id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.024 Arrest- Rolnummer: 24/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-03-03 Raadplegingen: 329 - laatst gezien 2026-06-18 08:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 2 en artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de huidige titel van verpleegkundige aan Richtlijn 2005/36/EG te verduidelijken en de basisverpleegkundige en de klinisch verpleegkundig onderzoeker hierin op te nemen », ingesteld door de vzw « Algemene Unie van Verpleegkundigen van België » en anderen. Gezondheidszorg - Uitoefening van de verpleegkunde - Nieuwe beroepstitel - Basisverpleegkundige - Begrippen - Technische verstrekkingen - Overgangsregeling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 24/2025 van 20 februari 2025 Rolnummer : 8143 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 en artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de huidige titel van verpleegkundige aan Richtlijn 2005/36/EG te verduidelijken en de basisverpleegkundige en de klinisch verpleegkundig onderzoeker hierin op te nemen », ingesteld door de vzw « Algemene Unie van Verpleegkundigen van België » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 januari 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 januari 2024, is beroep tot vernietiging van artikel 2 en artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de huidige titel van verpleegkundige aan Richtlijn 2005/36/EG te verduidelijken en de basisverpleegkundige en de klinisch verpleegkundig onderzoeker hierin op te nemen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 2023) ingesteld door de vzw « Algemene Unie van Verpleegkundigen van België », de vzw « Association de Stérilisation Francophone », de vzw « Association belge des praticiens de l’art infirmier », de vzw « Nationale Federatie van Belgische Verpleegkundigen », de vzw « Association des Infirmiers Spécialisés en Pédiatrie et Néonatalogie », de vzw « Deutschsprachige Krankenpflegevereinigung in Belgien », de vzw « Association belge des praticiens de l’art infirmier exerçant auprès des personnes âgées », de vzw « Association Professionnelle Francophone des Infirmiers spécialisés en Santé Communautaire », de vzw « Société des Infirmières de Soins Intensifs », de vzw « Les Tabliers Blancs », de vzw « Fédération des Infirmières Indépendantes de Belgique », de vzw « Association Francophone des Infirmières 2 en Stomathérapie Cicatrisation et Plaies.be », de vzw « Association Francophone des Infirmiers de Salle d’Opération », Gaëtan Mestag en Sigurd Vandendriessche, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Ann Dierickx en mr. Charlotte Plottier De Foer, advocates bij de balie te Leuven. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrik De Maeyer en mr. Daisy Daniels, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 november 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 11 december 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 15 januari
- Op de openbare terechtzitting van 15 januari 2025 : - zijn verschenen : . mr. Charlotte Plottier De Foer, tevens loco mr. Ann Dierickx, voor de verzoekende partijen; . mr. Patrik De Maeyer, tevens loco mr. Daisy Daniels, voor de Ministerraad; . mr. Esther Forson, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Bart Martel en mr. Kristof Caluwaert, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partijen zijn, enerzijds, verenigingen die opkomen voor de belangen van de verpleegkundigen en, anderzijds, natuurlijke personen die het beroep van verpleegkundige uitoefenen. Zij zijn van oordeel dat zij allen doen blijken van een belang bij hun beroep tot vernietiging van de artikelen 2 en 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de huidige titel van verpleegkundige aan Richtlijn 2005/36/EG te verduidelijken en de basisverpleegkundige en de klinisch verpleegkundig onderzoeker hierin op te nemen » (hierna : de wet van 28 juni 2023). Zij zetten uiteen dat de bestreden bepalingen een nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige in het leven roepen en dat hun belang bij het beroep onder meer volgt uit het feit dat die bepalingen de uitoefening van het beroep van verpleegkundige onderwerpen aan onduidelijke regels. A.2.
- De Vlaamse Regering meent dat de verzoekende partijen enkel grieven aanvoeren tegen de invoering van de nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige en niet tegen de wijziging van de titel « verpleegkundige » naar « verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg » en evenmin tegen de invoering van de titel van klinisch verpleegkundig onderzoeker. Zij meent dat het beroep om die reden niet ontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen de artikelen 3, 1° tot 6°, 4, 5, 6, 7 en 8 van de wet van 28 juni
- A.2.
- De Vlaamse Regering meent eveneens dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre de verzoekende partijen de rechtstreekse schending, door de bestreden bepalingen, aanvoeren van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 105 van de Grondwet, van het wettigheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel, van het evenredigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. Zij doet daarbij gelden dat het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan die referentienormen. A.2.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het Hof bevoegd is om wetskrachtige normen te toetsen aan de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met internationale normen en met algemene rechtsbeginselen en dat het Hof een internationale norm kan integreren in een nationale norm. Ten aanzien van de middelen Wat het eerste middel betreft A.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 45, § 1/2, tweede en derde lid, van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 (hierna : de wet van 10 mei 2015), zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, van de artikelen 10, 11, 12, 14 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 105 ervan, met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het lex certa-beginsel, met het wettigheidsbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel. A.4.
- De verzoekende partijen voeren aan dat meerdere begrippen die worden gebruikt in artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, onduidelijk zijn, waardoor het niet voorspelbaar is welke handelingen de basisverpleegkundigen mogen stellen en evenmin in welke gevallen zij strafrechtelijk en burgerrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. A.4.
- Het feit dat in de Nederlandstalige versie van de bestreden bepaling het begrip « basisverpleegkundige » wordt gebruikt, terwijl in de Franstalige versie het begrip « l’assistant en soins infirmiers » wordt gebruikt, leidt volgens de verzoekende partijen ertoe dat het niet duidelijk is of de basisverpleegkundige een beoefenaar van de verpleegkunde is, dan wel een paramedicus in de zin van artikel 69 van de wet van 10 mei
- 4 Volgens de verzoekende partijen is het evenmin duidelijk hoe de in de bestreden bepaling vervatte woorden « minder complexe situaties », « complexere situaties », « autonoom », « zorgteam » en « binnen een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking [werken] » dienen te worden begrepen en bij de uitoefening van het beroep van basisverpleegkundige dienen te worden toegepast. A.4.
- De verzoekende partijen menen ook dat de bestreden bepaling de basisverpleegkundigen discrimineert ten aanzien van andere personen, al dan niet zorgverleners, daar de basisverpleegkundigen, in tegenstelling tot andere personen, niet weten aan welke wettelijke grenzen zij zich moeten houden om geen strafbare feiten te plegen. Ook andere verpleegkundigen, waaronder de verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg, worden volgens hen gediscrimineerd, daar zij evenmin kunnen weten welke handelingen een basisverpleegkundige al dan niet mag stellen. A.4.
- Volgens de verzoekende partijen is de bestreden bepaling bovendien in strijd met artikel 105 van de Grondwet. Zij zetten uiteen dat de bestreden bepaling de Koning de bevoegdheid verleent om de verpleegkundige technische verstrekkingen die de basisverpleegkundige kan uitvoeren en de voorwaarden waaronder de basisverpleegkundige die verstrekkingen kan uitvoeren, te bepalen, wat volgens hen met zich meebrengt dat de Koning de woorden « minder complexe situaties » en « complexere situaties » nader dient te regelen. Zij menen dat artikel 105 van de Grondwet zich ertegen verzet dat de wetgever het aan de Koning overlaat om dergelijke essentiële elementen van de desbetreffende regeling vast te stellen. A.4.
- De bestreden bepaling schendt volgens de verzoekende partijen ook artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, daar de erin vervatte onduidelijkheden leiden tot een verminderde zorgkwaliteit met nefaste gevolgen voor de volksgezondheid vandien. Zij doen daarbij gelden dat die onduidelijkheden ertoe zullen leiden dat zorgverleners zullen aarzelen om zorg te bieden. A.5.
- De Ministerraad meent dat er geen enkele onduidelijkheid voortvloeit uit de Franstalige en de Nederlandstalige beroepstitels van de basisverpleegkundige. Volgens hem is het duidelijk dat de basisverpleegkundige geen paramedicus is, maar een verpleegkundige, daar dit uitdrukkelijk is vermeld in de bestreden bepaling, daar die bepaling in de wet van 10 mei 2015 deel uitmaakt van een hoofdstuk met als opschrift « De uitoefening van de verpleegkunde » en daar artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015 verwijst naar artikel 46 van diezelfde wet. A.5.
- Met betrekking tot de handelingen die de basisverpleegkundige autonoom kan stellen, zet de Ministerraad uiteen dat de bestreden bepaling het handelen van de basisverpleegkundige koppelt aan de complexiteit van de zorgsituatie en dat dit nader wordt geregeld in het koninklijk besluit van 20 september 2023 « bepalende de lijst van de verpleegkundige technische verstrekkingen betreffende de basisverpleegkundige, alsmede hun uitoefeningsvoorwaarden ». Hij vervolgt dat uit dat koninklijk besluit blijkt dat de inschatting van de mate van complexiteit dient te gebeuren door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of door een arts en dit rekening houdend met de gezondheidstoestand van de patiënt en de zorgcontext. Hij meent dat er op dat vlak geen sprake is van enige onduidelijkheid. Hij wijst tenslotte erop dat de bestreden bepaling nog werd gewijzigd bij de wet van 18 mei 2024 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de hervorming van de verpleegkunde, de afschaffing van de Technische Commissies voor verpleegkunde en de paramedische beroepen en de aanpassing van de taken van de Federale Raden voor verpleegkunde en paramedische beroepen hierin op te nemen » (hierna : de wet van 18 mei 2024) en dat die wijziging met zich meebrengt dat de wet van 10 mei 2015 voortaan een regeling bevat betreffende de inschatting van de complexiteit van de zorgsituatie. A.5.
