id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.018 Arrest- Rolnummer: 18/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-17 Raadplegingen: 301 - laatst gezien 2026-06-14 19:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord 2. Schending (artikel 6, § 1, b), van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 6 en 31 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Gesubsidieerd onderwijs - Tijdelijk aangestelde personeelsleden - Benoemingsvoorwaarden - Opeenvolgende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur - Wisselende leeropdrachten - Anciënniteit Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 18/2025 van 6 februari 2025 Rolnummer : 8122 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 6 en 31 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 11 december 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 december 2023, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 31 van het Rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 (decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het Handvest van de Grondrechten, in die interpretatie dat opeenvolgende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur onbeperkt kunnen verlengd worden, waardoor er zelfs na een ononderbroken dienst van 1992 tot 1 maart 2021 maar met wisselende leeropdrachten geen recht op een vaste benoeming ontstaat, terwijl een zelfde ononderbroken staat van dienst maar met een zelfde leeropdracht wel aanleiding zou hebben gegeven tot een vaste benoeming ? »; « 2. Schendt artikel 6 van het Rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 (decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het Handvest van de Grondrechten, in die interpretatie dat het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met 2 volledige dienstprestaties, met de helft wordt verminderd, om te komen tot voldoende dienstanciënniteit om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming, waardoor deeltijdse dienstprestaties van minder dan de helft van een volledige betrekking, meer dan dubbel zoveel tijd in beslag nemen als in het geval van een meer dan halftijdse betrekking, om tot een vaste benoeming te kunnen komen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - B.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Tom Peeters, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sofie Logie en mr. Thomas Fiers, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil Op 2 april 2021 heeft B.M., appellante voor het verwijzende rechtscollege, de Vlaamse Gemeenschap en de vzw « Volwassenonderwijs van de Landelijke Bedienden Centrale, Nationaal Verbond voor Kaderpersoneel » (hierna : de LBC) gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, tot betaling van een provisioneel bedrag van 5 000 euro schadevergoeding uit hoofde van wedde- en pensioenverlies als gevolg van de onregelmatige opvolging van aanstellingen voor bepaalde duur en een gebrek aan een vaste benoeming. Bij vonnis van 21 september 2021 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de vordering ongegrond verklaard, om reden dat de Vlaamse Gemeenschap het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding » (hierna : het Rechtspositiedecreet) niet heeft geschonden. Aangezien B.M. haar ambten minder dan halftijds uitoefende, werden de gepresteerde dagen gehalveerd overeenkomstig artikel 6 van het Rechtspositiedecreet. De Rechtbank van eerste aanleg oordeelde tevens dat de artikelen 23, §§ 8 en 9, en 31 van het Rechtspositiedecreet een gelijkwaardige bescherming bieden als de richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 « betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd » (hierna : de richtlijn 1999/70/EG), die zich niet verzet tegen onbeperkte opeenvolgingen en verlengingen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur. Bovendien had B.M. vrijwillig ingestemd met de aanstellingen van bepaalde duur en bewees zij niet dat de LBC de mogelijkheid had haar een aanstelling van doorlopende duur of een vaste benoeming te verstrekken, noch dat zij voldeed aan de voorwaarden daartoe. Bij verzoekschrift van 9 november 2022 heeft B.M. hoger beroep aangetekend bij het Hof van Beroep te Antwerpen. Bij een tussenarrest van 11 