← België

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.022 Arrest- Rolnummer: 22/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-24 Raadplegingen: 403 - laatst gezien 2026-06-16 09:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de uitbreiding van de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen », ingesteld door Geert Van Grieken en anderen, door het College van de Franse Gemeenschapscommissie, door de Franse Gemeenschapsregering, door de Waalse Regering en door Arnout Schelstraete. Bestuursrecht - Vlaams bestuursrechtscollege - Raad voor Vergunningsbetwistingen - Uitbreiding van de bevoegdheden - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 22/2025 van 13 februari 2025 Rolnummers : 8173, 8174, 8175, 8178 en 8180 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de uitbreiding van de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen », ingesteld door Geert Van Grieken en anderen, door het College van de Franse Gemeenschapscommissie, door de Franse Gemeenschapsregering, door de Waalse Regering en door Arnout Schelstraete. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij vijf verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 27 en 28 februari 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 28 en 29 februari en 1 maart 2024, zijn beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de uitbreiding van de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 augustus 2023) ingesteld respectievelijk door Geert Van Grieken, Benjamin Daro en Gérard Baudru, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sam De Nyn, advocaat bij de balie van Antwerpen, door het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Camila Dupret Torres, advocaten bij de balie te Brussel, door de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier, advocaat bij 2 de balie te Brussel, door de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, advocaat bij de balie te Brussel, en door Arnout Schelstraete. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8173, 8174, 8175, 8178 en 8180 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel, en door mr. Stefan Sottiaux en mr. Claire Buggenhoudt, advocaten bij de balie van Antwerpen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 11 december 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren en de dag van de terechtzitting bepaald op 15 januari

  1. Op de openbare terechtzitting van 15 januari 2025 : - zijn verschenen : . mr. Nicolas Bonbled, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8174; . mr. Jérôme Sohier, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8175; . mr. Michel Kaiser, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8178; . Arnout Schelstraete, verzoekende partij in de zaak nr. 8180, in eigen persoon; . mr. Stefan Sottiaux en mr. Claire Buggenhoudt, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8173, 8174, 8175, 8178 en 8180 vorderen allen de vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de uitbreiding van de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen » (hierna : het decreet van 14 juli 2023). Zij zetten allen uiteen dat het bestreden decreet in essentie met zich meebrengt dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, niet langer bevoegd is om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring van in het Vlaamse Gewest aangenomen ruimtelijke uitvoeringsplannen, stedenbouwkundige verordeningen en definitieve voorkeurs- en projectbesluiten inzake complexe projecten, daar dat decreet die rechtsmacht toewijst aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen. A.2.
  3. Terwijl de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8174, 8175 en 8178 institutionele partijen zijn (respectievelijk het College van de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Regering), zijn de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8173 en 8180 natuurlijke personen. A.2.
  4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8173 doen gelden dat de aanwijzing, in een decreet, van een rechtscollege als de voor een bepaalde materie bevoegde rechtsinstantie, alle burgers die onder het toepassingsgebied van dat decreet vallen, aanbelangt. De eerste en de tweede verzoekende partij hebben volgens hen voorts een belang bij de vernietiging van het bestreden decreet in hun hoedanigheid van advocaat. Met betrekking tot de eerste verzoekende partij zetten zij uiteen dat het belang van die partij ook volgt uit het feit dat de gemeente waar zij woont op dit ogenblik een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan voorbereidt en dat een beroep tot nietigverklaring van dat ruimtelijk uitvoeringsplan niet langer kan worden ingediend bij de Raad van State, waardoor die partij de procedurele waarborg van een onderzoek door een auditeur bij de Raad van State verliest. Met betrekking tot de tweede verzoekende partij zetten zij uiteen dat die partij gemeenteraadslid en schepen is in de gemeente Linkebeek en dat haar belang bij het beroep ook volgt uit het feit dat de gemeenteraad en het schepencollege de nietigverklaring kunnen vorderen van provinciale en gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Met betrekking tot de derde verzoekende partij, zetten zij uiteen dat het belang van die partij ook volgt uit het feit dat zij landmeter-expert is die bij de opmaak van een schattingsverslag rekening moet houden met de ruimtelijke uitvoeringsplannen. A.
  5. De verzoekende partij in de zaak nr. 8180 zet uiteen dat zij woont in de nabijheid van een woonuitbreidingsgebied dat volgens de toepasselijke decreetgeving een nieuwe invulling of een verordenende bestemming dient te krijgen. Zij wijst erop dat die nieuwe invulling kan worden gerealiseerd via een beslissing van de gemeenteraad of via een ruimtelijk uitvoeringsplan. Zij vervolgt dat wanneer de nieuwe invulling wordt gerealiseerd door een beslissing van de gemeenteraad, zij die gemeenteraadsbeslissing dient aan te vechten bij de Raad van State, terwijl, wanneer een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt aangenomen, zij dat plan dient te bestrijden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. In zoverre zij zich zou moeten richten tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen, volgt haar belang volgens haar uit het feit dat die Raad op een ongrondwettige wijze bevoegd is voor het desbetreffende contentieux. In zoverre zij zich zou moeten richten tot de Raad van State, volgt haar belang volgens haar uit het feit dat die Raad ten gevolge van het bestreden decreet niet langer dezelfde deskundigheid heeft als voorheen. In zoverre zou worden geoordeeld dat het door haar aangevoerde belang te hypothetisch is, verzoekt zij het Hof om over de problematiek een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.
  6. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8173 en
  7. De nadelen die de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 8173 en de verzoekende partij in de zaak nr. 8180 aanvoeren, zijn volgens haar te hypothetisch om in aanmerking te worden genomen in het kader van het belang. De tweede en derde verzoekende partij in de zaak nr. 8173 motiveren hun belang volgens haar niet op een geïndividualiseerde wijze. Voorts voert de Vlaamse Regering aan dat er geen aanleiding is om in te gaan op het verzoek van de verzoekende partij in de zaak nr. 8180 om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. 4 Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels A.5.
  8. Het eerste middel in de zaak nr. 8173 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van de bevoegdheidverdelende regels, van de artikelen 13, 39, 144, 145, 160 en 161 van de Grondwet en van de artikelen 10 en 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), evenals uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 39, 144, 145, 160 en 161 ervan, met de artikelen 10 en 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot een rechter. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 8174 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van de artikelen 10, 11, 39, 160 en 161 van de Grondwet, van de artikelen 10, 19 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het eerste middel in de zaak nr. 8175 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van de artikelen 160 en 161 van de Grondwet, van de artikelen 10 en 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en uit machtsoverschrijding. Het enige middel in de zaak nr. 8178 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van de artikelen 39, 145, 146, 160 en 161 van de Grondwet en van de artikelen 10 en 19 van de bijzondere wet van 8 augustus
  9. Het tweede middel in de zaak nr. 8180 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van de federale bevoegdheid inzake rechtsbescherming tegen onwettige overheidshandelingen en van de vereiste dat een rechtscollege bij wet wordt opgericht in overeenstemming met de Grondwet. A.5.
