id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.021 Arrest- Rolnummer: 21/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-17 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-06-17 21:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 20 van de wet strafprocesrecht I van 9 april 2024, in zoverre het een artikel 14/6, § 2, invoegt in de wet van 17 april 1878 « houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering », ingesteld door J.-P. T. Voorafgaande rechtspleging - Beroep tot vernietiging - Klaarblijkelijke niet-bevoegdheid van het Hof Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 21/2025 van 6 februari 2025 Rolnummer : 8350 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 20 van de wet « strafprocesrecht I » van 9 april 2024, in zoverre het een artikel 14/6, § 2, invoegt in de wet van 17 april 1878 « houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering », ingesteld door J.-P. T. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen en de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 oktober 2024, heeft J.-P. T., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pieter-Jan Smet, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 20 van de wet « strafprocesrecht I » van 9 april 2024, in zoverre het een artikel 14/6, § 2, invoegt in de wet van 17 april 1878 « houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 april 2024). Op 13 november 2024 hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. In rechte -A- A.
- In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn de rechters-verslaggevers van oordeel dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen een arrest op voorafgaande rechtspleging te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het verzoekschrift klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De rechters-verslaggevers hebben met name opgemerkt dat het verzoekschrift uitsluitend de schending van normen van internationaal recht en van het recht van de Europese Unie inroept. A.
- De verzoekende partij doet in haar memorie met verantwoording in hoofdorde gelden dat het Hof niet langer vereist dat een norm van internationaal recht of van het recht van de Europese Unie rechtstreekse werking heeft om in zijn toetsing te kunnen worden betrokken, zodat een verzoekende partij niet langer verplicht is om in haar vernietigingsberoep de schending van een grondwetsbepaling op te werpen. Zij wijst ter zake ook op artikel 26, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat een rechtscollege voor wie de schending wordt opgeworpen door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van een grondrecht dat is gewaarborgd in een bepaling van Europees of internationaal recht, verplicht om, zelfs ambtshalve, na te gaan of titel II van de Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat, en om in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Volgens de verzoekende partij moet hetzelfde ook gelden voor het Hof. In ondergeschikte orde wijst de verzoekende partij erop dat het Hof via een norm waaraan het krachtens artikel 142 van de Grondwet kan toetsen, aan een bepaling van supranationaal of van internationaal recht kan toetsen waarmee die norm een onlosmakelijk geheel vormt. In uiterst ondergeschikte orde merkt de verzoekende partij op dat zij in haar verzoekschrift heeft verwezen naar de rechtspraak van het Hof, zodat het evident is dat zij daarmee ook verwijst naar de grondwetsbepalingen die in die rechtspraak aan de orde waren. -B- B.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 20 van de wet « strafprocesrecht I » van 9 april 2024, in zoverre het een artikel 14/6, § 2, invoegt in de wet van 17 april 1878 « houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering ». B.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. 3 B.