december 2023 heeft het verwijzende rechtscollege onder meer geoordeeld 3 dat de richtlijn 1999/70/EG van toepassing is in de onderwijssector, dat clausule 4 van de richtlijn 1999/70/EG directe werking heeft, dat clausule 5 van de richtlijn 1999/70/EG richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd en dat de Vlaamse Gemeenschap die richtlijn niet bij decreet heeft geïmplementeerd. Tevens oordeelde het verwijzende rechtscollege dat de ondertekening door B.M. van de verschillende tijdelijke aanstellingen niet belet dat er sprake kan zijn geweest van misbruik. Aangezien de beantwoording van de door B.M. gesuggereerde prejudiciële vragen, volgens het verwijzende rechtscollege, pertinent is voor de beslechting van het bodemgeschil, worden de hiervoor weergegeven vragen gesteld. III. In rechte -A- A.1.1. Vooreerst merkt de appellante voor het verwijzende rechtscollege op dat niet de huidige versie van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 « betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding » (hierna : het Rechtspositiedecreet) dient te worden onderzocht, maar de versie die van toepassing was op het moment dat de appellante voor het verwijzende rechtscollege een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur wilde verkrijgen, namelijk in april 2018. Het Rechtspositiedecreet werd sindsdien verschillende keren aangepast, maar die aanpassingen zijn niet relevant voor de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen. Vervolgens verwijst de appellante voor het verwijzende rechtscollege naar artikel 23bis van het Rechtspositiedecreet, dat de voorwaarden bepaalt waaraan een personeelslid moet voldoen om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (hierna : een TADD) te kunnen krijgen. Artikel 23bis van het Rechtspositiedecreet dient in samenhang te worden gelezen met artikel 6, § 1, van dat decreet, dat de berekening van de dienstanciënniteit in het algemeen verder toelicht. A.1.2. De Vlaamse Regering meent dat beide prejudiciële vragen enkel handelen over artikel 31 en artikel 6 van het Rechtspositiedecreet zonder meer, zodat de in het geding zijnde bepalingen in de huidige versie van het Rechtspositiedecreet moeten worden beoordeeld. Bovendien is de verwijzing naar artikel 23bis van het Rechtspositiedecreet niet correct, daar die bepaling enkel van toepassing is op personeelsleden in het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren, terwijl de appellante voor het verwijzende rechtscollege lesgeeft in het volwassenenonderwijs, waar geen scholengemeenschappen zijn. Enkel artikel 23 van het Rechtspositiedecreet is, volgens de Vlaamse Regering, van toepassing op de positie van B.M., maar ook dat artikel valt niet binnen de draagwijdte van de gestelde prejudiciële vragen. Toch is artikel 23 van het Rechtspositiedecreet in casu van belang, aangezien B.M. in geen geval meteen een vaste benoeming had kunnen verwerven. Een personeelslid met een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur (hierna : een TABD) kan nooit rechtstreeks vast benoemd worden. Zij moet eerst een TADD verkrijgen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.2. Volgens de appellante voor het verwijzende rechtscollege strekt de eerste prejudiciële vraag ertoe van het Hof te vernemen of het niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat artikel 31 van het Rechtspositiedecreet het mogelijk maakt dat een personeelslid in het onderwijs, dat over een ononderbroken anciënniteit beschikt van meer dan 25 jaar, verspreid over verschillende ambten en lesopdrachten, zonder beperking kan worden tewerkgesteld door middel van opeenvolgende contracten van bepaalde duur en nooit het recht op een vaste benoeming heeft verworven. De vraag heeft aldus betrekking op de vraag naar de mogelijkheid tot opeenvolging van contracten van bepaalde duur in het sociaal recht. De Europese Unie nam reeds in 1999 met de richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 « betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor 4 bepaalde tijd » (hierna : de richtlijn 1999/70/EG) het standpunt in dat contracten van onbepaalde duur de normale arbeidsverhouding zijn en dat contracten van bepaalde duur de uitzondering moeten vormen. Die richtlijn