  10. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8173, 8174, 8175, 8178 en 8180 voeren allen aan dat de Vlaamse decreetgever niet bevoegd is om het decreet van 14 juli 2023 aan te nemen en verwijzen daarbij allen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp van decreet dat heeft geleid tot het decreet van 14 juli
  11. A.5.
  12. De verzoekende partijen doen gelden dat uit de artikelen 160 en 161 van de Grondwet volgt dat de gemeenschappen en de gewesten in beginsel niet bevoegd zijn om administratieve rechtscolleges op te richten. Uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State en uit de rechtspraak van het Hof leiden zij echter af dat de gemeenschappen en de gewesten zich onder bepaalde voorwaarden kunnen beroepen op de impliciete bevoegdheden, zoals bedoeld in artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om administratieve rechtscolleges op te richten. Uit die adviespraktijk en rechtspraak leiden zij eveneens af dat aan de impliciete bevoegdheden drie voorwaarden verbonden zijn, meer bepaald de voorwaarde dat de aangenomen regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van de eigen bevoegdheden, de voorwaarde dat de weerslag van de aangenomen regeling op de bevoegdheden van federale overheid marginaal is en de voorwaarde dat de betrokken aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling. A.6.
  13. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8173, 8174, 8175, 8178 en 8180 doen allen gelden dat te dezen niet voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden. A.6.
  14. Volgens de verzoekende partijen is het decreet van 14 juli 2023 allereerst niet noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest. Zij betwisten in dat kader de stelling van de decreetgever dat de doorlooptijd van de procedures bij de Raad van State aanzienlijk langer is dan die van de procedures bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zij doen gelden dat de desbetreffende procedures niet vergelijkbaar zijn : terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet, oordeelde over beroepen tot nietigverklaring van administratieve rechtshandelingen met een individuele strekking, oordeelt de Raad van State ook over beroepen gericht tegen verordenende administratieve rechtshandelingen. Bovendien heeft de decreetgever volgens hen geen rekening gehouden met recente wetswijzigingen die de doorlooptijd van de procedures bij de Raad van State beogen te verkorten. Zij betwisten eveneens de stelling van de decreetgever dat het bestreden decreet een oplossing biedt voor de situatie waarin de Raad voor Vergunningsbetwistingen naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring van 5 een individuele administratieve rechtshandeling ervoor kiest om te wachten tot de Raad van State zijn arrest heeft geveld over het beroep tot nietigverklaring van het desbetreffende ruimtelijke uitvoeringsplan. De decreetgever verliest daarbij volgens hen uit het oog dat tegen elk arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog een cassatieberoep kan worden ingesteld bij de Raad van State, waarbij, indien dat rechtscollege de bestreden jurisdictionele beslissing nietig verklaart, de Raad voor Vergunningsbetwistingen de zaak opnieuw dient te behandelen. Zij wijzen ook erop dat het bestreden decreet niet tot gevolg heeft dat administratieve beroepen worden vervangen door jurisdictionele beroepen, maar wel dat het juridictioneel beroep bij de Raad van State wordt vervangen door een jurisdictioneel beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Om die reden verschilt de voorliggende zaak volgens hen van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 8/2011 van 27 januari 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.008). Zij zien niet in waarom een dergelijke vervanging noodzakelijk zou zijn. Zij zien evenmin in waarom de in de Raad van State zetelende magistraten niet gespecialiseerd genoeg zouden zijn om zich uit te spreken over beroepen tot nietigverklaring van ruimtelijke uitvoeringsplannen of stedenbouwkundige verordeningen. De bevoegdheidsuitbreiding van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is volgens hen ten slotte evenmin noodzakelijk om te komen tot meer rechtseenheid en rechtszekerheid, daar het nog steeds blijft toekomen aan de Raad van State, als cassatierechter, om te zorgen voor de eenheid en de rechtszekerheid in de toepassing van het recht. A.6.
  15. Volgens de verzoekende partijen is de weerslag van het bestreden decreet op de federale bevoegdheden bovendien niet marginaal. Het gegeven dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen bevoegd wordt om te oordelen over beroepen tot nietigverklaring van verordenende administratieve rechtshandelingen is volgens hen problematisch, daar een van de belangrijkste redenen voor de oprichting van de Raad van State de mogelijkheid betrof om reglementaire bestuurshandelingen erga omnes nietig te laten verklaren. Volgens hen maakt de bevoegdheid om dergelijke administratieve rechtshandelingen nietig te verklaren dan ook deel uit van de harde kern van de bevoegdheden van de Raad van State. Bij zijn voormelde arrest nr. 8/2011 heeft het Hof volgens hen de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen aanvaard, precies omdat het aan die Raad toegewezen contentieux beperkt was tot administratieve rechtshandelingen met een individuele strekking. Zij wijzen erop dat de federale wetgever zelf nog geen administratieve rechtscolleges heeft opgericht die bevoegd zijn om verordenende administratieve rechtshandelingen nietig te verklaren. In zoverre de Vlaamse Regering verwijst naar een aantal specifieke bevoegdheden van het Marktenhof en van het Hof van Cassatie, beklemtonen zij, ten eerste, dat die bevoegdheden aan de desbetreffende rechtscolleges werden toegekend door de bevoegde wetgever, ten tweede, dat die bevoegdheden het principe bevestigen dat de wetgever bij het oprichten van de Raad van State niet de bedoeling heeft gehad om afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de gewone hoven en rechtbanken, ten derde, dat de bevoegdheid van het Hof van Cassatie reeds dateert van vóór de staatshervorming en, ten slotte, dat die bevoegdheden, die zeer specifieke situaties betreffen, dienen te worden beschouwd als uitzonderingen die de algemene regel bevestigen. In zoverre de Vlaamse Regering erop wijst dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen reeds bevoegd was om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden en dat dergelijke omgevingsvergunningen een gemengd karakter (deels individueel, deels verordenend) hebben, merken zij op dat die vergunningen niet te vergelijken zijn met zuiver verordenende administratieve rechtshandelingen zoals ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen. Die vergunningen zijn volgens hen bovendien in hoofdzaak individueel van aard. Zij doen gelden dat de impact van de beoordeling van verordenende administratieve rechtshandelingen op het juridisch landschap veel groter is dan die van de beoordeling van administratieve rechtshandelingen met een individuele strekking. De weerslag op de bevoegdheden van de federale overheid is volgens hen voorts niet marginaal daar het volledige contentieux inzake het omgevingsrecht in het Vlaamse Gewest voortaan berust bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Volgens hen dient te dezen rekening te worden gehouden met het cumulatieve effect van de in verschillende stappen aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegewezen bevoegdheden. De verzoekende partijen wijzen bovendien op artikel 93 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, dat voorziet in de mogelijkheid voor een persoon die gevestigd is in een Brusselse randgemeente om, onder bepaalde voorwaarden, de Raad van State te verzoeken om een zaak te behandelen in algemene vergadering, en doen gelden dat dat artikel door het bestreden decreet buiten spel wordt gezet, waardoor eveneens afbreuk wordt gedaan aan artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  16. Zij voeren ook aan dat het in het kader van de weerslag van het bestreden decreet op de federale bevoegdheden niet volstaat om vast te stellen dat de Raad van State bevoegd blijft als cassatierechter, daar de bevoegdheden van de Raad van State sterk verschillen naargelang hij optreedt als cassatierechter, dan wel als 6 annulatierechter. Zij doen in dat kader onder meer gelden dat de toegang tot de Raad van State in de cassatieprocedure in beginsel beperkt is tot de partijen die betrokken waren bij de procedure die heeft geleid tot de bestreden jurisdictionele beslissing, dat de cassatieprocedure bij de Raad van State geen schorsende werking heeft en dat die procedure niet kan leiden tot een vernietiging van een verordenende administratieve rechtshandeling erga omnes. Zij doen ook gelden dat de federale wetgever zich ten gevolge van het bestreden decreet genoodzaakt ziet om de cassatieprocedure bij de Raad van State aan te passen aan de door het bestreden decreet veroorzaakte situatie. Het bestreden decreet creëert volgens hen bovendien een verschil in behandeling onder rechtsonderhorigen naargelang zij hun grieven aan de Raad van State voorleggen in het kader van een cassatieprocedure (wat het geval is voor de in het Vlaamse Gewest wonende personen) dan wel in het kader van een annulatieprocedure (wat het geval is voor de in andere gewesten wonende personen). Bovendien dreigt er volgens hen een verschil te ontstaan op het vlak van de duurtijd van de procedure tussen de Nederlandstalige en de Franstalige kamers van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De verzoekende partij in de zaak nr. 8174 wijst ten slotte nog op een tegenstrijdigheid tussen het bestreden decreet en recente federale regelgeving : terwijl het bestreden decreet het contentieux betreffende de voorkeurs- en projectbesluiten inzake complexe projecten toevertrouwt aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, werd de bevoegdheid om in dat kader een beslissing tot herstel te nemen, recent toevertrouwd aan de Raad van State. A.6.