- Nergens in het verzoekschrift wordt de schending ingeroepen van een bevoegdheidverdelende regel, van een artikel van titel II (« De Belgen en hun rechten ») van de Grondwet of van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. Onder punt 3 van het verzoekschrift getiteld « Middel tot vernietiging : de wetgeving werd niet getoetst aan internationale rechtsmiddelen » wordt aangevoerd dat de bestreden bepaling « zich niet naar IR conformeert », waarbij de afkorting « IR » staat voor « internationale rechtsmiddelen », zijnde « het geheel aan recht gerelateerde middelen van internationale aard, zoals verdragen, directieven, hoven, enz. ». Onder datzelfde punt wordt voorts slechts één norm van internationaal recht gepreciseerd, namelijk het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht. Onder punt 4 getiteld « Bijkomend middel : problematische schrapping onderscheid misdaden op minderjarigen » wordt aangevoerd dat de « schrapping van het onderscheid tussen meerderjarigen en minderjarigen inzake seksuele misdrijven » een « fundamenteel IR schendend probleem [is] ». In punt 5 getiteld « De zwaarwichtige kwalificatie van de misdaden », dat overigens niet als middel is omschreven, voert de verzoekende partij aan dat, met de bestreden bepaling, « de wetgever zo IR [schendt] ». Ten slotte bevat punt 6 getiteld « Extraterritoriale rechtsmacht, inclusief in absentia », dat evenmin als middel is omschreven, een opsomming van een aantal normen van supranationaal en internationaal recht, met name : − het Verdrag inzake de rechten van het kind (punt 6.1); − artikel 4 van het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie (punt 6.2); − artikel 25 van het « Verdrag van Lanzarote » (Verdrag van de Raad van Europa van 25 oktober 2007 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) (punt 6.3); 4 − artikel 17 van de « EU Richtlijn Seksuele Misdaden » (richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 « ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld ») en de richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 « inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad » (punt 6.4); − Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2023 « over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie op dit gebied - jaarverslag 2022 » (2022/2049(INI)) (punt 6.5); − artikel 4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (punt 6.6); − Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken, ondertekend te Genève op 7 september 1956 (punt 6.7); − artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (punt 6.8). Ten slotte wordt het Hof in de « Conclusie » van het verzoekschrift verzocht de bestreden bepaling te vernietigen, omdat zij « IR schendt ». B.4.
- Zelfs al zou worden aangenomen dat het verzoekschrift met de term « internationale rechtsmiddelen » onder de punten 3, 4 en 5 ervan verwijst naar de normen van internationaal en supranationaal recht die onder punt 6 van het verzoekschrift worden vermeld, volgt uit het hiervoor vermelde overzicht dat het verzoekschrift uitsluitend, overigens op niet-limitatieve wijze, normen van internationaal recht en van het recht van de Europese Unie vermeldt, waarbij niet van elk van die normen uitdrukkelijk de schending wordt ingeroepen en waarvan sommige normen in het algemeen worden vermeld, zonder verwijzing naar een precieze bepaling ervan. 5 B.4.
- Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof verlenen het Hof de bevoegdheid om wettelijke bepalingen rechtstreeks te toetsen aan normen van internationaal recht of van het recht van de Europese Unie. Weliswaar kan het Hof met dergelijke normen rekening houden bij de grondwettigheidstoetsing die het binnen de in B.2 gepreciseerde perken uitvoert, doch enkel wanneer tevens bepalingen worden aangevoerd waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, hetzij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hetzij, wanneer een verdragsbepaling wordt aangevoerd, een grondwetsbepaling die analoge rechten of vrijheden waarborgt. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift evenwel noch de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, noch de schending van een grondwetsbepaling die analoge rechten of vrijheden waarborgt, aan. B.4.
- De omstandigheid dat het Hof, wanneer het wordt gevraagd zich uit te spreken over een schending van die grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met een norm van internationaal recht of van het recht van de Europese Unie, niet moet nagaan of die norm een rechtstreekse werking in de interne rechtsorde heeft, doet niet anders besluiten. Evenmin kan nuttig worden verwezen naar artikel 26, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat overigens enkel van toepassing is op een rechtscollege in het kader van zijn principiële verplichting om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen, en niet op het Hof zelf. Ten slotte staat het niet aan het Hof om uit de verwijzing door de verzoekende partij, in haar verzoekschrift, naar de rechtspraak van het Hof, zelf de relevante grondwetsbepalingen te distilleren waarmee de in het verzoekschrift uitdrukkelijk vermelde normen van internationaal recht en van het recht van de Europese Unie in samenhang zouden kunnen worden gelezen. Het toelaten van een dermate onduidelijk verzoekschrift zou bovendien ertoe leiden dat het contradictoire karakter van de rechtspleging in het gedrang komt, doordat de partij die opkomt voor de verdediging van de bestreden bepalingen niet in de gelegenheid wordt gesteld om een dienstig verweer te voeren. B.
- Het beroep behoort klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. 6 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 februari
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div