is van toepassing op het onderwijspersoneel. De appellante voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat de richtlijn 1999/70/EG uitvoering heeft gekregen bij de artikelen 10, 10bis en 11 van de wet van 3 juli 1978 « betreffende de arbeidsovereenkomsten » (hierna : de Arbeidsovereenkomstenwet), die evenwel niet van toepassing is op het onderwijspersoneel. Het onderwijspersoneel wordt fundamenteel anders behandeld dan werknemers die vallen onder de Arbeidsovereenkomstenwet wat betreft de mogelijkheid tot opeenvolging van arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur. Nochtans verschillen onderwijspersoneelsleden van gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen niet van werknemers onder de Arbeidsovereenkomstenwet en moeten zij gelijk behandeld worden. Een rechtvaardiging van die ongelijke behandeling kan niet worden gevonden. A.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de eerste prejudiciële vraag uitgaat van vier foute premisses en derhalve geen antwoord behoeft. Als eerste punt wordt opgemerkt dat de mogelijkheid tot verlenging van een TABD niet voortvloeit uit artikel 31 van het Rechtspositiedecreet, maar uit de artikelen 20bis en 21 van dat decreet. De vraag handelt over « de interpretatie [van artikel 31] dat opeenvolgende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur onbeperkt kunnen verlengd worden ». Artikel 31 heeft evenwel geen betrekking op de TABD, waarvan nochtans sprake is in de prejudiciële vraag. Artikel 31 betreft enkel de benoeming van een personeelslid in vast verband en voorziet niet in de mogelijkheid tot verlenging van een TABD. Vervolgens merkt de Vlaamse Regering op dat de prejudiciële vraag ervan uitgaat dat « een ononderbroken staat van dienst [van 1992 tot 1 maart 2021] met een zelfde leeropdracht wel aanleiding zou hebben gegeven tot een vaste benoeming », hetgeen niet correct is. Overeenkomstig artikel 18 juncto artikel 30 juncto artikel 5, 5°, van het Rechtspositiedecreet bestaat er geen automatische benoeming, noch een recht hierop voor een personeelslid dat gedurende een aantal jaren « een zelfde leeropdracht » zou hebben uitgeoefend. Ten derde stelt de Vlaamse Regering vast dat de enige verschillende categorieën die de Vlaamse Regering kan afleiden uit de prejudiciële vraag de categorie van « een zelfde leeropdracht » is en de categorie van een « wisselende leeropdracht ». De « eenzelfde ononderbroken staat van dienst maar met een zelfde leeropdracht » slaat op een voorwaarde in artikel 31, § 1, 1°, laatste lid, van het Rechtspositiedecreet inzake de vaste benoeming. « Een zelfde leeropdracht » waarvan sprake is in de prejudiciële vraag slaat op « in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking » en geldt enkel voor de leraren « in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs » en niet voor leraren in het bezit van een « vereist bekwaamheidsbewijs ». Ten vierde voert de Vlaamse Regering aan dat een personeelslid met een TABD nooit rechtstreeks vast benoemd kan worden. Eerst moet dit personeelslid een TADD verkrijgen. Een TABD volstaat derhalve niet voor een vaste benoeming, zelfs niet bij een ononderbroken staat van dienst in eenzelfde leeropdracht. A.3.2. Wat betreft de vermeende foutieve premisses in de eerste prejudiciële vraag, merkt de appellante voor het verwijzende rechtscollege op dat het Hof, bij het bepalen van de omvang van de prejudiciële vraag, niet alleen rekening moet houden met de formulering ervan maar ook met de motivering in de verwijzingsbeslissing en de feitelijke omstandigheden van het bodemgeschil. Aangaande de vermeende eerste foute premisse stelt de appellante voor het verwijzende rechtscollege vast dat zij geen TADD heeft gevraagd, maar een vaste benoeming. De prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen of het feit dat zij geen aanspraak kan maken op een volledige vaste benoeming wegens een opeenvolging van TABD’s in wisselende leeropdrachten, niet onbestaanbaar is met het gelijkheidsbeginsel. Artikel 31 van het Rechtspositiedecreet verankert de ongelijke behandeling die haar te beurt valt, aangezien dat artikel in paragraaf 1, derde lid, bepaalt dat het personeelslid « voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld », als een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een vaste benoeming. Dat is de reden waarom B.M. geen vaste benoeming kon krijgen, omdat ze nooit is aangesteld voor een TADD. 5 Wat de vermeende tweede foute premisse betreft, merkt de appellante voor het verwijzende rechtscollege op dat het niet relevant is of er al dan niet sprake zou zijn van een automatisch recht op een vaste benoeming, daar de prejudiciële vraag enkel verwijst naar het « aanleiding zou hebben gegeven tot » en niet naar een automatische toekenning. Ten derde meent de appellante voor het verwijzende rechtscollege dat in de prejudiciële vraag wel wordt verwezen naar personeelsleden met een wisselende leeropdracht in vergelijking met personeelsleden met eenzelfde leeropdracht en tevens naar het onderscheid tussen personeelsleden met opeenvolgende TABD’s en personeelsleden met een TADD. De prejudiciële vraag gaat niet over de vergelijking van personeelsleden met een verschillend soort diploma, maar over personeelsleden die over een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs beschikken en weliswaar verschillend worden behandeld naargelang zij wisselende leeropdrachten dan wel eenzelfde leeropdracht krijgen toebedeeld. De vermeende vierde foute premisse overlapt, volgens de appellante voor het verwijzende rechtscollege, andere foute premisses. A.3.3. Wat de verkeerde premisses betreft, wijst de Vlaamse Regering er nog op dat het niet correct is te stellen dat een TABD onbeperkt kan worden verlengd. Een TABD eindigt uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar, zodat er geen sprake kan zijn van een aanstelling die « telkenmale » wordt verlengd. Wel kan de inrichtende macht een nieuwe aanstelling aanbieden aan het personeelslid, met opnieuw een looptijd van 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar. Uit het loopbaanoverzicht van de appellante voor het verwijzende rechtscollege blijkt dat zij voornamelijk niet-vacante ambten betrok, en met name vervangingen. In niet-vacante ambten kan men niet vast benoemd worden. Bovendien heeft een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs een beperktere draagwijdte dan een vereist bekwaamheidsbewijs, in die zin dat een personeelslid met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs slechts een recht op een TADD kan doen gelden voor opleidingen of modules waarvoor dat recht op een TADD is verworven. Personeelsleden met een vereist bekwaamheidsbewijs hebben dat recht voor alle opleidingen of modules waarvoor het vereiste bekwaamheidsbewijs geldt. A.4.1. Ten gronde stelt de Vlaamse Regering vast dat de appellante voor het verwijzende rechtscollege heeft geprobeerd de prejudiciële vraag uit te breiden naar een vergelijking met de artikelen 10, 10bis en 11 van de Arbeidsovereenkomstenwet, terwijl de Arbeidsovereenkomstenwet niet van toepassing is op het onderwijzend personeel. Die vergelijking geeft bovendien een volledig andere draagwijdte aan de prejudiciële vraag, waardoor zij wordt geherformuleerd, hetgeen het tegensprekelijke karakter van de prejudiciële procedure schendt. A.4.2. Vervolgens meent de Vlaamse Regering dat artikel 31 van het Rechtspositiedecreet, in de mate dat het van de leraar die in het bezit is van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs, vereist dat, om vast benoemd te kunnen worden, hij minstens 360 dagen gepresteerd heeft « in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking », terwijl het voor een leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs volstaat dat hij 360 dagen dienstanciënniteit « in het bedoelde ambt » heeft, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De categorie van leraren met een « vereist bekwaamheidsbewijs » is, volgens de Vlaamse Regering, niet vergelijkbaar met de categorie van leraren met een « voldoende geacht bekwaamheidsbewijs ». Beide categorieën hebben niet dezelfde opleiding gekregen. Bovendien is een leraar met een « vereist bekwaamheidsbewijs » « specifiek opgeleid om dat ambt/die opleiding/die module uit te oefenen », terwijl een leraar met een « voldoende geacht bekwaamheidsbewijs » weliswaar voldoet aan het gevraagde opleidingsniveau, maar niet specifiek is opgeleid voor dat ambt, die opleiding