  17. Volgens de verzoekende partijen voldoet het bestreden decreet evenmin aan de voorwaarde betreffende het zich lenen tot een gedifferentieerde regeling. Zij wijzen in dat kader nogmaals erop dat de federale wetgever nog geen administratieve rechtscolleges heeft opgericht die bevoegd zijn om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring van verordenende administratieve rechtshandelingen. Uit de omstandigheid dat de bevoegdheid van de Raad van State een subsidiaire bevoegdheid is, in die zin dat die Raad slechts bevoegd is wanneer de wetgever geen ander rechtscollege bevoegd heeft gemaakt, kan volgens hen niet worden afgeleid dat de materie zich leent tot een gedifferentieerde regeling, daar het uitsluitend toekomt aan de federale wetgever om andere rechtscolleges dan de Raad van State bevoegd te maken voor een bepaald contentieux. Dat de materie zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling blijkt volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8174 ook uit de voormelde tegenstrijdigheid tussen het bestreden decreet en recente federale regelgeving, wat betreft de beslissing tot herstel met betrekking tot de voorkeurs- en projectbesluiten inzake complexe projecten. A.
  18. De verzoekende partij in de zaak nr. 8180 voert nog aan dat de aanstelling, binnen de Raad voor Vergunningsbetwistingen, van rechters die niet gespecialiseerd zijn in omgevingsrecht, door een leidend ambtenaar van een afdeling van de Vlaamse administratie en zonder aanwijsbare formeel gemotiveerde en bij de Raad van State aanvechtbare administratieve rechtshandeling, de grenzen van de impliciete bevoegdheden overschrijdt. A.
  19. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste middel in de zaak nr. 8173 niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 144 van de Grondwet en uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, daar de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin het bestreden decreet die referentienormen zou schenden. A.9.
  20. Ten gronde is de Vlaamse Regering van mening dat te dezen voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden. A.9.
  21. Volgens de Vlaamse Regering is het bestreden decreet noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest, omdat de realisatie van de beleidsdoelstellingen inzake omgeving vandaag in het gedrang komt bij gebrek aan een snelle en efficiënte afhandeling van geschillen met betrekking tot verordenende en individuele administratieve rechtshandelingen. Zij doet in dat kader gelden dat het voor de rechtzoekende moeilijk is om uit te maken bij welke bestuursrechter en overeenkomstig welke procedure de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling moet worden gevraagd, dat de opsplitsing van het desbetreffende contentieux tussen de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen zorgt voor dubbel werk en dat de procedures bij de Raad van State een te lange doorlooptijd kennen. Het bestreden decreet is volgens haar noodzakelijk om te komen tot een centralisatie van het desbetreffende contentieux met een optimalisatie van de bestuursrechtspraak tot gevolg. Zij wijst in dat kader erop dat op dit ogenblik hetzelfde inhoudelijke dossier vaak parallel wordt behandeld door de Raad van State, in het kader van een beroep tegen een verordenende administratieve rechtshandeling, en door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in het kader van een geschil over een individuele administratieve rechtshandeling die is gebaseerd op die verordenende rechtshandeling, waarbij het kan gebeuren dat beide rechtsorganen zich dienen uit te spreken over een nagenoeg identieke rechtsvraag. 7 De noodzakelijkheid van het bestreden decreet volgt volgens haar bovendien uit het nagestreefde doel om alle geschillen in het betrokken contentieux binnen één jaar na de indiening van het verzoekschrift af te handelen. Die doelstelling is volgens haar ingegeven door de noodzaak om een jurisdictionele uitspraak over een verordenende administratieve rechtshandeling te verkrijgen alvorens de vergunningverlenende overheid een besluit dient te nemen over de individuele vergunningsaanvragen op grond van die verordenende administratieve rechtshandeling. Zij zet uiteen dat de federale wetgever met betrekking tot de Raad van State streeft naar een behandeling van de zaken binnen achttien maanden en merkt daarbij op dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen nu reeds met een korte doorlooptijd werkt (negen tot twaalf maanden), evenals dat die Raad onmiddellijk de nodige bestuursrechters en medewerkers kan inzetten om het bijkomende contentieux bij voorrang te behandelen. Zij beklemtoont eveneens dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen reeds beschikt over de nodige specialisatie en over moderne rechtstechnieken, zoals de bestuurlijke lus, dat het bestreden decreet voorziet in bijkomende waarborgen voor de geschillen inzake complexe projecten en dat het Vlaamse Gewest de nodige maatregelen kan nemen om het kader van de Raad voor Vergunningsbetwistingen verder uit te breiden en om de procedure aan te passen. De nagestreefde efficiëntiewinsten worden volgens haar niet doorkruist door het feit dat tegen een uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog een cassatieberoep bij de Raad van State openstaat, daar die cassatieprocedure wezenlijk verschilt van de annulatieprocedure, daar tegen de uitspraken van de Raad voor Vergunningsbetwistingen slechts in een beperkt aantal gevallen een cassatieberoep wordt ingesteld en daar de gecumuleerde doorlooptijd van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State nog steeds lager ligt dan de huidige gemiddelde doorlooptijd van 24 maanden in het betrokken contentieux bij de Raad van State. Bovendien heeft de decreetgever volgens haar niet alleen efficiëntiewinsten nagestreefd met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar ook met betrekking tot de reeds bestaande bevoegdheden. Zij wijst in dat kader erop dat de feitelijke dossierkennis die naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring van een verordenende administratieve rechtshandeling wordt opgebouwd, relevant blijft bij de behandeling van beroepen tot nietigverklaring van individuele administratieve rechtshandelingen die zijn gebaseerd op die verordenende rechtshandeling. A.9.