- Met betrekking tot het werken binnen een gestructureerd zorgteam, zet de Ministerraad uiteen dat uit de bestreden bepaling duidelijk blijkt dat in minder complexe situaties de basisverpleegkundige autonoom kan handelen, terwijl dat niet het geval is in complexere situaties, waarin de basisverpleegkundige binnen een gestructureerd zorgteam dient te werken. De vraag of de basisverpleegkundige al dan niet autonoom mag handelen hangt volgens hem af van de inschatting van de complexiteit van de zorgsituatie en aldus niet van het soort handelingen of verstrekkingen dat zou worden verricht. Hij meent dat er op dat punt geen sprake is van enige onduidelijkheid. A.5.
- Met betrekking tot het begrip « zorgteam » zet de Ministerraad uiteen dat het overeenkomstig de bestreden bepaling gaat om een gestructureerd team waar een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of, bij gebreke daarvan, een arts deel van uitmaakt. De concrete praktische invulling van het zorgteam hangt volgens hem af van de praktische zorgnoden en de specifieke zorgcontext, maar het algemeen kader wordt volgens 5 hem door de wetgever bepaald. Hij wijst in dit kader erop dat het « zorgteam » bij de wet van 18 mei 2024 nader werd omschreven. A.5.
- De Ministerraad meent dat uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepaling, wat de handelingen betreft die door de basisverpleegkundigen kunnen worden gesteld, niet onduidelijk of onvoorspelbaar is, waardoor de basisverpleegkundigen wel degelijk weten aan welke normen zij zich moeten houden en hoe zij burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen vermijden. Hij meent dat er aldus geen sprake is van een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van de in het middel vermelde beginselen. A.5.
- Volgens de Ministerraad is er evenmin sprake van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, daar de bestreden bepaling niet onduidelijk en onvoorspelbaar is. Volgens hem is er evenmin sprake van een schending van artikel 105 van de Grondwet, daar de wetgever de essentiële elementen van de desbetreffende regeling, meer bepaald het onderscheid tussen minder complexe situaties en complexere situaties, heeft geregeld. Ten slotte is er volgens hem geen sprake van een schending van artikel 23 van de Grondwet, daar de bestreden bepaling niet onduidelijk en onvoorspelbaar is, zodat de basisverpleegkundigen, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, niet worden belemmerd in hun handelen en het verlenen van kwaliteitsvolle zorg niet in het gedrang komt. A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het eerste middel niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op een gelijksoortige wijze als de Ministerraad. Zij voegt nog eraan toe dat de bestreden bepaling het niveau van bescherming van het recht op bescherming van de gezondheid geenszins vermindert en dat die bepaling, integendeel, de zorgkwaliteit beoogt te verhogen. Zij wijst in dit kader erop dat de Vlaamse Gemeenschap, na het aannemen van de bestreden wet, het initiatief heeft genomen om te voorzien in een opleiding basisverpleegkunde. Wat het tweede middel betreft A.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 2 van de wet van 28 juni 2023 en artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 « betreffende de erkenning van beroepskwalificaties » (hierna : de richtlijn 2005/36/EG), met de artikelen 4, 6, 7 en 8 van de richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 « betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/958), met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de beginselen van evenredigheid en redelijkheid. A.8.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de Europese Commissie de Belgische Staat in het verleden meermaals in gebreke heeft gesteld omdat bepaalde opleidingen, meer bepaald de opleidingen hoger beroepsonderwijs van niveau 5 (hierna : de HBO5-opleidingen), toegang geven tot de titel van verpleegkundige, terwijl zij niet voldoen aan de minimale vereisten zoals omschreven in de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG. Uit het bestreden artikel 2 van de wet van 28 juni 2023 leiden zij af dat de wetgever met de wet van 28 juni 2023 de bedoeling heeft gehad om de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met die richtlijn 2005/36/EG. Zij menen echter dat die doelstelling niet wordt bereikt en dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG, daar die bepalingen de basisverpleegkundigen die een opleiding hebben gevolgd die niet voldoet aan de vereisten van de richtlijn, toelaten om verpleegkundige handelingen te stellen en de verpleegkunde uit te oefenen. A.8.
- De verzoekende partijen menen ook dat de bestreden bepalingen artikel 23 van de Grondwet schenden, omdat de kwaliteit van de verpleegkundige zorg achteruitgaat ten gevolge van het feit dat de basisverpleegkundigen verpleegkundige handelingen kunnen stellen, terwijl ze niet zijn opgeleid zoals wordt vereist in de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG. A.9.
- De Ministerraad wijst erop dat er in het regeerakkoord werd overeengekomen om een werkgroep « Zorg & Gezondheid » op te richten met het oog op het evalueren van de overeenstemming van de Belgische wetgeving met de Europese regelgeving en dat de bestreden wet voortvloeit uit de aanbevelingen van die werkgroep. Hij wijst erop dat ervoor werd geopteerd om een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, die voldoet aan de op Europees niveau vastgestelde 6 minimale opleidingsvereisten en, anderzijds, de basisverpleegkundige. Het gaat volgens hem om twee verschillende, maar complementaire profielen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, heeft de wetgever volgens hem niet de bedoeling gehad de bestaande HBO5-opleidingen in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving, maar wel om het beroep van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg in overeenstemming te brengen met die regelgeving. Hij wijst in dit kader erop dat de oude HBO5-opleidingen niet meer kunnen worden gevolgd, daar zij zijn hervormd naar een graduaatsopleiding basisverpleegkunde. Hij doet gelden dat de wetgever met de wet van 28 juni 2023 niet enkel de bedoelding had de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met het recht van de Europese Unie, maar ook een efficiënt zorgmodel mogelijk wilde maken. A.9.
- De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen verkeerdelijk ervan uitgaan dat er op nationaal niveau enkel beroepstitels in de verpleegkunde kunnen bestaan die overeenstemmen met de Europese regelgeving. De richtlijn 2005/36/EG heeft volgens hem enkel tot doel beroepsbeoefenaars makkelijker toegang te geven tot een beroep in een andere lidstaat van de Europese Unie. Die richtlijn verhindert volgens hem niet dat de Belgische wetgever een beroepstitel van basisverpleegkundige creëert, waarvan de opleiding niet voldoet aan de Europese vereisten. Hij wijst erop dat de bevoegde minister bij de totstandkoming van de bestreden wet nauw contact heeft gehad met de Europese Commissie en dat die Commissie geen fundamentele bezwaren heeft geuit tegen de in de ontwerpteksten vervatte maatregelen. A.9.
- Volgens de Ministerraad leiden de bestreden bepalingen op geen enkele manier tot een vermindering van de kwaliteit van de zorg, zodat er ook geen sprake is van een schending van artikel 23 van de Grondwet. Hij is van mening dat die bepalingen ertoe strekken dat de zorgtaken worden toegewezen aan zorgverleners die ze op de meest doelmatige en kwaliteitsvolle manier kunnen uitoefenen en dat zij-instromers vlot de stap kunnen zetten naar een beroep in de verpleegkunde. A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het tweede middel niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op een gelijksoortige wijze als de Ministerraad. Daarnaast meent zij dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen in strijd zouden zijn met de artikelen 4, 6, 7 en 8 van de richtlijn (EU) 2018/
- Zij meent dat het beroep om die reden niet ontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van die referentienormen. Wat het derde middel betreft A.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en redelijkheid. A.12.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de in artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, vervatte overgangsregeling een niet- verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen verpleegkundigen die een HBO5-opleiding hebben gevolgd, naar gelang zij vóór, dan wel vanaf het school- of academiejaar 2023-2024 die opleiding hebben aangevat. Dat verschil in behandeling is volgens hen niet verantwoord, daar het aan de minister van Onderwijs staat om de opleidingsvoorwaarden in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving. De bestreden bepaling is volgens hen ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, daar de bevoegdheden van de verpleegkundigen wijzigen in de loop van het jaar waarin de personen die een HBO5-opleiding volgen, die opleiding aanvatten. Ook het redelijkheidsbeginsel is volgens hen geschonden, daar de wetgever, gelet op de Europese regelgeving, een verkeerde beleidskeuze heeft gemaakt. A.12.
- De voormelde overgangsbepaling is volgens de verzoekende partijen eveneens in strijd met artikel 23 van de Grondwet, daar het voormelde verschil in behandeling niet verantwoord is en daar dat verschil in behandeling ertoe leidt dat toekomstige basisverpleegkundigen minder handelingen mogen stellen, waardoor het zorgaanbod voor de patiënt verkleint. A.13.