of die module. Indien het Hof zou oordelen dat de te vergelijken categorieën van leraren wel vergelijkbaar zijn, meent de Vlaamse Regering dat de in het geding zijnde voorwaarde een wettig doel nastreeft. De voorwaarde dat de « 360 dagen gepresteerd moeten zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking » in het geval van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, heeft tot doel de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en een bepaalde minimumkwaliteit van het onderwijs te beogen. Een belangrijke factor om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen, is ervoor te zorgen dat de leraren over de nodige competentie en ervaring beschikken om lesinhouden over te brengen aan de leerlingen. Artikel 24, § 1, van de Grondwet omvat 6 de vrijheid voor scholen om het personeel aan te werven dat zij geschikt achten om het onderwijsproject te realiseren. Het stelsel van de bekwaamheidsbewijzen is een beperking op die vrijheid die bestaanbaar is met de Grondwet en bedoeld om de onderwijskwaliteit te garanderen. Daarnaast voert de Vlaamse Regering aan dat het middel om dat doel te waarborgen adequaat is. De leraar met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zal door het lesgeven in dezelfde opleiding, module, vak of specialiteit ook de inhoud ervan onder de knie krijgen door ervaring. Die maatregel geldt niet alleen voor de vaste benoemingen, maar ook voor de TADD’s (artikel 23, § 5, van het Rechtspositiedecreet). Als laatste element voert de Vlaamse Regering aan dat de gevolgen van de benoemingsvoorwaarde niet onevenredig zijn. Het verschil is enkel dat men eenzelfde dienstanciënniteit « in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking » moet verwerven, hetgeen een logische maatregel is. Het bijkomend volgen van een opleiding behoort tot de keuzevrijheid van de betrokken leraar en niets belet hem om zich bij te scholen tot een « vereist bekwaamheidsbewijs ». Bovendien behoort het bepalen van de opleidingsniveaus tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever en hangt het samen met de logica van het systeem. Concluderend stelt de Vlaamse Regering dat de regeling van het Rechtspositiedecreet geenszins inhoudt dat leerkrachten onbeperkt kunnen blijven worden aangesteld in TABD’s. Er is een decretale beperking en de regeling is gebaseerd op een objectieve verantwoording, namelijk voldoende prestaties om de kwaliteit van het lesgeven te kunnen beoordelen, aangezien, enerzijds, een benoeming een aantal rechten verleent aan het personeelslid en, anderzijds, een TABD ook bedoeld is om de wisselende nood aan leerkrachten in bepaalde richtingen op te vangen. Bovendien is het de eigen keuze van het personeelslid om zich kandidaat te stellen voor een TABD. A.4.3. In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering nog aan dat, hoewel de onbeperkte mogelijkheid tot verlenging van een TABD niet vervat ligt in artikel 31 van het Rechtspositiedecreet, maar wel in artikel 21, ook artikel 21 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.5.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege meent dat voor de ongelijke behandeling tussen het onderwijzend personeel en de werknemers die vallen onder de Arbeidsovereenkomstenwet geen verantwoording kan worden gevonden. Het feit dat de ongelijke behandeling voortkomt uit twee verschillende rechtsnormen die zijn uitgevaardigd door twee verschillende overheden vormt geen verantwoording. Ook de rechtvaardiging van de Vlaamse Regering dat er in het onderwijs een grotere behoefte zou bestaan aan flexibiliteit wegens een veranderlijk leerlingenaantal en een dalende trend in het aantal leerlingen wordt betwist. De appellante voor het verwijzende rechtscollege concludeert, met verwijzing naar diverse arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat er sprake is van een ongelijke behandeling van onderwijspersoneelsleden in vergelijking met werknemers onder de Arbeidsovereenkomstenwet die niet kan worden gerechtvaardigd. Dat verschil in behandeling kan nefaste gevolgen hebben, zoals in casu voor B.M., omdat het Rechtspositiedecreet onvoldoende bescherming biedt tegen een opeenvolging van TABD’s. Daardoor voldeed B.M. nooit aan de voorwaarden om recht te