  22. Volgens de Vlaamse Regering heeft het bestreden decreet bovendien slechts een marginale weerslag op de federale bevoegdheden. De stelling van de verzoekende partijen dat de wettigheidscontrole inzake verordenende administratieve rechtshandelingen tot de harde kern van de bevoegdheden van de Raad van State behoort, vindt volgens haar geen steun in de tekst van de artikelen 160 en 161 van de Grondwet en van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en evenmin in de parlementaire voorbereiding van die bepalingen. Uit die parlementaire voorbereiding leidt zij integendeel af dat de Grondwetgever slechts twee grenzen heeft gesteld aan het gebruik van de impliciete bevoegdheden : ten eerste mogen de impliciete bevoegdheden niet ertoe leiden dat de gemeenschappen of de gewesten een algemeen systeem van administratieve rechtscolleges opbouwen, en ten tweede moet de Raad van State altijd in laatste aanleg, als cassatierechter, uitspraak kunnen doen. Er wordt volgens haar door het bestreden decreet evenmin afbreuk gedaan aan een fundamenteel beginsel, daar dat decreet de bevoegdheden van en de procedure bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, niet wijzigt. Dat geldt volgens haar des te meer daar artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om een geschil inzake een verordenende administratieve rechtshandeling aan een ander rechtscollege toe te vertrouwen. Zij wijst erop dat de federale wetgever een aantal verordenende administratieve rechtshandelingen heeft onttrokken aan de bevoegdheid van de Raad van State en heeft toegewezen aan het Marktenhof en aan het Hof van Cassatie. Zij wijst bovendien erop dat het contentieux betreffende de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, vergunningen die een gemengd karakter hebben (deels verordenend en deels individueel), reeds sinds 2009 tot de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen behoort. De Vlaamse Regering is ten slotte van mening dat geen rekening moet worden gehouden met de gecumuleerde weerslag op de federale bevoegdheden van de door de Vlaamse decreetgever genomen maatregelen. Maar zelfs indien dat wel zou moeten gebeuren, zou de weerslag op de federale bevoegdheden volgens haar marginaal zijn, omdat de Raad van State de bevoegde cassatierechter blijft, omdat het aantal dossiers dat door het bestreden decreet aan de Raad van State wordt onttrokken, beperkt is, omdat slechts een strikt afgebakend contentieux wordt toegekend aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen en omdat de vier gespecialiseerde Vlaamse bestuursrechtscolleges elk slechts bevoegd zijn voor de beroepen tegen specifieke administratieve rechtshandelingen in specifieke beleidsdomeinen. 8 A.9.
  23. Volgens de Vlaamse Regering leent de in het bestreden decreet geregelde aangelegenheid zich ook tot een gedifferentieerde regeling. Zij verwijst in dat kader naar de parlementaire voorbereiding van het decreet. Dat de federale wetgever de bevoegdheid om een beslissing tot herstel te nemen in een bepaald contentieux toevertrouwt aan de Raad van State, belet volgens haar de decreetgever niet om de bevoegdheid voor dat contentieux toe te vertrouwen aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling blijkt volgens haar ook uit het feit dat de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap in diverse aangelegenheden gespecialiseerde administratieve rechtscolleges hebben opgericht. A.9.
  24. Met betrekking tot het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling onder rechtsonderhorigen naargelang zij hun grieven aan de Raad van State voorleggen in het kader van een cassatieprocedure dan wel in het kader van een annulatieprocedure, merkt de Vlaamse Regering op dat dit verschil in behandeling het gevolg is van het bestaan van een verschillende regeling in de drie gewesten en dat zulk een verschil in behandeling niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bovendien zijn de te vergelijken categorieën van personen volgens haar niet vergelijkbaar, daar de cassatie- en de annulatieprocedure een andere finaliteit hebben. Wat het verschil in doorlooptijd bij de Franstalige en de Nederlandstalige kamers van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat de behandeling van een geschil in elk geval moet gebeuren binnen een redelijke termijn. A.9.
  25. Met betrekking tot de door de verzoekende partij in de zaak nr. 8180 bekritiseerde opname, in de Raad voor Vergunningsbetwistingen, van rechters die niet gespecialiseerd zijn in het omgevingsrecht, merkt de Vlaamse Regering op dat een bestuursrechter van een bepaald Vlaams bestuursrechtscollege slechts uitzonderlijk en omwille van de goede werking ter beschikking kan worden gesteld van een ander Vlaams bestuursrechtscollege en dit door middel van een beslissing van de voorzitter van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges die gemotiveerd moet zijn, onder meer op het vlak van het beschikken, door de betrokken bestuursrechter, over voldoende kennis van het desbetreffende rechtsdomein. Ten aanzien van de middelen die in hoofdzaak zijn afgeleid uit de schending van het beginsel van de federale loyauteit A.
  26. Het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 8174 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van artikel 143 van de Grondwet, van het beginsel van de federale loyauteit, van het evenredigheidsbeginsel, van de verplichting tot samenwerking en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het tweede middel in de zaak nr. 8175 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van artikel 143 van de Grondwet en van het beginsel van de federale loyauteit, evenals uit machtsoverschrijding. A.11.
  27. De verzoekende partij in de zaak nr. 8174 voert aan dat de Vlaamse decreetgever, door bepaalde verordenende administratieve rechtshandelingen te onttrekken aan de bevoegdheid van de Raad van State, de federale wetgever verhindert zijn bevoegdheden uit te oefenen of minstens het uitoefenen van die bevoegdheden overdreven moeilijk maakt. Volgens haar ziet de federale wetgever zich ten gevolge van het bestreden decreet genoodzaakt om nieuwe procedureregels aan te nemen betreffende de Raad van State, teneinde te voorkomen dat er voor de rechtsonderhorigen rechtsonzekerheid ontstaat. Het eerbiedigen van het evenredigheidsbeginsel veronderstelt, volgens de verzoekende partij, dat de overheid bij het in overweging nemen van een maatregel, beoordeelt of de beoogde maatregel noodzakelijk, adequaat en evenredig is. Onder verwijzing naar haar argumentatie bij het eerste onderdeel van het enige middel, voert zij aan dat de door de Vlaamse decreetgever genomen maatregel niet voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid, adequaatheid en evenredigheid. Zij voegt eraan toe dat de onevenredigheid van het bestreden decreet eveneens volgt uit het feit dat dat decreet rechtsonzekerheid in het leven roept, rechtsonzekerheid die onder meer voortvloeit uit het gegeven dat de Raad van State in het kader van de cassatieprocedure niet de bevoegdheid heeft om de gevolgen van een onwettig geachte verordenende administratieve rechtshandeling te handhaven. De verzoekende partij in de zaak nr. 8174 doet eveneens gelden dat de beginselen van de federale loyauteit en van de evenredigheid zijn geschonden, doordat de Vlaamse decreetgever geen enkel initiatief heeft genomen om de federale overheid te betrekken bij de voorgenomen maatregel. Uit de rechtspraak van het Hof leidt zij af dat zelfs wanneer de bevoegdheidverdelende regels niet uitdrukkelijk voorzien in een samenwerkingsverplichting, een dergelijke verplichting kan voortvloeien uit de beginselen van de federale loyauteit en evenredigheid. 9 A.11.