- De Ministerraad is van oordeel dat het bestreden verschil in behandeling is gebaseerd op objectieve criteria, meer bepaald het ogenblik waarop de studies worden aangevat en de aard van de studies die worden aangevat. Dat verschil in behandeling is volgens hem redelijk verantwoord daar de wetgever ermee heeft beoogd dat de verpleegkundigen die hun opleiding hebben aangevat vóór het school- of academiejaar 2023-2024, hun verworven rechten behouden en de verpleegkunde kunnen blijven uitoefenen onder dezelfde voorwaarden en 7 omstandigheden als voorheen. Samen met de algemene doelstellingen van de bestreden bepalingen is die doelstelling volgens hem legitiem. Hij meent dat de overgangsbepaling bovendien pertinent en evenredig is ten aanzien van die doelstelling. Hij beklemtoont daarbij nogmaals dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om de oude HBO5-opleidingen in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving. A.13.
- Daar de bestreden bepalingen onder meer tot doel hebben om de huidige en toekomstige tekorten in de verpleegkundige zorg weg te werken, brengt de bestreden bepaling, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, volgens de Ministerraad geen vermindering met zich mee van het aantal personen dat de verpleegkunde uitoefent. Er is dan ook volgens hem geen sprake van een schending van artikel 23 van de Grondwet. Hij beklemtoont daarbij dat de basisverpleegkundige wel degelijk de verpleegkunde beoefent. A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het derde middel niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op een gelijksoortige wijze als de Ministerraad. Daarnaast betwist zij de stelling van de verzoekende partijen dat de bevoegdheden van de verpleegkundigen wijzigen in de loop van het jaar waarin de personen die een HBO5-opleiding volgen, die opleiding aanvatten, daar de bestreden wet dateert van 28 juni 2023 en dus van vóór de aanvang van academiejaar 2023-
- Zij wijst bovendien erop dat de bekritiseerde overgangsbepaling precies ertoe strekt een plotse wijziging in de bevoegdheden te voorkomen en alle leerlingen en studenten de kans te bieden de verpleegkunde te beoefenen op de manier die hun bij de aanvang van hun opleiding werd voorgehouden. Er is volgens haar dan ook geen sprake van een schending van de beginselen van rechtszekerheid en redelijkheid. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 2 en artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de huidige titel van verpleegkundige aan Richtlijn 2005/36/EG te verduidelijken en de basisverpleegkundige en de klinisch verpleegkundig onderzoeker hierin op te nemen » (hierna : de wet van 28 juni 2023). B.1.
- Artikel 2 van de wet van 28 juni 2023 bepaalt : « Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 ». B.1.
- Artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023 voegt in artikel 45 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 (hierna : de wet van 10 mei 2015), een paragraaf 1/2 in, die luidt als volgt : 8 « Niemand mag, als basisverpleegkundige, de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 binnen de grenzen van de bevoegdheden en de activiteiten die de Koning hem heeft toevertrouwd, uitoefenen als hij niet in het bezit is van een diploma of een titel van basisverpleegkundige die behaald werd na een opleiding van minstens drie studiejaren met ten minste 3800 uur theoretisch en klinisch onderwijs, die uitgedrukt kunnen worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, waarbij de duur van het theoretisch onderwijs ten minste een derde en de duur van het klinisch onderwijs ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding bedraagt. De basisverpleegkundigen in opleiding worden gevormd in het kader van de in paragraaf 1 bedoelde beroepskennis, -vaardigheden en -competenties. De basisverpleegkundige is een beoefenaar van de verpleegkunde die autonoom kan handelen in minder complexe situaties. In complexere situaties werkt hij binnen een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking met de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of met de arts wanneer er geen verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg deel uitmaakt van het zorgteam. De basisverpleegkundige handelt in het kader van de preventie, het behoud en de bevordering van de gezondheid in relatie tot de kwaliteit van leven. De Koning bepaalt, na advies van de Technische Commissie voor Verpleegkunde, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, de verpleegkundige technische verstrekkingen die de basisverpleegkundige kan uitvoeren en de voorwaarden waaronder de basisverpleegkundige deze verstrekkingen kan uitvoeren. Deze beschikking is van toepassing op iedereen die een basisverpleegkundige-opleiding aanvat vanaf het schooljaar of academiejaar 2023-
- Elke persoon die houder is van een diploma of een titel van verpleegkundige en die zijn opleiding tot verpleegkundige heeft aangevangen vóór het school- of academiejaar 2023-2024, mag van rechtswege de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de in paragraaf 1 bedoelde verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg ». B.2.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige heeft willen creëren die « de houders van een diploma verpleegkunde dat niet aan de op Europees niveau vastgestelde minimale opleidingseisen voldoet, toegang geven tot de uitoefening van de verpleegkunde binnen de grenzen van de voor hen vastgestelde bevoegdheden en activiteiten ». Het gaat om de « opleidingen verpleegkunde die overeenstemmen met opleidingsniveau 5 van het Europees kwalificatiekader » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3269/001, pp. 6-7). De wetgever heeft « een opleiding van beoefenaars van de verpleegkunde in het hoger beroepsonderwijs van niveau 5 [willen behouden], maar met een volwaardig eigen profiel dat verschilt van dat van de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg » (ibid., p. 4). 9 B.2.
- De basisverpleegkundige « vormt een aanvulling op de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, die verantwoordelijk is voor de organisatie en coördinatie van de complexere verpleegkundige zorg » (ibid., p. 5). De verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg en de basisverpleegkundige zijn aldus opgevat als « twee verschillende maar complementaire profielen » (ibid.). De beroepstitel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg wordt geregeld in artikel 45, § 1, van de wet van 10 mei 2015, dat sinds de wijziging ervan bij artikel 3 van de wet van 28 juni 2023 bepaalt : « Niemand mag de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 uitoefenen als hij/zij niet in het bezit is van een diploma of een titel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg die behaald werd na een opleiding van ten minste drie studiejaren, die uitgedrukt kunnen worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten. De opleiding van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg bestaat uit ten minste 4600 uur theoretisch en klinisch onderwijs, waarbij de duur van het theoretisch onderwijs ten minste een derde en de duur van het klinisch onderwijs ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding bedraagt. In het kader van het theoretisch onderwijs, verwerven de verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg in opleiding de kennis, vaardigheden en de competenties die krachtens de eerste paragraaf zijn vereist. Deze opleiding wordt gegeven door docenten in de verpleegkunde en andere bevoegde personen in universiteiten, instellingen voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of scholen voor beroepsonderwijs dan wel beroepsopleidingen voor verpleegkunde. In het kader van het klinisch onderwijs, leren de verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg in opleiding in teamverband en in rechtstreeks contact met een gezonde of zieke persoon en/of een gemeenschap, de vereiste algemene verpleegkundige zorgen plannen, verstrekken en beoordelen op grond van verworven kennis, vaardigheden en competenties. De verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg in opleiding leert niet alleen in teamverband werken, maar ook als teamleider op te treden en zich bezig te houden met de organisatie van de algemene verpleegkundige zorgen, waaronder de gezondheidseducatie voor individuen en kleine groepen binnen het kader van instellingen voor gezondheidszorg of in de gemeenschap. [...] ». Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 2023 blijkt dat de wetgever bij die wet de beroepstitel « bedoeld in § 1 van artikel 45 van voormelde wet [heeft willen] preciseren om duidelijker te verwijzen naar de titel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, die overeenstemt met de titel van verpleegkundige bedoeld op Europees niveau 10 en waarvan de opleidingseisen de professionele mobiliteit als verpleegkundige binnen de Europese Unie mogelijk maakt » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3269/001, p. 6). B.3.
- Bij de – na het indienen van het onderhavige beroep – aangenomen wet van 18 mei 2024 « tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, teneinde de hervorming van de verpleegkunde, de afschaffing van de Technische Commissies voor verpleegkunde en de paramedische beroepen en de aanpassing van de taken van de Federale Raden voor verpleegkunde en paramedische beroepen hierin op te nemen » werd het bestreden artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, nog op een aantal punten gewijzigd en aangevuld. Artikel 3 van die wet van 18 mei 2024 bepaalt : « In artikel 45, § 1/2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin : ‘ De initiële inschatting van de mate van de complexiteit van de situatie gebeurt door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of door de arts wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van het team. Zij zorgen ook, wanneer ze dit nodig achten, voor een herbeoordeling van de complexiteit van de situatie. Uitsluitend in het geval van technische prestaties die gedurende een periode van minder dan 24 uur moeten worden uitgevoerd, kan de initiële inschatting van de complexiteit van de situatie worden uitgevoerd door de basisverpleegkundige. ’; 2° in het derde lid, worden de woorden ‘ de Technische Commissie voor Verpleegkunde ’ vervangen door de woorden ‘ de Federale Raad voor Verpleegkunde ’ ». De wet van 18 mei 2024 voorziet ook nog in enkele andere wijzigingen van de bepalingen die deel uitmaken van hoofdstuk 4 (« De uitoefening van de verpleegkunde ») van de wet van 10 mei
- B.3.