krijgen op een volledige vaste benoeming, daar zij hiervoor een TADD moest hebben. A.5.2. Voorts stelt de appellante voor het verwijzende rechtscollege vast dat de Vlaamse Regering een vergelijking maakt tussen personeelsleden met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en personeelsleden met een vereist bekwaamheidsbewijs. Dat is evenwel niet de toetsing die het verwijzende rechtscollege aan het Hof heeft voorgelegd, maar wel de mogelijkheid tot een onbeperkte opeenvolging van TABD’s, alsook het verschil in behandeling op het vlak van een vaste benoeming tussen personeelsleden met een wisselende lesopdracht en personeelsleden met eenzelfde lesopdracht. De wisselende lesopdracht is geen vrije keuze van het personeelslid en het Rechtspositiedecreet voorziet in geen enkel opvangnet voor personeelsleden die na verloop van tijd nog steeds onvoldoende dienstanciënniteit zouden hebben opgebouwd, terwijl zij nochtans ook onafgebroken prestaties hebben verricht. B.M. gaf onafgebroken les in modules waarvan de inhoud overeenkwam met hetgeen waarvoor zij was opgeleid, namelijk de talen Frans, Spaans en Nederlands, terwijl zij, doordat zij over een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs beschikte, « ook de inhoud van de opleiding, module, vak of specialiteit onder de knie [diende] te [...] krijgen door 7 ervaring ». Het valt niet te begrijpen waarom het voor de onderwijskwaliteit noodzakelijk is om van personeelsleden met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs te vereisen dat zij « ervaring » over de « inhoud » van hun lesopdracht opbouwen per specifieke opleiding of module. Die regel is niet adequaat om het beoogde doel te bereiken en de gevolgen van de ongelijke behandeling zijn disproportioneel. Het verschil in berekening van de dienstanciënniteit tussen personeelsleden met een wisselende lesopdracht en personeelsleden met eenzelfde lesopdracht is groot want een personeelslid kan onbeperkt tewerkgesteld worden met TABD’s, zolang het niet aan de vooropgestelde dienstanciënniteit geraakt. Zonder de vereiste dienstanciënniteit kan men geen aanspraak maken op een TADD, wat een voorwaarde is voor een vaste benoeming. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.6.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat artikel 6, § 1, b), van het Rechtspositiedecreet tot gevolg heeft dat de dagen anciënniteit die worden opgebouwd door personeelsleden die deeltijds tewerkgesteld zijn voor minder dan de helft van een voltijdse betrekking, telkens gedeeld worden door twee. Dit in tegenstelling tot de voltijds tewerkgestelde personeelsleden en de deeltijdse personeelsleden die minstens halftijds tewerkgesteld zijn, van wie de dagen anciënniteit niet worden gedeeld door twee. De enige reden waarom de anciënniteit op een verschillende manier wordt opgebouwd, is het percentage van tewerkstelling van het personeelslid. Er is bovendien sprake van een dubbele ongelijke behandeling, aangezien B.M. slechts fictief minder dan halftijds is tewerkgesteld, daar zij over een vaste benoeming beschikt van 9,5/20. B.M. wordt benadeeld door het feit dat haar meer dan halftijdse tewerkstelling verdeeld was over verschillende onderwijsinstellingen. Er is bijgevolg sprake van een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling van deeltijdse personeelsleden die minder dan halftijds tewerkgesteld zijn, in vergelijking met meer dan halftijds of voltijds tewerkgestelde personeelsleden. Tevens is er sprake van een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling van meer dan halftijds tewerkgestelde personeelsleden wier tewerkstelling is verdeeld over verschillende minder dan halftijdse aanstellingen tegenover meer dan halftijds tewerkgestelde personeelsleden wier tewerkstelling in eenzelfde instelling plaatsvindt. Het delen door twee van de gepresteerde dagen voor het berekenen van de anciënniteit lijkt, volgens de appellante voor het verwijzende rechtscollege, tot doel te hebben er zeker van te zijn dat het personeelslid evenveel ervaring heeft opgebouwd als een personeelslid dat meer dan halftijds is tewerkgesteld. De maatregel lijkt een toepassing te zijn van het pro-rata-temporis-beginsel bij een deeltijdse tewerkstelling, waarbij de