  28. De verzoekende partij in de zaak nr. 8175 doet eveneens gelden dat het beginsel van de federale loyauteit is geschonden. Zij is van mening dat het Vlaamse Gewest de federale overheid, die ter zake bevoegd is, had moeten verzoeken, bijvoorbeeld via haar vertegenwoordigers in de Senaat, om de beoogde hervorming van het administratief contentieux door te voeren. A.
  29. De verzoekende partij in de zaak nr. 8174 voert ook aan dat het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, doordat het op het vlak van de rechtszekerheid een verschil in behandeling in het leven roept tussen personen die onderworpen zijn aan het bestreden decreet en personen die daaraan niet zijn onderworpen. Volgens haar roept dat decreet immers rechtsonzekerheid in het leven voor de personen die eraan zijn onderworpen. A.
  30. Volgens de Vlaamse Regering tonen de verzoekende partijen niet aan dat het bestreden decreet het de federale wetgever onmogelijk of overdreven moeilijk maakt om zijn bevoegdheden uit te oefenen. De loutere omstandigheid dat dat decreet een weerslag kan hebben op de bevoegdheden van de federale wetgever is een gevolg van elk autonoom optreden van een wetgever van een deelentiteit en volstaat volgens haar niet om te besluiten dat de federale loyauteit is geschonden. De autonomie van de deelentiteiten zou volgens haar geen inhoud hebben, indien zou moeten worden aangenomen dat die deelentiteiten overleg moeten plegen met de federale overheid of op een andere wijze moeten samenwerken in aangelegenheden waarin zulk een overleg of een andere vorm van samenwerking niet is voorgeschreven. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden decreet niet voldoet aan de noodzakelijkheidsvereiste, verwijst de Vlaamse Regering naar haar argumentatie met betrekking tot de aangevoerde schending van de bevoegdheidverdelende regels. Ten aanzien van de overige middelen Wat het tweede middel in de zaak nr. 8173 betreft A.
  31. Het tweede middel in de zaak nr. 8173 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 39, 144, 145, 160 en 161 ervan, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het recht op toegang tot een rechter en met het beginsel van dubbel onderzoek van de beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State. A.15.
  32. Volgens de verzoekende partijen brengt het decreet van 14 juli 2023 met zich mee dat de rechtzoekenden die een ruimtelijk uitvoeringsplan, een stedenbouwkundige verordening of een definitief voorkeurs- of projectbesluit inzake complexe projecten nietig willen laten verklaren door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de waarborg van het dubbel onderzoek door de auditeur bij de Raad van State en door de Raad van State zelf verliezen, evenals de mogelijkheid om te antwoorden op het advies van de auditeur, wat naar hun oordeel een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het recht op bescherming van de gezondheid en van een gezond leefmilieu, zoals gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet, veroorzaakt, zonder dat die vermindering redelijk is verantwoord. Zij doen daarbij gelden dat het recht op een dubbel onderzoek bij de Raad van State een algemeen procedureel rechtsbeginsel en een grondrecht is. A.15.
  33. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat het decreet van 14 juli 2023 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, doordat het een niet verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, rechtzoekenden die een beslissing over de zaak van de wegen nietig willen laten verklaren en, anderzijds, rechtzoekenden die een beslissing over de zaak van de wegen in het kader van een projectbesluit nietig willen laten verklaren. Wat dat laatste betreft, verwijzen zij naar artikel 40, eerste lid, 2°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 « betreffende complexe projecten ». Het decreet van 14 juli 2023 brengt volgens hen met zich mee dat de rechtzoekenden die een beslissing over de zaak van de wegen in het kader van een projectbesluit nietig willen laten verklaren niet de waarborg genieten van het dubbel onderzoek door de auditeur bij de Raad van State en door de Raad van State zelf, terwijl de personen die een gewone beslissing over de zaak van de wegen nietig willen laten verklaren, die waarborg wel genieten. Voor dat verschil in behandeling bestaat volgens hen geen redelijke verantwoording. A.
  34. Volgens de Vlaamse Regering is het tweede middel in de zaak nr. 8173 niet ontvankelijk, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het beginsel van dubbel onderzoek van de beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State, daar dat beginsel geen referentienorm is waaraan het Hof een wetskrachtige bepaling kan toetsen. Dat middel is volgens haar bovendien niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de 10 artikelen 39, 144, 145, 160 en 161 van de Grondwet, daar de verzoekende partijen niet uiteenzetten hoe die grondwetsartikelen zouden zijn geschonden door het bestreden decreet. A.17.
  35. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat er geen sprake is van een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau, daar de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen als annulatierechters dezelfde bevoegdheden hebben en daar aan de uitspraken van beide rechtscolleges dezelfde rechtsgevolgen zijn verbonden. Het loutere feit dat de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen geen dubbel onderzoek kent, doet daaraan volgens haar geen afbreuk. Zij merkt nog op dat het bestreden decreet net meer rechtsbescherming biedt, daar een uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen vatbaar is voor een cassatieberoep bij de Raad van State, terwijl er geen cassatieberoep voorhanden is tegen een uitspraak van de Raad van State als annulatierechter. In zoverre zou moeten worden geoordeeld dat er wel degelijk sprake is van een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau, is die vermindering volgens de Vlaamse Regering redelijk verantwoord door de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen met betrekking tot het wegwerken van de voor de rechtzoekende bestaande onduidelijkheden op het vlak van de bevoegde rechtsinstantie en de te volgen procedure, met betrekking tot het bieden van efficiëntiewinsten en met betrekking tot het verkorten van de doorlooptijd van rechtszaken in verband met investeringsprojecten. A.17.
  36. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling wel degelijk objectief en redelijk verantwoord is, omdat de eerste categorie van rechtzoekenden een beslissing over de zaak van de wegen aanvecht, terwijl de tweede categorie een projectbesluit aanvecht dat in voorkomend geval als beslissing over de zaak van de wegen geldt. Bovendien is er volgens haar slechts sprake van een discriminatie bij de toepassing van verschillende procedureregels wanneer de rechten van de betrokken personen op een onevenredige wijze worden beperkt, wat volgens haar te dezen niet het geval is, aangezien beide te vergelijken categorieën van personen een gelijkwaardige rechtsbescherming genieten. Wat het derde middel in de zaak nr. 8175 betreft A.
  37. Het derde middel in de zaak nr. 8175 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van het rechtszekerheidsbeginsel, evenals uit machtsoverschrijding. A.
  38. De verzoekende partij in de zaak nr. 8175 voert aan dat het bestreden decreet het rechtszekerheidsbeginsel schendt, doordat de juridische basis van dat decreet betwistbaar is en doordat het bestaan van meerdere rechtsinstanties het voor de rechtzoekende moeilijker maakt om de bevoegde administratieve rechter en de toepasselijke procedureregels te bepalen. A.