- De wet van 18 mei 2024 bevat geen bepaling die de inwerkingtreding ervan regelt en is aldus in werking getreden de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 30 mei
- 11 B.3.
- Hoewel de wet van 18 mei 2024 niet het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep, kan het Hof, in voorkomend geval, rekening houden met de bepalingen van die wet bij de beoordeling van de middelen die worden aangevoerd tegen de bestreden bepalingen van de wet van 28 juni 2023, in zoverre de daarin aangevoerde kritiek betrekking heeft op de uitoefening van de verpleegkunde door de basisverpleegkundigen. Artikel 45, § 1/2, vierde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, bepaalt immers dat de in die paragraaf 1/2 vervatte bepalingen betreffende de basisverpleegkundige, van toepassing zijn op iedereen die een basisverpleegkundige-opleiding aanvat vanaf het schooljaar of academiejaar 2023-
- Die bepaling brengt met zich mee dat de personen die een opleiding van basisverpleegkundige hebben afgerond, het beroep van basisverpleegkundige dienen uit te oefenen binnen een normatief kader, waarvan de bij de wet van 18 mei 2024 doorgevoerde wijzigingen deel uitmaken. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen enkel grieven aanvoeren tegen de invoering van de nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige en niet tegen de wijziging van de beroepstitel « verpleegkundige » naar « verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg » en evenmin tegen de invoering van de beroepstitel van klinisch verpleegkundig onderzoeker. Zij meent dat het beroep om die reden niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 3, 1° tot 6°, en 4 tot 8 van de wet van 28 juni
- B.4.
- Noch uit de algemene omschrijving, in het verzoekschrift, van het voorwerp van het beroep, noch uit de in dat verzoekschrift aangevoerde middelen, kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen de vernietiging zouden vorderen van artikel 3, 1° tot 6°, en 4 tot 8 van de wet van 28 juni
- De door de verzoekende partijen bij het Hof ingediende memorie bevat evenmin een aanwijzing in die zin. Zoals is vermeld in B.1.1, is het beroep tot vernietiging gericht tegen de artikelen 2 en 3, 7°, van de wet van 28 juni
- B.5.
- De Vlaamse Regering voert ook aan dat het beroep niet ontvankelijk is wegens onbevoegdheid van het Hof, in zoverre de verzoekende partijen in hun middelen de 12 rechtstreekse schending, door de bestreden bepalingen, aanvoeren van meerdere internationale normen en van meerdere rechtsbeginselen. B.5.
- Uit de wijze waarop de middelen zijn geformuleerd en nader uitgewerkt in het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering aanvoert, het Hof niet verzoeken om de bestreden bepalingen rechtstreeks te toetsen aan de in die middelen vermelde internationale bepalingen en rechtsbeginselen, maar om die bepalingen te toetsen aan die internationale bepalingen en rechtsbeginselen, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en, in voorkomend geval, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een grondwetsbepaling waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling overigens een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II van de Grondwet, het Hof, bij zijn onderzoek, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. B.
- De voormelde door de Vlaamse Regering aangevoerde excepties worden verworpen. B.7.
- De Vlaamse Regering voert ten slotte nog aan dat de verzoekende partijen niet steeds uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen de in de middelen vermelde referentienormen zouden schenden. B.7.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 13 B.7.
- Het Hof onderzoekt de aangevoerde middelen, in zoverre zij voldoen aan de voormelde vereisten. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 45, § 1/2, tweede en derde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, van de artikelen 10, 11, 12, 14 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 105 ervan, met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), met het lex certa-beginsel, met het wettigheidsbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel. B.
- De verzoekende partijen voeren onder meer aan dat meerdere begrippen die worden gebruikt in artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, onduidelijk zijn, waardoor het niet voorspelbaar is welke handelingen de basisverpleegkundigen wettig mogen stellen. Zij wijzen in dat kader erop dat artikel 124 van de wet van 10 mei 2015 voorziet in strafrechtelijke sancties voor het onwettig uitoefenen van de verpleegkunde, onder meer voor personen die zonder in het bezit te zijn van de vereiste erkenning of zonder te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikelen 45, § 1 en § 1/2, 46/1 en 46/2, één of meer activiteiten van de verpleegkunde zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 1°, uitoefenen met de bedoeling er financieel voordeel uit te halen of gewoonlijk één of meer activiteiten zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 1°, b), 2° en 3°, uitoefenen. De verzoekende partijen voeren aldus in essentie de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken aan. B.10.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : 14 « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». B.10.
- In zoverre zij vereisen dat elk misdrijf bij wet moet worden bepaald, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel. B.11.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om, enerzijds, te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, wetten aan te nemen krachtens welke een straf kan worden vastgelegd en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepalingen en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet 15 worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en, in voorkomend geval, de op te lopen straf kan kennen. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld en welke straffen in voorkomend geval kunnen worden opgelegd, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.11.
- Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met dat beginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. De wetgever kan met name rekening houden met de techniciteit van de aangelegenheid om aan de Koning de bevoegdheid te delegeren teneinde de inhoud van de verplichtingen die hij ten laste legt van personen, gedetailleerd te omschrijven. 16 In dat geval kunnen de beoogde personen, bij de lezing van de wet in samenhang met het koninklijk besluit, weten of het gedrag dat zij aannemen, al dan niet strafbaar is, zodat degene die de feiten begaat, vooraf op zekere wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van zijn daden kan zijn. B.12.
- Volgens de verzoekende partijen is het onder meer niet duidelijk of de basisverpleegkundige een beoefenaar van de verpleegkunde is, dan wel een paramedicus in de zin van artikel 69 van de wet van 10 mei
- Die onduidelijkheid zou voortvloeien uit het feit dat in de Nederlandstalige versie van de bestreden bepaling het begrip « basisverpleegkundige » wordt gebruikt, terwijl in de Franstalige versie het begrip « l’assistant en soins infirmiers » wordt gebruikt. B.12.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 2023 vermeldt : « Meerdere leden hadden vragen bij de gekozen terminologie. Over de terminologie zijn er tijdens de voorbereiding van het wetsontwerp eindeloze discussies geweest. Op een gegeven moment moest er gekozen worden. De benamingen ‘ basisverpleegkundigen ’ en ‘ assistants en soins infirmiers ’ werden in overleg met de vertegenwoordigers van de gemeenschappen en de gewesten gekozen en er werd een consensus bereikt. In Franstalig België werd ervoor gekozen het woord ‘ infirmier ’ niet vooraan te plaatsen, om beter het onderscheid te kunnen maken met de ‘ infirmier responsable de soins généraux ’. De minister wenst te benadrukken dat de benaming ‘ assistant en soins infirmiers ’ werd gekozen na een unaniem verzoek van de Franstalige leden van de Interkabinettenwerkgroep Gezondheidszorgberoepen. [...] De basisverpleegkundige is een beoefenaar van de verpleegkunde, net als de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg. De basisverpleegkundige is geen verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg en zal dus niet ‘ euromobiel ’ zijn » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3269/006, p. 26). B.12.
- Daaruit blijkt niet alleen dat de benamingen « basisverpleegkundige » en « assistant en soins infirmiers » werden gekozen « in overleg met de vertegenwoordigers van de gemeenschappen en de gewesten », maar ook dat de basisverpleegkundige door de wetgever werd opgevat als een beoefenaar van de verpleegkunde. B.12.
- Artikel 45, § 1/2, tweede lid, eerste zin, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, bepaalt uitdrukkelijk dat de basisverpleegkundige een beoefenaar van de verpleegkunde is. 17 Artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015, waarin de nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige wordt geregeld, maakt bovendien deel uit van hoofdstuk 4 (« De uitoefening van de verpleegkunde ») en niet van hoofdstuk 7 (« De uitoefening van de paramedische beroepen ») van die wet. B.12.
- Artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, is aldus, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, voldoende duidelijk wat de aard van het beroep van de basisverpleegkundige betreft. B.13.
- De verzoekende partijen bekritiseren vervolgens het onderscheid dat artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, op het vlak van de bevoegdheden van de basisverpleegkundige maakt tussen « minder complexe situaties » en « complexere situaties ». Het is volgens hen niet duidelijk hoe die begrippen in de praktijk dienen te worden geïnterpreteerd en toegepast. B.13.
- Volgens artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, kan de basisverpleegkundige autonoom handelen in minder complexe situaties, terwijl hij in complexere situaties werkt binnen een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking met de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of met de arts wanneer er geen verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg deel uitmaakt van het zorgteam. B.13.
