0325JUD003110796 ECLI:CE:ECHR:2003:0206DEC007163001 ECLI:CE:ECHR:2012:0313JUD002378008 ECLI:CE:ECHR:2013:0219JUD001901007 ECLI:CE:ECHR:2013:0702JUD004183811 ECLI:CE:ECHR:2018:1016JUD002162313 ECLI:CE:ECHR:2022:1006JUD003559920 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.