  39. De Vlaamse Regering doet gelden dat het bestreden decreet precies tot gevolg heeft dat de rechtzoekenden niet langer moeten nagaan of zij een bestuurshandeling dienen te betwisten bij de Raad van State, dan wel bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, wat volgens haar de rechtszekerheid ten goede komt. Wat het eerste middel in de zaak nr. 8180 betreft A.
  40. Het eerste middel in de zaak nr. 8180 is afgeleid uit de schending, door het decreet van 14 juli 2023, van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU). A.
  41. De verzoekende partij voert aan dat het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat de Raad van State een zaak in beginsel behandelt met drie staatsraden na een advies van een auditeur, terwijl in de Raad voor Vergunningsbetwistingen de zaken worden behandeld door een alleenzetelende rechter, bijgestaan door de Dienst van de Bestuursrechtscolleges. Zij doet ook gelden dat het bestreden decreet artikel 23 van de Grondwet schendt, doordat het een aanzienlijke vermindering met zich meebrengt van het niveau van de rechtsbescherming op het domein van het recht op bescherming van een gezond leefmilieu. In zoverre het Hof niet overtuigd zou zijn van de door haar aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet, verzoekt zij het Hof om, vanuit de invalshoek van artikel 19 van het VEU, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 11 A.
  42. De Vlaamse Regering is van mening dat het middel niet gegrond is en verwijst daarbij naar haar argumentatie bij het tweede middel in de zaak nr.
  43. Zij doet ook gelden dat er geen enkele aanleiding of noodzaak is om in te gaan op de suggestie van de verzoekende partij betreffende het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  44. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8173, 8174, 8175, 8178 en 8180 vorderen allen de vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de uitbreiding van de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen » (hierna : het decreet van 14 juli 2023). B.2.
  45. Bij dat decreet worden « de jurisdictionele beroepen tegen de besluiten houdende definitieve vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s), stedenbouwkundige verordeningen en voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten » toegewezen aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, « een onafhankelijk Vlaams bestuursrechtscollege dat werd opgericht door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1726/1, p. 3). Vóór het decreet van 14 juli 2023 kende « de regelgeving […] de geschillen omtrent de voorgemelde besluiten niet toe aan een specifiek rechtscollege », waardoor « het relevante contentieux […] tot de residuaire bevoegdheid van de Raad van State (RvS), afdeling Bestuursrechtspraak, [behoorde] op basis van artikel 14, § 1, van de RvS-wet » (ibid.). B.2.
  46. Het decreet van 14 juli 2023 brengt aldus met zich mee dat de jurisdictionele beroepen gericht tegen de voormelde besluiten worden onttrokken aan de bevoegdheid van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, en toegewezen aan de bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 (hierna : de VCRO) opgerichte Raad voor Vergunningsbetwistingen. 12 De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, blijft wel bevoegd om, op grond van artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, uitspraak te doen over de cassatieberoepen ingesteld tegen de uitspraken van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (ibid., p. 18). B.
  47. Blijkens de parlementaire voorbereiding heeft de decreetgever met het decreet van 14 juli 2023 « een gunstig investeringsklimaat [willen] creëren door de bestuursrechtspraak in het omgevingsrecht sneller en efficiënter te maken, zonder afbreuk te doen aan de rechtsbescherming van de belanghebbenden » (ibid., p. 6). Voorts heeft hij de « onduidelijkheid voor de rechtzoekende » willen verhelpen die volgens hem voortvloeit uit « de verwevenheid van de procedures bij de RvS [lees : de Raad van State] en bij de RvVb [lees : de Raad voor Vergunningsbetwistingen] in deze materie », waarbij « een omgevingsvergunning of een onteigeningsbesluit in het bestaande kader dient aangevochten te worden bij de RvVb, [terwijl] een beroep tegen het relevante RUP of de toepasselijke stedenbouwkundige verordening [moet] worden gericht tot de RvS » (ibid., p. 4). De decreetgever heeft eveneens de Vlaamse bestuursrechtspraak in omgevingszaken willen optimaliseren door dubbel werk te vermijden, onder meer in de situatie waarin « de onwettigheid van het RUP of de stedenbouwkundige verordening […], als exceptie van onwettigheid, [wordt] opgeworpen in een procedure bij de RvVb », waardoor zowel de Raad voor Vergunningsbetwistingen als de Raad van State de wettigheid van het ruimtelijk uitvoeringsplan of de stedenbouwkundige verordening dienen te onderzoeken (ibid.). In dat kader stelt hij bovendien vast dat « in de praktijk de uitspraak door de RvS vaak [door de Raad voor Vergunningsbetwistingen] wordt afgewacht om tegenstrijdige rechtspraak te vermijden » en dat « de lange doorlooptijd bij de RvS […] dus ook onrechtstreeks [zorgt] voor een vertraging in het vergunningencontentieux op Vlaams niveau » (ibid., pp. 4- 5). B.4.
  48. De artikelen 2 tot 6 en 8 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigen de artikelen 2.2.10, 2.2.15, 2.2.21, 2.3.1, 2.3.2 en 4.8.2 van de VCRO met het oog op het toekennen, aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, van de bevoegdheid om uitspraak te doen over de beroepen tegen : - besluiten tot definitieve vaststelling van gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen; 13 - besluiten tot definitieve vaststelling van gewestelijke, provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Volgens de voormelde artikelen 2.2.10, 2.2.15, 2.2.21, 2.3.1, 2.3.2 van de VCRO, zoals gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2023, kunnen die besluiten bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden bestreden « overeenkomstig en met inachtneming van de regels, vermeld in hoofdstuk VIII van titel IV, en de regels die inzake de geschillenbeslechting voor dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges ». De artikelen 9 en 10 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigen de van het hoofdstuk VIII van titel IV van de VCRO deel uitmakende artikelen 4.8.11 en 4.8.21, met het oog op het bepalen van « de partijen die beroep kunnen instellen tegen een RUP of een stedenbouwkundige verordening », « de partijen […] die kunnen tussenkomen in een procedure bij de RvVb inzake een RUP of een stedenbouwkundige verordening » en « de toepasselijke beroepstermijn » (ibid., p. 27). Artikel 7 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigt artikel 2.6.7, eerste lid, 1°, van de VCRO teneinde die bepaling in overeenstemming te brengen met de aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegekende nieuwe bevoegdheden. B.4.
  49. De artikelen 11 tot 13 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigen de artikelen 2, 10 en 12 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » (hierna : het decreet van 4 april 2014). Artikel 11 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigt artikel 2 van het decreet van 4 april 2014 teneinde die bepaling in overeenstemming te brengen met de aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegekende nieuwe bevoegdheden. Artikel 12 van het decreet van 14 juli 2023 voegt aan artikel 10, vijfde lid, van het decreet van 4 april 2014 de volgende zin toe : 14 « De voorzitter van het bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), zorgt voor de behandeling bij voorrang van de beroepen tegen de besluiten tot definitieve vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen en tegen definitieve voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten ». Artikel 13 van het decreet van 14 juli 2023 voegt aan artikel 12, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 de volgende zin toe : « Het voormelde rechtscollege heeft ook een kamer die uitsluitend bevoegd is voor de beroepen tegen definitieve voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten ». B.4.