- Zoals is vermeld in B.3.1 tot B.3.3, werd artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, aangevuld bij artikel 3 van de wet van 18 mei 2024 en kan het Hof, om de in die overwegingen vermelde redenen, te dezen rekening houden met die aanvulling. Volgens de bepalingen waarmee artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 werd aangevuld, gebeurt de initiële inschatting van de mate van de complexiteit van de situatie door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of door de arts wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van het team. Zij zorgen ook, wanneer ze dit nodig achten, voor een herbeoordeling van de complexiteit van de situatie. Uitsluitend in het geval van technische prestaties die gedurende een periode van minder 18 dan 24 uur moeten worden uitgevoerd, kan de initiële inschatting van de complexiteit van de situatie worden uitgevoerd door de basisverpleegkundige. B.13.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 2023 vermeldt : « Het is inderdaad niet eenvoudig te bepalen of al dan niet sprake is van complexiteit. Dat hangt van veel factoren af en onder meer van de complexiteit van de eigenlijke zorg, van de kenmerken van de patiënt, van de samenstelling van het team, alsook van de planbaarheid en de voorspelbaarheid van de zorg. De complexiteit van de zorg houdt geen verband met een specifieke sector. Sommige wondzorg, bijvoorbeeld in een rusthuis of bij thuiszorg, vergt veel expertise. Er bestaat geen schaal om de complexiteit van een zorgsituatie objectief in te schatten. [...] De [Federale Raad voor Verpleegkunde] en de [Technische Commissie voor Verpleegkunde] bevelen aan om stelselmatig af te gaan op het klinische oordeel van de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3269/006, p. 31). B.13.
- Volgens artikel 45, § 1/2, derde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, bepaalt de Koning, na advies van de Technische Commissie voor Verpleegkunde, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, de verpleegkundige technische verstrekkingen die de basisverpleegkundige kan uitvoeren en de voorwaarden waaronder de basisverpleegkundige die verstrekkingen kan uitvoeren. Aan die bepaling werd uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 20 september 2023 « bepalende de lijst van de verpleegkundige technische verstrekkingen betreffende de basisverpleegkundige, alsmede hun uitoefeningsvoorwaarden » (hierna : het koninklijk besluit van 20 september 2023), dat later nog werd gewijzigd bij een koninklijk besluit van 14 april
- Het koninklijk besluit van 20 september 2023 stelt, in de bijlage ervan, de lijst vast met de activiteiten die de basisverpleegkundige mag uitoefenen, zonder voorschrift van de arts (B1) of met een voorschrift van de arts (B2). Die lijst is gebaseerd op de lijst van bijlage I bij het koninklijk besluit van 18 juni 1990 « houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts of een tandarts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van 19 uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen », hoewel zij ervan verschilt. Aldus kunnen de basisverpleegkundigen, bij de gecombineerde lezing van beide lijsten, weten welke verpleegkundige technische verstrekkingen hoe dan ook verboden zijn voor hen, ongeacht de mate van complexiteit van de situatie. De wijze van uitvoering van de in die lijst bedoelde verpleegkundige technische verstrekkingen wordt gepreciseerd op grond van de complexiteit van de situatie. Met betrekking tot de « complexere situaties » bepaalt artikel 2, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 september 2023 dat de basisverpleegkundige de zorgen uitvoert zoals aangegeven in het verpleegplan opgesteld door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg die de verpleegdiagnose stelt en dat dat verpleegplan de grenzen waarbinnen de basisverpleegkundige zelf elementen uit het verpleegplan kan aanpassen, dient te vermelden. Met betrekking tot de « technische prestaties die gedurende een periode van minder dan 24 uur moeten worden uitgevoerd » bepaalt artikel 2, § 3, tweede lid, van dat koninklijk besluit dat de basisverpleegkundige, zonder de initiële evaluatie door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of door de arts wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van het zorgteam, de zorg kan opstarten en dit op basis van een standaardverpleegplan, rekening houdend met de gezondheidstoestand van de patiënt en de zorgcontext en binnen de grenzen van zijn/haar bevoegdheden. De evaluatie van de toestand van de patiënt door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg en/of de arts dient zo spoedig mogelijk te volgen. B.13.
- Uit het voorgaande volgt dat de wetgever op het vlak van de bevoegdheid van de basisverpleegkundige om autonoom te handelen, een onderscheid heeft ingevoerd, naargelang de complexiteit van de zorgsituatie, waarbij het toekomt aan de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of de arts, wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van het zorgteam, om de complexiteit van de zorgsituatie in te schatten. Wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of de arts van oordeel is dat het gaat om een minder complexe situatie, kan de basisverpleegkundige autonoom handelen. Wanneer die verpleegkundige of arts van oordeel is dat het gaat om een complexere situatie, dan dient de basisverpleegkundige te werken binnen 20 een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking met de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of met de arts, wanneer er geen verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg deel uitmaakt van het zorgteam. In het geval van technische prestaties die gedurende een periode van minder dan 24 uur moeten worden uitgevoerd, kan de initiële inschatting van de complexiteit van de situatie echter gebeuren door de basisverpleegkundige. Artikel 45, § 1/2, eerste lid, van de wet van 10 mei 2015 verwijst met betrekking tot de uitoefening van de verpleegkunde door de basisverpleegkundigen naar artikel 46 van die wet, waarin wordt omschreven wat onder « de uitoefening van de verpleegkunde » dient te worden begrepen. De wetgever heeft aldus de essentiële elementen van het handelen van de basisverpleegkundige op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze geregeld. B.13.
- Zoals is vermeld in B.11.2, is een delegatie aan de Koning niet in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Te dezen bevat artikel 45, § 1/2, derde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, een voldoende nauwkeurig omschreven machtiging aan de Koning, die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de door de wetgever vastgestelde essentiële elementen van het handelen van de basisverpleegkundige. Door te bepalen dat de basisverpleegkundige in « complexere situaties » de zorgen dient uit te voeren zoals aangegeven in het verpleegplan dat is opgesteld door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, evenals dat de basisverpleegkundige in geval van « technische prestaties die gedurende een periode van minder dan 24 uur moeten worden uitgevoerd » de zorg dient op te starten op basis van een standaardverpleegplan, draagt het ter uitvoering van de voormelde wetsbepaling genomen koninklijk besluit van 20 september 2023 bij tot de duidelijkheid en voorspelbaarheid van het in de bestreden bepaling gemaakte onderscheid tussen « minder complexe situaties » en « complexere situaties ». 21 B.13.
- Artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, is aldus, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, voldoende duidelijk en nauwkeurig wat het handelen van de basisverpleegkundige betreft in « minder complexe situaties » en in « complexere situaties ». B.14.
- De verzoekende partijen voeren ook aan dat het niet duidelijk is wat moet worden begrepen onder de in artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, vervatte woorden « autonoom », « zorgteam » en « binnen een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking [werken] ». B.14.
- De in de wetskrachtige normen gebruikte woorden dienen, behoudens bij aanwijzingen in tegenovergestelde zin, in hun gangbare betekenis te worden geïnterpreteerd. In zoverre de bestreden bepaling erin voorziet dat de basisverpleegkundige « autonoom » kan handelen in minder complexe situaties, houdt die bepaling in de gangbare betekenis ervan in dat de basisverpleegkundige in die situaties zelfstandig kan handelen. Noch de andere bepalingen van de wet van 10 mei 2015, noch de parlementaire voorbereiding ervan, bevatten enige aanwijzing dat het begrip « autonoom » te dezen anders dient te worden geïnterpreteerd. Uit de algemene opzet van de bestreden bepaling blijkt overigens dat het « autonoom » handelen van de basisverpleegkundige in minder complexe situaties, dient te worden begrepen in contrast met het « binnen een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking » werken met de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of met een arts in complexere situaties. In laatstgenoemde situaties kan de basisverpleegkundige aldus niet autonoom handelen en dient hij, zoals is vermeld in B.13.5, de zorgen uit te voeren zoals aangegeven in het verpleegplan opgesteld door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg. Uit artikel 3, vierde lid, van het koninklijk besluit van 20 september 2023 blijkt dat, wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van het zorgteam, het aan de arts staat om het verpleegplan op te stellen. 22 B.14.
- In zijn gangbare betekenis houdt het begrip « zorgteam » een groep van personen in die instaan voor het verzorgen van een patiënt of van meerdere patiënten. Rekening houdend met de algemene opzet van de wet van 10 mei 2015 en meer in het bijzonder van de bestreden bepalingen, bestaat een zorgteam uit personen die beroepsmatig de gezondheidszorg beoefenen en dient een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, of bij gebrek aan die verpleegkundige, een arts deel uit te maken van dat team. Het begrip « gestructureerd zorgteam » wordt overigens in artikel 47/1, vierde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 18 mei 2024, gedefinieerd als « een vooraf gedefinieerd team dat is samengesteld uit in deze wet bedoelde gezondheidszorgbeoefenaars die samen en op een gecoördineerde wijze de zorg opnemen voor een vooraf bepaalde groep van patiënten of een vooraf bepaald type van zorg », waarbij onder « zorg » moet worden verstaan « de uitvoering van activiteiten met betrekking tot het stellen van een diagnose, de uitvoering van een voorgeschreven behandeling of maatregelen in verband met preventieve geneeskunde », en onder « op een gecoördineerde wijze » moet worden verstaan « dat de leden van het gestructureerd zorgteam werken op basis van een gedeeld patiëntendossier en op basis van afspraken omtrent het uitvoeren van zorgen in het kader van het zorgplan, de continuïteit en permanentie van praktijkvoering, en patiëntenoverleg ». In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is het begrip « zorgteam » aldus voldoende duidelijk en nauwkeurig. B.
- Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 op een voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze de handelingen omschrijft die de basisverpleegkundigen vermogen te stellen. Die bepaling laat de basisverpleegkundigen aldus toe te weten voor welke handelingen en welke verzuimen zij strafrechtelijk en burgerrechtelijk aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld. B.
- In zoverre het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is het niet gegrond. 23 B.
- In zoverre de verzoekende partijen de schending van het lex certa-beginsel, het wettigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, aanvoeren, doordat artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 op een onvoldoende duidelijke en nauwkeurige wijze de handelingen zou omschrijven die de basisverpleegkundigen vermogen te stellen, volstaat het te constateren dat de voormelde beginselen op het vlak van de vereisten van nauwkeurige en duidelijke formulering van de wetskrachtige normen, geen ruimere waarborgen bieden dan de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Het eerste middel is aldus evenmin gegrond, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de voormelde beginselen, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet. B.18.
- De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de in artikel 45, § 1/2, derde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, aan de Koning verleende machtiging in strijd is met artikel 105 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan. Zij bekritiseren dat de Koning de bevoegdheid wordt verleend om de verpleegkundige technische verstrekkingen die de basisverpleegkundige kan uitvoeren en de voorwaarden waaronder de basisverpleegkundige die verstrekkingen kan uitvoeren, te bepalen. Zij doen gelden dat de Koning aldus de bevoegdheid wordt verleend om essentiële elementen van de regeling betreffende de bevoegdheden van de basisverpleegkundigen, zoals de precieze draagwijdte van de woorden « minder complexe situaties » en « complexere situaties », te regelen. B.18.
- Artikel 105 van de Grondwet bepaalt : « De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen ». B.18.
- Wanneer een specifieke grondwetsbepaling, zoals artikel 12 van de Grondwet, de waarborg biedt dat over de essentiële elementen van een bepaalde aangelegenheid door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering dient te worden beslist, wordt de waarborg 24 van de overige bepalingen die de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht regelen, zoals de waarborg vervat in artikel 105 van de Grondwet, daardoor opgeslorpt. B.18.
- Zoals is vermeld in B.13.7, is de in de bestreden bepaling vervatte machtiging aan de Koning niet in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd door artikel 12 van de Grondwet, daar die machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de door de wetgever vastgestelde essentiële aspecten van het handelen van de basisverpleegkundige. Artikel 105 van de Grondwet bevat op het vlak van de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht geen ruimere waarborgen. B.18.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 105 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het eerste middel niet gegrond. B.19.
- De verzoekende partijen voeren ook aan dat artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest en dat het afbreuk doet aan het recht op bescherming van de gezondheid en geneeskundige bijstand dat is gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. Die andere grieven zijn alle gebaseerd op het bestaan van onduidelijkheden in de bestreden bepaling. B.19.
- Aangezien, zoals in B.12.1 tot B.15 is vermeld, artikel 45, § 1/2, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 niet de door de verzoekende partijen aangevoerde onduidelijkheden bevat en de handelingen die de basisverpleegkundige mag stellen voldoende duidelijk en precies definieert, dienen die grieven ongegrond te worden verklaard. B.
- Het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het tweede middel B.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 2 van de wet van 28 juni 2023 en artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de 25 wet van 28 juni 2023, van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 « betreffende de erkenning van beroepskwalificaties » (hierna : de richtlijn 2005/36/EG), met de artikelen 4, 6, 7 en 8 van de richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 « betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/958), met de artikelen 20 en 21 van het Handvest en met de beginselen van evenredigheid en redelijkheid. B.
- In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welke zin de bestreden bepalingen de artikelen 4, 6, 7 en 8 van de richtlijn (EU) 2018/958 en de beginselen van evenredigheid en redelijkheid zouden schenden. Overeenkomstig met wat is vermeld in B.7.3, onderzoekt het Hof het tweede middel enkel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG en met de artikelen 20 en 21 van het Handvest. B.
- De verzoekende partijen voeren onder meer aan dat artikel 2 van de wet van 28 juni 2023 en artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015 in strijd zijn met de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar de bestreden bepalingen de personen die een opleiding tot basisverpleegkundige hebben gevolgd, machtigen om de verpleegkunde uit te oefenen, ook wanneer die opleiding niet voldoet aan de minimale vereisten die de voormelde bepalingen van de richtlijn 2005/36/EG op dat vlak stellen. B.24.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.24.
- De artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG maken deel uit van hoofdstuk III (« Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen ») van titel III (« Vrijheid van vestiging ») van die richtlijn. Dat hoofdstuk regelt het beginsel van de automatische erkenning van opleidingstitels binnen de lidstaten van de Europese Unie. 26 B.24.
- Artikel 31, lid 3, van de richtlijn 2005/36/EG, zoals laatst gewijzigd bij de richtlijn 2013/55/EU, bepaalt : « De opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger omvat in totaal ten minste drie studiejaren, die daarnaast kunnen worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, bestaande uit ten minste 4 600 uur theoretisch en klinisch onderwijs, waarbij de duur van het theoretisch onderwijs ten minste een derde en die van het klinisch onderwijs ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding bedraagt. De lidstaten kunnen gedeeltelijke vrijstelling verlenen aan beroepsbeoefenaren die een deel van deze opleiding hebben gevolgd in het kader van andere opleidingen van ten minste gelijkwaardig niveau. De lidstaten zien erop toe dat de met de verplegersopleiding belaste instelling verantwoordelijk is voor de coördinatie tussen theoretisch en klinisch onderwijs gedurende het gehele studieprogramma ». Artikel 32 van de richtlijn 2005/36/EG bepaalt : « Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de beroepswerkzaamheden van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger die welke onder de in bijlage V, punt 5.2.2, genoemde beroepstitels worden uitgeoefend ». B.25.
- Het bestreden artikel 2 van de wet van 28 juni 2023 bepaalt dat die wet voorziet « in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2005/36/EG [...], laatstelijk [lees : laatst] gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 ». Volgens het bestreden artikel 45, § 1/2, eerste lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, mag niemand, als basisverpleegkundige, de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 binnen de grenzen van de bevoegdheden en de activiteiten die de Koning hem heeft toevertrouwd, uitoefenen als hij niet in het bezit is van een diploma of een titel van basisverpleegkundige die behaald werd na « een opleiding van minstens drie studiejaren met ten minste 3800 uur theoretisch en klinisch onderwijs, die uitgedrukt kunnen worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, waarbij de duur van het theoretisch onderwijs ten minste een derde en de duur van het klinisch onderwijs ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding bedraagt ». 27 B.25.
- Terwijl de opleiding waarvan sprake in artikel 45, § 1/2, eerste lid, van de wet van 10 mei 2015 een opleiding betreft van minstens drie studiejaren met ten minste 3 800 uur theoretisch en klinisch onderwijs, betreft de opleiding waarvan sprake in artikel 31, lid 3, van de richtlijn 2005/36/EG een opleiding van minstens drie studiejaren met ten minste 4 600 uur theoretisch en klinisch onderwijs. B.26.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 2023 vermeldt : « Ter herinnering, de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 werd reeds gewijzigd bij de omzetting van de Europese Richtlijn 2013/55 in Belgisch recht. Richtlijn 2013/55 was een herziening van richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties binnen de Europese Unie waarbij een lijst van basiscompetenties en minimale opleidingseisen werd opgenomen die op Europees niveau vereist zijn voor het verpleegkundig beroep. Artikel 45 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de toegang tot het verpleegkundig beroep werd dan ook aangepast bij het koninklijk besluit van 27 juni 2016 teneinde hierin de basiscompetenties en minimale opleidingseisen op te nemen die op Europees niveau zijn vastgesteld om toegang te krijgen tot de titel van verpleegkundige en van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg in het bijzonder. Ondanks deze wijziging heeft de Europese Commissie België al meermaals in gebreke gesteld en een inbreukprocedure tegen België ingeleid, in het bijzonder wat betreft de inhoud van bepaalde opleidingsprogramma’s die in België door de Gemeenschappen voor het verpleegkundig beroep worden georganiseerd en dit ondanks de omzetting van deze laatste in federale wetgeving, omdat de Commissie van oordeel is dat bepaalde programma’s van deze opleidingen die toegang geven tot de titel van verpleegkundige niet voldoen aan de minimale opleidingseisen die in artikel 45 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 zijn vastgesteld en die vereist zijn voor de titel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg zoals gedefinieerd in de Richtlijn. Daarom werd in het regeerakkoord beslist om deze kwestie samen met de Gemeenschappen die bevoegd zijn voor onderwijs te bekijken om een oplossing te vinden voor de opleidingen die door de ingebrekestellingsprocedure van de Europese Commissie worden geviseerd. [...] [...] Dit ontwerp wil daarom de titel bedoeld in § 1 van artikel 45 van voormelde wet preciseren om duidelijker te verwijzen naar de titel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, die overeenstemt met de titel van verpleegkundige bedoeld op Europees niveau en waarvan de opleidingseisen de professionele mobiliteit als verpleegkundige binnen de Europese Unie mogelijk maakt. Daarnaast creëert dit ontwerp een nieuwe beroepstitel van ‘ basisverpleegkundige ’ in de gecoördineerde wet van 10 mei
- Deze nieuwe titel zal de houders van een diploma verpleegkunde dat niet aan de op Europees niveau vastgestelde minimale opleidingseisen voldoet, toegang geven tot de uitoefening van de verpleegkunde binnen de grenzen van de voor 28 hen vastgestelde bevoegdheden en activiteiten. Het betreft hier opleidingen verpleegkunde die overeenstemmen met opleidingsniveau 5 van het Europees kwalificatiekader. Er is een overgangsmaatregel voorzien zodat personen die houder zijn van een diploma of een titel van verpleegkundige en die hun opleiding tot verpleegkundige hebben aangevangen vóór het school- of academiejaar 2023-2024 kunnen genieten van verworven rechten en hun uitoefening van de verpleegkunde kunnen behouden onder de omstandigheden die ze tot nu toe kenden. Deze nieuwe bepaling zal bijgevolg van toepassing zijn op toekomstige afgestudeerden van niveau 5 die niet voldoen aan de voorwaarden van de Europese richtlijn voor het verkrijgen van de titel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg en die na de inwerkingtreding van deze nieuwe titel zullen afstuderen. Als houders van een diploma van basisverpleegkundige willen doorstromen naar een diploma van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg dat de weg opent naar professionele mobiliteit binnen de Europese Unie, zullen ze een brugopleiding kunnen volgen. Op deze manier worden de functiemodellen van de algemene verpleegkundige zorg aangevuld met een nieuwe functie tussen zorgkundigen en verpleegkundigen verantwoordelijke voor algemene zorg » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3269/001, pp. 5-7). B.26.