arbeidsvoorwaarden van een deeltijds personeelslid pro rata met zijn tewerkstellingspercentage worden toegekend. In dat opzicht kan de in het geding zijnde regelgeving niet los gezien worden van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 « betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid », die het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van deeltijdse personeelsleden garandeert en die van toepassing is op het onderwijspersoneel. Met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie meent de appellante voor het verwijzende rechtscollege dat het delen door twee van de door een personeelslid gepresteerde dagen geen pertinente maatregel is en zelfs niet nodig is om het vooropgestelde doel te bereiken. Het personeelslid bouwt enkel anciënniteit op voor het deeltijds percentage van de tewerkstelling dat het personeelslid vervulde en niet voor een voltijdse betrekking. Het nog eens delen door twee van de opgebouwde dagen anciënniteit heeft enkel tot gevolg dat het personeelslid wordt benadeeld, zonder dat die maatregel nog bijdraagt aan « het verzekeren dat het personeelslid voldoende ervaring heeft opgebouwd ». A.6.2. Voorts stelt de appellante voor het verwijzende rechtscollege vast dat de Vlaamse Regering volledig voorbijgaat aan het gegeven dat B.M. reeds deels een vaste benoeming had. De resterende onvolledige dienstprestaties worden apart behandeld en de uren waarvoor B.M. al een vaste benoeming genoot, worden buiten beschouwing gelaten. Op die manier is een beperkte vaste benoeming een rem op het verkrijgen van een vaste benoeming in andere uren. A.7.1. Volgens de Vlaamse Regering regelt artikel 6 van het Rechtspositiedecreet de wijze van berekening van dienstanciënniteit van de personeelsleden in het onderwijs. De vraag betreft de grondwettigheid van de halvering van het aantal dagen dat wordt gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een voltijdse tewerkstelling. 8 Het principe van de berekening van de dienstanciënniteit, waarbij de prestaties die minder dan de helft van een voltijdse opdracht omvatten door twee worden gedeeld, geldt ongewijzigd sinds 1991. Wat betreft de vergelijkbaarheid merkt de Vlaamse Regering op dat de te vergelijken categorieën van personeelsleden niet vergelijkbaar zijn. Personeelsleden met onvolledige dienstprestaties bouwen niet dezelfde omvang aan ervaring op als personeelsleden met volledige dienstprestaties. De dienstanciënniteit, en dus de ervaring die een personeelslid in een welbepaalde betrekking opdoet, is een belangrijk gegeven dat bepaalt in welke mate een personeelslid al dan niet in aanmerking komt voor een TADD en vervolgens voor een vaste benoeming. Aangaande het wettig doel voert de Vlaamse Regering aan dat de TADD en de vaste benoeming gebaseerd zijn op het hebben van een zekere ervaring en bekwaamheid in het ambt. Het louter hebben van een bekwaamheidsbewijs volstaat niet. Voor een TADD is een dienstanciënniteit van ten minste 290 dagen, waarvan 200 dagen effectief gepresteerd (artikelen 23 en 23bis van het Rechtspositiedecreet), vereist. Voor een vaste benoeming is ten minste 360 dagen dienstanciënniteit in het bedoelde ambt bij de inrichtende macht nodig (artikel 31 van het Rechtspositiedecreet). Het beogen van een bepaalde minimumkwaliteit van het onderwijs, gewaarborgd door met name het vereisen van een bepaald minimum aan ervaring draagt bij tot het realiseren van het recht op onderwijs en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs, hetgeen een wettig doel is. De Vlaamse Regering meent tevens dat de maatregel objectief en pertinent is om het doel te bereiken. Een personeelslid dat geen volledige dienstprestaties verricht, verricht minder uren in het onderwijs en bouwt trager praktijkervaring op. Het garanderen van de kwaliteit van het onderwijs door het garanderen van de kwaliteit van de personeelsleden is gerelateerd aan een bepaalde objectieve duur gepresteerd in het lesgeven, los van de periode waarover het personeelslid dit lesgeven spreidt. Het is in die zin pertinent om het aantal gepresteerde dagen met de helft te verminderen wanneer het personeelslid minder dan halftijds werkt. Artikel 6, § 1,
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.