  50. De artikelen 14 tot 18 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigen de artikelen 2, 36, 43, 44 en 45 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 « betreffende complexe projecten » (hierna : het decreet van 25 april 2014). Artikel 18, 1°, van het decreet van 14 juli 2023 vervangt artikel 45, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, teneinde de Raad voor Vergunningsbetwistingen bevoegd te maken om uitspraak te doen over de beroepen tegen definitief vastgestelde voorkeursbesluiten en definitief vastgestelde projectbesluiten inzake complexe projecten, als volgt : « Het definitief vastgestelde voorkeursbesluit en het definitief vastgestelde projectbesluit kan door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang worden bestreden met een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, met toepassing van de regels die inzake de geschillenbeslechting voor dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges ». Artikel 18, 2°, van het decreet van 14 juli 2023 voegt aan artikel 45 van het decreet van 25 april 2014 een derde en een vierde lid toe, met het oog op het bepalen van de beroepstermijn en van de partijen die kunnen tussenkomen in de rechtspleging. De artikelen 14 tot 17 van het decreet van 14 juli 2023 wijzigen de artikelen 2, 36, 43 en 44 van het decreet van 25 april 2014 teneinde die bepalingen in overeenstemming te brengen met de aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegekende nieuwe bevoegdheden. 15 B.4.
  51. De artikelen 19 en 20 van het decreet van 14 juli 2023 regelen de inwerkingtreding van dat decreet en bepalen : « Art.
  52. Dit decreet is van toepassing op de besluiten, vermeld in artikel 4.8.2, 1° en 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2019, en artikel 45, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten zoals gewijzigd door dit decreet, die zijn genomen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit decreet. Art.
  53. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 31 december 2024 ». Ten gronde B.
  54. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Regering voeren, in respectievelijk het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 8174, het eerste middel in de zaak nr. 8175 en het enige middel in de zaak nr. 8178, in essentie aan dat het decreet van 14 juli 2023, doordat het de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitbreidt tot de beroepen gericht tegen de in dat decreet omschreven besluiten, inbreuk maakt op de bevoegdheid van de federale wetgever om administratieve rechtscolleges op te richten en hun bevoegdheden te bepalen, evenals op de bevoegdheid van de federale wetgever om de bevoegdheden van de Raad van State te bepalen. Zij voeren eveneens aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden bepaald bij artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) wat het aanwenden van de impliciete bevoegdheden betreft. B.
  55. Artikel 160 van de Grondwet behoudt aan de federale wetgever de bevoegdheid voor om de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van State te bepalen, met inbegrip van de procedureregels, en de gevallen te definiëren waarin de Raad van State bij wege van arrest uitspraak doet als administratief rechtscollege en advies uitbrengt. Artikel 161 van de Grondwet behoudt aan de federale wetgever de bevoegdheid voor om administratieve rechtscolleges op te richten en hun bevoegdheden en de procedureregels die van toepassing zijn voor die rechtscolleges te bepalen. 16 B.
  56. In zoverre het decreet van 14 juli 2023 beroepen invoert die kunnen worden ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, die een administratief rechtscollege is, en in zoverre dat decreet die beroepen onttrekt aan de bevoegdheid van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, is de decreetgever in beginsel niet bevoegd om de betrokken bepalingen aan te nemen. B.
  57. Artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 staat de decreetgever evenwel toe een decreet aan te nemen dat een federale aangelegenheid regelt op voorwaarde dat die bepaling noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden, dat die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van dat decreet op de federale aangelegenheid slechts marginaal is. B.
  58. Uit de parlementaire voorbereiding van de artikelen 160 en 161 van de Grondwet blijkt dat het aanwenden van de impliciete bevoegdheden door de deelentiteiten die laatstgenoemde niet toestaat om « een algemeen systeem van administratieve rechtscolleges [op te bouwen], of zelfs een algemeen administratief rechtscollege » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-48/2°, p. 11). In dat kader is het enkel mogelijk om « specifieke » administratieve rechtscolleges op te richten (ibid.). Uit die parlementaire voorbereiding blijkt bovendien dat de voorwaarde van de marginale weerslag « onder meer inhoudt dat nooit afbreuk mag worden gedaan aan de fundamentele beginselen ter zake » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 831/1, pp. 3-4). B.10.
  59. De Raad voor Vergunningsbetwistingen werd opgericht bij artikel 36 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 « tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid » (hierna : het decreet van 27 maart 2009). Het bij dat artikel in het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 « houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening » (hierna : het decreet van 18 mei 1999) ingevoegde artikel 133/56, tweede lid, voorzag erin dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich als een administratief rechtscollege uitspreekt over de beroepen die worden ingesteld tegen : 17 « 1° vergunningsbeslissingen, zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afleveren of weigeren van een vergunning; 2° valideringsbeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen houdende de validering of de weigering tot validering van een as-builtattest; 3° registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als ‘ vergund geacht ’ wordt opgenomen in het vergunningenregister, of waarbij dergelijke opname geweigerd wordt ». B.10.
  60. Bij zijn arrest nr. 8/2011 van 27 januari 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.008) heeft het Hof geoordeeld dat artikel 133/56 van het decreet van 18 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 36 van het decreet van 27 maart 2009, voldeed aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden. Met betrekking tot de voorwaarde inzake de marginale weerslag op de aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheden, heeft het Hof bij dat arrest geoordeeld : « B.8.
  61. De weerslag op de aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid is tenslotte marginaal, nu de bevoegdheid van de Raad voor vergunningsbetwistingen is beperkt tot beroepen die worden ingesteld tegen de individuele beslissingen vermeld in artikel 133/56, tweede lid, van het decreet van 18 mei
  62. B.8.10.
  63. Luidens artikel 160 van de Grondwet worden de bevoegdheid en de werking van de Raad van State door de wet bepaald. Op grond van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak over ‘ de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen ’. B.8.10.
  64. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen werd uitdrukkelijk bevestigd dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met toepassing van het voormelde artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, als cassatierechter optreedt ten aanzien van de uitspraken van de Raad voor vergunningsbetwistingen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 211), hetgeen te dezen noodzakelijk is in het licht van de beoordeling van het marginaal karakter van de maatregel. B.8.10.
  65. Bijgevolg beperken de bestreden bepalingen niet op overdreven wijze de bevoegdheden van de Raad van State, zodat de decreetgever slechts op marginale wijze is getreden op de ter zake aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid ». 18 B.10.
  66. De bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 die betrekking hebben op de Raad voor Vergunningsbetwistingen werden opgenomen in de VCRO (artikel 4.8.1 e.v. van de VCRO). B.10.
  67. Bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 « betreffende de omgevingsvergunning » werd de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitgebreid tot de beroepen tegen de beslissingen betreffende een omgevingsvergunning (artikel 105), die niet alleen betrekking heeft op de stedenbouwkundige aspecten van de vergunde handeling, maar ook op, onder meer, de milieuaspecten ervan. Bij het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » werden de bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitgebreid tot de beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten (artikel 43). B.11.