- Daaruit blijkt dat de wetgever, na te hebben vastgesteld dat de Belgische Staat reeds meermaals door de Europese Commissie in gebreke was gesteld met betrekking tot « de inhoud van bepaalde opleidingsprogramma’s die in België door de Gemeenschappen voor het verpleegkundig beroep worden georganiseerd », het aangewezen heeft geacht om naast de beroepstitel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg een nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige in het leven te roepen. De beroepstitel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg wordt toegekend aan personen die een opleiding hebben gevolgd die voldoet aan de minimumvereisten van artikel 31, lid 3, van de richtlijn 2005/36/EG en maakt « de professionele mobiliteit als verpleegkundige binnen de Europese Unie mogelijk ». De beroepstitel van basisverpleegkundige wordt toegekend aan « de houders van een diploma verpleegkunde dat niet aan de op Europees niveau vastgestelde minimale opleidingseisen voldoet ». In tegenstelling tot de beroepstitel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, opent die beroepstitel niet automatisch « de weg [...] naar professionele mobiliteit binnen de Europese Unie », zij het dat de houders van die beroepstitel « een brugopleiding [zullen] kunnen volgen » met het oog op het behalen van een diploma dat de automatische erkenning binnen de Europese Unie mogelijk maakt. 29 B.26.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juni 2023 blijkt voorts dat de nieuwe beroepstitel van basisverpleegkundige mede is ingegeven door bezorgdheden betreffende het tekort aan verpleegkundigen op de arbeidsmarkt. Op een in de Kamer van volksvertegenwoordigers gestelde vraag betreffende de keuze om in een nieuwe functie binnen de verpleegkunde te voorzien, eerder dan het Euroconform maken van de opleiding hoger beroepsonderwijs van niveau 5, antwoordde de bevoegde minister : « Het is aan de deelstaten, die bevoegd zijn voor Onderwijs, om te garanderen dat de opleiding ook effectief aan deze voorwaarden [lees : de voorwaarden van het recht van de Europese Unie] voldoet. Indien de minister van Onderwijs deze keuze zou willen maken, moet dus wellicht niet alleen de duur van de opleiding verlengd worden, maar moet ook de inhoud van de opleiding versterkt worden. In de huidige HBO5-opleiding haakt zo’n 50 % van de studenten af omdat de opleiding te zwaar is. Een verdere verlenging van de duur van de opleiding schrikt sommige geïnteresseerde studenten misschien af. We hebben alle handen nodig en een kortere, maar voldoende kwalitatieve, opleiding – met ook brugopleidingen die verdere doorstroming mogelijk maken – lijkt de minister een interessant gegeven. [...] [...] De differentiatie tussen de profielen, samen met de creatie van haalbare en toegankelijke brugopleidingen, creëert de mogelijkheid van een brede instroom binnen het verpleegkundig beroep » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3269/006, pp. 24-25). B.27.
- Artikel 1 van de richtlijn 2005/36/EG bepaalt dat die richtlijn de regels vaststelt volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (de ontvangende lidstaat), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (de lidstaat van oorsprong) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep. B.27.
- De richtlijn 2005/36/EG beoogt aldus de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat van de Europese Unie de in een andere lidstaat verworven beroepskwalificaties dient te erkennen voor de toegang tot en de uitoefening van een beroep op zijn grondgebied. Die richtlijn verbiedt de lidstaten van de Europese Unie in beginsel niet om een nieuw gereglementeerd beroep in het leven te roepen dat niet voldoet aan de in die richtlijn vervatte vereisten voor de automatische erkenning op basis van de coördinatie van de 30 minimumopleidingseisen, en waarvan de beroepstitel niet behoort tot de in bijlage V, punt 5.2.2, van die richtlijn genoemde beroepstitels. B.28.
- Uit de in B.26.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om de beroepstitel van verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg te concipiëren als een beroepstitel die « overeenstemt met de titel van verpleegkundige bedoeld op Europees niveau en waarvan de opleidingseisen de professionele mobiliteit als verpleegkundige binnen de Europese Unie mogelijk maakt ». Wat de nieuw in het leven geroepen beroepstitel van basisverpleegkundige betreft, heeft de wetgever evenwel niet de bedoeling gehad die beroepstitel te concipiëren als een beroepstitel die voldoet aan de vereisten van de artikelen 31 en 32 van de richtlijn 2005/36/EG. Die beroepstitel geeft aldus geen aanleiding tot de in die richtlijn geregelde automatische erkenning van beroepskwalificaties binnen de Europese Unie. B.28.
- De loutere omstandigheid dat de beroepstitel van basisverpleegkundige niet valt onder het in de richtlijn 2005/36/EG vervatte systeem van automatische erkenning van beroepstitels, ontzegt de houder van die beroepstitel evenwel niet elke vorm van professionele mobiliteit tussen de lidstaten van de Europese Unie. De richtlijn 2005/36/EG bevat immers, naast het systeem van automatische erkenning van beroepstitels, ook een algemeen stelsel (hoofdstuk I van titel III van de richtlijn) van erkenning, door de ontvangende lidstaat, van in een andere lidstaat verworven beroepskwalificaties, waarbij de betrokkenen dienen aan te tonen dat zij over de vereiste beroepskwalificaties beschikken en de ontvangende lidstaat de mogelijkheid heeft om compenserende maatregelen, zoals een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid, op te leggen. Uit de in B.26.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt bovendien dat de houders van de beroepstitel van basisverpleegkundige een « brugopleiding [zullen] kunnen volgen » met het oog op het behalen van een diploma dat toegang geeft tot de automatische erkenning van de behaalde beroepstitel binnen de Europese Unie. B.29.
- Daar de wetgever de beroepstitel van basisverpleegkundige niet heeft geconcipieerd als een beroepstitel die recht geeft op automatische erkenning door een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de richtlijn 2005/36/EG, schendt artikel 45, 31 § 1/2, eerste lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, niet de artikelen 31, lid 3, en 32 van de richtlijn 2005/36/EG, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voor het uitoefenen van de taken en de bevoegdheden van de basisverpleegkundige een opleiding vereist van minstens drie studiejaren met ten minste 3 800 uur theoretisch en klinisch onderwijs. B.29.
- De verzoekende partijen leiden uit de artikelen 20 en 21 van het Handvest geen andere argumenten af dan die welke zij afleiden uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Een toetsing aan die internationale bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, leidt bijgevolg niet tot een ander besluit. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 31, lid 3, en 32 van de richtlijn 2005/36/EG en met de artikelen 20 en 21 van het Handvest, is het tweede middel niet gegrond. B.
- De verzoekende partijen voeren ook aan dat artikel 45, § 1/2, eerste lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet schendt, doordat de kwaliteit van de verpleegkunde daalt ten gevolge van het feit dat basisverpleegkundigen die een opleiding hebben gevolgd die niet voldoet aan de vereisten van artikel 31, lid 3, van de richtlijn 2005/36/EG, in bepaalde omstandigheden de verpleegkunde autonoom mogen uitoefenen. B.32.