  68. Terwijl de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot nietigverklaring en schorsing van administratieve rechtshandelingen vóór het bestreden decreet van 14 juli 2023 in essentie betrekking had op rechtshandelingen met een individuele strekking, breidt dat decreet die bevoegdheid uit tot rechtshandelingen met een verordenend karakter. B.11.
  69. Gelet op de reeds aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen toegekende bevoegdheden, brengt de bevoegdheidsuitbreiding waarin het bestreden decreet voorziet, met zich mee dat die Raad in essentie bevoegd wordt voor het algemene contentieux inzake het omgevingsrecht in het Vlaamse Gewest. Die bevoegdheidsuitbreiding brengt eveneens met zich mee dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, niet langer bevoegd is voor dat contentieux. B.
  70. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt in haar advies over het voorontwerp van decreet dat heeft geleid tot het bestreden decreet, is « de Raad van State […] opgericht als hoogste administratief rechtscollege om, naast de rechtsbescherming waarin de hoven en rechtbanken voorzien, een bijkomende rechtsbescherming te bieden tegen onwettige bestuurshandelingen » en gold « de mogelijkheid om verordenende besluiten, die de rechter tot dan uitsluitend op grond van artikel 159 van de Grondwet kon weigeren toe te passen, door de Raad van State erga omnes te laten vernietigen » als « één van de belangrijkste 19 beweegredenen voor de oprichting van de Raad van State » (RvSt, advies nr. 72.576/AV van 15 februari 2023, Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1726/1, pp. 53-54). De afdeling wetgeving van de Raad van State merkte daarbij terecht op : « De nietigverklaring van bestuurlijke beslissingen van reglementaire aard maakt inderdaad deel uit van de harde kern van de bevoegdheden die toegewezen zijn aan de rechter inzake nietigverklaring wegens machtsoverschrijding. Gelet op de normatieve draagwijdte van reglementaire bestuurshandelingen en op het mogelijk ruime toepassingsgebied ratione personae van dergelijke handelingen, vertoont de nietigverklaring wegens onwettigheid van die handelingen, in vergelijking met de nietigverklaring van beslissingen met individuele strekking, een specifieke graad van ernst die de keuze van de federale wetgever om de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ter zake een gecentraliseerde bevoegdheid op te dragen, verklaart en rechtvaardigt » (ibid., p. 54). B.13.
  71. De principiële centralisatie, bij de Raad van State, van de bevoegdheid voor jurisdictionele beroepen tot nietigverklaring van verordenende administratieve rechtshandelingen, vormt een aan artikel 160 van de Grondwet ten grondslag liggend fundamenteel beginsel in de zin van de in B.9, tweede alinea, aangehaalde parlementaire voorbereiding van dat grondwetsartikel. Van dat beginsel kunnen de gemeenschappen en de gewesten niet afwijken zonder afbreuk te doen aan de aan de impliciete bevoegdheden verbonden voorwaarde betreffende de marginale weerslag op de federale bevoegdheden. B.13.
  72. Daar de bij het bestreden decreet aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen verleende bevoegdheid betrekking heeft op administratieve rechtshandelingen die een verordenend karakter hebben, is de weerslag van dat decreet op de bevoegdheden van de federale overheid niet marginaal. Dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, bevoegd blijft om, op grond van artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, uitspraak te doen over de cassatieberoepen ingesteld tegen de uitspraken van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, volstaat te dezen niet om te voldoen aan de voorwaarde betreffende de marginale weerslag op de federale bevoegdheden. 20 B.13.
  73. Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde betreffende de marginale weerslag op de federale bevoegdheden, dienen de overige aan de impliciete bevoegdheden verbonden voorwaarden niet te worden onderzocht. B.
  74. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 8174, het eerste middel in de zaak nr. 8175 en het enige middel in de zaak nr. 8178 zijn gegrond. Gelet op het feit dat de bepalingen van het decreet van 14 juli 2023 ofwel de bekritiseerde bevoegdheidsuitbreiding van de Raad voor Vergunningsbetwistingen regelen ofwel onlosmakelijk ermee verbonden zijn, dient dat decreet volledig te worden vernietigd. B.
  75. Daar het onderzoek van de in de zaken nrs. 8173 en 8180 aangevoerde middelen en van de overige in de zaken nrs. 8174 en 8175 aangevoerde middelen of onderdelen van middelen niet zou kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen die middelen of onderdelen van middelen, evenals de excepties van de Vlaamse Regering, niet te worden onderzocht. B.16.
  76. Volgens artikel 20 van het decreet van 14 juli 2023 treedt dat decreet in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 31 december
  77. Daar de Vlaamse Regering geen datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld, is het decreet van 14 juli 2023 in werking getreden op 31 december
  78. Volgens artikel 19 van het decreet van 14 juli 2023 is het decreet van toepassing op de besluiten vermeld in artikel 4.8.2, 1° en 2°, van de VCRO en artikel 45, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, die zijn genomen vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 14 juli
  79. B.16.
  80. Uit de voormelde bepalingen volgt dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen, sinds 31 december 2024, de bevoegde jurisdictionele instantie is voor beroepen gericht tegen besluiten tot definitieve vaststelling van gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tegen besluiten tot definitieve vaststelling van gewestelijke, provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en tegen voorkeursbesluiten en 21 projectbesluiten inzake complexe projecten, in zoverre die besluiten zijn genomen op of na 31 december
  81. B.16.
  82. Het is aldus niet uitgesloten dat op het ogenblik van het wijzen van het onderhavige arrest bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen jurisdictionele beroepen aanhangig zijn gemaakt met toepassing van de bepalingen van het decreet van 14 juli
  83. De terugwerkende kracht van de vernietiging van het decreet van 14 juli 2023 heeft als gevolg dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich onbevoegd dient te verklaren wat die beroepen betreft, en dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, moet worden geacht daarvoor bevoegd te zijn gebleven. B.17.
  84. Overeenkomstig artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » verjaren de beroepen bedoeld in artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, 60 dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Het is mogelijk dat die termijn, wat sommige van de in B.16.2 vermelde besluiten betreft, reeds grotendeels of helemaal is verlopen op het ogenblik van het wijzen van het onderhavige arrest. B.17.
  85. Teneinde aan de betrokken rechtzoekenden het recht op een daadwerkelijk beroep bij het bevoegde rechtscollege te waarborgen, dient er een termijn van zestig dagen open te staan om een beroep in te stellen bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, tegen de in B.16.2 vermelde besluiten die zijn genomen tussen 31 december 2024 en de bekendmaking van het onderhavige arrest in het Belgisch Staatsblad. Die termijn gaat in op de dag van die bekendmaking, aangezien de verzoeker pas vanaf dat ogenblik kan worden geacht het bevoegde rechtscollege en de toepasselijke procedure te kennen. 22 Om die redenen, het Hof vernietigt het decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 2023 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de uitbreiding van de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen ». Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 februari
  86. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.022 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.008 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.