- Zoals is vermeld in B.13.2 e.v., kunnen de basisverpleegkundigen de verpleegkunde slechts autonoom uitoefenen in minder complexe situaties, waarbij de inschatting van de complexiteitsgraad van de situatie gebeurt door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of door de arts wanneer de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van het team. Daarnaast kunnen de basisverpleegkundigen autonoom technische prestaties verrichten die gedurende een periode van minder dan 24 uur moeten worden uitgevoerd en dit op basis van een standaardverpleegplan. In complexere situaties dienen de basisverpleegkundigen echter te werken binnen een gestructureerd zorgteam in nauwe samenwerking met de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of met de arts wanneer er geen verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg deel uitmaakt van het zorgteam, en dienen zij de zorgen uit te voeren zoals aangegeven in het verpleegplan dat is opgesteld door de verpleegkundige 32 verantwoordelijk voor algemene zorg of de arts wanneer er geen verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg deel uitmaakt van het zorgteam. B.32.
- Uit niets blijkt dat de aldus bepaalde taken en bevoegdheden van de basisverpleegkundigen kunnen leiden tot een algemene daling van de kwaliteit van de verpleegkunde en tot een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het door artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet gewaarborgde recht op bescherming van de gezondheid en op geneeskundige bijstand. De wetgever heeft, zoals blijkt uit de in B.26.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding, integendeel willen voorkomen dat de kwaliteit van de zorg voor de patiënten zou dalen, door tegemoet te komen aan de bezorgdheden betreffende het tekort aan verpleegkundigen op de arbeidsmarkt. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 31, lid 3, en 32 van de richtlijn 2005/36/EG, is het tweede middel niet gegrond. B.
- Het tweede middel is niet gegrond. Wat het derde middel betreft B.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest en met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en redelijkheid. B.
- De verzoekende partijen voeren onder meer aan dat artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en redelijkheid, schendt, doordat de erin vervatte overgangsregeling een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen verpleegkundigen die een opleiding hoger beroepsonderwijs van niveau 5 (HBO5) hebben 33 gevolgd, naar gelang zij vóór, dan wel vanaf het schooljaar of academiejaar 2023-2024 die opleiding hebben aangevat. B.
- De toetsing van de bestreden bepaling aan de beginselen van evenredigheid en redelijkheid voegt niets toe aan de toetsing van die bepaling aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De beginselen van evenredigheid en redelijkheid maken immers deel uit van het toetsingskader van het door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.38.
- Volgens artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015, zoals ingevoegd bij artikel 3, 7°, van de wet van 28 juni 2023, zijn de in artikel 45, § 1/2, van de wet van 10 mei 2015 vervatte bepalingen van toepassing op iedereen die een basisverpleegkundige- opleiding aanvat vanaf het school- of academiejaar 2023-2024 en mag elke persoon die houder is van een diploma of een titel van verpleegkundige en die zijn opleiding tot verpleegkundige heeft aangevat vóór het school- of academiejaar 2023-2024, van rechtswege de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 van de wet van 10 mei 2015 uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de in artikel 45, § 1, van dezelfde wet bedoelde verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg. B.38.
- Artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015 roept aldus een verschil in behandeling in het leven tussen verpleegkundigen die een opleiding van niveau 5 hebben gevolgd, naar gelang zij die opleiding hebben aangevat vóór dan wel vanaf het school- of academiejaar 2023-2024 : terwijl de personen die de opleiding hebben aangevat vanaf het school- of academiejaar 2023-2024, de verpleegkunde dienen uit te oefenen onder de wettelijke voorwaarden die gelden voor de basisverpleegkundigen, kunnen de personen die de opleiding hebben aangevat vóór het school- of academiejaar 2023-2024 de verpleegkunde uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg. B.
- Het staat in beginsel aan de wetgever te beoordelen of een wetswijziging moet samengaan met overgangsmaatregelen teneinde rekening te houden met de rechtmatige verwachtingen van de betrokken personen en het komt hem toe te bepalen onder welke voorwaarden en binnen welke termijnen ten aanzien van die personen van de nieuwe bepaling zal worden afgeweken. 34 Inherent aan een overgangsregeling is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van die regeling vallen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van een nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid houdt op zich geen schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet : elke overgangsbepaling zou onmogelijk zijn, indien zou worden aangenomen dat zulke bepalingen de voormelde grondwetsbepalingen zouden schenden om de enkele reden dat zij afwijken van de toepassingsvoorwaarden van de nieuwe wetgeving. Overgangsmaatregelen moeten echter algemeen zijn en gebaseerd zijn op objectieve en pertinente criteria die verantwoorden waarom voor sommige personen tijdelijk maatregelen gelden die afwijken van de regeling die door de nieuwe norm is vastgesteld. B.40.
- De in de bestreden bepaling vervatte overgangsregeling is algemeen van aard en gebaseerd op een objectief criterium, meer bepaald de datum waarop de opleiding van niveau 5 tot verpleegkundige wordt aangevat. B.40.
- Uit de in B.26.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat die overgangsregeling is ingegeven door de bedoeling de « verworven rechten » van de « personen die houder zijn van een diploma of een titel van verpleegkundige en die hun opleiding tot verpleegkundige hebben aangevangen vóór het school- of academiejaar 2023-2024 » te vrijwaren, evenals te waarborgen dat die personen de verpleegkunde kunnen blijven uitoefenen « onder de omstandigheden die ze tot nu toe kenden ». De wetgever blijkt aldus te hebben willen tegemoetkomen aan de rechtmatige verwachtingen van de betrokken personen. B.40.
- Ermee rekening houdend dat vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen de personen die een opleiding van niveau 5 tot verpleegkundige hadden gevolgd, gerechtigd waren om de verpleegkunde uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de personen die een opleiding van niveau 6 tot verpleegkundige hadden gevolgd, vermocht de wetgever het aangewezen achten om de « verworven rechten » en de rechtmatige verwachtingen te vrijwaren van de personen die, na het volgen van een opleiding van niveau 5, het beroep van verpleegkundige reeds uitoefenden vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. Hij vermocht eveneens van oordeel te zijn dat de personen die vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen een opleiding van niveau 5 tot verpleegkundige 35 hadden aangevat, rechtmatig ervan mochten uitgaan dat hun opleiding toegang zou verlenen tot de uitoefening van de verpleegkunde onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de personen die een opleiding van niveau 6 hebben gevolgd. B.40.
- Daar de wet van 28 juni 2023 in werking is getreden in de loop van het school- en academiejaar 2022-2023 en vóór de aanvang van het school- en academiejaar 2023-2024, meer bepaald op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 2023, is het criterium betreffende de aanvang van de opleiding vóór dan wel vanaf het school- of academiejaar 2023-2024 pertinent ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen ter zake aanvoeren, wijzigen de bevoegdheden van de verpleegkundigen aldus niet in de loop van het school- of academiejaar waarin ze de opleiding aanvatten en doet de bestreden bepaling op dat punt geen afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel. B.40.
- De in de bestreden bepaling vervatte overgangsregeling wordt redelijk verantwoord door de door de wetgever nagestreefde doelstellingen betreffende het vrijwaren van de « verworven rechten » en de rechtmatige verwachtingen van de betrokken personen en schendt aldus niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel. B.
- De verzoekende partijen leiden uit de artikelen 20 en 21 van het Handvest geen andere argumenten af dan die welke zij afleiden uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Een toetsing aan die internationale bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, leidt bijgevolg niet tot een ander besluit. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest en met het rechtszekerheidsbeginsel, is het derde middel niet gegrond. B.
- De verzoekende partijen voeren ook aan dat de in de bestreden bepaling vervatte overgangsregeling in strijd is met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, doordat het met die bepaling in het leven geroepen verschil in behandeling ertoe leidt dat het stellen van verpleegkundige handelingen door personen die een opleiding van niveau 5 tot verpleegkundige hebben gevolgd, in 36 tegenstelling tot voorheen, aan beperkingen is onderworpen, waardoor het zorgaanbod voor de patiënt verkleint en het beschermingsniveau van het recht op bescherming van de gezondheid en op geneeskundige bijstand vermindert. B.
- Het feit dat het stellen van verpleegkundige handelingen door personen die een opleiding van niveau 5 tot basisverpleegkundige hebben gevolgd, aan beperkingen is onderworpen, vloeit niet voort uit de in artikel 45, § 1/2, vierde en vijfde lid, van de wet van 10 mei 2015 vervatte overgangsregeling, maar uit de in artikel 45, § 1/2, eerste, tweede en derde lid, van die wet vervatte regeling van de taken en de bevoegdheden van de basisverpleegkundigen. De verzoekende partijen tonen overigens op geen enkele wijze aan dat in artikel 45, § 1/2, eerste, tweede en derde lid, van de wet van 10 mei 2015 geregelde taken en bevoegdheden van de basisverpleegkundigen zullen leiden tot een algemene daling van de kwaliteit van de verpleegkunde en tot een aanzienlijk vermindering van het beschermingsniveau van het door artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet gewaarborgde recht op bescherming van de gezondheid en op geneeskundige bijstand. Zoals reeds is vastgesteld in B.32.2, is de wetgever met de wet van 28 juni 2023 integendeel tegemoet willen komen aan de bezorgdheden betreffende het tekort aan verpleegkundigen op de arbeidsmarkt en heeft hij aldus willen voorkomen dat de kwaliteit van de zorg voor de patiënten zou dalen. B.
- In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, is het derde middel niet gegrond. B.
- Het derde middel is niet gegrond. 37 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 februari
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.024 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div